DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Wij gingen den volgenden dag onder zeil en kregen last om uit te zien

naar het Amerikaansche eskader, dat onzen handel zooveel afbreuk

had gedaan; wij stelden daarom koers naar de kust van Afrika. Tien

dagen waren wij onder weg, toen van top een schip werd ontdekt. Op

dat oogenblik bevonden wij ons binnen de honderdentachtig mijlen van

de Kaap-Verdische eilanden. Wij zetten zooveel mogelijk zeil voor de

jacht, en verkenden het schip spoedig voor een zeer zwaar fregat,

dat niet de minste moeite deed om ons te ontwijken, doch veel eer

zijne bezeildheid tegen de onze beproefde: zijne wijze van handelen

liet ons geen twijfel, dat het een Amerikaansch fregat was, en wij

maakten ons tot het gevecht gereed.

Onze commandant had, geloof ik, nog nooit een zeegevecht bijgewoond,

of zoo al, dan was hij er alles van verleerd; op grond hiervan,

behoefte gevoelende zijn geheugen te verscherpen, legde hij boven

op het spil gereed het beroemde uittreksel uit John Hamilton Moore,

een boek dat nu verouderd is, maar destijds beschouwd werd als de

vraagbaak in zeeaangelegenheden, bijeenverzameld door een van de

bekwaamste schrijvers op dat gebied. John, die omtrent elk geval,

dat zich voor kan doen, den noodigen raad uitdeelt, heeft ons, onder

andere nuttige wenken, verteld wat de proefondervindelijk gebleken

beste wijze is om een schip in actie te brengen en daarna zijnen vijand

te nemen. Doch de genoemde John moet zeker in de dwaling verkeerd

hebben, dat kogels even gemakkelijk rood gloeiend te maken waren,

als zijn eigen neus gloeiend rood, of hem moeten ganschelijk ontgaan

zijn »de manieren en gewoonten in zulke gevallen op zee gebruikt,"

daar hij aangeeft als voorlooper of eerste gerecht van het diner een

goeden voorraad gloeiende kogels toe te dienen op het oogenblik dat

de gasten pas zijn aangezeten. Wáár echter bedoeld gerecht gekookt

moet worden, verzuimt hij er bij te vertellen. Het kan echter niet

worden tegengesproken, dat eene volle laag van zulke artikelen van

grooten invloed zou zijn op de overwinning, vooral indien de vijand

bij ongeluk geen kans zag met gelijken munt terug te betalen.

Zoo althans dacht zijn lordschap, die naar den eersten officier

toegaande, zeide:

»Mijnheer »Dinges," zoudt gij niet denken, dat gloeiende »hoe heeten

zij ook" moeten gegeven worden in de eerste laag aan dien »gij

weet wel?""

»Gloeiende kogels, bedoelt gij, mylord?"

»Ja," zeide zijn lordschap; »denkt gij niet dat wij hen daarmede

zouden klein krijgen?"

»Waar duivel moeten wij die vandaan halen, mylord?" vroeg de eerste

officier, die niet dezelfde was, die met mij had willen duëlleeren,

omdat ik hem voor een even grooten bol had uitgemaakt als de

commandant; laatstbedoelde was door de kuiperijen van den schrijver

van boord af gewerkt.

»Ja, dat is waar ook," zeide zijn lordschap.

Wij kwamen nu het vreemde schip zeer snel nabij, toen het, tot onze

groote teleurstelling, een Engelsch fregat bleek te zijn; over en

weer werden de onderscheidings- of nummerwimpels geheschen, en de

commandant, die jonger officier was dan de onze, kwam bij ons aan

boord, om zijne opwachting te maken en zijne orders te laten zien. Hij

was vóór drie weken uit Engeland vertrokken, bracht het bericht mede

van den vrede, die met Frankrijk gesloten was, en onder zijne papieren

eene promotielijst van de marine, die nevens een flesch Londen-porter

een zeeofficier buitenslands steeds het meest welkom is.

