Kort nadat het fregat, waarmede ik New Providence verlaten had, den
Amerikaanschen prijs, waarover mij het bevel was toevertrouwd, had
losgelaten, waren eenigen van onze matrozen eens tegen de Amerikaansche
gevangenen aan het bluffen over het prijsgeld, dat zij weer verdiend
hadden.
»Loopt heen," zeiden de Yankees; »van dien prijs, evenmin als van
degenen, die er op overgegaan zijn, zult gij ooit meer iets vernemen."
Deze woorden werden overgebracht aan den commandant van het fregat;
de stuurman en de matrozen werden nader ondervraagd en daardoor kwam de
geheele snoode handeling met dat schip aan het licht. Zij verklaarden,
dat het schip in zinkenden staat was op het oogenblik, dat zij het
verlieten, en om die reden hadden zij zulk eene groote haast gemaakt
om in de boot te komen. De stuurman vertelde verder, dat het onmogelijk
was om de lekken te bereiken, die geboord waren in de voorpiek en heel
achterin, onder de kajuit; dat het hem bevreemdde, dat kapitein Green
zulks verzwegen had; het was zeker geweest doordien hij toen dronken
was. »Het schip," vervolgde de stuurman, »moet ongeveer twaalf uren,
nadat wij het verlieten, naar den kelder zijn gegaan."
Dit verslag werd opgenomen in het rapport van mijnen commandant aan de
admiraliteit, en mijn arme vader kreeg langs officiëelen weg bericht
van deze treurige gebeurtenis. Vijf maanden waren er verloopen,
sinds men het laatst van mij gehoord had, en alle hoop omtrent mijn
behoud was vervlogen: zoo kwam het dat, toen ik klopte aan de voordeur
van mijns vaders huis, ik den bediende, die mij opendeed, in de rouw
gekleed zag: hij was iemand, die eerst na mijn vertrek in dienst was
gekomen en mij dus volstrekt niet kende. Bij gevolg legde hij geene
verwondering aan den dag toen hij mij zag.
»Goede hemel!" zeide ik, »wie is hier dood?"
»Mijnheers eenige zoon, sir," antwoordde de man, »mijnheer Frank ----
is op zee verdronken."
»O! is dat alles?" zeide ik. »Ik dacht, dat het iets veel ergers was."
De man maakte de gevolgtrekking, dat ik een ongevoelig heer was,
en keek mij verstomd na, toen ik hem voorbijstoof, en de trappen op,
naar de huiskamer liep. Ik had voorzichtiger behooren te zijn; maar,
zooals gewoonlijk, volgde ik slechts den aandrang van mijn gevoel. Toen
ik de deur opende, zag ik mijne zuster in diepen rouw aan eene tafel
gezeten, en tegenover haar eene andere jonge dame, die met den rug
naar mij toegekeerd was. Mijne zuster gaf een gil, toen zij mij
gewaarwerd. De andere dame keek om, en ik herkende Emilia, ook zij
was in het zwart gekleed. Toen mijne zuster een gil gegeven had, was
zij bewusteloos op den grond gevallen. Emilia volgde onmiddellijk
haar voorbeeld, en daar lagen zij samen, als een paar versteende
koninginnen in de Westminster-abdij. Het was een schilderachtig,
maar geen verkwikkelijk gezicht.
Ik was zelf ontzettend verschrikt en begreep, dat ik een dwazen
streek had begaan; doch daar er geen tijd te verliezen was, trok ik
onstuimig aan de schel, en eenige vazen ziende staan, waarin men pas
versche bloemen scheen gedaan te gedaan te hebben, nam ik die op en
besproeide den nek van de jonge dames overvloedig met den inhoud;
doch Emilia kreeg er het meeste van, hetgeen bewijst, dat ik noch
mijne tegenwoordigheid van geest, noch mijne genegenheid voor haar
verloren had.
Higgins, de kamenier mijner zuster, was de eerste, die om het
harde schellen, vreezende dat er iets ernstigs gebeurd was, kwam
aanvliegen. Zij rolde als een richochet-kogel de kamer in. Het was eene
oude kennis van mij; toen ik nog een jongen was, had ik haar dikwijls
gekust, en zij had mij daarvoor even dikwijls een draai om de ooren
gegeven. Toen deze Abigail, mij, dien zij voor eene verschijning
hield, rechtop staande en de beide dames, die zij dood waande, op
den grond uitgestrekt zag, gaf zij een luiden, angstwekkenden kreet,
holde wat zij loopen kon de kamer uit, daarbij den huisknecht, die
juist wilde binnenkomen, bijna omver werpende.
