_Boernoe_ of _boernoes_ is, volgens van Dale, „Nieuw Ned. Wdbk.”: „een

Arabische mantel van witte wollen stof met een kap, zooals de Mooren in

Noord-Afrika dien dragen”, en voorts ook: „een soort van nieuwerwetschen

vrouwenmantel van soortgelijke snede”. Hierbij verdient alleen te worden

opgemerkt, dat de _boernoes_ noch uitsluitend wit, noch uitsluitend van

wol is, noch uitsluitend door de Mooren gedragen wordt. _Boernoes_ is

het Arabische _bornos_ of _boernoes_, waarover wij een uitmuntend

artikel vinden in Dozy's „Dictionnaire détaillé des noms des vêtements”,

p. 73, waaruit blijkt, dat ook zwarte, blauwe en groene mantels van deze

soort voorkomen, en dat ze ook wel van katoen en zijde worden geweven.

Maar die van witte wol zijn ongetwijfeld de meest gebruikelijke. De

_boernoes_ werd ook gedragen door de Mooren in Spanje, door de ridders

van Malta en door de Mamelukken in Egypte; maar Prof. Dozy maakt uit het

stilzwijgen der schrijvers over het hedendaagsche Egypte op, dat hij

daar niet meer in gebruik is. Hiertegen pleit echter 1o. dat volgens

Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 311, _burnooses_ or _white

woollen cloaks_ behooren tot de artikelen die uit het Westen van Afrika

in Egypte worden ingevoerd, en 2o. dat de _boernoes_ voor eenige jaren,

in Nederland althans, vooral bekend geworden is door degenen die dit

kleedingstuk, op de overlandreis uit Indië naar het Moederland, uit

Egypte medebrachten. Dat evenwel _boernoes_ een modenaam ook voor een

nieuwerwetschen vrouwenmantel met kap is geworden, zal wel aan de

Franschen zijn toe te schrijven, die dit kleedingstuk in Algerië leerden

kennen. En vandaar dan ook dat men somtijds, naar Fransche schrijfwijze,

_bournous_ leest, b. v. bij Cremer, „Anna Rooze”, II, bl. 219: „een

juffrouw met donkere, blinkende oogen en een rooden _bournous_.”

Dit woord, dat bij ons, door de wisselingen der mode, weder in onbruik

begint te raken, is oud in de talen van zuidelijk Europa; want het

komt in den met het Arabisch lidwoord vermeerderden vorm voor in het

Spaansche _albornoz_ en het Portugeesche _albernoz_ of _albenoz_. Zie

Engelmann en Dozy, „Glossaire”, p. 73.

Fakir.

_Fakir_ beteekent, volgens van Dale's Nieuw Ned. Woordenboek, eigenlijk

een _arme_, dan een _Mohammedaansche bedelmonnik_, en eindelijk een

_Indische kluizenaar, die zich op allerhande wijze pijnigt_. Het woord

is het Arabische _faqîr_, en heeft oorspronkelijk alleen de eerste

beteekenis; maar is, evenals het Perzische _derwîsj_, bij ons _dervis_,

dat hetzelfde beteekent (zie Dozy's „Oosterlingen”, in v.) in het later

spraakgebruik bij voorkeur de naam geworden der armen om Gods wil, die

eene gelofte van armoede gedaan hebben, in één woord der Mohammedaansche

bedelmonniken. Zie b.v. Lane's „Modern Egyptians”, 5th. edit., p. 211.

Zulke fakirs vindt men ook vele in onze Oostindische bezittingen,

en in de nieuwere geschriften over die gewesten zal men _fakir_

doorgaans slechts in deze beteekenis aantreffen. Maar de vele punten

van overeenkomst tusschen den Mohammedaanschen bedelmonnik en den

Hindoeschen kluizenaar en boeteling zijn oorzaak, dat onze oude

schrijvers, misschien op het voorbeeld der inlanders zelven, den naam

van fakir ook aan dezen laatsten geven. Zoo b.v. Baldaeus, „Afgoderije

der Heydenen”, bl. 76: „Rawan, ziende Lekeman gaan, komt voor de deur

van Ram, in gedaante van een fakier, en eyscht een aalmisse” (aalmoes),

en Stavorinus, „Reize van Zeeland naar Batavia”, I, bl. 110: „Wat verder

landwaarts in vonden wij in een klein boschje de overblijfsels van een

steenen gebouw, waar een fakier of heilige zijn verblijf hield!”

