NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

De kaper heette de Echte Yankee. Zijne eerste bestemming was het

eiland Tristan d'Acunha. Hier dacht hij een ander, aan dezelfde reeders

toebehoorend, vaartuig te ontmoeten, dat hem vooruitgezeild was, toen

het plan opkwam om tusschen de Kaap en Madagaskar te gaan kruisen, ten

einde een paar der rijkgeladen thuis varende Oost-Indische schepen,

die alleen reeds alle moeite en kosten van uitrusting zouden vergoed

hebben, prijs te maken.

Zonder dat er iets belangrijks voorviel, bereikten wij genoemd

eiland. Ik had met leedwezen opgemerkt, dat de tweede stuurman,

Peleg Oswald geheeten, een norsch, woest en twistziek man was,

en dat, hoewel de kapitein Peters en de eerste stuurman Methusalem

Salomon mij steeds met onderscheiding behandelden, hij niet de minste

welwillendheid voor mij aan den dag legde.

Zooals ik hierboven reeds heb aangeteekend, was kapitein Green,

sedert hij bij ons was, in alle opzichten veranderd als het blad van

een boom: den drank had hij geheel afgezworen, hij was door en door

vroom geworden, en telkens wanneer er op den kaper onaangenaamheden

voorkwamen of getwist en gevochten werd, was hij de scheidsrechter en

vredemaker. Hij nam hierdoor den kapitein en opperstuurman eene zee

van moeielijkheden uit de handen, en door zijn toedoen werd de toon,

die aan boord heerschte, veel beter en er behoefde minder en ook niet

zoo streng meer gestraft te worden. Het volk was opgeruimd en deed met

lust zijn werk; en ware Peleg Oswald slechts niet aan boord geweest,

dan zou er eene algemeen goede verstandhouding bestaan hebben.

Wij liepen op 15 December het eiland in 't zicht, met het schoonste

zomerweer, dat zich denken laat. Wij staken bij aan de noord- of

bovenswinds-zijde van het eiland, nog ongeveer twee Eng. mijlen van

de kust zijnde; dichter durfden wij niet naderen uit vrees voor de

»rollers," een verschijnsel dat angstwekkend grootsch is, op deze

weinig bezochte plek. Omtrent dit zeer bijzondere natuurverschijnsel

zijn verschillende gissingen gemaakt, maar eene voor mij voldoende

uitlegging heb ik nooit kunnen krijgen, om de doodeenvoudige reden,

dat dezelfde oorzaak dan ook dezelfde uitwerking zou moeten hebben

op St. Helena, Ascension of elk ander eiland of landpunt aan

eene bijzonder groote watervlakte liggende. Ik zal trachten eene

beschrijving te geven van het gezicht, dat eene opeenvolging van

rollers zou geven, wanneer, hetgeen wel eens voorkomt, een vaartuig

daarin geraakt en op de kust wordt geworpen.

Het water is volkomen glad, zou men op het oog zeggen,--door geen

zuchtje van den wind gerimpeld,--wanneer er plotseling uit het noorden

een hooge golf komt aanrollen, doorschijnend, donkerblauw als ware

het glas, eerst brekende zoodra hij op den wal stuit, als wanneer hij

schuimend ineenstort met een donderend geluid en een onweerstaanbare

hevigheid, die door kunst noch menschelijk vernuft kan weerstaan

worden. Die golf wordt door andere gevolgd. Als daarin ankergrond

te vinden was, zoude toch geen anker kunnen houden; maar er staat

een negentig à honderd vadem water, en daarom zou een schip, dat

er inkwam, zijn anker liet vallen en het noodige kabeltouw uit liet

loopen, slechts één korten ruk gevoelen en daarna weer los zijn, of

hield het bij zeldzaam toeval, dan zou de zee, tegenstand gevoelende,

op den romp breken en het schip overstelpen. Dit was het ongelukkige

lot, dat eene Engelsche oorlogskorvet overkwam, die nadat de commandant

met zes man van boord was gegaan, in de rollers geraakte, op het strand

sloeg en met man en muis verging. Alleen de commandant en de roeiers

bleven behouden. Dit ongelukkige vaartuig ging verloren, niet uit

onbekwaamheid of gebrek aan zeemanschap bij bevelhebber of equipage,

want beiden waren uitstekend, maar door hunne onbekendheid met deze

locale bijzonderheid, welke nergens anders, in die mate althans,

wordt aangetroffen. Dicht naar den wal gedreven, vóór het lood grond

raakte, liet men op het laatst nog drie zware ankers vallen; doch niets

vermocht de kracht der »rollers" te weerstaan, die haar op het strand

wierpen, waar zij bij de eerste aanraking middendoor brak, terwijl

allen verdronken in het zicht van den hevig ontroerden commandant en

zijne sloepsbemanning, die de lijken hunner ongelukkige scheepsmakkers,

naar gelang zij door de zee aangespoeld werden, ter aarde bestelden.