Deze, een lompe boerenknaap, de zoon van een van mijns vaders pachters,
stak alleen zijn hoofd binnen de deur en zag de dames op den grond
liggen; daar de indruk, dien ik op hem gemaakt had, vooral door mijn
opvatting van het bericht van mijn eigen overlijden, niet erg gunstig
was, geraakte hij totaal in de war en had daardoor den meesten aanleg
als een mandarijn te doen, dat is, het hoofd te schudden en geene
hand uit te steken.
»Laat dadelijk een paar van de meiden hier komen," riep ik hem
toe; »althans iemand, die hier hulp kan verleenen; vertel hen, dat
zij vlugzout, eau de cologne--en zulken rommel medebrengen. Gauw,
stommeling! Gans! vlug wat. Hoe staat ge mij zoo aan te gapen?"
De knaap zag mij aan, keek toen naar de vermeende lijken, daarbij
zeker denkende, dat ik hier de moordenaar was, en hetzij als door
den donder getroffen, of in twijfel omtrent mijn recht hem bevelen te
geven, bleef hij met het hoofd binnen en zijn lichaam buiten de kamer,
als iemand die te pronk staat. Ik zag, dat hier eenige uitlegging
behoorde gegeven te worden, en riep: »Ik ben Mr. Frank. Wilt ge nu
doen wat ik zeg, of moet ik u die vaas naar den kop smijten?" een
der bloemvazen daarvoor gereedhoudende.
Wanneer ik werkelijk de vaas had willen werpen, dan zou ik hem
gemist hebben, want de kerel was weggevlogen als een aangeschoten
bruinvisch. Hij snelde naar mijn vader, die in zijn studeervertrek
zat, en riep dezen reeds op een afstand toe: »O, mijnheer--goed
nieuws! slecht nieuws--goed nieuws!"
»Wat voor nieuws, gij gek?" vroeg mijn vader, haastig van zijn stoel
opspringende.
»O, mijnheer, ik weet niet, mijnheer; maar ik geloof, mijnheer,
Mr. Frank is weer levend, en de twee dames bennen dood."
Mijn arme vader, wiens gezondheid veel had geleden en wiens gestel
nog niet bekomen was van den schok van mijn onderstelden dood, stond
bevende, op beide handen zich steunend, over de tafel te rusten en
verzocht den man te herhalen, wat hij gezegd had. De knaap deed dit
half huilende, en mijn vader, die nu wel begreep wat er gaande was,
kwam naar boven. Gaarne had ik in zijne armen gevlogen, doch ik was
druk bezig met mijne lieve Emilia op te richten, terwijl mijne arme
zuster, nog evenzeer buiten kennis, aan den anderen kant van mij lag.
In den tusschentijd was »alle hens op" geroepen en iedereen
toegesneld--ieder levend wezen in huis, de hond niet te vergeten, in
de huiskamer vergaderd. De meiden, die mij gekend hadden, weenden en
snikten erbarmelijk, en de nieuwe huisknecht hield hen, uit zuivere
sympathie, gezelschap. De koetsier, de palfrenier en de staljongen
beefden en staarden; de een bracht water, de andere een kom, en die
lummel van een huisknecht iets anders, dat ik maar niet noemen zal;
in zijne onbekooktheid, had hij maar het eerste het beste gegrepen,
dat hem voorkwam bruikbaar te zijn. Zijn ijver op prijs stellende,
wenkte ik hem toch om maar weg te gaan. Ongelukkig voor hem had de
werkmeid de vergissing bespeurd, die zijne verstrooidheid hem had
doen begaan; hem het geheimzinnige meubel met de linkerhand driftig
ontrukkende, verborg zij dit onder haar schort en gaf den stakkerd
met de rechterhand zoo'n flinken tik op zijne wang, dat ik dadelijk
om de walvischboot bij de Bermudas dacht, welke die liefkoozing van
den grooten visch ontving. »O, ezelskop!" zeide zij, »wie heeft dat
ding nu noodig?"
»Die oorveeg beduidt meer!" zeide ik, en het kwam uit, dat ik goed
geraden had:--den volgenden zondag trouwde datzelfde paar in de kerk.