Gretig namen wij allen kennis van den inhoud dezer belangwekkende

lijst, en ik was oververheugd bij de pas benoemde commanders mijn

eigen naam aan te treffen: wel stond ik juist nog de onderste, doch dit

maakte niet uit. Ik ontving de gelukwenschingen mijner kameraden. De

schepen gingen weer spoedig uit elkander, en wij zetten koers naar

het eiland Santiago, daar onze commandant voornemens was onzen

watervoorraad in Port Praya aan te vullen, vóór wij een langdurigen

kruistocht op het Amerikaansche eskader zouden aanvangen.

Hier vonden wij een slavenhaler, onder bevel van een zeeofficier en

bestemd naar Engeland; en dit achtte ik eene schoone gelegenheid om

daarmede de reis te maken, daar ik er natuurlijk weinig lust in had, om

als luitenant te blijven dienen, wetende dat ik reeds overste was. Doch

ook om meer redenen, wenschte ik thuis te varen, en de dringendste

daarvan was mijn voorgenomen huwelijk met Emilia. Op grond daarvan

verzocht ik van den commandant vergunning om het schip te verlaten,

waarvoor hij wel termen kon vinden, omdat het hem gelegenheid gaf een

zijner gunstelingen in mijne plaats te stellen. Ik nam afscheid van

mijne kameraden en van mijn commandant, die, hoewel een ongevoelige

kwast en volstrekt geen zeeman, toch verscheidene goede eigenschappen

bezat: werkelijk mocht men zijn lordschap een gentleman noemen;

en hadden wij den vijand ooit ontmoet, dan zoude hij met zijn schip

goed gevochten hebben, want hij had goede officieren, was voldoende

overtuigd van zijne eigene onbekwaamheid en zou naar goeden raad

geluisterd hebben, terwijl hij in persoonlijke dapperheid voor niemand

behoefde onder te doen.

Drie dagen na onze aankomst, zeilde het fregat weder uit. Ik begaf

mij naar boord van den gewezen slavenhaler, waar geene slaven aan

boord waren dan een viertal om op scheepje dienst te doen; het was er

jammerlijk smerig, en daarin moest ik mij zien te schikken, omdat er

geen herberg aan den wal was. Port Praya is de eenige goede ankerplaats

op het eiland; de oude stad Santiago was verlaten, doordien aldaar

slechts eene open reede was, die eene hoogst onveilige ankerplaats

aanbood. De stad Port Praya is slechts eene ellendige verzameling

van hutten van klei opgetrokken; het huis van den gouverneur en nog

slechts één ander zijn beter gebouwd, maar zij zijn nog niet zoo

bewoonbaar als een stulp in Engeland. Het geheele eiland telde geen

tien Portugeezen, doch meer dan tienduizend zwarten, oorspronkelijk

slaven; toch was alles er vreedzaam hoewel er iederen dag opnieuw

slaven werden aangevoerd.

Niet moeielijk viel het de verschillende rassen van elkander te

onderscheiden; de Yatoffen zijn lange, doch geen zwaar gebouwde

menschen, meerendeels soldaten. Ik zag er eens tien bij elkander staan,

waarvan de kortste boven de zes voet en twee à drie duim haalde. De

Foulah's, uit het land van Ashantee, behooren tot een ander ras;

dezen zijn krachtig en gespierd, leelijk van gelaat, slecht gevormd

en verraderlijk. De Madingoes zijn de kleinsten van allen, maar zij

zijn een goedig, handelbaar soort.

Dit eiland van slaven wordt alleen door slaven, die men soldaten

heeft gemaakt en die ellendig uitgerust zijn, in bedwang gehouden;

hunne uniform is voor een deel voortbrengsel van kunst, namelijk

een buis en een hoofddeksel, voor het overige geheel natuur. Alleen

de ordonnans van den gouverneur veroorloofde zich de weelde van een

broek, doch deze was dan ook voortdurend in dienst, van den een op

den ander overgaande, naarmate er aflossing plaats vond.