Het bevreemdt mij eenigszins, dat Prof. Dozy het zeer dikwijls

voorkomende _fakir_ niet in zijne Oosterlingen heeft opgenomen.

Camarilla.

_Camarilla_ is in het Spaansch een verkleinwoord van _camara_, kamer,

zaal. In het bijzonder is camara een vertrek in het koninklijk paleis,

waarin de Vorst audientie geeft aan de gezanten van vreemde Mogendheden,

dat alleen voor zijne voornaamste dienaren en gunstelingen toegankelijk

is, en waar de geheime zaken van Staat behandeld worden. _Camara_ of

_Camarilla_ beteekent dus ongeveer hetzelfde als ons _kabinet_, in den

zin waarin van „het kabinet des Konings” gesproken wordt. En evenals dit

met het woord _kabinet_ het geval is, beteekent ook _camarilla_, bij

overnoeming, de personen, die in het aldus genaamde vertrek met den

Vorst beraadslagen, zijne geheime raden, de _Consulta_, de _Kabaal_,

zooals men in Engeland ten tijde van Karel II de geheime raadslieden des

Konings noemde, den _Achterraad_, zooals Hooft en Stijl de vertrouwde

dienaren van Margareta van Parma, in tegenstelling met den Raad van

State, betitelen. In Spanje schijnt de uitdrukking _Camarilla_ om de

geheime raadslieden der Kroon, den Achterraad, aan te duiden, vooral

in zwang te zijn gekomen gedurende de regeering van Philips VII, die

gewoon was des avonds zijne kamerheeren en dienaren rondom zich te

verzamelen en zich geheel door hen liet leiden. Zie b.v. Gervinus,

„Geschichte des XIXten Jahrh.”, Bd. II, bl. 163. De listen en kuiperijen

dezer partij hebben aan het woord _Camarilla_ eene slechte beteekenis

doen hechten. Het is thans in alle talen van het beschaafde Europa,

en dus ook in de onze, in gebruik om elke vereeniging of club van

hovelingen aan te duiden, die de gunst van den Vorst exploiteert, om een

voor henzelven of de belangen van hunnen stand voordeeligen, maar voor

het algemeen welzijn veelal verderfelijken invloed op de Regeeringszaken

uit te oefenen.

Het is duidelijk dat dit, ook bij ons, in historische en politieke

geschriften, somtijds gebruikte woord geen inbreuk maakt op de juistheid

der opmerking, bij _kwispedoor_ gemaakt, dat ons volk, tijdens de

Spaansche heerschappij, geene woorden uit de taal der gehate

vreemdelingen heeft overgenomen.

Parlesanten.

Die opmerking wordt ook niet gelogenstraft door _parlesanten_ of

_parlasanten_, een woord uit de volkstaal dat zeer wel tot de dagen van

Alba en Requesens kan opklimmen, maar dan toch niet van de Spanjaarden

overgenomen, doch door het volk uit de drie Spaansche woorden _par_

(of _por_) _los santos_, d. i. _bij de heiligen_, gevormd werd, om

de Spaansche krijgsknechten, die deze gedurig in den mond hadden, te

bespotten. Het woord is in verschillende woordenboeken onzer taal

opgenomen, maar kan thans wel als verouderd worden aangemerkt, en is

aan de schrijftaal waarschijnlijk wel bijna geheel vreemd gebleven. Ik

herinner mij echter de volgende woorden in een der dichtbundels van

Bilderdijk (welke is mij ontgaan) gelezen te hebben:

„En of Tante

Parlesantte

Als men aan haar koffers kwam,

Uitgekeven

En versteven

Ligt zij als een schaap zoo tam.”

Ik haal deze regels ook aan, omdat zij doen zien in welke beteekenis het

woord gebruikt werd, namelijk in die van _vloeken_ en _razen_, en niet

in die van _praten_, _snappen_, zooals van Dale ons wil doen gelooven.

Olla podrida.