Eene vernuftige toepassing van vlugzout, koud water en gebrande
vederen, te gelijk met het wrijven der slapen, losmaken van de
halsboorden en korsetveters van de jonge dames, werd met het
gelukkigste succes bekroond. Ieders hand en ieders tong was in
beweging; en met al die kunstmiddeltjes gingen ten laatste de oogen
van Emilia open, vestigden zich op mij, vreugde en geluk over de
schepping verspreidende, als de zon, die zich uit den Atlantischen
Oceaan verheft en na een vreeselijken orkaan zijn licht doet schijnen
ter opbeuring van de bewoners der Antillen. Binnen het half uur was
alles weer op orde gekomen; »de stukken werden gesjord--de aftrap
geslagen;" het bediendencorps marcheerde af. Ik werd het middelpunt van
het tableau. Emilia hield mijne rechter-, mijn vader mijne linkerhand
vast; mijne dierbare Clara hing mij om den hals. Vragen werden gedaan
en beantwoord, zoo vlug als de snikken en tranen daarvoor tijdruimte
lieten;--dit halve uur vergoedde mij al wat ik geleden had, sinds ik
in die duivelsche brik uit Engeland naar Barbados was gezeild.
Het verhaal mijner lotgevallen werd gegeven met de zedigheid en de
kortheid, die de omstandigheden en de tijd vereischten. De koetsier
werd, bovenop een der beste wagenpaarden, naar den heer Sommerville
toegezonden, en de postkar was dien dag overladen met brieven aan
alle vrienden en familieleden.
Toen dit afgeloopen was, gingen allen zich kleeden voor het
diner. Welke verandering had één uur gewrocht: het huis van rouw
was een huis van vreugde geworden! Helaas! hoe dikwijls vindt het
omgekeerde plaats! Spoedig verschenen de dames in vlekkeloos wit
gekleed. Mijn vader had de rouwkleederen afgelegd, en de bedienden
kwamen in hunne gewone livrei te voorschijn.
Toen de soep gediend was, bood mijn vader Emilia den arm; ik volgde
met mijne zuster. Emilia achteromziende, riep mij toe: »Niet jaloersch
zijn, Frank!"
Mijn vader lachte, en ik nam mij voor mij over die kleine plagerij
te wreken.
»Gij weet de boete," zeide ik, »en die zal ik invorderen."
»Het is mij aangenaam te kunnen verklaren, dat ik er in staat en
genegen toe ben," antwoordde zij, en wij zetten ons neder. Mijn vader
drukte mij de hand, en zeide »Frank, dit is een geheel ander maal,
dan waar wij gisteren aanzaten. Wat wisten wij toen weinig van het
geluk dat voor ons was weggelegd!" Bij deze herinnering schoten Emilia
en Clara de oogen vol tranen.
De jonge dames droogden zich vervolgens de tranen af, maar hun eetlust
was over. Tevergeefs beproefde Emilia iets te eten. Ik schonk beiden
een glas wijn in. »Kom," zeide ik, »op zee geldt het spreekwoord, dat
de spiritualiën gemakkelijker wordt weggestuwd dan de drooge victualie;
laten wij op elkanders gezondheid drinken, dan zal het wel beter gaan."
Zij volgden mijn raad, die goed werkte. Onze maaltijd was vroolijk,
doch onze vreugde werd gematigd door de herinnering van de geleden
droefheid.
Nadat de tafel was afgenomen, bleven de dames nog een poos bij ons
zitten, ten einde nog verder te hooren vertellen van mijne ontkoming
uit verschillende gevaren. Toen ik dat geval ophaalde van dien man,
die op de brik overboord was gevallen, en ik vertelde hoe ik hem
nasprong en hij door mij gegrepen en boven gehouden werd, tot wij
beiden begonnen te zinken, en de zee boven mijn hoofd reeds zoo
donker werd, kon Emilia zich niet langer goed houden; zij sprong op,
viel toen op hare knieën, verborg haar lieve gelaat in mijns zusters
schoot, hartstochtelijk uitroepende. »O, houd op, houd op, lieve
Frank,--vertel niet verder,--ik kan het niet aanhooren,--heusch,
ik kan het niet hooren!"
Wij omringden haar en voerden haar weg naar de huiskamer, waar wij
verder over lichter en vroolijker onderwerpen bleven praten. Emilia
sloeg een paar noten op de piano aan en deed eene poging om te zingen;
doch het wilde niet vlotten; een vroolijk lied kon zij niet zingen,
en een ernstig lied bracht haar van streek. Te twaalf uren gingen
wij uiteen en ieder zocht zijne eigene kamer op.