Ik stak bij den gouverneur mijn compliment af, die hoewel een Portugees

zijnde, de mode van het eiland verkoos te volgen en even zwart was

als het meerendeel zijner onderdanen. Na eenige weinige Fransche

plichtplegingen nam ik mijn afscheid. Ik was zeer nieuwsgierig om de

oude, verlaten stad Santiago te zien; en na een zeer warme wandeling

van wel twee uren over allerlei braak liggende gronden, waar men

niets dan grazende geiten zag, bereikte ik de woeste plek.

Het was een treurig schouwspel; het scheen, dat daar een menschenras

was uitgestorven. De stad was gebouwd op eene ruime glooiing, die

naar zee afliep; de huizen waren van steen en schoon; de straten

geregeld en geplaveid, waaruit viel op te maken, dat het vroeger eene

plaats van gewicht moest geweest zijn; doch verwonderlijk is het, dat

zulk een dor, onvruchtbaar eiland nog ooit eenigen handelsvoorspoed

gekend heeft. Wat daarvan bestaan heeft, moet geweest zijn, vóórdat

de Portugeezen de Kaap de Goede Hoop omzeilden; en de hechtheid en

sierlijkheid van sommige gebouwen pleit voor deze onderstelling.

De muren waren dik en stonden nog in hun geheel; de kerken waren

talrijk, doch hunne daken waren evenals die van het meerendeel der

huizen, ingevallen. Sommige boomen waren in het midden der straten

tot eene belangrijke hoogte opgegroeid, en hadden zich door het

plaveisel een weg gebaand en aan weerszijden de steenen opgelicht;

de kloostertinnen waren slechts wildernis. Door menig dak stak de

kruin van een kokospalm omhoog; uit verscheidene ramen hingen de

reusachtige bladen der banaan. De eenige bewoners dezer stad, groot

genoeg om er tien duizend te kunnen bevatten, waren enkele monniken,

die een ellendigen bouwval hadden betrokken, het overblijfsel van een

prachtig klooster. Dit waren de eerste negermonniken, die ik ooit

zag; hunne kappen waren zoo zwart als hun gelaat, en hun haar was

grijs en wollig. Ik kwam tot het besluit, dat zij deze levenswijze

alleen uitgezocht hadden, omdat er geene andere zoo lui te vinden was;

doch ik kon mij geen denkbeeld maken van de wijze, waarop zij in hun

onderhoud voorzagen, daar er niemand was, bij wien zij om een aalmoes

of gift konden vragen.

Het voorkomen dezer arme lieden paste volkomen bij hunne treurige

omgeving. Er was schoonheid en liefelijkheid in deze eerbiedwaardige

bouwvallen, die mij aangenaam aandeed. In de stad zelf heerschte eene

indrukwekkende stilte; doch er was als eene zachte stem, die mij in

het oor fluisterde:--»Londen zal eenmaal hetzelfde zijn--en Parijs;

en gij en uwe kinderen en kindskinderen zullen allen geleefd, geliefd

en geleden hebben; doch wie zal de rampzalige man zijn, die van den

top van Primrose-Hill op de doodsche, eenmaal zoo machtige stad zal

nederzien, als gij van deze kleine hoogte op de eens bloeiende stad

Santiago nederblikt?"

De geiten graasden langs de helling van den heuvel en de jongen

huppelden om hen heen. »Waarschijnlijk zijn dit nu," dacht ik, »de

eenige voedingsmiddelen van deze arme monniken." Ik wandelde terug

naar Port Praya en keerde aan boord mijner drijvende gevangenis, den

slavenhaler, weder. De officier, die daarover het bevel voerde en hem

als prijs overbracht, was een weinig aangenaam mensch; hij viel althans

niet in mijn smaak, en wij wisselden slechts gewone beleefdheden. Hij

was een oud masters-adsistent, die wel drie malen zijn tijd uitgediend

had; doch een weinig verdienstelijk persoon zijnde en geene vrienden

bezittende, die zorgden dat dit gebrek over het hoofd werd gezien,

had men hem steeds met de bevordering gepasseerd: hierom zag hij

met afgunst tegen een jong commander op. Het was niet juist op zijn

verlangen, dat ik de reis medemaakte, doch hij was er toe verplicht

geworden door den last van mijne vorigen commandant en profiteerde er

nu meteen van om de kajuitstafel op eene voordeelige wijze (uit mijne

beurs) te voorzien van de noodige ververschingen, in den vorm van

vruchten, gevogelte en groenten, alleen te Port Praya te verkrijgen;

hierdoor had hij zich nu natuurlijk in mijn gezelschap te schikken.