Het zou echter kunnen zijn dat ons volk van de Spanjaarden geleerd

had een _Olla podrida_ te maken, een hunner meest geliefde nationale

gerechten. Het is zelfs niet onmogelijk dat de beroemde ketel met

hutspot, die bij het ontzet van Leiden in een der schansen achtergelaten

werd gevonden, een pot met _olla podrida_ geweest is. Althans het woord

_olla podrida_ komt in beteekenis al heel veel met het Hollandsche

_hutspot_ overeen. De _olla podrida_ wordt ons beschreven als een

mengsel van allerlei spijzen: ossenvleesch, schapenvleesch, ham, kippen

en ander gevogelte, en alles wat men verder daarbij wil voegen om den

smaak te verhoogen. Men zal zich uit den „Gilblas” herinneren, dat een

goed bereide olla podrida als een fijne lekkernij geldt. Evenwel, daar

in het dagelijksch leven de overschotten of klieken van verschillende

spijzen voor de olla podrida gebezigd worden, zullen de bestanddeelen

wel niet altijd even keurig en ook zeker niet altijd even frisch zijn.

De naam _olla podrida_, gevormd van het Latijnsche _olla_, d. i. pot, en

_podrida_ het deelwoord van _podrir_ (thans _pudrir_), dat _bederven_,

_verrotten_ beteekent, geeft hieromtrent veel te denken, en is niet

geschikt om een Nederlander naar het invoeren van dezen schotel in

zijn vaderland te doen verlangen. Hij houdt zich zeker liever bij den

vaderlandschen hutspot, en heeft dan ook aan den vreemden naam geen

behoefte. Waar die in Nederlandsche geschriften voorkomt, zal het wel

doorgaans zijn in verhalen, hetzij historische of verdichte, waarvan

Spanje het tooneel is, of in reisbeschrijvingen, waarin Spaansche zeden

ter sprake komen.

Meer nog dan _olla podrida_ is bij ons de letterlijke vertaling dier

uitdrukking in het Fransch: _Potpourri_ bekend. Hier echter wordt het

begrip van mengelmoes of poespas meestal niet op spijzen, maar op door

overgangen aaneengeregen melodiën toegepast. Maar hoe vreemd is toch

soms dat cynisme der zuidelijke volken, zelfs van dat volk dat bij ons

als de wetgever op het gebied van den goeden smaak geldt! Ons, ruwe

zonen van het Noorden, zou de naam van _olla podrida_, indien ik hem

letterlijk durfde vertalen, van alle spijs schier afkeerig maken, en

om een verzameling der goddelijke melodiën b.v. van een Mozart een

potpourri te noemen, zou ons, als wij niet het vreemde woord gebruikten

zonder aan de beteekenis te denken, een heiligschennis dunken.

Baljaren, baljaarden.

Ook dit woord is uit het Spaansch of Portugeesch afkomstig, maar is

niet rechtstreeks uit het Iberisch schiereiland, maar door tusschenkomst

der Negerslaven in West-Indië tot ons gebracht. Het is het Spaansche

_baylar_ of Portugeesche _bailar_, dansen (hetzelfde als het

Italiaansche _ballare_, waarvan ons _bal_, _ballet_ en _ballade_).

_Baljaren_ is een woord waardoor in Suriname het dansen der negers

wordt aangeduid. Een _baljaarpartij_ is een _negerbal_, waarop zij

den dans door hun gezang en het slaan op de trom begeleiden. Zie van

Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. II, bl. 87. Het woord _baljaren_ is in

dat mengelmoes van talen, dat de negers in West-Indië spreken, door

eenvoudige letteromzetting uit _bailar_ ontstaan.

Uit West-Indië is dit woord met eenige wijziging zoowel in vorm als

in beteekenis ook naar Nederland overgewaaid. Men schreef het hier

_baljaarden_ en hechtte er de beteekenis aan van _rumoer_ of _getier

maken_. Trouwens die negerdansen onderscheiden zich ook zeer door

luidruchtigheid. Men vindt dit woord meermalen in „Willem Leevend”,

b. v. D. IV, bl. 291: „Want die ondeugende kaerel komt altijd op het

laatst aanspringen en baljaarden.” Andere plaatsen, waar de beteekenis

van _rumoer maken_ nog duidelijker is, heb ik tot mijne spijt verzuimd

aan te teekenen.

