TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Het is nu tijd geworden den lezer bekend te maken met mijn nieuwe

schip en mijn nieuwen commandant. Het eerste was een fregat van de

grootste soort, gebouwd met de bedoeling om te kunnen opwegen tegen de

zware dubbel-banks fregatten van de Yankees. Het schip voerde dertig

lange 24-ponders in den kuil en hetzelfde aantal 42-ponds caronaden

op het bovendek.

Ik was eene week aan boord, deed gedurende den dag dienst en was

's avonds aan den wal, ten huize van den heer Sommerville te

Blackheath. Mijn commandant had ik nog niet gezien, en de eerste

officier was op een morgen naar den wal gegaan om eens af te

stappen. Ik was dus op dat oogenblik de commandeerende officier; de

equipage was aan het schaften; zacht motregende het, en ik wandelde

eenzaam op het halfdek op en neer, toen er eene boot van den wal op

zijde kwam, waarin een persoon gezeten was in burgerkleeren. Ik schonk

hem geene bijzondere aandacht, denkende dat het een wijnkooper of

kleermaker was, die vergunning kwam vragen om het schip te bedienen. De

vreemde keek naar de vuile valreepen, die de stuurmansleerling hem

aangaf, en vroeg of er niet een schoon paar was. De jongen antwoordde

ontkennend, en de vreemde ziende dat er niets anders kwam, pakte de

vuile touwen aan en klom naar boven.

Op het halfdek gekomen, stapte hij naar mij toe en mij een paar

zwavelkleurige handschoenen toonende, die vol teer en vuil zaten,

merkte hij op nijdigen toon op: »Bij God, mijnheer, dat kost mij een

paar nieuwe handschoenen!"

»Ik trek altijd mijne handschoenen uit, als ik aan boord kom,"

zeide ik.

»Maar ik verkies de mijne aan te houden," hernam de vreemdeling. »En

waarom kon men mij niet een paar schoone valreepen geven?"

»Omdat," zeide ik, »mijne orders zijn ze alleen te geven, wanneer er

valreepsgasten gesloten zijn."

»En waarom werden er mij geene valreepsgasten gegeven, mijnheer?"

»Omdat, mijnheer, het nooit gesloten wordt, vóór men weet wie

overkomen zal."

»Zoo zeker als ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik van uwe

handelwijze aan uwen commandant rapporteeren," zeide hij.

»Wij geven alleen valreepsgasten voor officieren in uniform," zeide

ik; »en ik zou nog wel eens graag willen weten, op welken grond u

die eer zou toekomen."

»Mijnheer, ik ben," zeide hij (zijn kaartje toonende), »........,

enz. Kent gij mij nu?"

»Ja, mijnheer," antwoordde ik, »ik ken u als fatsoenlijk man; maar

zoolang ik u niet zie in kolonelsuniform, kan ik u het gevraagde

eerbewijs niet geven." Doch terwijl ik dit zeide, nam ik eerbiedig

mijn hoed af.

»In dat geval, mijnheer," zeide hij, »zult gij, zoo zeker als ik in

het Hoogerhuis zal zitten, er meer van hooren." Gevraagd hebbende,

of de commandant aan boord was, en een ontkennend antwoord hebbende

ontvangen, keerde hij zich om en ging den valreep door, weer in

zijne boot, zonder mij de gelegenheid te hebben gegeven een paar

schoone touwen voor hem te laten komen. Hij liet weer naar den wal

roeien, en nooit vernam ik weer van zijne vuile valreepen en bedorven

handschoenen.

Later hoorde ik, dat deze officier gewoon was zijne discoursen te

doorspekken met dit lievelingsonderwerp zijner eerzucht; doch daar

hij nu werkelijk lid van het Hoogerhuis is, mag men aannemen, dat

hij deze zijne verklaring tegen eene andere verwisseld heeft. Toen

hij een schip commandeerde, was hij gewoon te zeggen: »Zoo zeker als

ik in het Hoogerhuis zal zitten, zal ik u laten afstraffen, man;" en

als de bedreiging in dezen vorm over zijn lippen was gekomen, ging de

bestraffing zeker door. Bij ons kwam deze spraakwijze, doch in juist

omgekeerden zin, in den smaak: de officieren, adelborsten, matrozen

en mariniers bekrachtigden de geloofwaardigheid hunner beweringen

door te zeggen: »Zoo zeker als ik niet in het Hoogerhuis zal zitten."

Dit nu was de edele lord, die toen hij een Zr. Ms. schepen in de

Chineesche wateren commandeerde, een inwoner van dat rijk zijn portret

liet maken. Daar de gelijkenis niet bijzonder vleiend was uitgevallen,

werd de kunstenaar door zijn patroon ernstig berispt. De arme kerel

antwoordde: »Ach meester, hoe kan mooi gezicht maken, als geen mooi

gezicht heb?" Deze geschiedenis is, als zooveel andere mooie verhalen,

gestolen en op allerlei wijzen toegepast geworden; doch ik maak er

aanspraak op als wettig eigendom van de marine en kan er voor instaan,

dat zij den bovengenoemden oorsprong heeft.

