Wij gingen den volgenden dag onder zeil en kregen last om uit te zien
naar het Amerikaansche eskader, dat onzen handel zooveel afbreuk
had gedaan; wij stelden daarom koers naar de kust van Afrika. Tien
dagen waren wij onder weg, toen van top een schip werd ontdekt. Op
dat oogenblik bevonden wij ons binnen de honderdentachtig mijlen van
de Kaap-Verdische eilanden. Wij zetten zooveel mogelijk zeil voor de
jacht, en verkenden het schip spoedig voor een zeer zwaar fregat,
dat niet de minste moeite deed om ons te ontwijken, doch veel eer
zijne bezeildheid tegen de onze beproefde: zijne wijze van handelen
liet ons geen twijfel, dat het een Amerikaansch fregat was, en wij
maakten ons tot het gevecht gereed.
Onze commandant had, geloof ik, nog nooit een zeegevecht bijgewoond,
of zoo al, dan was hij er alles van verleerd; op grond hiervan,
behoefte gevoelende zijn geheugen te verscherpen, legde hij boven
op het spil gereed het beroemde uittreksel uit John Hamilton Moore,
een boek dat nu verouderd is, maar destijds beschouwd werd als de
vraagbaak in zeeaangelegenheden, bijeenverzameld door een van de
bekwaamste schrijvers op dat gebied. John, die omtrent elk geval,
dat zich voor kan doen, den noodigen raad uitdeelt, heeft ons, onder
andere nuttige wenken, verteld wat de proefondervindelijk gebleken
beste wijze is om een schip in actie te brengen en daarna zijnen vijand
te nemen. Doch de genoemde John moet zeker in de dwaling verkeerd
hebben, dat kogels even gemakkelijk rood gloeiend te maken waren,
als zijn eigen neus gloeiend rood, of hem moeten ganschelijk ontgaan
zijn »de manieren en gewoonten in zulke gevallen op zee gebruikt,"
daar hij aangeeft als voorlooper of eerste gerecht van het diner een
goeden voorraad gloeiende kogels toe te dienen op het oogenblik dat
de gasten pas zijn aangezeten. Wáár echter bedoeld gerecht gekookt
moet worden, verzuimt hij er bij te vertellen. Het kan echter niet
worden tegengesproken, dat eene volle laag van zulke artikelen van
grooten invloed zou zijn op de overwinning, vooral indien de vijand
bij ongeluk geen kans zag met gelijken munt terug te betalen.
Zoo althans dacht zijn lordschap, die naar den eersten officier
toegaande, zeide:
»Mijnheer »Dinges," zoudt gij niet denken, dat gloeiende »hoe heeten
zij ook" moeten gegeven worden in de eerste laag aan dien »gij
weet wel?""
»Gloeiende kogels, bedoelt gij, mylord?"
»Ja," zeide zijn lordschap; »denkt gij niet dat wij hen daarmede
zouden klein krijgen?"
»Waar duivel moeten wij die vandaan halen, mylord?" vroeg de eerste
officier, die niet dezelfde was, die met mij had willen duëlleeren,
omdat ik hem voor een even grooten bol had uitgemaakt als de
commandant; laatstbedoelde was door de kuiperijen van den schrijver
van boord af gewerkt.
»Ja, dat is waar ook," zeide zijn lordschap.
Wij kwamen nu het vreemde schip zeer snel nabij, toen het, tot onze
groote teleurstelling, een Engelsch fregat bleek te zijn; over en
weer werden de onderscheidings- of nummerwimpels geheschen, en de
commandant, die jonger officier was dan de onze, kwam bij ons aan
boord, om zijne opwachting te maken en zijne orders te laten zien. Hij
was vóór drie weken uit Engeland vertrokken, bracht het bericht mede
van den vrede, die met Frankrijk gesloten was, en onder zijne papieren
eene promotielijst van de marine, die nevens een flesch Londen-porter
een zeeofficier buitenslands steeds het meest welkom is.