Des anderen daags reeds was de heer Sommerville overgekomen
en ontbeet met ons mede. Dit was voor Emilia weder eene nieuwe
beproeving; toen hij binnenkwam, viel zij luid snikkende in zijne
armen. De heer Sommerville vatte mijne hand met beide de zijne en
vroeg belangstellend om de geschiedenis te mogen hooren van mijne
hoogst bijzondere lotgevallen, waarvan ik hem eene verkorte uitgave
voordroeg. Ik had, door Clara daarin geholpen, gelegenheid gevonden
een uurtje met Emilia alleen te zijn, om eens te spreken over onze
voorgenomen huwelijksplannen; en bemerkende, dat daartegen geene
andere hinderpalen bestonden dan die, welke gewoonlijk te berde worden
gebracht, nam ik mij voor mij deswege tot de beide vaders te wenden.
Dit keurde Emilia eindelijk goed, nadat ik haar had herinnerd aan de
verschillende gevaren, waarin ik den laatsten tijd verkeerd had. Zoodra
dan ook de dames van tafel waren opgestaan, verzocht ik mijn vader om
ter harer eere onze glazen eens te vullen; toen ik het mijne, in al het
vuur eener grenzenlooze genegenheid, op hare gezondheid had geledigd,
stelde ik de vraag aan de beide heeren te gelijk. Mr. Sommerville en
mijn vader zagen elkander aan, en de eerste sprak:
»Gij schijnt een vreeselijke haast te hebben, Frank."
»Och niet meer, sir," antwoordde ik, »dan het onderwerp wel
verdient." Hij maakte eene lichte buiging, en nu begon mijn vader.
»Ik kan niet zeggen," merkte de goede oude heer op, »dat ik voor
trouwen ben, vóór gij hoofdofficier zijt. Ten minste zoolang gij dien
rang niet hebt, kunt ge niet zeggen uw eigen baas te zijn."
»O, als ik daarop wachten moet, vader," zeide ik, »dan kan het nog
heel lang duren. In onzen dienst, althans in Engeland, is niemand
zijn eigen baas. De kolonel staat onder de bevelen van den admiraal,
de admiraal wordt gecommandeerd door de Admiraliteit, de Admiraliteit
door den Hoogen Raad, de Hooge Raad door het Parlement, het Parlement
door het volk, en het volk door de uitgevers, drukkers, schrijvers
en dergelijk gespuis."
»Ik gevoel eene stille bewondering voor uwen logischen gedachtengang,"
zeide mijn vader, »maar vóór alles dienen wij toch eens eerst naar
den passementwinkel in Charing-Cross te gaan, om te zien of wij u
niet aan een paar epauletten kunnen helpen. Zoodra wij u uw eigene
korvet zien commandeeren, zal het mij hoogst gelukkig maken,--wat ik
ook geloof van mijn vriend Sommerville te kunnen zeggen,--u ook het
commando over zijne dochter te zien aanvaarden."
Niets wat ik aanvoeren kon, was in staat de oude heeren een
duim van dit sine qua non af te brengen. Men kwam overeen, dat er
dadelijk bij de Admiraliteit werk van mijne bevordering zou gemaakt
worden; en zoodra deze er was, dan zoude Emilia over mij, voor de
wittebroodsdagen, de beschikking krijgen.
Dit alles was nu heel aardig voor hen uit het standpunt der
voorzichtigheid bezien, doch het klopte niet bijzonder met de inzichten
van een vurigen minnaar van eenentwintigjarigen leeftijd; want ofschoon
ik alle vertrouwen had in mijns vaders invloed bij de Admiraliteit,
wist ik evenzeer, dat er pas eene uitmuntende nieuwe bepaling was
gekomen, die verhinderde, dat een luitenant tot den rang van overste
kon bevorderd worden, vóór hij minstens twee jaren als zoodanig, en
dan nog wel buitengaats, gediend had; evenmin kon een overste voor
bevordering in aanmerking komen, tenzij hij minstens één jaar in dien
rang had gediend. Dit keurde ik nu uitmuntend voor den dienst in
het algemeen, doch ik had het nog niet zoover kunnen brengen om de
amor patriae boven mijne eigenliefde te stellen, en ik wenschte de
bepaling zelve en de heeren, die haar in de wereld geschopt hadden,
met de grootste innigheid in de grot van New Providence, als het kon,
omtrent den tijd van hoog water.
