TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Het fregat stak dadelijk, onder onze lij, bij den wind op, en binnen

een paar minuten kwam er eene sloep bij ons op zijde. De officier,

die daarin medegekomen was, om ons schip in bezit te nemen, sprong vlug

naar boven en was dadelijk op het dek. Daar ontving ik hem, legde met

een paar woorden uit, wat voor soort van schip het was, en stelde hem

den kapitein en Green voor, welke beiden ik hem bijzonder aanbeval

voor de vriendelijkheid, die zij mij betoond hadden. Daarop noodigde

ik hem uit mij omlaag naar de kajuit te willen vergezellen, terwijl

de adelborst, die met hem mede was gekomen, op dek bleef en den last

ontving het grootzeil te laten dichtgeien en alles zooveel mogelijk te

doen opruimen. De bemanning kreeg order om hun goed bijeen te pakken

en zich gereed te houden binnen een uur het schip te verlaten.

Toen er in de kajuit licht werd ontstoken, herkenden de luitenant en

ik elkander onmiddellijk.

»Wel, goede hemel, Frank," zeide hij, »hoe komt gij hier?"

»Om u dit uit te leggen," zeide ik, »zouden wij morgenochtend nog

niet gereed zijn; maar vertel mij eens welk schip is het, dat den

Yankee genomen heeft? Is het niet de R----; en wat is mijn vriend

Talbot daar aan boord?"

»Het fregat," antwoordde hij, »is de R----, zooals gij geraden

hebt. Wij behooren tot het station aan de Kaap. Ik ben eerste officier

en hier met bevordering heengezonden voor de Rochefort-geschiedenis."

»Dat is toch hard," zeide ik, »dat gij zoo lang hebt moeten wachten

op iets wat gij zoo eerlijk verdiend hadt; maar kom, wij hebben druk

werk. Laat ons naar het volk gaan zien, en als gij nu naar boord terug

wilt gaan, met u medenemende den kapitein, den stuurman en een deel

der manschappen, waarvoor ik de woeligsten en onverschilligsten zal

uitzoeken, zal ik wel hier blijven en den prijs in gereedheid brengen

om met het aanbreken van den dag door te zeilen, en dan,--als kolonel

F---- het goedvindt,--zal ik mijne opwachting bij hem komen maken."

Dit kwamen wij overeen. De matrozen, die ik aanwees, gingen de sloep

in, terwijl vier van de roeiers aan boord van de brik overkwamen om

mij te helpen. Spoedig brachten wij alles op orde, om gereed te zijn

voor al wat men van ons mocht verlangen. Intusschen kwam er eene

andere sloep met eene versche bemanning en die weer een twintigtal

gevangenen zou afhalen; en de adelborst, die mede kwam, bracht de

beleefde boodschap van den commandant over, die weten liet, dat het

hem verheugde, dat de prijs in zulke goede handen was, en dat hij

zich aanbevolen hield voor mijn gezelschap aan het ontbijt te acht

uren; verder verzocht hij, dat, als ik klaar was om door te zeilen,

ik zulks zoude seinen met twee lantaarns naast elkander in het groot

want, en dat wij van dat oogenblik af zouden opsteken tot noord,

met volle zeilen.

Tegen vier uren waren wij zoover, gaven het afgesproken sein en hielden

ons te loefwaart van het fregat. Ik ging een paar uren liggen, liet mij

te zes uren wekken, kleedde mij aan en was tegen half acht uren gereed

mij naar boord te begeven. Ik hoorde daar aan boord weder de trom en

het gefluit,--na de liefelijke stem van Emilia het heerlijkste geluid,

dat mijne ooren kon streelen. De tranen kwamen mij in de oogen, van

blijdschap omdat ik mij weder onder de bescherming van onze geliefde

vlag bevond. Het fregat loefde op, aan den wind; spoedig daarop werd

de giek gestreken en gezonden om mij af te halen; een schoon wit

dekkleed was achterin gespreid; de roeiers waren gekleed in een net

wit kostuum, met stroohoeden op en zeildoeksche schoenen aan. Zonder

uitstel nam ik in de giek plaats en mijn hart klopte van verrukking,

toen ik aan boord van het fregat stapte en de bootsmansmaat ter mijner

eere valreepsgasten floot.