Er bestaat nog eene andere vreemde bijzonderheid bij dit eiland:

tot een heel eind de zee in, is de strandlijn omgroeid met een plant,

waarvan, onder den naam van Fucus maximus, door kapitein Cook reeds

melding is gemaakt. Zij groeit op eene diepte van zestig vademen en

bereikt in één langen stengel de wateroppervlakte, van waar zij nog

drie à vier honderd voet verder komt, met korte takken, die omtrent

een voet uit elkander zijn. Zoo groeit dus in den stormachtigen oceaan

eene plant, die langer is dan eenig dergelijk voortbrengsel op het

vaste land en niet halen kunnen de getah-pertsja, noch waringinboom,

waarvan enkele takken benedenwaarts groeien, een eigen wortel

verkrijgen en geacht kunnen worden een afzonderlijke stam te zijn. De

hierbedoelde zeeplanten bieden weerstand aan de vereenigde krachten

van de machtigste elementen; tevergeefs worden zij gebeukt door wind

en golven; hunne bladeren mengende op den waterspiegel, tarten zij

den orkaan en diens geweldige kracht. De bladen groeien afwisselend

verschillende kanten uit; en wanneer de wind de zee in beroering

brengt, slaan zij naar elkander toe met een soort van klagend geluid,

dat ons dubbel droefgeestig stemde in onzen gedrukten gemoedstoestand

en bij de verlatenheid van het eiland. De bladen of spruiten dezer

plant zijn zoo sterk en hebben zooveel drijfvermogen, dat geene boot

er door kan komen, als zij wat dicht bij elkander gegroeid staan;

eens beproefde ik met mijnen voet, wat zij wel dragen konden, en kreeg

ik de overtuiging, dat iemand, van sneeuwschoenen gebruik makende,

er overheen zou kunnen loopen.

Kapitein Peters noodigde mij vriendelijk uit hem naar den wal te

vergezellen. Niet zonder moeite landden wij en wandelden naar de

hut van een man, die hier op eigen verlangen achtergelaten was;

hij had zijn gezin bij zich en noemde zich, evenals een zeker ander

hoog personage op een eiland, dat noordwaarts van hier lag, de

»Keizer." Van de Kaap de Goede Hoop had men eene afdeeling Engelsche

soldaten gezonden, om deze plaats in bezit te nemen, doch na een kort

verblijf had men den post weer ingetrokken.

Zijne tegenwoordige keizerlijke majesteit had tijdens mijn bezoek

eene donkerkleurige gemalin en verscheidene lichter bruine prinsen

en prinsessen. In alle andere opzichten was hij een echte Robinson

Crusoë; hij bezat eenige koeien en varkens; deze laatste zijn sterk

op het eiland vermenigvuldigd. Huisgevogelte was er overvloedig,

en een groot stuk grond had hij met aardappelen beplant, toenmaals

de eenige plaats bezuiden de linie, waar deze vrucht behoorlijk

groeide. Het land zelf is rijk en voor groote verbeteringen vatbaar;

tal van stroomende beekjes bevorderen er de vruchtbaarheid.

Doch ook op deze afgelegen plek had onrust en oproer zich vertoond; de

keizer had slechts één onderdaan, en deze Caliban had zich verstout,

in rechtstreeksche schending van een keizerlijk voorschrift.... voor

zijn middagmaal een vogel te dooden.

»Opstand," zeide de vertoornde keizer, »is de telg des duivels,

en ik ben vast besloten den misdadiger ten voorbeeld te stellen."

Ik werd de bemiddelaar tusschen de twee van meening verschillende

partijen en merkte zijne keizerlijke majesteit op, dat wat het stellen

van een voorbeeld betrof, eene dergelijke gestrengheid niet veel

nuttige uitwerking zou hebben, omdat zijne kinderen nog te jong waren

om reeds verdorven te zijn; en te meer nog, daar zijne majesteit zijn

bijbel zoo goed kende, zou hij wel weten, dat het hier plicht was om te

vergeven. »Bovendien," zeide ik, »komt het mij voor, dat hare majesteit

de keizerin nog al gespierde armen heeft en op zijn tijd wel een handje

mede zou kunnen helpen om eenige toekomstige handeling van verzet of

ongehoorzaamheid te beletten of te bestraffen." Ik vermoed echter,

dat het zedelijke wetboek van zijne majesteit van dezelfde uitgaaf als

het mijne was en dat de daarin voorkomende bepalingen overeenkomstig de

eischen des tijds gewijzigd werden. Het moet bijzonder lastig voor hem

geweest zijn dat hij niet onderhandelen kon met zijn eersten minister

en zijn' aarts-kanselier, dien hij op straffe des doods naar de andere

zijde van het eiland had gebannen. Het vonnis was oorspronkelijk voor

den tijd van zes maanden gewezen; maar dank zij mijne tusschenkomst

werd de overtreder vergeven en weder in gunst aangenomen. Ik was

er niet weinig trotsch op, wanneer ik terugblikte op dit staaltje

van mijne macht als bemiddelaar, waardoor ik er waarschijnlijk in

geslaagd was een burgeroorlog in zijne geboorte te smoren.