Een voor een kwamen mijne kameraden aan boord, totdat wij voltallig

waren; en eindelijk kwam er een brief in een adres, gericht aan den

eersten officier, met het opschrift »dienst" en aan den benedenhoek

links gewaarmerkt met den naam van den edelen schrijver, en hield in,

dat onze commandant den volgenden morgen aan boord zou komen. Wij

stonden natuurlijk gereed hem te ontvangen, in volle uniform met

steek en degen,--de marinierswacht was aangetreden. Hij kwam tegen

halféén langs zijde, toen de equipage aan het schaften was, een vreemd

uitgezocht tijdstip, daar men niet gewoon is, als het vermeden kan

worden, de menschen in hunne maaltijden te storen. Hijzelf droeg

een ongekleed jasje met neergeslagen kraag en ankerknoopen, geene

epauletten, en een lanciersmuts met breeden, gouden band.

Dit was nu niet zooals het behoorde, doch daar hij een lord was, maakte

hij aanspraak op enkele voorrechten; en later bevonden wij, dat hij

zich bij herhaling plaatste op de rots zijner voorrechten. Na elkander

werden wij aan hem voorgesteld, en aan elk onzer verwaardigde hij zich

een knik te geven. Zijne vragen waren alleen gericht tot den eersten

officier en hadden slechts betrekking op zijn eigen gemak. »Waar moet

mijn hofmeester logeeren,--waar mijn bediende slapen,--welke veehokken

zijn van mij,--en waar moeten mijne schapen gestopt worden?" Toen wij

een half uur in zijn gezelschap waren geweest, ontdekten wij reeds,

dat hij zijn eigen edelen persoon verafgoodde. Wat zijn schip betrof,

hoe de inrichting, hoe sterk de bemanning was, met de masten, het

tuig, de ruimen, provisiën en waterberging,--met niets van dat alles

vermoeide hij ooit zijn geest.

Toen hij ongeveer een uur aan boord was geweest, liet hij zijne

sloep weer gereedmaken en keerde naar den wal terug, en wij zagen

niets meer van hem vóór wij te Spithead waren aangekomen, toen zijn

lordschap aan boord verscheen, vergezeld van iemand, dien wij spoedig

ontdekten een gepensionneerden scheepsschrijver te zijn,--een man,

die door de grofste vleierij en tallooze kleine diensten zich bij

zijnen patroon zóó onmisbaar had weten te maken, dat hij bij diens

reisstoet een even noodzakelijk aanhangsel was geworden als de koffer

of de lijfknecht. Deze verachtelijke tafelschuimer was zijn lordschaps

dubbelganger. Als zijn lordschap zulks slechts verlangde, dan werd

zwart wit--en wit zwart in den mond van den trawant; hij at in de

kajuit, deed ontzaglijk veel kwaad in het schip en ontging alleen

de noodige hoeveelheid schoppen, omdat hij een te groote ellendeling

was om zelfs geschopt te worden.

Zoodra wij het bevel ontvingen om naar Spithead te stevenen, maakte de

heer Sommerville, die zoolang het schip nog niet gereed was, zijn huis

te Blackheath had aangehouden in de hoop, dat mijne bevordering wat

eerder nog zou afkomen, aanstalten de plaats te verlaten. Mijn vader

had zich nogmaals tot de autoriteiten gewend en ten antwoord gekregen,

dat ik om mijne promotie eerst buitengaats moest gaan. Hierdoor ging

hij nu over tot het opbreken van zijn zomerkwartier, zeer wijselijk

de opmerking makende, dat, als hij dit niet deed, mijne diensten voor

het schip zouden verloren zijn. Zoo hij en Emilia mij niet te Woolwich

achterlieten, zou misschien mijn commandant mij achterlaten; op grond

hiervan deelde hij zijn binnen de vierentwintig uren voorgenomen

vertrek mede.

Emilia was zeer droevig gestemd. Ik niet minder. Vriendelijk verweet

ik haar hare wreedheid; doch zij antwoordde mij met eene flinkheid en

verstandigheid, die ik in haar moest bewonderen, dat zij slechts één

raadgever had, en dat was haar vader, en dat zij tot haar huwelijk toe

nooit naar een ander zou luisteren; dat zij op zijn advies het trouwen

had uitgesteld. »En daar wij nog geen van beiden heel erg oud zijn,"

vervolgde zij, »vertrouw ik, dat wij elkaar zullen weerzien." Ik had

eerbied voor haren moed, gaf haar een kus, hielp haar in den wagen,

drukte haar de handen. Ik behoef er niet bij te voegen, dat ik in

elk harer oogen een traan zag blinken. Mr. Sommerville zag, dat er

een heele stortbui van in aantocht was; daarom trok hij het portier

op, knikte mij vriendelijk toe en liet het rijtuig vertrekken. Het

laatste wat ik toen van Emilia zag, was hare rechterhand, waarmede

zij een zakdoek voor de oogen hield.