Ik werd door den commandant en de officieren met alle bij dergelijke

gelegenheid passende vriendelijkheid en belangstelling ontvangen. De

eerste deed mij honderden vragen, en de officieren en adelborsten

kwamen allen om mij heen staan om, mijne antwoorden te vernemen. Ook

de equipage was zeer benieuwd om onze geschiedenis te hooren, en

ik verzocht den commandant de giek nog een keer over te zenden, om

Thompson af te halen, die mij dan zou kunnen helpen in het voldoen

aan de algemeene nieuwsgierigheid. Dit gebeurde, en de flinke,

trouwe kerel kwam aan boord. De eerste vraag, die hij deed was:

»Wie deed het eerste schot op den prijs?"

»Dat was Mr. Spears, de eerste luitenant van de mariniers," antwoordde

een van het volk.

»Dan krijgt Mr. Spears mijn oorlam voor vandaag," zeide Thompson;

»want dat heb ik van nacht gezegd en ik houd altijd woord."

»Daar durf ik op zweren," zeide kapitein Peters van den kaper: »ik

heb menschen gekend met goede beginselen, en gij zijt een daarvan;

en ik heb lieden gekend van slechte beginselen, en daarvan was hij

er een, dien gij gisterenavond om zijne afrekening gezonden hebt;

en dat was een gelukkige inval van u, want zoo zeker als gij daar

staat, zou die man het op uwen dood hebben toegelegd, hetzij met

behulp van een mes, hetzij door middel van water of door vergif. Ik

heb nooit iemand gekend of van iemand gehoord, die straffeloos Peleg

Oswald geslagen of beleedigd had. Hij was van Kentucky of van Ohio

afkomstig,--een gewezen squatter,--doch had eens twee man met zijn

geweer doodgeschoten, omdat zij geweigerd hadden een stuk grond met

hem te ruilen. Van een derden had hij eens een oog uitgeslagen om een

zeer onbeduidend verschil van meening. Om deze handelingen had hij het

land moeten verlaten; want niet alleen werd hij gerechtelijk vervolgd,

maar de man, die zijn eene oog kwijt was geraakt, keek met het andere

des te scherper naar hem uit, en Peleg zou geëindigd zijn met een

geweerkogel in zijn oor te krijgen, als hij niet oostwaarts gevlucht

was en teruggekeerd naar de zee, waarvoor hij eerst opgeleid was. Ik

hoorde zijne geschiedenis eerst lang, nadat wij samen op een schip

waren. Hij zou zeker ter dood zijn veroordeeld; maar daar hij eenig

buitgeld bij elkaar had, wist hij zijne vervolgers af te koopen. Het

was mijn stellig voornemen hem bij een volgende kruistocht achter te

laten, indien het God behaagd had mij behouden t'huis te brengen."

Terwijl Peters deze korte levensgeschiedenis van zijn verdwenen

stuurman vertelde, werd bericht, dat het ontbijt voor den commandant

gereed stond, en ontvingen de beide Amerikaansche kapiteins de

uitnoodiging om daarvan gebruik te komen maken. Toen wij de achterste

halfdekstrap afgingen, konden Peters en Green niet nalaten een blik

van bewondering te werpen op het schoone en helderwitte dek, de keurig

onderhouden batterij en de volmaakte vereeniging van het nuttige

met het sierlijke, zoo onnavolgbaar als men dit dikwijls aan boord

onzer oorlogsschepen vermengd vindt. Niets overtrof de zindelijkheid,

overvloed, gulheid en vroolijkheid aan den disch van den commandant.

Het gesprek liep over den aard, de eigenschappen en het aantal

manschappen op den kaper. »Het zijn allen zeelieden," zeide Peters,

»met uitzondering van de tien zwarten."

»Eenigen hunner zijn toch Engelschen, zou ik denken", zeide ik.

»Ik mag niet uit de school klappen," zeide de geslepen Amerikaan;

»het is moeielijk om altijd te weten of een man, die dikwijls in de

beide landen geweest is, geboortig is van Boston in Lincolnshire,

of van Boston in Massachusetts; en misschien weten zij het zelven

niet eens altijd. Wij doen nooit veel navraag, wanneer een matroos

bij ons zijne diensten aanbiedt."