De keizer vertelde mij, dat er aan de oostzijde van het eiland een

Amerikaansche walvischvaarder lag, bezig om walrustraan te laden;

dat hij aldaar reeds zes weken ten anker lag en nu bijna vol was. Ik

verzocht hem mij de plaats aan te wijzen, waar het oorlogsschip vergaan

was; hij bracht mij naar de plek, waar nog van de overblijfselen te

vinden waren. Op de klippen lagen nog eenige wrakstukken, en niet

ver van daar zag men een aardhoop, waarop een geschilderde plank als

grafsteen geplaatst was. In ruwe letters en beknopte woorden stond

daarop het lot van het schip en het aantal der slachtoffers vermeld;

den inhoud van het grafschrift kan ik mij niet meer juist te binnen

brengen, doch het hield in hoofdzaak in, dat aldaar het stoffelijk

overschot rustte van een honderdtal zeelieden, zooals de Engelsche

marine geen betere kon opleveren, en dat zij tot het laatste oogenblik

hunnen plicht hadden betracht. Het was een treurig schouwspel, vooral

voor een zeevarende, wien mogelijk reeds spoedig een dergelijk lot

boven het hoofd kon hangen.

Wij vulden dien dag verscheidene watervaten en kwamen den volgenden

dag daarmede geheel gereed. Daarop verzeilden wij naar de oostkust van

het eiland, om dicht bij den walvischvaarder te ankeren, waarvan de

kapitein ons in zijne boot een bezoek was komen brengen: ik trad met

hem in gesprek en werd getroffen door eene opmerking, die hij maakte.

»Gij Engelschen kunt dan toch somtijds al heel raar handelen," zeide

hij; »gij zendt eene bende soldaten om te gaan leven op een eiland,

waar men alleen aan matrozen wat hebben zou. Gij luistert naar al de

praatjes, welke die rood-rokken u believen wijs te maken; (zij kunnen

immers nergens aarden, waar zij verder dan een geweerschot afstands

van eene kroeg zijn?); en omdat het hun niet bevalt, verlaat gij het

eiland weer. Zoo'n soldaat is bijzonder op zijn eigen gemak gesteld,

al toont hij weinig eerbied voor dat van anderen; en het was toch

wel vooruit te zien, dat hij slecht rapporteeren zou over een eiland,

waar geene vrouwen en geen rum te krijgen zijn, en hij dus zoowat met

een gevangene gelijkstond. Nu, dat zou anders gegaan zijn, als broeder

Jonathan dit eiland bezeten had; hij zou het zijne kosten hebben laten

opbrengen; hij zou er de bemanningen van twee of drie walvischvaarders

hebben neergezet, met hun vrouwen en heele familie en met al hun

geriefelijkheden bij zich, met nog een partij boerenarbeiders om den

grond te ontginnen en dan den heelen boel onder bevel van een officier

gebracht hebben. Het eiland kan best op zichzelf staan, zooals gij

wel zien kunt, en alles zou er goed gaan. Het is even gemakkelijk,

zoo niet gemakkelijker om het eiland af te visschen van den wal uit,

als van een schip. Breng uw traanketels en vaten maar het strand

op en laat een paar dozijn goede walvischbooten hier achter, en het

eiland zal een rente opleveren, na aftrek van al het geld, dat er aan

ten koste is gelegd, want de walrussen hebben geene andere plaats om

naar toe te gaan, hetzij om van huid te verwisselen in den herfst,

hetzij om hunne jongen voort te brengen in het voorjaar. Het visschen

en de andere diensten zouden zeer in den smaak der matrozen vallen,

die, als zij verkozen, naar huis konden gaan in de schepen, welke de

volle vaten traan kwamen weghalen en weer ledige kwamen aanbrengen."

De kapitein keerde naar zijn schip terug, maar vergat, geloof ik,

onzen kapitein de vereischte zeilaanwijzingen naar zijne ankerplaats

op te geven. Wij liepen naar den oosthoek van het eiland en wilden

juist ankeren, toen Peters, naar zijne meening wat te dicht op

den walvischvaarder komende, nog iets verder wilde doorzeilen. Ik

heb verzuimd op te merken, dat, toen wij den noord-oosthoek van het

land rondden, de koelte aanwakkerde en in valwinden door de ravijnen

kwam. Daarvoor hadden wij zeil geminderd, en toen wij nu dicht langs

den walvischvaarder kwamen, praaide men ons van daar toe; maar de

harde wind belette ons te hooren, wat er geroepen werd; toen wij nu

op den noodigen afstand waren, lieten wij het anker vallen.