Toen de dierbare bewoners afgereisd waren, keerde ik mij met

tegenzin van het huis af en liep naar mijne sloep toe met de

neerslachtigheid van een hond, dien men een blikken ketel aan den

staart heeft gebonden. Toen ik aan boord kwam, haatte ik het gezicht

van iedereen en de reuk van alles; pik, verf, ruimwater, teer en rum

mengden zich daar op een afschuwelijke wijze en spanden samen om mij

zoo ziek en ellendig te maken, als de meest verliefde zeeman zich kan

voorstellen. Ik heb reeds vroeger gezegd, dat wij te Spithead waren

aangekomen, en aangezien ik van die plaats niets nieuws te vertellen

heb, zal ik mijn verhaal weer opvatten in zee.

Wij gingen naar het Noord-Amerikaansche station, wat mij wel het

aangenaamste was, nu ik toch niet bij Emilia kon wezen. Onze overtocht

duurde lang, en wij werden op rantsoen drinkwater gesteld. Alleen

zij, die zulks ondervonden hebben, weten wat dit zeggen wil. Iedereen

leed er onder, behalve de commandant, die op grond zijner voorrechten

dagelijks twaalf kan extra vorderde voor zijn voetbad; en het daarvoor

gebruikte water werd gretig aangenomen en genoten door de matrozen. Dit

gaf wel aanleiding tot eenige ontevredenheid, welke den commandant

ter oore kwam, doch hij maakte er zich niet moeielijk over en zeide

erg onverschillig:

»Wel, als iemand geen voorrechten mag hebben, wat zou het dan waard

zijn om commandant te zijn?"

»Zeer juist, mylord," zeide de trawant, met eene diepe buiging.

Als ik eene beschrijving van zijne lordschap geven wil, dan moet ik

zeggen: hij was een kort, kloek, welgemaakt man met een goed gevormd,

doch niet bepaald snugger gelaat, altijd keurig net op zijn persoon;

geholpen door de inblazingen van zijn pluimstrijker, was hij zeer met

zichzelf ingenomen; trotsch op zijne hooge geboorte en nog meer ijdel

op zijn uiterlijk voorkomen. Zijne kennis van de meeste zaken was zeer

oppervlakkig het leven in de hoogere kringen: en de aardigheden, die

daarop betrekking hadden, waren schering en inslag zijner gesprekken;

aan zijne eigene tafel, maakte hij zich trouw van het discours meester,

en terwijl zijne gasten zijn wijn opdronken, lachten zij met gemaakte

vroolijkheid. Zijne bibliotheek bestond uit twee octavo-deelen, de

Mémoires van den Hertog de Grammont, welk vroolijk en aristocratisch

werk nooit uit zijne handen was. Hij had verscheidene jaren op zee

doorgebracht, doch vreemd genoeg, hij wist niets, letterlijk niets

van zijn vak af. Van zeemanschap, stuurmanskunst en omtrent alles

wat met den dienst samenhing, was hij volkomen onkundig. Vóór hij bij

ons kwam, had ik hem als een goed officier hooren beschrijven; en ik

moet om rechtvaardig te zijn zeggen, dat hij steeds een aangenaam

humeur had, en naar ik geloof zoo dapper was, als ooit iemand, die

het zwaard hanteerde. Zelden maakte hij een aanmerking in dienst,

omdat hij zich zijn gebrek bewust was, en ook op glibberig terrein

waagde hij zich nooit. Wanneer hij op het halfdek kwam, keek hij

gewoonlijk naar den loef-grootenbras, en wanneer deze niet snaarstijf

stond, gaf hij bevel om hem te laten stijf zetten. Hierdoor kon hij

zich niet licht blootgeven; doch het werd een spotwoord, als wij

beneden om hem lachten. Hij had de zonderlinge gewoonte om de namen

van menschen en voorwerpen te vergeten, of althans te doen alsof hij

die vergeten had;--ik geloof, omdat alles zoo verre beneden hem was;

en in plaats van de namen gebruikte hij de sierlijke uitdrukkingen:

»hoe heet hij ook" en »hoe noemt gij dat", en »dinges".

Eens kwam hij op dek en gaf mij inderdaad het volgende, zeer duidelijke

bevel: »Mijnheer »hoe heet gij ook", wees zoo goed om de »dinges"

te »hoe noemt gij dat"."

»Ja, ja, mylord!" antwoordde ik, »achtergasten de loef, grooten bras

beter stijfzetten!" Dit had hij juist bedoeld.