»Gij hebt een groot aantal van onze zeelui in dienst, zoowel bij de

marine als bij de koopvaardij," zeide onze commandant.

»Ja," zeide Green, »en er is geen gevaar, dat wij er te kort zullen

komen, daar gij voor ons prest."

»Wij voor u pressen?" vroeg kolonel F----; »hoe meent gij dat?"

»Uwe presgangen," zeide de Amerikaan, »bezorgen ons het volk. Uwe

zeelieden willen dat niet verdragen; en, maak daar staat op, voor elke

twee man, die gij met geweld neemt, krijgen wij er één vrijwillig."

Peters sprak deze opvatting met heftigheid tegen en scheen zeer boos

op Green om het afleggen van die verklaring.

»Er is geen twijfel aan," hernam Green; »ik weet precies, hoe onze

oorlogs- en koopvaardijschepen bemand zijn. Ik durf er op zweren, dat

meer dan twee derden van de Engelsche marine gedeserteerd zijn, omdat

zij daar geprest waren. Och, gij hebt het mij immers zelf verklaard,

Peters;--zie maar eens naar uwe eigene bemanning."

Peters kon nu niet langer tegenspreken; hij voer woedend tegen Green

uit en zeide, dat hij losgelaten had, wat nooit aan een Engelsch

officier had moeten erkend worden; dat het waar was; dat Amerika

op ons stelsel van pressen als het plechtanker van zijne zeevaart

nederzag; maar dat het hem leed deed, dat dit gewichtige geheim door

een Amerikaan bekend was gemaakt.

»Wat mij betreft," hervatte Green, »ik heb zooveel verplichting aan

dezen wakkeren, jongen Engelschman voor de mij bewezen goedheid,

dat ik ten eeuwigen dage de vriend van hem en zijn land ben geworden

en gezworen heb nooit tegen Groot-Brittanje de wapens op te vatten,

tenzij tot wering van een inval in mijn eigen land."

Het ontbijt was afgeloopen, en wij gingen allen naar het dek; het

schip en zijn prijs lagen bijgedraaid; alle hens werd opgefloten,

de sloepen werden gestreken, de rest van de gevangenen werd met hun

goed van de brik afgehaald, en toen zij aan boord waren, werd de

geheele bemanning, van den kaper afkomstig, op het halfdek geroepen,

ondervraagd en voor een deel herkend als Engelschen.

Toen zij berispt werden en het schandelijke van hun gedrag hun voor

oogen werd gehouden, verklaarden zij, dat door hun toedoen de kaper

genomen was, want dat zij met opzet het lijzeil te water hadden laten

slepen, waardoor het schip in zijn vaart was tegengehouden.

Kapitein Peters zag verbaasd op van deze bekentenis; en de commandant

van het fregat betoogde toen, dat zoodanig gedrag juist te verwachten

was van een verrader van zijn land. Zich toen naar de gevangenen

keerende, sprak hij: »De schandelijkheid van uw eerste misdrijf kon

moeielijk vergroot worden; doch uw verraad aan het nieuwe gouvernement,

waaronder gij dienst hebt genomen, maakt u onwaardig den naam van

mannen te dragen. Ook hebt gij niet het minste recht u te beroepen

op uw ellendig aandeel in het overgeven van den prijs, daar wij geen

oogenblik van den aanvang der jacht af daarvan zicht verloren hebben,

terwijl wij, zoodra hij ging opsteken, zeker wisten, dat hij in onze

macht was."

De mannen lieten hun hoofd hangen, en toen zij vergunning hadden

gekregen om naar omlaag te gaan, was er niemand van de fregats-equipage

die hen aan zijn bak wilde ontvangen; maar de werkelijke Amerikanen

werden zeer vriendelijk behandeld.

Wij richtten nu koers naar de Simons-baai, waar wij juist eene week

na de prijsmaking aankwamen.

De admiraal van het station weigerde de zaak der gevangenen voor een

zeekrijgsraad te laten behandelen; hij oordeelde, dat het hier eene

politieke aangelegenheid gold, en was voornemens hen naar Engeland

op te zenden, waar de lords der admiraliteit wel over hen zouden

beschikken.