Negentig vadem van den kabel liepen aan één stuk uit, vóór het

schip optornde en op den wind zwaaide; en tot onze teleurstelling

bemerkten wij over de bank, waar de ander zijn anker had laten vallen,

heengeschoten te zijn, terwijl het onze nu in eene groote diepte lag;

wij loodden althans negentien vaâm onder de kluis en slechts zeven

vaâm onder den spiegel. Juist brak de maan door de wolken en hadden

wij het genoegen te kunnen opmerken, dat wij minder dan vijftig ellen

achter ons een rif hadden van steenen, waarvan de zwarte koppen boven

water uitstaken.

Zeer bevreemde het ons, dat wij onder de stilten tusschen de

windhorrels in, niettegenstaande de diepte, voor eene bocht van het

zwaartouw lagen; doch omstreeks twee uren in den morgen brak onze

kabel, door de scherpe klipsteenen doorgesneden. Dadelijk werd zeil

gezet, maar wij zaten zoo dicht op de rotsen achter ons, dat zij met

een steen te bewerpen waren; en wij dachten werkelijk, dat wij het

einde van den kruistocht van de Echte Yankee bereikt hadden; doch

dit werd niet bewaarheid, want het schip bleef behouden door dezelfde

oorzaak, die onzen kabel in eene bocht had laten hangen. Wij bevonden,

dat het de Fucus maximus was, die onzen ondergang verhinderde; ons

anker was gevallen in dit onderzeesche bosch en was blijven hangen

op de toppen der boomen; en zoo dik waren op deze hoogte takken en

bladeren, dat zij ons weerhielden van te drijven en, toen de kabel

gebroken was, ons op den wal geraken tegengingen. Wij verhaalden

langzaam tusschen de planten uit en waren verheugd weer van die

ellendige plaats vrij te zijn. Nu wensch ik dit kleine keizerrijk

allen mogelijken voorspoed, maar hoop toch, dat mijn kwaad gesternte

mij nimmer meer derwaarts moge voeren.

De arme Thompson was, welke moeite ik ook in zijn belang aanwendde,

op grond van zijn vaste en onwankelbare trouw, steeds aan allerlei

onaangename bejegeningen aan boord blootgesteld. Aan mij zou hij zelden

hierover klagen; liever was hij zijn eigen rechter, door dengeen,

die hem kwelde, dit op zachtzinnige wijze onder het oog te brengen

(dergelijke wenken deelde hij nl. met zijne forsche vuisten tusschen

de oogen of op den neus van zijn kwelgeest uit). Gewoonlijk bleef de

zaak daarbij, want zijn karakter was zoo eenvoudig en goed, dat alle

geschikte matrozen aan boord hem genegen waren. Op een nacht viel er

een man overboord,--het weder was kalm en de brik liep weinig vaart;

terwijl men bezig was de jol, die aan de hekdavits hing, te strijken,

brak een van de haken daarvan en sloegen de vier man, die er in bezig

waren, te water. Twee hunner konden niet zwemmen, en allen schreeuwden

luidkeels om hulp, zoodra zij weer boven kwamen. Thompson, dit ziende,

sprong als een Newfoundlandsche hond van boven neer, zwom eerst naar

den zwaksten, dien hij naar de zorgkettingen van het roer bracht

om zich daaraan op te houden, en vervolgens greep hij den tweeden,

dien hij achter het schip bracht en een van daar afgevierd touw onder

de armen bond. Op deze wijze voortgaande, gelukte het hem allen te

redden. Twee van de vijf zouden zonder zijne tijdige tusschenkomst

stellig gezonken zijn, want het vorderde eenigen tijd vóór er eene

andere boot kon gestreken worden; terwijl de drie anderen erkenden,

dat zij zonder hulp het schip wel niet zouden hebben kunnen bereiken.

Het gedrag van Thompson werd door iedereen aan boord zeer toegejuicht,

en sommigen vroegen hem, hoe hij toch zijn leven wilde wagen voor

menschen, die hem zoo slecht behandelden; hij zeide, dat zijne moeder

en zijn bijbel hem geleerd hadden om zooveel mogelijk het goede te

doen: en daar God hem een sterken arm had geschonken, hoopte hij dien

altijd te zullen gebruiken ten behoeve van zijnen broeder in den nood.

Men zou nu denken, dat een daad als deze de herhaling van verdere

beleedigingen zou voorkomen hebben; doch hoe meer Thompsons waarde

door de Amerikanen werd opgemerkt, des te verlangender werden zij

hem een der hunnen te zien worden. De tweede stuurman, dien ik reeds

beschreven heb als een ruwen, brutalen kerel, klampte hem weer eens

met de oude aanbieding aan, zeggende dat hij ongetwijfeld zijn fortuin

zou maken met het nemen van twee, misschien wel drie buitengewone

Oost-Indievaarders, wier ontmoeting zoo goed als zeker was.

Thompson keek den man open in het gelaat en zeide met zijn sterk

Schotschen tongval: »Hebt gij niet gehoord, wat ik dien anderen dag

aan uwen kapitein heb geantwoord?"