Hij was er zeer op gesteld en zag er nauwlettend op toe om behoorlijk

toegesproken te worden. Wanneer door een hooger officier een order

gegeven wordt, is het niet ongewoon dat hij ten antwoord krijgt »heel

goed, mijnheer" hetgeen slechts beduidt, dat men hem goed begrepen

heeft en ten vlugste gehoorzamen zal. Ik gebruikte dikwijls dat

gezegde en zeide ook eens, toen ik een bevel van hem ontvangen had:

»Zeer goed mylord."

»Mijnheer Mildmay," antwoordde zijn lordschap nu, »ik wil nu wel

aannemen, dat gij niets oneerbiedigs bedoelt, doch ik verzoek u mij

dat antwoord niet weer te geven; het staat aan mij om te zeggen,

dat het »zeer goed" is en niet aan u. Het heeft nu den schijn, alsof

gij mijn order goedkeurt, en dat verlang ik niet; ik verzoek u het

voortaan na te laten. Begrepen?"

»Zeer goed, mylord!" zeide ik uit kracht van gewoonte. »Ik verzoek

uwe lordschap om verschooning: ik bedoelde »heel wel.""

»Ik kan dat jongmensch niet best zetten," zeide zijn lordschap tegen

zijn trawant, die het halfdek heen en weer achter hem aan wandelde,

als een schoothondje. Ik hoorde het antwoord niet, doch het was weer

eene echo natuurlijk.

Den eersten keer toen wij in zee een reef in de marszeils staken,

bevond zich de commandant aan het dek; hij zeide niets, doch

zag slechts toe. Den tweeden keer ving hij alle woorden van den

eersten officier op en herhaalde die op luiden, hoogdravenden toon,

zonder eigenlijk te weten of zij van toepassing waren of niet. Den

derden keer verbeeldde hij zich er nu al genoeg van af te weten en

op zichzelf te kunnen staan, en het was glad verkeerd, hij maakte

een mal figuur. »Loop weg met de voormarsevallen," riep de eerste

officier. »Loop weg met de voormarsevallen," riep de commandant hem

achterna. De matrozen liepen met het touw naar achteren, en de ra

ging met vaart langs de steng op, tot zij in eens met een ruk werd

tegengehouden.

»Wat houdt er aan?" zeide de eerste officier, mij, die op den bak op

mijn post was, toeroepende.

»Er is iets onklaar aan den draaireep," antwoordde ik.

»Wat houdt er aan?" vroeg de commandant.

»De marsedraaireep is onklaar, mylord," antwoordde de eerste officier.

»Laat dien draaireep opd.......! Snijdt hem af. Neem een mes daar

boven! Ik wil het marszeil op hebben; snijdt den marsedraaireep!"

Tot goed begrip mijner niet deskundige lezers, moet ik hier opmerken

dat de marsedraaireep juist het touw was, waaraan halverwege de

hoogte, die hij bereiken moest, de ra hing. Het doorsnijden daarvan

zoude het schip hebben belemmerd, totdat hij vernieuwd was; en ware

het bevel opgevolgd, dan zou de ra met een ruk zijn neergevallen en

waarschijnlijk in twee stukken op den rand van het ezelshoofd zijn

terechtgekomen.

Wij kwamen, zonder een vijand ontmoet te hebben, te Halifax binnen;

en zoodra het schip goed en wel ten anker lag, ging ik naar den wal om

mijne oude vrienden te bezoeken. Gelukkig voor hen en voor mijzelven,

werd mij niet veel tijd gegund om dwaasheden uit te halen. Spoedig

ontvingen wij last om op de kust van Noord-Amerika te gaan kruisen.

Het was wintertijd en zeer koud; verscheidene zware stormen hadden

wij door te worstelen, waarin wij bijzonder te lijden hadden van

plotseling opkomende sneeuwbuien, noordoost-stokers en sterke vorst,

die ons loopend touwwerk onhandelbaar maakte en ons verplichtte

kokend water over de blokschijven te gieten om deze los te krijgen

en het touwwerk er over te laten loopen; ook veroorloofde de koude

den commandant niet, ons meer dan eens in de vierentwintig uren met

zijne tegenwoordigheid te vereeren.

Wij ankerden bij eene kuststrook, waar geene verdedigingswerken

waren aangelegd, en de bewoners, door hun eigen gouvernement zonder

bescherming gelaten, zich als onzijdig beschouwden en ons zooveel

visch, gevogelte en groenten leverden als wij hebben wilden. Zoolang

wij daar lagen, gingen commandant en officieren herhaaldelijk aan den

wal zonder op eenige wijze daarin verhinderd te worden. Op een avond

nadat de commandant aan boord terug was, kwam er een sneeuwstorm met

harde vlagen opzetten. De giek, die geheschen had moeten zijn, was nog

te water; de vanglijn brak, de sloep ging in drift en was al een poos

weg, vóór dit opgemerkt werd. Den volgenden morgen onderzoek doende,

bevonden wij, dat het vaartuig eenige mijlen verder op gestrand was en

dat de Amerikanen het in bezit hadden genomen en tweeëntwintig mijlen

noordwaarts naar een vijandelijk deel der kust hadden weggevoerd. De

commandant was zeer teleurgesteld over het verlies zijner giek, welke

hij als zijn bijzonder eigendom beschouwde, hoewel zij gebouwd was door

's konings timmerlieden uit 's konings planken en klinknagels.