Gretig namen wij allen kennis van den inhoud dezer belangwekkende
lijst, en ik was oververheugd bij de pas benoemde commanders mijn
eigen naam aan te treffen: wel stond ik juist nog de onderste, doch dit
maakte niet uit. Ik ontving de gelukwenschingen mijner kameraden. De
schepen gingen weer spoedig uit elkander, en wij zetten koers naar
het eiland Santiago, daar onze commandant voornemens was onzen
watervoorraad in Port Praya aan te vullen, vóór wij een langdurigen
kruistocht op het Amerikaansche eskader zouden aanvangen.
Hier vonden wij een slavenhaler, onder bevel van een zeeofficier en
bestemd naar Engeland; en dit achtte ik eene schoone gelegenheid om
daarmede de reis te maken, daar ik er natuurlijk weinig lust in had, om
als luitenant te blijven dienen, wetende dat ik reeds overste was. Doch
ook om meer redenen, wenschte ik thuis te varen, en de dringendste
daarvan was mijn voorgenomen huwelijk met Emilia. Op grond daarvan
verzocht ik van den commandant vergunning om het schip te verlaten,
waarvoor hij wel termen kon vinden, omdat het hem gelegenheid gaf een
zijner gunstelingen in mijne plaats te stellen. Ik nam afscheid van
mijne kameraden en van mijn commandant, die, hoewel een ongevoelige
kwast en volstrekt geen zeeman, toch verscheidene goede eigenschappen
bezat: werkelijk mocht men zijn lordschap een gentleman noemen;
en hadden wij den vijand ooit ontmoet, dan zoude hij met zijn schip
goed gevochten hebben, want hij had goede officieren, was voldoende
overtuigd van zijne eigene onbekwaamheid en zou naar goeden raad
geluisterd hebben, terwijl hij in persoonlijke dapperheid voor niemand
behoefde onder te doen.
Drie dagen na onze aankomst, zeilde het fregat weder uit. Ik begaf
mij naar boord van den gewezen slavenhaler, waar geene slaven aan
boord waren dan een viertal om op scheepje dienst te doen; het was er
jammerlijk smerig, en daarin moest ik mij zien te schikken, omdat er
geen herberg aan den wal was. Port Praya is de eenige goede ankerplaats
op het eiland; de oude stad Santiago was verlaten, doordien aldaar
slechts eene open reede was, die eene hoogst onveilige ankerplaats
aanbood. De stad Port Praya is slechts eene ellendige verzameling
van hutten van klei opgetrokken; het huis van den gouverneur en nog
slechts één ander zijn beter gebouwd, maar zij zijn nog niet zoo
bewoonbaar als een stulp in Engeland. Het geheele eiland telde geen
tien Portugeezen, doch meer dan tienduizend zwarten, oorspronkelijk
slaven; toch was alles er vreedzaam hoewel er iederen dag opnieuw
slaven werden aangevoerd.
Niet moeielijk viel het de verschillende rassen van elkander te
onderscheiden; de Yatoffen zijn lange, doch geen zwaar gebouwde
menschen, meerendeels soldaten. Ik zag er eens tien bij elkander staan,
waarvan de kortste boven de zes voet en twee à drie duim haalde. De
Foulah's, uit het land van Ashantee, behooren tot een ander ras;
dezen zijn krachtig en gespierd, leelijk van gelaat, slecht gevormd
en verraderlijk. De Madingoes zijn de kleinsten van allen, maar zij
zijn een goedig, handelbaar soort.
Dit eiland van slaven wordt alleen door slaven, die men soldaten
heeft gemaakt en die ellendig uitgerust zijn, in bedwang gehouden;
hunne uniform is voor een deel voortbrengsel van kunst, namelijk
een buis en een hoofddeksel, voor het overige geheel natuur. Alleen
de ordonnans van den gouverneur veroorloofde zich de weelde van een
broek, doch deze was dan ook voortdurend in dienst, van den een op
den ander overgaande, naarmate er aflossing plaats vond.