Het vaartuig zou, zooals ik bespeurde, den volgenden dag nog niet

zeilen. Met het aanbreken van den morgen ging ik met mijn geweer

over den schouder en met een gids bij mij den wal op, het land in,

op de jacht van pintado's, eene vogelsoort van de kust van Guinea,

welke in overvloed ook op dit eiland wordt aangetroffen. Zij waren

echter zoo schuw, dat ik geen enkelen onder schot kon krijgen; en

ik keerde over de heuvels terug, langs een weg, dien de gids mij

als den kortsten had aangewezen. Vermoeid van het loopen, was ik

verheugd in een beschut dal aan te komen, waar de palmboom en banaan

eene heerlijke schaduw voor de brandende zon opleverden. De gids klom

verwonderlijk vlug een kokosboom in en wierp van boven een zestal der

vruchten neder. Zij waren van buiten groen en hunne melk vond ik de

verfrisschendste en aangenaamste drank, die ik ooit geproefd had.

De vesperklokken van Port Praya riepen nu de arme, zwarte monniken

tot het gebed op; doch ook onder de kleine zwarte jongens en meisjes,

wier tegenwoordigheid ik nog niet had opgemerkt, kwam er rumoer en

opschudding. Zij kwamen van alle kanten uit het kreupelhout op, en

verzamelden zich aan den voorkant van de eenige woning, die ik daar

in den omtrek zag. Een lange, oude neger kwam daaruit te voorschijn

en plaatste zich op eene hoop graszoden, enkele voeten van de hut

verwijderd; hij werd gevolgd door een knaap van omtrent twintig jaren,

die eene geweldige zweep in de hand hield, gemaakt van zeerobbenvel,

dat om zijne hardheid en het pijnlijke der daarmede toegebrachte

slagen eene zekere vermaardheid heeft verworven. Achter den beul

liepen met langzame, afgemeten stappen, de arme kleine slachtoffers,

vijf jongens en drie meisjes, die met beangstigde gezichten zich voor

den ouden man in het gelid plaatsten.

Spoedig kwam ik er achter dat hier »alle hens op" geroepen was voor

eene strafoefening; maar den aard van het misdrijf moest ik nog

leeren kennen.

De oude man beval den oudsten der jongens om met zijn Pater Noster een

begin te maken, en te gelijk hief de geeselaar, ter bemoediging, zijne

zweep omhoog. De arme jongen keek er schuins naar toe en begon toen:

»Pattery Nobstur, qui, qui, qui--(hier ontving hij een geduchten

zweepslag)--is in silly," gilde de jongen alsof het vervolg uit

zijn mond was gehaald door de toepassing van aandrang van buiten in

tegenovergestelde richting--»sancty fish eter nom tum, adveny regnum

tum, fi notun tas, ta, ti, tu, terror--" gilde de jongen weer, zich

inkrimpende, toen hij de zweep weer zag nederdalen op zijn blooten rug.

»Ja, wel met recht terror," dacht ik.

»Panum, nossum quotditty hamminum da nobs, e missy nobs, debitty nossa

si nos demittimissibus debetinebas nossimus e, ne, nos hem--duckam

in, in, in, temptationum, sed lilibery nos a ma--ma--". Hier bracht

een hevige slag de lo! die noodig was om den zin te voltooien,

te voorschijn.