»Als mijn privaat eigendom," zeide zijne lordschap, »behoort zij

teruggegeven te worden."

Ik zeide maar niet, dat ikzelf bij het aftimmeren van het vaartuig

was tegenwoordig geweest, en dat het ook op den scheepsinventaris

in verantwoording liep. Immers dit was mijne zaak niet; maar weinig

dacht ik, dat het verlies van die kleine sloep mij bijna het leven

zou kosten; zoo was het intusschen, en dit onbeduidende voorval had

een grooten nasleep.

»Zij moeten privaat eigendom eerbiedigen, hoor," zeide de commandant

tegen den eersten officier.

»Ja," antwoordde deze; »maar zij zullen niet weten, dat het privaat

eigendom is."

»Dat is zoo; dan zal ik iemand zenden, om het hun te vertellen;"

meteen ging hij naar omlaag om te dineeren.

Er werd last gegeven om met het aanbreken van den dag de barkas uit te

zetten en gereed te maken, en ik ontving bevel daarmede te gaan. Te

negen uren 's morgens werd ik in de kajuit geroepen; zijne lordschap

lag nog te bed, en de groenzijden gordijnen waren stijf voor zijn

kooi dichtgetrokken.

»Mijnheer, hoe heet gij ook," zeide zijne lordschap, »gij gaat de

»dinges" terughalen, weet gij."

»Ja, mylord," zeide ik.

»En dan gaat gij naar die plaats en vraagt om mijn »hoe noemt ge dat?""

»Om uwe giek, mylord?" vroeg ik.

»Ja,--dat is alles."

»Maar mylord, veronderstel, dat zij hem mij niet willen afgeven." Wat

dan?

»Neem hem dan."

»En als nu de giek eens daar niet is; of wel dat zij er is, maar zij

haar niet willen afstaan?"

»Dan neemt ge alle vaartuigen, die in de haven liggen."

»Zeer wel, mylord. Kan ik de sloepshouwitser medenemen--of slechts

de noodige geweren?"

»Oh, neen--geen wapens. Neem een witte vlag mede, dat is genoeg."

»En als zij nu niet op de witte vlag believen te letten, mylord?"

»Oh, dat zullen zij wel; de witte vlag wordt altijd geëerbiedigd,

hoor."

»Uwe lordschap duide mij dit niet ten kwade, doch ik geloof, dat

eenige geweren in de sloep van veel nut zouden zijn."

»Neen, neen, neen--geene wapens! Gij zoudt om eene beuzeling aan het

vechten raken.--Gij hebt uwe bevelen, mijnheer."

»Ja," dacht ik, »mijne bevelen heb ik. Als ik slaag, ben ik een

roover; en slaag ik niet, dan heb ik kans aan den eersten boom den

besten opgeknoopt te worden."

Ik verliet de kajuit en begaf mij naar den eersten officier. Ik

vertelde hem de ontvangen bevelen. Deze officier was, zooals ik

hiervoor reeds verteld heb, iemand die geen vrienden had, daarom,

voor zijne bevordering, geheel afhankelijk van den commandant en

dus huiverig om, hoe dwaas die ook waren, tegen zijne orders in te

handelen. Ik vertelde hem, dat, wat ook de commandant mocht bevolen

hebben, ik niet zonder wapens van boord zou steken.

»De bevelen van zijn lordschap moeten gehoorzaamd worden," zeide de

eerste officier.

»Nu," zeide ik, nijdig geworden door die dwaasheid, »dan zijt gij

een even snuggere bol als de ander."

Dit beschouwde hij als zulk eene groote beleediging, dat hij omlaag

naar zijne hut ging, zeggende: »Hiervoor zult gij nader van mij

hooren, mijnheer."

Ik maakte hieruit op, dat hij voornemens was mij voor een krijgsraad

te brengen, waartoe ik zeer zeker aanleiding had gegeven door dit

ondoordacht gezegde; doch ik ging naar het halfdek en maakte van

zijne afwezigheid gebruik, om zooveel geweren en munitie in de sloep

te doen afgeven, als ik meende noodig te hebben. Nauwelijks was ik

hiermede gereed, toen de eerste officier weer boven kwam en mij een

brief overreikte, die niets meer of minder inhield dan de gezellige

mededeeling, dat hij, bij mijne terugkomst van dezen tocht, voor de

beleediging, die ik hem aangedaan had, voldoening vroeg. Het deed mij

intusschen genoegen, dat het niets ergers was. Om zijne bedreiging

moest ik lachen, en aangezien de eigenlijke inhoud der beleediging

was geweest, dat ik hem met den commandant gelijkgesteld had, was

hij verhinderd om openlijk voor zijne verontwaardiging uit te komen,

uit vrees zijn chef te mishagen.