Het antwoord van de Admiraliteit luidde in zooverre gunstig, dat men
zekerheid gaf, dat ik bevorderd zou worden, zoodra mijn diensttijd vol
was, waaraan nu nog twee maanden ontbraken. Ik werd aangewezen voor
een schip, dat te Woolwich uitgerust werd, en vóór dit zeeklaar zou
zijn, was die tijd om, en zou ik overste worden. Dit was nu geen goed
middel om de gereedmaking van het schip te verhaasten, voor zoover
ik er bij betrokken was; maar dat viel nu niet te verhelpen; en daar
de verblijfplaats mijner geliefde dicht bij Woolwich gelegen was,
beproefde ik den tusschentijd te verdeelen tusschen gehoorzaamheid
aan mijnen commandant en gehoorzaamheid aan mijne aanstaande, en ik
was zoo gelukkig beiden te kunnen voldoen, omdat mijn commandant zich
volstrekt niet bemoeide met het schip, noch met de uitrusting daarvan.
Vóór ik naar boord ging, beproefde ik nog eenmaal om de hardnekkigheid
van mijnen vader aan het wankelen te brengen. Ik herinnerde hem,
dat ik een arbeid van Hercules achter den rug had, en dat, als ik
weer buitenslands ging, het ongeluk wel eens zou kunnen willen,
dat ik niet zoo gelukkig door alles heenrolde, of dat door eene
of andere noodlottige bezwering de tooverketting, die mij nu aan
Emilia bond, zou kunnen breken. Daar deze dichterlijke ontboezeming
hem evenmin vermurwde als mijne prozaïsche opmerking, wendde ik mij
nogmaals tot Emilia zelve. »Ongetwijfeld," zeide ik, »kunt gij niet
zoo hardvochtig zijn als onze onverbiddelijke bloedverwanten; zeker
zult gij bij deze gelegenheid wel mijne voorspraak willen zijn! Geef
slechts een blik van afkeuring aan mijnen vader, en op mijn woord,
hij zal niet anders dan de vlag kunnen strijken."
Doch de heks antwoordde met een glimlach (daartoe zeker vanwege het
hoofdkwartier opgestookt), dat het haar niets zou aanstaan haren naam
in de Morning Post te lezen, als ondertrouwd met een luitenant. »Wat
is tegenwoordig een luitenant?" zeide zij--»Niet veel. Het heugt mij,
dat ik eens in Farcham logeerde en wij naar Portsmouth gingen om de
werf en de schepen te zien, en daar was toen uw oude vriend, die lange
admiraal sir Hurricane Humbug, geloof ik dat gij hem noemt, die de
arme luitenants voor zich uit dreef als een herdershond de schapen. Er
liep er ook altijd een hem vlak achter de hielen, precies als een
lakei; en dan was er nog een ander, die mij toescheen, even als een
bulhond aan de ketting, voor de deur van het bureau van den admiraal
gekluisterd te liggen; alleen als de admiraal met zijne familie uit
wandelen ging, mocht hij mede, doch dan liep hij met de gouvernante
achteraan. Neen, Frank, het moet minstens een kolonel zijn, met een
paar gouden epauletten, aan wien ik mij door het huwelijk verbind."
»Het is mij wel," hernam ik met het noodige zelfbehagen in den
penantspiegel ziende; »als gij verkiest uw geluk vast te knoopen aan
de beloften van een eersten lord van de Admiraliteit en aan een paar
epauletten, dan moet ik zwijgen. Vrouwelijke smaak, daar kan ik niet
bij. Sommige dames verkiezen gouden gallon en rimpels boven jeugd en
schoonheid;--het spijt mij voor haar, dat is al."
»Frank," zeide Emilia, »gij zult moeten erkennen, dat gij ijdel genoeg
zijt om minstens admiraal te wezen."
»De admiraals danken u voor het compliment," zeide ik; »ik vertrouw
ten minste dat ik de vlag geen schande zou aandoen; doch om u de
waarheid te zeggen, beste Emilia, zie ik volstrekt met geen onstuimig
verlangen naar mijne verheffing tot dien rang uit. Drie sterretjes op
den schouder en drie gouden galons om de mouw zijn, naar mijn inzien,
geene vergoeding voor grijze haren, dunne beenen en een gebogen rug.
»Het spijt mij wel voor u, mijn waarde held," zeide de jonge dame;
»doch gij moet u in deze schikken."
»Nu dan, als het moet, dan moet het," zeide ik en werd gestoord door
den huisknecht, die mij een dienstbrief bracht, niets meer of minder
bevattende dan de lastgeving om met den meesten spoed naar boord te
gaan. Sic transit gloria mundi!