»Ja," antwoordde Oswald, »maar dat noemen ze bij ons te lande maar

kletspraatjes."

»Maar zoo noemen zij dat in mijn land niet," zeide de Schot, terwijl

hij hem te gelijk zijn vuist zoo net en stevig in het linkeroog duwde,

dat hij als een os neersloeg, een groot deel van het dek met zijn

zware lichaam bedekkende.

De man stond op, bevond dat zijn gelaat hevig bloedde en zijn oog

dicht was; doch in plaats van zelf wraak te nemen, liep hij naar

den kapitein, om zich te beklagen. Verscheidenen van de Amerikanen,

door haat of jaloezie gedreven, gingen met hem mede en vroegen

met veel misbaar, dat de Engelschman gestraft zou worden voor het

mishandelen van een der scheepsofficieren. Toen echter de zaak

nauwkeurig onderzocht was geworden, moest de kapitein verklaren,

dat de stuurman de eerste aanleiding had gegeven, in zooverre hij

Thompson had willen verlokken, en dat hij van vroeger had kunnen

weten, waaraan hij zich hierdoor blootstelde; dat hij (de kapitein)

aan Thompson, toen hij die verklaring aflegde, toegegeven had gelijk

te hebben en daardoor thans verplicht was hem naar alle wetten van

gastvrijheid te beschermen, en zulks alleen reeds niet zou mogen

verzuimen wegens de dankbaarheid, die hij hem schuldig was voor het

redden van het leven zijner landgenooten.

Het volk nam hiermede geen genoegen; luide bleven zij straf eischen,

en er ontstond een geregeld oproer door den tweeden stuurman

aangestookt. Er was echter aan boord ook eene andere partij,

die zeer sterk was en niet in eene stemming om een Engelschman op

zulke onwaardige wijze te zien behandelen. Wat voor landslieden

dat waren, is gemakkelijk te begrijpen. De twist liep hoog, en

ik begon daarvan ernstige gevolgen te vreezen, toen ik toevallig

over bakboordsverschansing kijkende, een zeil zag en hiervan den

kapitein kennis gaf. Dadelijk praaide hij den uitkijk in top toe;

doch de uitkijk in top had zooveel belang gesteld in hetgeen er aan

dek voorviel, dat hij zich in de mars had laten zakken, om beter toe

te luisteren.

»Ziet gij dat schip niet aan bakboord?" vroeg de kapitein.

»Ja wel, sir," zeide de man.

»En waarom geeft ge er dan geen bericht van?"

De man wist, om een goede reden, daarop geen antwoord te geven.

»Kom af!" beval de kapitein; »Salomon laat hem aflossen; wij zullen

je eens een beetje Yankee-discipline laten zien."

Voordat wij echter het onderzoek in dit misdrijf en de daarop

gevolgde bestraffing behandelen, moeten wij den blik wenden naar het

zeil, dat elke vijf minuten zichtbaar hooger en hooger boven de kim

kwam. De kaper zeilde op dit oogenblik om de noordoost, onder mars-

en bramzeilen, fok en kluiver, met eene gladde koelte en kalm water.

»Mijnheer de luitenant," zeide de kapitein, »waar ziet gij hem

voor aan?"

»Ik denk," antwoordde ik, »dat het een van die extra Oost-Indievaarders

is; en als gij hem meent te praaien, zou ik er onder klein zeil op

aan sturen; waardoor gij tegen zonsondergang zoo nabij kunt zijn,

dat gij, als hij u mocht willen ontloopen, met uwe betere bezeildheid,

hem den ganschen nacht in 't zicht kunt houden."

»Ik geloof, dat gij daarin niet ver mis zijt," zeide de kapitein.

»Ik geloof, dat er geen woord van waar is," zeide de eerste stuurman,

die juist uit den grooten top kwam, waar hij het laatste kwartier had

doorgebracht met een scherpen uitkijk en het bestudeeren van den snit

der zeilen van het vreemde vaartuig. »Als ik ooit van m'n leven een

schip van hout en zeilen gezien heb, dan is dat een van John Bull's

vervloekte levenmakers, en nog wel minstens een vier-en-veertiger."

»Wat antwoordt gij daarop, mijnheer de luitenant?" vroeg de kapitein.

»O, wat dat aanbelangt," viel de stuurman in, »is het niet te

verwachten, dat hij ons het ware zal zeggen."

»Zeker omdat gij het in mijne plaats niet doen zoudt," antwoordde ik.

»Juist," hernam de stuurman.

En werkelijk moet ik bekennen, dat ik geen bijzonder verlangen had

om nog eenige maanden met dit schip te blijven kruisen en nog eens,

tot aanvulling van den watervoorraad, naar Tristan d'Acunha terug te

moeten. Toen ik mijne meening kenbaar maakte, had ik mijn best niet

gedaan om bijzonder scherp uit te kijken; maar toen ik het schip

hard zag opzetten, ofschoon wij in bijna gelijke richting stuurden,

overtuigde ik mij weldra, dat ik spoedig vrij en op mijne terugreis

naar Engeland zijn zou, waar zich al mijn geluk en al mijne hoop

bevond.