Ik stak bij den gouverneur mijn compliment af, die hoewel een Portugees
zijnde, de mode van het eiland verkoos te volgen en even zwart was
als het meerendeel zijner onderdanen. Na eenige weinige Fransche
plichtplegingen nam ik mijn afscheid. Ik was zeer nieuwsgierig om de
oude, verlaten stad Santiago te zien; en na een zeer warme wandeling
van wel twee uren over allerlei braak liggende gronden, waar men
niets dan grazende geiten zag, bereikte ik de woeste plek.
Het was een treurig schouwspel; het scheen, dat daar een menschenras
was uitgestorven. De stad was gebouwd op eene ruime glooiing, die
naar zee afliep; de huizen waren van steen en schoon; de straten
geregeld en geplaveid, waaruit viel op te maken, dat het vroeger eene
plaats van gewicht moest geweest zijn; doch verwonderlijk is het, dat
zulk een dor, onvruchtbaar eiland nog ooit eenigen handelsvoorspoed
gekend heeft. Wat daarvan bestaan heeft, moet geweest zijn, vóórdat
de Portugeezen de Kaap de Goede Hoop omzeilden; en de hechtheid en
sierlijkheid van sommige gebouwen pleit voor deze onderstelling.
De muren waren dik en stonden nog in hun geheel; de kerken waren
talrijk, doch hunne daken waren evenals die van het meerendeel der
huizen, ingevallen. Sommige boomen waren in het midden der straten
tot eene belangrijke hoogte opgegroeid, en hadden zich door het
plaveisel een weg gebaand en aan weerszijden de steenen opgelicht;
de kloostertinnen waren slechts wildernis. Door menig dak stak de
kruin van een kokospalm omhoog; uit verscheidene ramen hingen de
reusachtige bladen der banaan. De eenige bewoners dezer stad, groot
genoeg om er tien duizend te kunnen bevatten, waren enkele monniken,
die een ellendigen bouwval hadden betrokken, het overblijfsel van een
prachtig klooster. Dit waren de eerste negermonniken, die ik ooit
zag; hunne kappen waren zoo zwart als hun gelaat, en hun haar was
grijs en wollig. Ik kwam tot het besluit, dat zij deze levenswijze
alleen uitgezocht hadden, omdat er geene andere zoo lui te vinden was;
doch ik kon mij geen denkbeeld maken van de wijze, waarop zij in hun
onderhoud voorzagen, daar er niemand was, bij wien zij om een aalmoes
of gift konden vragen.
Het voorkomen dezer arme lieden paste volkomen bij hunne treurige
omgeving. Er was schoonheid en liefelijkheid in deze eerbiedwaardige
bouwvallen, die mij aangenaam aandeed. In de stad zelf heerschte eene
indrukwekkende stilte; doch er was als eene zachte stem, die mij in
het oor fluisterde:--»Londen zal eenmaal hetzelfde zijn--en Parijs;
en gij en uwe kinderen en kindskinderen zullen allen geleefd, geliefd
en geleden hebben; doch wie zal de rampzalige man zijn, die van den
top van Primrose-Hill op de doodsche, eenmaal zoo machtige stad zal
nederzien, als gij van deze kleine hoogte op de eens bloeiende stad
Santiago nederblikt?"
De geiten graasden langs de helling van den heuvel en de jongen
huppelden om hen heen. »Waarschijnlijk zijn dit nu," dacht ik, »de
eenige voedingsmiddelen van deze arme monniken." Ik wandelde terug
naar Port Praya en keerde aan boord mijner drijvende gevangenis, den
slavenhaler, weder. De officier, die daarover het bevel voerde en hem
als prijs overbracht, was een weinig aangenaam mensch; hij viel althans
niet in mijn smaak, en wij wisselden slechts gewone beleefdheden. Hij
was een oud masters-adsistent, die wel drie malen zijn tijd uitgediend
had; doch een weinig verdienstelijk persoon zijnde en geene vrienden
bezittende, die zorgden dat dit gebrek over het hoofd werd gezien,
had men hem steeds met de bevordering gepasseerd: hierom zag hij
met afgunst tegen een jong commander op. Het was niet juist op zijn
verlangen, dat ik de reis medemaakte, doch hij was er toe verplicht
geworden door den last van mijne vorigen commandant en profiteerde er
nu meteen van om de kajuitstafel op eene voordeelige wijze (uit mijne
beurs) te voorzien van de noodige ververschingen, in den vorm van
vruchten, gevogelte en groenten, alleen te Port Praya te verkrijgen;
hierdoor had hij zich nu natuurlijk in mijn gezelschap te schikken.