Mijn teleurstelling zoo goed mogelijk verkroppende, ging ik voort met
mij voor de geleden ongemakken schadeloos te stellen, door zooveel
pleizier te maken, als ik in den weinigen tijd, die mij overbleef,
slechts kon genieten. Gelukkig was de eerste officier van het fregat
iemand die, omdat hij weinig vrienden had en slecht bij kas was, nooit
aan den wal ging. Trouw op den betaaldag liet hij zijn geld halen en
hij kwam er juist mede rond, tot den dag dat er weer uitbetaald werd;
en daar ik bemerkte, dat hij bijzonder gesteld was op eene goede
Havana-sigaar en op een lekker glas cognac-grog--te veel dronk hij
nooit--schonk ik hem een kistje van de eerste en een dozijn flesschen
van de laatste, ten einde hem gemakkelijk te verzoenen met mijne
veelvuldige afwezigheid van boord.
Zoodra het dagwerk was afgeloopen, zeide de goedhartige luitenant:
»Kom, Mr. Mildmay, ik weet dat gij gaarne nu en dan eens aan den wal
wilt zijn. Hier, gebruik de jol maar; zend haar dadelijk naar boord
terug en maak, dat gij morgenochtend te negen uren weer present zijt,
om u bij den adelborst met de corvée op de werf aan te sluiten."
Dit trof ik nu bijzonder. Gewoonlijk kwam ik op de tijdelijke
verblijfplaats van den heer Sommerville te Blackheath aan, als de klok
voor het kleeden tot het diner luidde, en steeds ontmoette ik een
aangenaam gezelschap aan tafel. Mijn vader en de beste Clara waren,
evenals ik, gasten daar aan huis. Met de vriendelijke vergunning van
den heer Sommerville, bracht ik eens Talbot met mij mede, dien ik als
volmaakt gentleman in manieren, als man met gezond verstand begaafd,
als iemand die eene goede opvoeding had genoten en hooge, voorname
kennissen bezat, trotsch was mijn vriend te noemen. Meer bijzonder
stelde ik hem voor aan mijne zuster, en vond eens gelegenheid Emilia
in het oor te fluisteren, (wel wetende, dat zij dit niet lang voor
zich zou houden,) dat hij het onmisbare voorrecht bezat van twee
epauletten te dragen. »Daarom," zeide ik er bij, »houd hem een beetje
op een afstand, uit vrees van evenals de Echte Yankee bij verrassing
genomen te worden."
Talbot, wetende dat Emilia verloofd was, was niet meer beleefd
en voorkomend tegen haar, dan de gewone hoffelijkheid vorderde;
doch tegenover Clara was zijne houding anders; hare natuurlijke
bekoorlijkheid werd in zijne oogen zeer verhoogd door de vriendschap,
welke wij sedert die gedenkwaardige geschiedenis van het te Spithead
van boord weg zwemmen voor elkander gehad hadden.
Ongelukkigerwijze had Clara bij al hare bekoorlijkheden één gebrek, en
dat was in mijne oogen nog al groot. Clara had weinig met zeelieden op
en was daarentegen op militairen van de landmacht zeer gesteld. Doch
Clara was van eene gevestigde voorkeur moeielijk af te brengen, en
waar deze had wortel geschoten, daar groeide en bloeide zij. Met de
zeemansmanieren kan zij zich moeielijk vereenigen; zeelieden dachten,
vond zij, te veel van zichzelf en van hun schip; in 't kort gezegd:
hunne ruwheid en onbeschaafdheid werd slechts door hun eigenwaan
overtroffen.
Het was geene geringe verdienste in Talbot, dat hij zulke halsstarrige
en diepgewortelde vooroordeelen wist te overwinnen. Doch daar Clara's
sympathie voor het leger slechts een zeer algemeenen vorm had en
zij daarbij geen bijzonder persoon op het oog had, was voor Talbot
de vesting wel sterk van aanleg, doch totaal zonder garnizoen en dus
geenszins onneembaar. Hij begon met haar, aan tafel gaande, den arm
aan te bieden en met een zedig zelfvertrouwen naast haar plaats te
nemen. Doch haar gebrek stond hem zoo duidelijk voor den geest, dat
hij met geen woord repte van ons ongelukkige element, in tegendeel,
hij wist haar bezig te houden met eene groote verscheidenheid van
onderwerpen naar haren smaak; zoodat zij op het laatst verplicht
was te erkennen, dat hij wel een der uitzonderingen zou kunnen zijn
op haren regel, waarop ik de vrijheid nam te hopen, dat ik dan eene
andere mocht wezen.