De echte Yankee werd aan het vice-admiraliteitshof aan de Kaapstad

aangegeven, veroordeeld als wettige buit en voor den dienst

aangekocht. Aangezien hij in zijne soort een prachtig vaartuig was,

behaagde het den admiraal te zeggen, dat, daar ik het zoo bijzonder

ongelukkig getroffen had, hij mij als luitenant er het bevel van

zou opdragen en voornemens was mij met brieven, die reeds op eene

gelegenheid wachtten, naar Engeland te zenden.

Dit was eene schikking, die veel voordeeliger was, dan ik had durven

hopen, maar het aangenaamste van alles daarbij was, dat mijn vriend

Talbot, die mij het eerst de hand gedrukt had aan boord van den prijs,

verzocht de reis mede te maken, omdat, daar hij met den laatsten post

zijne benoeming tot commander (kapitein-luitenant) had gekregen. Op

mijn verzoek, stond de admiraal ook toe, dat de kapiteins Peters en

Green met mij de thuisreis maakten. Mungo, de zwarte en Thompson de

kwartiermeester, benevens de adelborst, die met mij in de boot was

geweest, waren ook van de partij. Verder was, zooals men verwachten

kan, mijne equipage niet van de beste; maar het stond niet aan mij

om moeielijkheden te maken, en ik vulde het tekort slechts aan met

zes van de negers, afkomstig van den slavenhaler, dien de kaper het

laatst buitgemaakt had, en zoo meende ik wel in staat te zullen zijn

om Spithead te halen.

Aan de Kaap namen wij een goeden voorraad provisiën in. De Amerikanen

drongen er op aan, daarin hun aandeel te betalen; doch ik wees

dit beslist af, verklarende dat het genoegen om hen als gasten te

hebben voor mij zeer groot was. Ik kocht van kapitein Peters zijn

geheelen voorraad wijn en eetwaren tegen de volle waarde. Mungo werd

tot hofmeester benoemd, daar ik bijzonder met hem ingenomen was. Toen

mijn vriend Talbot al zijn goed aan boord had laten brengen en de

admiraal mij zijne laatste orders had doen toekomen, ging ik met mijn

schip van Simonsbaai naar Engeland onder zeil.

Op eene thuisreis van dezen aard valt gewoonlijk weinig merkwaardigs

voor. Ik behoefde St. Helena niet aan te doen en verlangde ook

volstrekt niet naar oponthoud onder weg. Ik zette zeil, zooveel het

schip maar wilde voeren. Talbot en ik werden boezemvrienden, en aan

onze kajuitstafel heerschte de meest volkomen overeenstemming. Zooveel

mogelijk vermeden wij om het gesprek op de nationale eigenaardigheden

te brengen en onthielden wij ons van het behandelen der politiek. In

vertrouwen deelde ik aan Talbot mijne genegenheid voor Emilia mede.

Eens kwamen wij aan tafel over zwemmen te spreken. »Ik houd het er

voor," zeide Talbot, »dat mijn vriend Frank hier ons allen daarin

een lesje kan geven. Herinnert gij u nog dien keer, dat gij op de

reede van Spithead van het fregat naar den wal zijt gezwommen om er

een bezoek te af leggen?"

»Ja zeker," antwoordde ik, »en evenmin ben ik vergeten, dat gij bij

diezelfde gelegenheid zooveel geweerkogels om mij heen liet regenen."

»Uw ontkomen van te verdrinken of doodgeschoten te worden, toen en

vroeger," zeide de nieuwe overste, »doet mij iets veel ernstigers

voor u in de toekomst verwachten."

»Dat is mogelijk," zeide ik; »maar toch betwist ik de wettigheid van

uwe daad, om te beproeven mij te dooden, vóór gij wist wie ik was en

wat ik in den zin had. Hoe wist gij, dat ik niet krankzinnig was? Ik

had ook op een ander schip thuis kunnen behooren; maar hoe het zij,

als ik getroffen was geworden en men had mijn lijk gevonden, zou de

lijkschouwing niet in uw voordeel, en de uitspraak eener jury sterk

in uw nadeel zijn uitgevallen."

»Ik zou ze hartelijk uitgelachen hebben," antwoordde Talbot.