Het vaartuig zou, zooals ik bespeurde, den volgenden dag nog niet
zeilen. Met het aanbreken van den morgen ging ik met mijn geweer
over den schouder en met een gids bij mij den wal op, het land in,
op de jacht van pintado's, eene vogelsoort van de kust van Guinea,
welke in overvloed ook op dit eiland wordt aangetroffen. Zij waren
echter zoo schuw, dat ik geen enkelen onder schot kon krijgen; en
ik keerde over de heuvels terug, langs een weg, dien de gids mij
als den kortsten had aangewezen. Vermoeid van het loopen, was ik
verheugd in een beschut dal aan te komen, waar de palmboom en banaan
eene heerlijke schaduw voor de brandende zon opleverden. De gids klom
verwonderlijk vlug een kokosboom in en wierp van boven een zestal der
vruchten neder. Zij waren van buiten groen en hunne melk vond ik de
verfrisschendste en aangenaamste drank, die ik ooit geproefd had.
De vesperklokken van Port Praya riepen nu de arme, zwarte monniken
tot het gebed op; doch ook onder de kleine zwarte jongens en meisjes,
wier tegenwoordigheid ik nog niet had opgemerkt, kwam er rumoer en
opschudding. Zij kwamen van alle kanten uit het kreupelhout op, en
verzamelden zich aan den voorkant van de eenige woning, die ik daar
in den omtrek zag. Een lange, oude neger kwam daaruit te voorschijn
en plaatste zich op eene hoop graszoden, enkele voeten van de hut
verwijderd; hij werd gevolgd door een knaap van omtrent twintig jaren,
die eene geweldige zweep in de hand hield, gemaakt van zeerobbenvel,
dat om zijne hardheid en het pijnlijke der daarmede toegebrachte
slagen eene zekere vermaardheid heeft verworven. Achter den beul
liepen met langzame, afgemeten stappen, de arme kleine slachtoffers,
vijf jongens en drie meisjes, die met beangstigde gezichten zich voor
den ouden man in het gelid plaatsten.
Spoedig kwam ik er achter dat hier »alle hens op" geroepen was voor
eene strafoefening; maar den aard van het misdrijf moest ik nog
leeren kennen.
De oude man beval den oudsten der jongens om met zijn Pater Noster een
begin te maken, en te gelijk hief de geeselaar, ter bemoediging, zijne
zweep omhoog. De arme jongen keek er schuins naar toe en begon toen:
»Pattery Nobstur, qui, qui, qui--(hier ontving hij een geduchten
zweepslag)--is in silly," gilde de jongen alsof het vervolg uit
zijn mond was gehaald door de toepassing van aandrang van buiten in
tegenovergestelde richting--»sancty fish eter nom tum, adveny regnum
tum, fi notun tas, ta, ti, tu, terror--" gilde de jongen weer, zich
inkrimpende, toen hij de zweep weer zag nederdalen op zijn blooten rug.
»Ja, wel met recht terror," dacht ik.
»Panum, nossum quotditty hamminum da nobs, e missy nobs, debitty nossa
si nos demittimissibus debetinebas nossimus e, ne, nos hem--duckam
in, in, in, temptationum, sed lilibery nos a ma--ma--". Hier bracht
een hevige slag de lo! die noodig was om den zin te voltooien,
te voorschijn.