Na deze voorbarige uitdaging bij mij gestoken te hebben, ging ik den

valreep af, stapte in de sloep en roeide weg. Het was nog slechts

een uur vóór zonsondergang, toen ik aan de plaats kwam, waar vermoed

werd, dat die duivelsche giek zou wezen, en de lucht begon er zeer

stormachtig uit te zien. Het is niet aan te nemen, dat er in den

zeedienst een andere commandant te vinden zou geweest zijn, die voor

zulk eene beuzelachtige reden, op eene vijandelijke kust, die onder

de lij was, eene sloep zóó ver van het schip had durven wegsturen.

In mijne sloep had ik twintig man en een adelborst. Toen wij vóór den

mond van de haven kwamen, zagen wij daarin vier vaartuigen geankerd,

waarom wij naar binnen roeiden. Wij hadden evenwel geene gelegenheid

om met onze vredes-vlag een proef te nemen, daar wij, nauwelijks

binnen geweerschot afstands, een hagelbui van kogels kregen, die ons

door twee honderd bedekt opgestelde soldaten werd toegezonden en vier

mijner manschappen buiten gevecht stelde. Er schoot dus niets anders

over, dan de vaartuigen te enteren en naar buiten te brengen. Twee

daarvan zaten gestrand en werden in brand gestoken, daar het (dank

zij het oponthoud van 's morgens aan boord) bot laag water was:

hierbij kregen wij nog meer gewonden. De beide andere vaartuigen

nam ik daarop in bezit, en een daarvan aan den adelborst, die nog

een zeer jong kereltje was, toevertrouwende, verzocht ik hem het

anker te lichten. Daartoe stond ik hem de sloep af met al het volk

op vier man na, die ik bij mij hield. Het scheen, dat hij nog meer

verliezen leed, want hij hakte zijn kabel door en zeilde nog vóór mij

uit. Ook ik lichtte nu het anker; doch toen wij daarmede bezig waren,

verloor ik nog een man, door een geweerschot gedood. Daarop zeilde

ik den adelborst achterna. Wij hadden ongeveer den afstand van vier

Eng. mijlen uit den naasten wal bereikt, toen een hevige sneeuwstorm

kwam opzetten. Alle onze zeilen, die trouwens zeer oud waren, woeien

dadelijk weg. Mij bleef niets over dan ten anker te komen, wat ik

deed op eene bank met vijf vademen water. Het andere vaartuig verloor

evenzoo zijne zeilen en dreef op de kust, omdat het zijn anker kwijt

was, werd daar stukgeslagen, en het daarop geplaatste volk gewond,

gevangengenomen of, zooals ik later vernam, doodgevroren gevonden.

Des anderen daags zag ik het wrak zitten, geheel met ijs overdekt. Zóó

was het reeds een treurig vooruitzicht voor mij, en toen wist ik nog

niet eens, wat er van de bemanning geworden was. Zelfs mijn eigen

toestand was niet benijdenswaardig; het scheepje was zeer licht

gebouwd, doch diep geladen met zout: eene lading, die op de eene of

andere wijze nat geworden, erger is dan water, omdat zij niet kan

worden uitgepompt en op het laatst zwaar wordt als lood. Overkwam

ons iets dergelijks, dan zou niets ons drijvende kunnen houden, en

bij zulk een ramp hadden wij niet eens eene sloep gehad. Ik had drie

man bij mij, behalve nog dien dooden, die door ons in de kajuit was

neergelegd. De bottelarij was totaal ledig,--geen enkel artikel bevond

er zich in, dat eetbaar was. Ik lag vier mijl uit den wal, met zwaar

stormweder, waarvan de vroolijkheid verhoogd werd door sneeuw en de

bitterste koude, die ik ooit gevoeld had. Wij gingen het vaartuig

eens doorzoeken en vonden een goeden voorraad zeilen, die echter

niet passend waren, benevens nog een paar rollen nieuw zeildoek;

blijkbaar was een en ander aan boord gebracht om er een nieuw stel

zeilen voor het scheepje van te maken, zoodra daaraan de behoefte zou

ontstaan; ook was er een overvloed van zeilmakershandplaten, naalden

en zeilgaren. Doch om te eten was er letterlijk niets dan zout,

en om te drinken slechts één vaatje water. Wij legden in de kajuit

een vuur aan en hielden ons zoo warm als wij konden, terwijl wij om

beurten eens naar dek gingen, om te zien of het anker hield en het

weder eens bedaarde. Hevig stampten wij en namen water bij geheele

zeeën te gelijk op den bak over, terwijl alles op het dek stijf

vroor. Den daarop volgenden morgen bespeurden wij eene mijl dichter

naar den wal te zijn gedreven, terwijl de storm met onverminderde

woede aanhield. Het andere vaartuig was nu een masteloos wrak dat

ons als het ware als een spooksel aanstaarde.