Een andere afstammeling van het woord bailare is door tusschenkomst

van het Fransch uit het Oosten tot ons gekomen. De Portugeezen noemden

de Indische dansmeisjes in hunne taal _bailadera_, dat eenvoudig

_danseres_ beteekent. Hieruit is, door de lispende uitspraak der _l_

in het Portugeesch, _bayadère_ ontstaan, dat in de meeste talen, en

ook bij ons, de bijzondere naam der Indische dansmeisjes (namelijk uit

Hindostan, niet van de Javaansche, die _ronggeng_ of _talèdèk_ genoemd

worden) gebleven is. De Engelschen noemen ze met een inlandsch woord

_natch_ of _nautch_. Canter Visscher, Mallabaarse brieven, bl. 73,

spreekt van _baljadores_, klaarblijkelijk het mannelijk waaraan

_bailadera_ of _baljadera_ als vrouwelijk beantwoordt.

Cigaar.

Cigaar is het Spaansche _cigarro_; het rooken van cigaren schijnt zich

vanuit Spanje over Europa verspreid te hebben. In het Spaansch wordt

_cigarro_ gebruikt zoowel voor de fijne in papier of maïsblad gewikkelde

tabak, die bij ons gewoonlijk _cigarette_ heet, als voor het rolletje

van tabaksbladen, dat wij _cigaar_ noemen. Echter wordt ook in 't

Spaansch voor de eerstgenoemde soort veelal het verkleinwoord

_cigarrita_ gebezigd.

De afkomst van het woord _cigarro_ is onzeker. Gewoonlijk meent men dat

het niets dan de inlandsche naam is van de tabak van Cuba (Havannah);

doch anderen beweren dat cigarro afstamt van _cigarra_, krekel, wegens

eenige overeenkomst in voorkomen, die tusschen dit diertje en een

rolletje tabak zou bestaan. Deze laatste afleiding is mij echter te

fantastisch; maar of werkelijk de inlandsche taal van Cuba een woord

voor tabak heeft dat op _cigarro_ gelijkt, heb ik geen middel om na te

gaan.

Men begint thans bij ons _sigaar_ te schrijven, vooral op het

voorbeeld, zoo ik meen, van de „woordenlijst” der heeren de Vries en te

Winkel. Ik zou echter meenen dat al de gronden die er voor zijn aan te

voeren om in de woorden van vreemde afkomst, de uitgang daargelaten,

de oorspronkelijke spelling te behouden, ook voor _cigaar_ pleiten.

Schrijft men sigaar, waarom dan niet ook sitroen, sider enz.? Ook zal

men, sigaar aannemende, om de consequentie _sigarette_ moeten schrijven,

niettegenstaande in dit woord ook de uitgang on-nederlandsch en

kennelijk aan het Fransch ontleend is.

Omberen.

De naam van dit bij ons zoo geliefde kaartspel is uit Spanje afkomstig,

ofschoon het spel zelf, zooals het bij ons gespeeld wordt, door vele

daarbij gebruikelijke termen (sans prendre, mariage, remise, remise

royale, favorite enz.) zijne Fransche herkomst verraadt. In dit spel

wordt degeen die vraagt, en dienvolgens als hoofdpersoon zijn spel tegen

de beide andere spelers te verdedigen heeft, _de omber_ genoemd, welk

woord klaarblijkelijk het Spaansche _el-hombre_, letterlijk vertaald _de

man_, is. In den „Diccionario de la Real Academia Española” leest men in

het art. _Hombre_, dat _el-hombre_ heet „el que in ciertos juegos de

naypes entra la polla, para jugarla solo contra los otros”, d. i. „hij

die in zekere kaartspelen den inzet doet om alleen tegen de anderen

daarom te spelen”. Dit beantwoordt nu wel niet volkomen aan de rol

die in ons omberspel door den omber wordt vervuld, maar toont toch

klaarblijkelijk de juistheid der gissing van de heeren de Vries en

Verwijs in het „Woordenboek der Ned. taal”, art. _Omber_: „Vermoedelijk

is de naam van het spel eenvoudig ontleend aan den hoofdpersoon, dengene

tegen wien de twee anderen spelen”. Maar men houde daarbij toch wel in

het oog, dat „jeu de l'hombre” de Fransche, niet de Spaansche, althans

niet de gewone Spaansche naam van dit spel is. In het Spaansch heet het

gewoonlijk _juego de espadilla_ (spadielje-spel), of ook wel _renegado_

(waarschijnlijk van het renonceeren). In het Portugeesch zegt men

eveneens _jogo da espadilha_ of _renegada_.