De eerste stuurman keek nog eens nauwkeurig,--de kapitein volgde

zijn voorbeeld; toen zagen zij elkander aan en kwamen overeen, dat

het hier het begin van het einde was.

»Het is mis, sir," zeide de stuurman, »en alles de schuld van dien

vervloekten overlooper, die door u op de rol is geplaatst. Maar,

zal ik hem niet eens achteruit laten komen, om hem op een geregelde

wijze zijn ontslag te geven?"

»Allereerst," zeide de kapitein, »is het zaak om te beproeven, hoe

hard wij op den loop kunnen gaan. Wij plachten nog al uit den weg te

kunnen komen, en nog nooit heb ik de gekoperde slang gezien, die ons

wist te bereiken. Breng de bovenbramzeils op, voer de spieren uit,

laat de lijzeilen aanslaan--en afhouden tot de wind een paar streken

achterlijker dan dwars is: zóó loopt hij het beste; en ik houd het er

voor, dat wij gedurende den nacht dien duivel uit het oude moederland

nog wel kunnen ontgaan."

Ik zweeg, maar keek oplettend naar de werkzaamheden. Het schip was

zeer goed bemand en het zeil zetten ging zeer vlug.

»Laat loggen!" beval de kapitein.

Dit geschiedde, en het schip bleek negen mijlen te loopen.

»Hoeveel denkt gij dat gindsch fregat beloopt?" vroeg mij de kapitein.

»Ik houd er voor, dat hij wel elf mijlen zal halen; en daar hij nu

zes mijlen achteruit is, zal het geen vier uren duren vóór hij binnen

kanonschotsafstand is."

»Nu, een deel van dien tijd zullen wij besteden aan het betalen van

onze schuld van dankbaarheid voor het voorrecht. Mr. Salomon, laat

dien schurk zonder vaderland aan het groot want binden en roep een

paar van je hongerigste katten (cats) op. Waar is Dirk Twist, die

bootsmansmaat geweest is op de Statira; en die roodharige kerel, och

je weet wel, die in de Rappa-banock van de Maidstone weggezwommen is?"

»Gij meent zeker rooden Sam?--Roep Sam Gall hier!"

De twee handlangers kwamen spoedig opdagen, elk van zijn folterwerktuig

voorzien; en ik moet zeggen, dat deze er niet zachtzinniger uitzagen,

dan al wat ik voor gelijke doeleinden aan boord bij overste G----

had zien gebruiken. De schuldige werd nu vóórgebracht en bleek, tot

mijne verbazing, dezelfde te zijn, die door Thompson, toen wij pas in

de boot waren overgestapt, wegens muiterij overboord gesmeten was. Ik

kan niet zeggen, dat ik eenig leed gevoelde noch over de aanleiding,

noch over het resultaat van de woordenwisseling van heden.

»Bind hem vast," beval de kapitein; »gij zijt op uw geregelde

dienstbeurt voor uitkijk naar top gestuurd; in het waarnemen van dien

plicht zijt gij te kort geschoten; vóórdat nu mijn gezag ophoudt,

zal ik u een Yankee-stukje vertoonen."

»Ik ben een Engelschman," zeide de man, »en ik beroep mij op mijnen

officier voor bescherming."

De kapitein zag mij aan.

»Als ik die officier ben, dien gij bedoelt," zeide ik, »dan erken ik

u niet. Gij hebt uwe trouw afgezworen, toen het in uw kraam te pas

kwam, en nu wilt gij uw vorige verbintenis weder aanvoeren, om een

straf te ontloopen, die gij ruimschoots verdiend hebt. Ik zal zeker

niet ten uwen behoeve tusschenbeide komen."

»Ik ben in de Earlstreet geboren," riep de Londenaar,--»mijne moeder

houdt daar een penswinkel,--ik ben een echte Brit, en gij hebt geen

recht mij te slaan."

»Gisteren nog waart gij een Yankee-matroos van Nieuw Londen en vandaag

zijt gij een pensverkooper van Oud Londen; ik geloof niet ver mis

te zijn met u een schurk zonder vaderland te noemen. Maar over het

recht zullen wij later wel spreken," zeide de kapitein; »en nu Dick,

begin maar."

Twist gehoorzaamde aan de opdracht met de noodige handigheid; toen

hij den gevangene drie dozijn toegediend had, van een gehalte waarvoor

mijn vriend de Hercules van Farnese op de brik zich niet had behoeven

te schamen, werd Sam Gall verzocht om daarmede voort te gaan. Sam

kweet zich à merveille van een gelijk aantal; en de gevangene, die

het noodige misbaar gemaakt had, werd nu losgelaten. Onwillekeurig

maakte ik de opmerking, hoe rechtvaardig het was, dat deze kapitein

zijn schip verspeelde, door eerst toe te laten, dat men een man

verleidde om zijn woord ontrouw te worden, en daarna in dienzelfden

man vertrouwen te stellen.