Wij begonnen een nijpenden honger te krijgen; na den tweeden dag

waren wij reeds door onze brandstoffen heen,--wij moesten daarvoor

de beschotten gaan afbreken. Omlaag hielden wij ons onledig met

het aanmaken van een stel zeilen en dronken warm water, om de koude

te verdrijven. Doch lang kon dit niet worden volgehouden; de koude

werd steeds vinniger en twee malen reeds was er een begin van brand

ontstaan, doordien wij te hard stookten, om niet te bevriezen. De

tweede nacht ging voorbij als de eerste; en met het aanbreken van den

dag bevonden wij binnen twee mijl van de kust te zijn gedreven. Dien

dag kwamen onze zeilen gereed, en met veel moeite gelukte het ons de

hoogst noodige aan te slaan.

De manschappen waren nu uitgeput van koude en honger en verzochten

mij het kabeltouw te kappen en op den wal te loopen; doch ik wist

hen over te halen om het nog tot den volgenden morgen aan te zien,

omdat deze stormen gewoonlijk slechts van korten duur zijn. Weder

kropen wij dien nacht dicht bijeen om ons warm te houden, terwijl de

buitenste man het lijk, bij wijze van deken, tegen zich aan legde. Dien

nacht bedaarde de storm, en tegen den morgen was het weer opgeklaard.

De wind was nog steeds uit eene ongunstige streek, en naar ons schip

op te boksen was onmogelijk. Door het aanhoudend bevriezen van het

overgekomen water, waren boegstagen en want met eene ijskorst van

wel vijf duim dikte bedekt, en op den bak lag eene laag van wel twee

voet ijs, zóó helder, dat men het touwwerk opgeschoten, daaronder

zag liggen.

Er bleef nu niets anders te doen over: dus mijne matrozen gelastende,

het touw te kappen, was ik besloten het vaartuig den wal op te

laten zeilen en mij daar, zoo noodig, over te geven. Wij heschen een

stagzeil, en nu was mijn plan om nog iets verder door te zeilen en

ons gevangen te geven bij eene groote stad, die ik wist, dat ongeveer

twaalf mijlen verder aan de kust gelegen was. Ik zag er tegen op

ditzelfde te doen ter plaatse, waar wij de prijzen genomen hadden.

Op het oogenblik, waarop wij den derden morgen zeil zetten, waren

wij tot binnen den afstand van eene mijl gedreven en bijna terug op

de plaats, die wij verlaten hadden. Aldaar had men eenige veldstukken

tegen ons in batterij gebracht. Zij waren goed gericht, doch de kogels

konden ons niet bereiken. Ik zette nog eenig zeil meer en hield hoog

aan den wind langs den wal, tot ik binnen een paar kabellengten van

het hoofd kwam, waar mannen, vrouwen en kinderen waren uitgeloopen

om ons te zien stranden, toen er plotseling een hevige sneeuwbui kwam

opzetten; de wind draaide geheel en was zoo hevig, dat ik niets meer

van de haven kon zien en er met geene mogelijkheid het schip meer

in had kunnen brengen; aangezien ik nu dadelijk inzag, dat de wind

gunstig was om ons schip te bereiken, dat ongeveer veertig mijlen van

ons verwijderd was, liet ik het roer opleggen en stuurde ik daarheen.

Dit werd goed uitgevoerd. Tegen elf uren des avonds haalden wij het

schip en riepen om eene sloep te zenden. Men had ons van boord zien

naderen, en de gevraagde sloep werd dadelijk gezonden en bracht ons

allen naar het fregat over, terwijl er een paar versche manschappen

medekwamen om den prijs te bewaken.