Mijne lezers moeten nu niet veronderstellen, dat de rest van de

klasse zich evengoed van hunne les kweten als de eerste, die bij hen

vergeleken een geleerde was; de overigen ontvingen ongeveer voor elk

woord een slag. De jongens werden het eerst afgehandeld, ten einde,

zooals ik veronderstel, het volle voordeel te genieten van de krachten

van den beul; terwijl de arme meisjes het bijkomende genoegen smaakten

om de kastijding te zien, voordat zij aan de beurt kwamen. De meisjes

kwamen een voor een op om hun Ave Maria, als meer passend bij hare

sekse, op te dreunen; doch ik had moeite mij in te houden, toen ook

die helsche zweep op haar werd toegepast.

Ik had grooten lust den jongen neger de zweep uit de handen te rukken

en die met alle kracht op hem en dien ouden schurk van een meester

te laten neerdalen, die, zooals ik spoedig vernam, nog wel de vader

van die arme kinderen was.

Doch het fraaiste moest nog komen. Vóór het gordijn vallen zou, moest

er nog iets grootsch vertoond worden. Het jongste meisje was zoo

achterlijk in hare les, dat er, zelfs met behulp van de zweep, geen

woord uit te krijgen was; het arme slachtoffer liet niets hooren dan

jammerkreten, voldoende om iemand het hart te doen bloeden. Woedend

over de onvatbaarheid van het kind om woorden op te zeggen, waarvan

zij de beteekenis niet kende, vloog de oude man van zijne zitplaats

op en sloeg haar, tot zij bewusteloos op den grond nederzeeg.

Ik kon het niet langer aanzien. Mijne eerste neiging was om den neger

de zweep te ontnemen en het arme bloedende kind te wreken, dat daar in

onmacht lag, doch nader inzien overtuigde mij, dat ik door zulk eene

handeling slechts dubbele straf aan den ongelukkige slachtoffers op

den hals zou halen, nadat ik de hielen had gelicht; ik nam dus mijn

hoed op en wendde mij met walging af, langzaam terug wandelende naar

de stad en de baai van Port Praya. Ik overdacht onder het loopen, wat

eene behagelijke denkbeelden die arme schepselen omtrent godsdienst

moesten hebben, als de naam van God te gelijk met de zweep in hunne

herinnering werd gehouden.

Aan het strand gekomen, liet ik mij naar boord van den slavenhaler

overbrengen en zeilde daarmede des anderen daags naar Engeland. Wij

hadden eene voorspoedige reis tot op de Gironde, toen wij stormweder

uit het noordoosten op den kop kregen, waardoor wij zuidwaarts werden

teruggeslagen en de prijsmeester in de noodzakelijkheid gebracht werd

voor de noodige herstellingen en de aanvulling van den watervoorraad

Bordeaux binnen te loopen.

Dit speet mij niets, daar ik genoeg had van het gezelschap van

dezen officier, die, bij andere onaangename eigenaardigheden ook

nog onbeschaafd en slecht van humeur was en even weinig zeeman als

gentleman. Als zoovele anderen in den dienst, die het luidst klagen

over slechte bevordering, vond ik, dat hij zelfs in zijn tegenwoordigen

rang het zout dat hij at niet verdiende; menschen van zulk soort te

bevorderen, was slechts het volk bestelen. Zoodra wij dus geankerd

lagen in de Gironde, vóór de stad Bordeaux, en door de bevoegde macht

gevisiteerd waren, verliet ik het vaartuig en zijn kapitein en ging

naar den wal.

Mijn intrek genomen hebbende in het Hôtel d'Angleterre, was mijne

eerste zorg een goed middagmaal te bestellen; en dit besproeid hebbende

met een flesch Vin de Beaune (die ik alle reizigers durf aanbevelen),

vroeg ik aan mijn valet de place, waar ik het verdere deel van den

avond kon doorbrengen.

»Wel mijnheer," zeide hij, »gij moet naar den schouwburg gaan."

»Allons," zeide ik; en eenige oogenblikken later zat ik in eene loge,

van een der schoonste schouwburgen van Europa.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 35 / 38 题