»Laat ons nu een oog op de jacht houden," zeide de kapitein. »Wel

verbazend, hij komt hard opzetten. Ik zie met het stampen den

boegspriet al boven water; voor een half uur zag ik nog pas de

fokkera. Hak de jol van achteren weg, Salomon."

De eerste stuurman nam een korte bijl en met één houw bij het einde

van elken davit, hakte hij het vaste deel van de takels door; en de

jol viel te water.

»Nu deze twee achterste stukken de poorten uit," beval de kapitein;

»wij hebben te veel diepgang achter, en voor de verdediging zullen

wij ze best kunnen missen, want het is een heele baas, dien wij hier

achter ons hebben."

Binnen weinige minuten waren de kanonnen uit de voeten; en in het

daarop volgende half uur, won de vijand slechts weinig. Het was nu

's namiddags half vier; de Yankees gevoelden hunnen moed herleven;

en de tweede stuurman herinnerde den kapitein, dat zijn blauw oog

nog niet bij het groot want was verrekend geworden.

»Dat zal ook niet gebeuren," zeide de kapitein, »zoolang ik het bevel

voer over de Echte Yankee; zooals het is, is het billijk; niemand

zal worden gestraft omdat hij zich behoorlijk verdedigd heeft na

waarschuwing. Thompson, kom hier en blijf achteruit."

De man was juist bezig die order te gehoorzamen, toen hij werd

aangegrepen door zes of acht van de ruwste klanten, die begonnen met

hem zijn baaitje van het lijf te trekken.

»Laat los, jongens!" riepen Twist en Gall in één adem. »Het kan ons

niet schelen om zoo'n vent als dien penskerel een pak te geven; maar

Thompson zal hier in het schip geen haar gekrenkt worden. Hij is een

der onzen; op-en-top een zeeman, en vóór gij hem aanraakt, hebt gij

met ons en nog vijftig anderen te doen; want ik ben verd... als wij

niet met den tweeden stuurman gaan loggen en dan bijdraaien, tot het

fregat ons op zijde komt."

De oproermakers stonden een oogenblik verlegen; maar de tweede stuurman

sprong op een stuk en riep luid: »Wie is er op onze hand? Zijn jelui

voornemens je door die Engelschen op den kop te laten zitten?"

»Ja zeker," riep ik er tusschen in, »als gij het doen van gerechtigheid

»op den kop zitten" noemt. Gij loopt veel gevaar, en ik waarschuw

u. Ik zie juist hoe sterk degenen zijn, die zich Amerikanen noemen;

en ofschoon ik de laatste ter wereld ben om mijn zegel te hechten

aan een daad van verraad, door het schip bij te draaien, waarschuw

ik u toch voorzichtig te zijn met het tergen van den bulhond, die

alleen van zijns meesters ketting losgebroken is »voor een uitstapje,"

doch nu gereed om naar hem terug te keeren. Ik ben uw gast en daarom

uw trouwe vriend; span uwe uiterste krachten in, om aan uwen vijand

te ontkomen. Ik weet wat die is, want ik ken hem; en als ik mij niet

vergis, dan zult ge, met alle moeite, die ge u nog geeft, nauwelijks

tijd hebben, om uw boeltje bij elkaar te pakken; want houd u verzekerd,

dat gij geen twaalf uren meer onder uw eigen vlag zult varen."

Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De kapitein, kapitein

Green en Salomon liepen achteruit en zagen tot hunne ontsteltenis

reeds duidelijk de waterlijn van het vervolgende fregat.

»Wat kunnen wij nu doen?" zeide de kapitein. »Op deze wijze heeft hij

weer op ons gewonnen, terwijl al het volk achteruit was geloopen voor

die helsche twist. Zet nog twee van de achterste kanonnen overboord."

Ook deze order werd met dezelfde vlugheid ten uitvoer gebracht,

doch niet met hetzelfde succes bekroond. De kapitein begon nu te

bemerken,--wat ik al lang had ingezien,--dat hij door de jol van den

achtersteven los te hakken, die dus met zijn gewicht aan het uiterste

eind van het schip hing, (evenals het lood aan een unster werkende),

goed had gedaan; verder had hij het schip nog meer verlicht door die

twee achterste kanonnen op te offeren. Maar hierbij had het moeten

blijven; de uitwerking van het overboord werpen der twee volgende

stukken was bepaald nadeelig. Het schip stak nu den neus te diep;

het achterschip was te hoog uit het water; het stuurde nu wild en

verminderde opvallend van vaart.