De Fransche uitdrukking _jeu de l'hombre_ heeft door misverstand

aanleiding gegeven tot den nu verouderden bijvorm _lomberen_, evenals

ons _lommer_ naar alle waarschijnlijkheid uit _l'ombre_, de schaduw,

ontstaan is.

Ofschoon, zooals ik reeds opmerkte, in ons omberspel vele Fransche

uitdrukkingen gebruikt worden, zijn er toch nog onderscheidene andere,

behalve _de omber_, die een Spaansche afkomst verraden. Zoo heeten de

hoogste op elkander volgende troeven _matadors_, dewijl ze zeker zijn

iedere kaart van de tegenpartij te slaan. _Matador_ (van _matar_, het

Latijnsche _mactare_) beteekent in het Spaansch _doodslager_, en is ook

in Spanje de naam der personen, die in de stierengevechten de stieren

afmaken. Schoppenaas, de hoogste kaart in het spel, heet _spadielje_.

Dit is het Spaansche _espadilla_ (Port. _espadilha_), dat _degen_

beteekent. De plaats onzer _schoppen_ in het kaartspel werd namelijk

oudtijds door _degens_ (_espadas_) ingenomen. De degens zijn met

schoppen verwisseld waarschijnlijk tengevolge van de overeenkomst

der namen _espada_, _spada_, _spado_, degen, met die van _spade_

(Eng.), _spade_ (Ned.), _Spaten_ (Hgd.), die allen een schop of spade

beteekenen. Klaverenaas heet _basta_ van het Spaansche _basto_, knuppel,

omdat oudtijds _knuppels_ de plaats onzer klaveren innamen, die nog in

het Eng. _clubs_ heeten. _Manielje_ (Sp. _Malilla_, Port. _Manilha_),

_Ponto_ (Sp. _Punto_, Port. _Ponto_), _Kodielje_ (Sp. _Codillo_),

_Casco_, verraden denzelfden oorsprong, ofschoon het mij niet gelukt is

eene voldoende verklaring van deze namen te vinden.

Eldorado.

Eldorado is bij ons de naam van een denkbeeldig gewest, dat alle

heerlijkheden in zich vereenigt, een paradijs op aarde, aan welks

werkelijkheid echter niemand gelooft. Maar van de velen die het woord

gebruiken, zijn weinigen met den oorsprong bekend. Het woord is Spaansch

en samengesteld uit het lidwoord _el_, dat eigenlijk afzonderlijk

behoorde geschreven te worden, en _dorado_, het verleden deelwoord van

_dorar_, vergulden, met goud overtrekken. De letterlijke beteekenis van

het woord geeft groote waarschijnlijkheid aan de meening van den heer

P. A. Tiele (zie zijne „Ontdekkingsreizen sedert de 15de eeuw”), dat de

sage van Eldorado haren oorsprong verschuldigd is aan het verhaal van

een Indiaansch Vorst, die zijn lichaam met goudstof bestrooide. Van een

persoon moet vervolgens de naam op een land of gewest zijn overgebracht,

aanvankelijk in de Andes gezocht, en, toen dit vruchteloos bleek, meer

oostelijk naar Guiana verplaatst.

Gedurende veertig jaren werden door eene reeks van grootere en kleinere

Spaansche expeditiën vergeefsche pogingen aangewend om Eldorado te

vinden; later namen ook Engelsche reizigers, vooral de beroemde Sir

Walter Raleigh aan deze onderzoekingen deel. Ofschoon ze nooit eenig

resultaat opleverden, vindt men op alle kaarten van Zuid-Amerika en

Guiana, in de 17de en 18de eeuw verschenen, het meer van Parima, het

middelpunt van het Goudland, soms met de goudrijke stad Manoa del Dorado

er bij aangewezen. Merkwaardig is wat daarover is medegedeeld in het pas

uitgegeven schoone werk van generaal P. M. Netscher, „Geschiedenis van

de Koloniën Essequebo, Demerary en Berbice”. „Bij de Spanjaarden aan de

Orinoco en bij de Nederlandsche kolonisten aan de Essequebo”, zoo lezen

wij daar, bl. 25, „zijn de illusiën van een wondermeer waar schatten te

vinden waren, nog lang blijven voortleven. Wij zullen hieronder, in den

loop van ons verhaal, doen opmerken, hoe nog herhaaldelijk door onze

Commandeurs aldaar enkele ondernemende personen naar de binnenlanden

zijn uitgezonden, om naar goud, zilver en andere mineralen te zoeken

(vooral door den Directeur-Generaal Storm van 's Gravesande tusschen

1740 en 1772); terwijl zelfs nog in 1775 uit de Orinoco eene groote

Spaansche expeditie daartoe werd uitgerust, waarbij honderden het leven

lieten”. Eerst door de wetenschappelijke onderzoekingen van Alexander

von Humboldt en Sir Robert Schomburgk is het geloof aan de fabel van

Eldorado voor goed vernietigd.