»Misschien zou men u geleerd hebben, dat het volstrekt niet was om

te lachen," zeide ik.

»Kom aan!" hervatte Talbot, »waar staan schildwachten met geladen

geweren voor?"

»Om het schip te verdedigen," antwoordde ik; »om sein te geven van

eenig naderend gevaar; om te verhinderen, dat iemand zonder vergunning

het schip zou verlaten; doch nooit om iemand het leven te benemen,

tenzij tot eigen verdediging, of wanneer de veiligheid van 's konings

schip het vordert."

»Ik ben het met uwe gevolgtrekkingen niet eens," zeide Talbot; »de

krijgsartikelen zeggen duidelijk, dat op desertie de doodstraf staat."

»Dat is waar," zeide ik, »maar die staat ook op andere overtredingen;

maar al die misdrijven dienen eerst voor een krijgsraad bewezen te

worden. Gij kondt b. v. toen niet bewijzen, dat ik deserteerde, en

zelfs als gij dit hadt kunnen doen, ontbrak de omstandigheid, dat

ik naar den vijand overging. Ik erken, dat ik ongehoorzaam was aan

uwe bevelen, maar daarop zou toch ook maar eene lichte straf gestaan

hebben, terwijl uwe willekeurige handeling den koning van een (al zeg

ik het zelf) eerlijk en trouw onderdaan beroofd zou hebben. Als mijn

lijk niet gevonden ware, zoude de gestrengheid van het door u gestelde

voorbeeld voor den dienst niets goeds hebben opgeleverd. Integendeel,

men zou gedacht hebben, dat ik ontkomen was, en menigeen zou mijn

voorbeeld gevolgd hebben."

»Van achteren gezien," zeide Talbot, »spijt het mij, niet eene sloep

te hebben gestreken, om u na te zetten; maar het heeft mij toch altijd

genoegen gedaan, dat de mariniers hebben misgeschoten."

Hiermede was dit onderwerp afgehandeld; wij wandelden nog eene poos

op het dek, zetten voor den nacht koers op Fayal, waarvan wij niet

ver verwijderd waren, en zochten toen onze kooi op.

Ik viel in een diepen slaap, en het was geen wonder, dat het

gesprek van 's avonds mijnen geest bezighield, en mijne droomen tot

het aanbreken van den dag bestonden uit een vreemd mengelmoes van

gedachten zonder verband, verstandig of onzinnig, toen Thompson op

mijne kajuitsdeur tikte, mij vertelde dat het helder dag was en het

eiland Fayal, op ongeveer zeven mijl noord-oost van ons, in het zicht.

Ik kleedde mij en ging naar het dek, zag het land en een vreemd

zeil, dat westwaarts stuurde. Toen ook de Amerikanen bovengekomen

waren en dat vaartuig hadden gezien, vroegen zij mij, of ik het

niet zoude praaien. Ik had geen bezwaar. Daar wij alles bij hadden

en de ander geene moeite deed om ons te ontloopen, maar zijn koers

bleef doorsturen, haalden wij hem spoedig in. Het bleek een schip

te zijn naar New-York bestemd, met uitgewisselde Amerikaansche

krijgsgevangenen.

In geval wij eenig naar de Vereenigde Staten bestemd schip mochten

ontmoeten, had de admiraal mij vergund, mijne gevangenen rechtstreeks

naar huis te zenden en hen niet naar Engeland mede te nemen. Ik had,

uit vrees van mogelijke teleurstelling, hiervan Peters en Green

onkundig gelaten; maar toen ik zag, dat hier zulk eene gemakkelijke

gelegenheid voorkwam, deelde ik hun mijne plannen mede. Hunne vreugde

en dankbaarheid gingen alle beschrijving te boven; zij bedankten mij

duizendmaal, zooals zij ook aan Talbot deden, voor de hun bewezen

vriendelijkheid.