Mijne lezers moeten nu niet veronderstellen, dat de rest van de
klasse zich evengoed van hunne les kweten als de eerste, die bij hen
vergeleken een geleerde was; de overigen ontvingen ongeveer voor elk
woord een slag. De jongens werden het eerst afgehandeld, ten einde,
zooals ik veronderstel, het volle voordeel te genieten van de krachten
van den beul; terwijl de arme meisjes het bijkomende genoegen smaakten
om de kastijding te zien, voordat zij aan de beurt kwamen. De meisjes
kwamen een voor een op om hun Ave Maria, als meer passend bij hare
sekse, op te dreunen; doch ik had moeite mij in te houden, toen ook
die helsche zweep op haar werd toegepast.
Ik had grooten lust den jongen neger de zweep uit de handen te rukken
en die met alle kracht op hem en dien ouden schurk van een meester
te laten neerdalen, die, zooals ik spoedig vernam, nog wel de vader
van die arme kinderen was.
Doch het fraaiste moest nog komen. Vóór het gordijn vallen zou, moest
er nog iets grootsch vertoond worden. Het jongste meisje was zoo
achterlijk in hare les, dat er, zelfs met behulp van de zweep, geen
woord uit te krijgen was; het arme slachtoffer liet niets hooren dan
jammerkreten, voldoende om iemand het hart te doen bloeden. Woedend
over de onvatbaarheid van het kind om woorden op te zeggen, waarvan
zij de beteekenis niet kende, vloog de oude man van zijne zitplaats
op en sloeg haar, tot zij bewusteloos op den grond nederzeeg.
Ik kon het niet langer aanzien. Mijne eerste neiging was om den neger
de zweep te ontnemen en het arme bloedende kind te wreken, dat daar in
onmacht lag, doch nader inzien overtuigde mij, dat ik door zulk eene
handeling slechts dubbele straf aan den ongelukkige slachtoffers op
den hals zou halen, nadat ik de hielen had gelicht; ik nam dus mijn
hoed op en wendde mij met walging af, langzaam terug wandelende naar
de stad en de baai van Port Praya. Ik overdacht onder het loopen, wat
eene behagelijke denkbeelden die arme schepselen omtrent godsdienst
moesten hebben, als de naam van God te gelijk met de zweep in hunne
herinnering werd gehouden.
Aan het strand gekomen, liet ik mij naar boord van den slavenhaler
overbrengen en zeilde daarmede des anderen daags naar Engeland. Wij
hadden eene voorspoedige reis tot op de Gironde, toen wij stormweder
uit het noordoosten op den kop kregen, waardoor wij zuidwaarts werden
teruggeslagen en de prijsmeester in de noodzakelijkheid gebracht werd
voor de noodige herstellingen en de aanvulling van den watervoorraad
Bordeaux binnen te loopen.
Dit speet mij niets, daar ik genoeg had van het gezelschap van
dezen officier, die, bij andere onaangename eigenaardigheden ook
nog onbeschaafd en slecht van humeur was en even weinig zeeman als
gentleman. Als zoovele anderen in den dienst, die het luidst klagen
over slechte bevordering, vond ik, dat hij zelfs in zijn tegenwoordigen
rang het zout dat hij at niet verdiende; menschen van zulk soort te
bevorderen, was slechts het volk bestelen. Zoodra wij dus geankerd
lagen in de Gironde, vóór de stad Bordeaux, en door de bevoegde macht
gevisiteerd waren, verliet ik het vaartuig en zijn kapitein en ging
naar den wal.
Mijn intrek genomen hebbende in het Hôtel d'Angleterre, was mijne
eerste zorg een goed middagmaal te bestellen; en dit besproeid hebbende
met een flesch Vin de Beaune (die ik alle reizigers durf aanbevelen),
vroeg ik aan mijn valet de place, waar ik het verdere deel van den
avond kon doorbrengen.
»Wel mijnheer," zeide hij, »gij moet naar den schouwburg gaan."
»Allons," zeide ik; en eenige oogenblikken later zat ik in eene loge,
van een der schoonste schouwburgen van Europa.