Bakkeljauw.

Dit woord ontbreekt, zeer ten onrechte, in alle Nederlandsche

woordenboeken. Het is algemeen in gebruik in onze Westindische

bezittingen en in alle geschriften die daarover handelen. Het voedsel

der negerslaven placht er hoofdzakelijk uit bananen en bakkeljauw

te bestaan. Zie van Hoëvell, „Slaven en vrijen”, D. I, bl. 118; van

Sijpesteyn, „Beschrijving van Suriname,” bl. 202. De bakkeljauw was

de opengespouwen, sterk gezouten en gedroogde kabeljauw, die op de

banken van Newfoundland gevangen en in vaten van 600 à 700 pond naar

Suriname gezonden werd. Kabeljauw en bakkeljauw zijn klaarblijkelijk

hetzelfde woord, slechts door letteromzetting gewijzigd. Welke vorm de

oorspronkelijke is, valt bezwaarlijk uit te maken. De germaansche talen

hebben den vorm met _ka_, b. v. het Hoogduitsch _Kabeljau_ of _Kabliau_,

het Deensch _cabliau_, het Zweedsch _kabeljo_; ook het Fransch heeft

_cabéliau_ en het middeleeuwsch Latijn _cabellauwus_. Daarentegen hebben

de romaansche talen den vorm met _ba_, zooals het Spaansch _Bacallao_,

het Portugeesch _Bacalhao_, het Italiaansch _Bachalaio_. Men meent dat

deze woorden eigenlijk uit het Baskisch stammen, en wijst er op dat de

Basken het eerst de kabeljauwvisscherij op de bank van Newfoundland op

groote schaal hebben gedreven. Ook _labberdaan_, bij ons de gewone naam

van de gezouten kabeljauw, wijst naar de Basken. Zie het etymologisch

woordenboek van Franck op dat woord. Er is dus wel eenige reden om de

vormen met _ba_ voor meer oorspronkelijk te houden.

Sommigen meenen dat er tusschen kabeljauw en bakkeljauw een

soortverschil bestaat. Zoo zegt v. Hoëvell, t. a. p., dat de bakkeljauw,

d. i. de kabeljauw die op de bank van Newfoundland gevangen wordt, een

middensoort tusschen kabeljauw en schelvisch is. Ik houd die meening

voor ongegrond. Natuurproducten die over eene groote oppervlakte

verspreid zijn, vertoonen veelal eenige verscheidenheden, maar een

onderscheid als hier tusschen de kabeljauw van Newfoundland en die der

Noordzee wordt aangenomen, is, voorzoover ik weet, aan de beoefenaars

der natuurlijke historie onbekend.

Doch al bestaat dit soortverschil niet, toch zijn kabeljauw en

bakkeljauw geene synoniemen. De noordelijke volken gebruiken kabeljauw

voor de levende en versche visch, en hebben voor de verschillende

bereidingen die deze ondergaat, om voor verzending en bewaring geschikt

te worden, verschillende benamingen, zooals _stokvisch_ voor de

gedroogde, _labberdaan_ voor de gezouten, _klipvisch_ voor de tevens

gezouten en gedroogde kabeljauw. De zuidelijke volken, die de versche

kabeljauw niet veel te zien krijgen, gebruiken hun bakkeljauw vooral

van de visch, die op verschillende wijzen is verduurzaamd. Wel verklaart

het woordenboek der Spaansche Akademie _bacallao_ door _abadejo_, dat

in het algemeen de kabeljauw aanduidt, maar het Portugeesch woordenboek

van Moraes Silva omschrijft _bacalhao_ uitdrukkelijk door „o badejo

escalado e curado ao sol, ou embarricado em salmadeira”, d. i. de

kabeljauw opengespouwen en in de zon gedroogd of in de pekel gelegd. Dit

beantwoordt volkomen aan de beteekenis aan ons _bakkeljauw_ toegekend.