»Heer luitenant," zeide Peters, »ik ben niet gewoon om met Engelschen

om te gaan; en als ik ulieden altijd gehouden heb voor een hoop

dwingelanden en bullebakken, is dit mijne schuld niet. Ik nam aan wat

men mij verteld had, maar nu heb ik uit eigen oogen gezien en bevonden,

dat de duivel nooit zoo zwart is, als men hem afschildert." Ik maakte

eene buiging voor dit Yankee-compliment. »Hoe het echter zij,"

vervolgde hij, »zoude ik op eene goede manier nog wel eens eenige

kogels met u willen wisselen. Brengt gij deze brik nog eens weer

in onze wateren; ik hoop een andere van hetzelfde soort te krijgen,

en daar ik weet, dat gij een d.....sch brave kerel zijt en evenveel

van een kloppartij als van een goed diner houdt, zoude ik dan wel

eens willen beproeven, of ik het bevel van de Echte Yankee niet terug

kon krijgen."

»Als gij uwe volgende brik eveneens bemandet als uwe laatste,

grootendeels met een goed soort Engelschen," zeide ik, »dan vrees ik,

dat het niet gemakkelijk voor mij zal wezen mijzelf te verdedigen."

»Dat laat ik voor hetgeen het is," zeide de kapitein. »Niemand vecht

beter dan hij, die den strop om zijnen hals gevoelt; en onthoud

wat buurman Green u gezegd heeft--want hij heeft de kat uit den

zak gelaten--: wij zouden geene Engelschen in onzen dienst hebben,

wanneer zij niet in den uwen geprest waren geworden."

Ik wist dit saluut niet te beantwoorden, omdat ik, evenals de kanonnier

van Landguard-fort, geen kruit had; inderdaad gevoelde ik de waarheid

van de hatelijkheid.

Green stond bij ons, doch deed geen mond open, vóór de kapitein

uitgesproken had; toen stak hij mij de hand toe, met tranen in de

oogen en sprak met trillende stem: »Vaarwel, mijn uitnemende vriend;

ik zal u nooit vergeten; toen gij mij vondt, was ik een ellendeling,

maar gij hebt mij tot een eerlijk man gemaakt. Nimmer zal de dag

uit mijn geheugen gaan, toen gij, met gevaar voor uw eigen leven,

mij, die uwe bescherming zoo onwaardig was, zijt komen redden. Maar

God zegene u! Mocht ooit de oorlogskans u als gevangene naar mijn

vaderland voeren, dan is hier mijn adres. Al wat ik bezit zal het

uwe zijn, dat zult gij ondervinden."

De man, die in de boot in opstand was gekomen en naderhand op den

kaper dienst had genomen en met mij was opgezonden om gevonnist te

worden, stak aan kapitein Green, toen hij langs hem ging, de hand

toe om hem vaarwel te wenschen, doch deze wendde zich af, zeggende:

»Ik vergeef u het kwaad, dat gij mij persoonlijk hebt willen aandoen,

te meer wijl ik gevoel, dat ik mij dit zelf op den hals had gehaald;

maar ik wil mijzelf niet onteeren door een verrader van zijn land,

de hand van vriendschap toe te reiken."

Zoo zeggende, volgde hij kapitein Peters in de sloep, die hen

overvoeren zou. Ik vergezelde hen naar het schip en verliet hen, na

mij overtuigd te hebben, dat zij dáár alle gemakken hadden. Green was

zoo aangedaan, dat hij niet kon spreken, en de arme Mungo kon alleen

uitbrengen: »Dag, massa letenant--mij denke u goed man is."

Naar mijn eigen schip teruggekeerd, maakte ik zeil naar

Engeland. Wederom begroetten wij de krijtbergen van het iederen

echten Engelschman zoo dierbare Albion. Slechts hij die van dat

geliefde strand een tijdlang gebannen is geweest, kan zich het innige

gevoel van vreugde op zoo'n oogenblik voorstellen. Wij liepen door de

Needles, en ik ankerde te Spithead, na eene afwezigheid van veertien

maanden. Ik meldde mij bij den admiraal, toonde hem mijne lastgeving

en gaf de gevangenen op, die men mij verzocht op het vlaggeschip te

doen overgaan. »En nu," zeide hij, »na uwe merkwaardige ontkoming,

geef ik u verlof om naar de stad te gaan en uwe familie te bezoeken,

voor wie gij zeker een voorwerp van groote belangstelling zult zijn."

Alvorens ik met mijn verhaal verder ga, is hier eene korte uitweiding

noodzakelijk.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 32 / 38 题