Ik was radeloos van honger en koude, en met moeite kwamen wij tegen

het schip op, zoo uitgeput en zwak waren wij allen. Ik werd verzocht

om in de kajuit te komen, daar het voor den commandant veel te koud

was om zijn gelaat op het dek te vertoonen. Ik vond zijne lordschap

voor een goed vuur gezeten, met de voeten op het haardijzer; op de

tafel stond eene karaf met madera, met een glas en gelukkig, hoewel

niet voor mij bestemd, een grooten roemer. Ik greep de karaf met de

eene en den roemer met de andere hand, vulde dien boordevol en sloeg

den inhoud in eene teug naar binnen, zonder er zelfs over te denken

om zijn lordschaps gezondheid te drinken. Hij keek vreemd op en hield

mij zeker voor gek geworden. Ik moet erkennen, dat mijne kleeding

en uiterlijk voorkomen volmaakt in overeenstemming waren met mijne

handelingen. Sinds ik drie dagen geleden het schip had verlaten, had

ik mij noch gewasschen, noch geschoren, noch verschoond. Mijn baard

was gegroeid, mijne wangen stonden hol, mijne oogen waren ingezonken,

en wat mijne maag betreft--iets gelijksoortigs moeten de ongelukkige

Franschen, die uit den Russischen veldtocht overbleven, gevoeld

hebben. Mijne vervallen persoonlijkheid was in een hoog opstaanden,

blauwen duffel gehuld, die bevroren en met ijzel en sneeuw overdekt

was als een gesuikerde podding.

Zoodra ik spreken kon, zeide ik: »Ik verzoek verschooning, mylord,

doch ik had niets te eten of te drinken gehad sedert ik van boord

was gegaan."

»O, dan is het heel goed," zeide zijn lordschap; »ik had niet verwacht

u ooit weer te zien."

»Waarom mij dan, voor den duivel, er op uitgezonden?" dacht ik bij

mijzelf.

Gedurende ons kort gesprek was mij niets aangeboden, geen stoel, ook

geene verversching, waaraan ik zoo groote behoefte had; wanneer ik het

had kunnen volhouden, zou ik onder het vertellen mijner lotgevallen

staande zijn gehouden. Ik wilde juist daarmede beginnen, toen de

wijn mij naar het hoofd steeg; en tot steun greep ik de rugleuning

van eenen stoel.

»Laat dat nu maar loopen," zeide de commandant, blijkbaar door mijnen

toestand uit zijne lustelooze onverschilligheid ontwaakt; »ga u maar

liever op uw gemak stellen; dan zal ik er morgen wel alles van hooren."

Dit was de eerste en eenige vriendelijkheid, die hij mij ooit bewees;

en deze kwam zoo à propos, dat ik hem er dankbaar voor was. Ik bedankte

hem en ging dadelijk naar de longroom, alwaar ik, in weerwil van al wat

ik gehoord had van de gevaren van het eten na langdurige onthouding,

alles verslond wat men mij voorzette en naar evenredigheid dronk, mijne

daar omheen staande kameraden vertellende, hoe weinig het gescheeld

had of wij waren er toe overgegaan om het lijk in stukken te snijden

en te braden. Het viel hun niet moeielijk dit te gelooven, toen zij

zagen, op welke wijze ik aan het eten was gegaan. De drie matrozen,

die bij mij waren geweest, beval ik in de zorg van den dokter aan;

en met zijne toestemming, schonk ik hun elk een halve kan goed heeten

cognacgrog met suiker, bij wijze van »slaapmutsje." Nadat ik deze

voorzorg genomen, voor mij zelf aan de roepstem der natuur, en voor

mijne kameraads aan de roepstem der nieuwsgierigheid gevolg gegeven

had, zocht ik mijn bed op en viel in een diepen slaap, die tot den

volgenden middag voortduurde.

Dus eindigde deze onoverlegde en noodlottige tocht: een afgezant

met het geheiligde teeken des vredes uit te zenden, om onder de

bescherming daarvan een vijandige daad te plegen. Waren wij onder

deze omstandigheden gevangengenomen, dan had men ons, als honden,

aan den eersten boom den besten kunnen ophangen; ongewapend er op

uit te gaan ware een dolle streek geweest, daarom durfde ik op mij

nemen om een onrechtvaardige, dwaze order in den wind te slaan. Zulks

strekke intusschen niet ten voorbeeld voor de jongeren, doch worde

opgevat door de ouderen als eene waarschuwing om nooit bevelen te

geven, vóór zij daarvan behoorlijk de gevolgen hebben overwogen. De

veiligste maatregel voor jongeren is altijd om te gehoorzamen. Op deze

wijze verloor 's Konings dienst achttien flinke mannen, na zeer zwaar

lijden, voor eene boot »het privaat eigendom" van den commandant,

van eene waarde van nog geen twintig pond!

Des anderen daags, toen ik mij gekleed had, wenschte de eerste

officier mij te spreken. Dadelijk schoot mij die malle uitdaging te

binnen. »Dat is een mooi nastukje," dacht ik, »voor het treurspel,

om door den eersten officier doodgeschoten te worden, alleen omdat

ik hem juist zoo'n »bol" genoemd had als den commandant." De eerste

officier had echter niet zulke barbaarsche voornemens; hij had na mijn

vertrek de juistheid mijner opmerking gewaardeerd, en daar hij een

goedhartige noord-landsman was, stak hij mij de hand van verzoening

toe, die ik met groot genoegen aannam, daar ik voor den eersten tijd

variatie genoeg had gehad.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 34 / 38 题