Bakkeljauw is dus de Westindische naam van stokvisch of zoutevisch,

dien wij daar, gelijk zoovele andere woorden, van de Spanjaarden of

Portugeezen hebben overgenomen, ofschoon wij daarin slechts een zeer oud

en bekend woord in anderen vorm en met speciale beteekenis hebben terug

ontvangen.

Schorseneeren.

Is ook dit woord van vreemden oorsprong? Ongetwijfeld, zooals men reeds

kan opmaken uit de onzekerheid van vorm en spelling. In de schrijftaal

gebruikt men nevens _schorseneer_ ook _schorseneel_, tengevolge van

de gewone verwisseling der liquidae; maar in de volkstaal komen

erger verbasteringen voor, waaronder _schotsche nero's_ zeker wel de

grappigste is. Ik herinner mij zeer goed, dat ik reeds als kind dacht,

dat schorseneer eigenlijk _écorce noire_ beteekende, en ik ben in die

meening gebleven tot ik later mij overtuigde dat die uitdrukking in het

Fransch onbekend is, en de schorseneer in die taal in het dagelijksch

leven _salsifis_, maar meer wetenschappelijk _scorsonère_ heet. Nu, dat

dit laatste geene oorspronkelijk Fransche benaming is, maar uit eene

vreemde taal afkomstig moet zijn, was gemakkelijk in te zien. Van

Dale hielp mij nu aan eene vroeger reeds half vermoede verklaring,

waaraan ik langen tijd niet twijfelde. Schorseneer zou het Italiaansche

_scorza nera_ zijn, dat evenals _écorce noire_, zwarte schors

beteekent, en den Hollandschen vorm nog gemakkelijker schijnt te

verklaren. Van Dale's meening werd ook bevestigd door het gezag van

Littré (in v. _Scorsonère_), en door de vergelijking van het Duitsche

_Schwarz-wurzel_.

Intusschen hadden die schrijvers een kleinigheid, maar een belangrijke

kleinigheid, over het hoofd gezien, of althans niet genoegzaam in

aanmerking genomen. Heet de schorseneer in het Italiaansch wel

_scorzanera_? De vorm is inderdaad eenigszins anders; hij luidt

_scorzonera_, en geen taalkundige zal zeker in staat zijn uit de

samenstelling van _scorza_ en _nera_, wanneer die als substantief en

adjectief worden bijeengevoegd, scorz_o_nera te verkrijgen. Reeds het

Fransche scors_o_nère had Littré moeten waarschuwen.

Voorgelicht door deze eerste moeilijkheid, ontdekt men weldra nieuwe

bezwaren. Is zwarte schors voor de schorseneeren wel een goede naam?

Zij hebben een zwarte schors, ja! maar niet aan het zichtbaar deel der

plant, maar alleen als bekleedsel van den als spijs gebruikten vleezigen

penwortel. _Schwarz-wurzel_ is daarom een goede naam, maar _zwarte

schors_ zou vreemd gekozen zijn voor een plant, waarvan slechts de

_wortel_ een zwarte schors heeft.

Is de naam Italiaansch, dan dient de plant ook wel uit Italië afkomstig

of van Italië uit over Europa verspreid te zijn. Maar is dat werkelijk

het geval? De botanische naam is _Scorzonera Hispanica_, en ofschoon

die naam niet als een afdoend bewijs kan gelden, dat de plant niet

vroeger in Italië dan in Spanje is bekend geweest, is hij toch voldoende

om bij het zoeken van het land van herkomst onze aandacht vooral bij

Spanje te bepalen.

In het Italiaansch-Fransche woordenboek van den abt de Villanova wordt

_Scorzonera_ aldus verklaard: „Sorta da pianta, venuta dall' Indie in

Europa, e che prende tal nome, per preservar essa dai morsi dello

scorzone”, d. i. „eene soort van plant, uit Indië naar Europa

overgebracht, en die dezen naam draagt, omdat zij beveiligt tegen de

beten van de scorzone”. _Scorzone_ wordt in hetzelfde woordenboek

verklaard door „Specie di serpe velenosissima di color nero”, d. i.

eene soort van zwartkleurige, zeer vergiftige slang (adder).

Uit Oost en West: verklaring van eenige uitheemsche woorden · 第 3 / 22 段