»Kap de boegankers weg," beval de kapitein. De sjorrings werden

doorgehakt en de ankers vielen weg; dadelijk hief de brik zijn kop wat

hooger en bereikte zijn vroegere vaart; toch had de vijand intusschen

belangrijk op ons gewonnen. De kapitein en zijn volk stelden alleen

hun hoop op de duisternis; en naarmate deze inviel, werd ik ontmoedigd,

want ik begon mij ongerust te maken, dat wij nog zouden ontkomen. Reeds

was de zon eenigen tijd beneden de kim; de wolk van zeildoek, die

achter ons aankwam, werd minder duidelijk en verdween ten laatste in

een donkere bui: in de eerste twee uren zagen wij er niets meer van.

Ik wandelde met Green en den kapitein het dek op en neer. De laatste

scheen volstrekt niet op zijn gemak: hij had gehoopt deze reis zijn

fortuin te maken en dan de vermoeienissen en zorgen van het zeeleven

vaarwel te zeggen en zich terug te trekken in een of anderen gezelligen

hoek van de westelijke nederzettingen, waar hij eene kleine hoeve

kon ontginnen, en verder een eerlijk leven leiden: »want dit leven",

zoo sprak hij, »is, ik durf het gerust te zeggen, eigenlijk niet veel

anders dan rooverij."

Of deze proeve van zedelijkheid bij den kapitein, nu het gevolg

was van het oogenblikkelijke gevaar, waarin hij verkeerde, mag ik

niet uitmaken. Ik weet alleen, dat de lezer, als hij zich de moeite

getroosten wil enkele bladzijden uit mijne levensgeschiedenis terug

te slaan, mij bij verschillende gelegenheden daarin ook dikwijls in

soortgelijke stemming zal aantreffen.

De twee kapiteins en de eerste stuurman zonderden zich nu af en

lieten mij over aan mijne overpeinzingen, vlak vóór het groot want,

over bakboordsverschansing geleund. De beraadslaging scheen nog al

gewichtig te zijn en liep, zooals ik later vernam, over den koers

die gestuurd moest worden, nu er zoo groote kans bestond, dat wij

door den vervolger uit het zicht waren verloren. Al mijne hoop op

verlossing vervloog, wanneer ik hunnen kant uitzag, en in mijn geest

was ik er reeds op voorbereid om mede naar New-York te gaan.

Op dit oogenblik kwam een matroos achter mij staan, kwansuis om den

bramschoot vóór te halen; en terwijl hij met een soort van »yeo-ho"

aan het touw ging hangen, fluisterde hij mij in het oor: »Als gij

wilt, kunt gij kapitein van de brik worden. Wij zijn met z'n vijftigen

Engelschen, wij zullen bijdraaien en een lantaarn hijschen, als gij

er een woord toe zegt en ons pardon bezorgt."

Ik deed eerst alsof ik het niet hoorde, doch mij omkeerende, zag ik

Mr. Twist.

»Zwijg, schurk!" antwoordde ik, »meent ge eene daad van verraad

weer door eene andere goed te maken? En durft gij het wagen een

smet te werpen op de eer van een zeeofficier, door zoo'n schandelijk

voorstel? Ga dadelijk, waar gij behoort te zijn, en waardeer het, dat

ik hiervan tegen den kapitein zwijg, die volkomen gerechtigd zou zijn,

u overboord te werpen,--een lot dat gij, door uwe aaneenschakeling

van misdrijven, volkomen zoudt verdienen."

De man droop af, en ik begaf mij naar den kapitein, wien ik, zonder

naam te noemen, vertelde wat mij overkomen was, hem aanmanende om

tegen verraad op zijne hoede te zijn.

»Uw gedrag, mijnheer," zeide de kapitein, »is, zooals ik van een

Engelsch zee-officier verwacht zou hebben; en daar gij zoo eervol

gehandeld hebt, wil ik u wel vertellen, dat het mijn plan is om zeil

te minderen tot de marszeils en den fok en scherp bij den wind op te

steken in de richting van die donkere bui dáár in het zuiden."

»Zooals gij wilt," zeide ik; »gij zult mij wel verschoonen van het

geven van advies, en eveneens zoudt gij mij niet gelooven willen,

als ik u een goeden uitslag toewenschte; doch maak er staat op, dat

ik met alle macht elke oneerlijke poging om u het bevel te ontnemen,

zal tegengaan."

»Ik dank u, mijnheer," zeide de kapitein op treurigen toon; en zonder

verder met woorden nog tijd te verspillen, commandeerde hij op zachten,

doch fermen toon. »Strijk en gei op de bovenbramzeils en bramzeils,

vier op de lij-zeilvallen en buitenschooten!"

Met een spoed, die zelfs mij, gewend aan de manoeuvres op goed

geoefende oorlogsschepen, ten hoogste verbaasde, werden al die lichte

zeilen weg- en ingenomen. Er gebeurde echter een misslag bij: het

onderlijzeil werd wel afgevierd en opgegeid, doch niet binnen boord

gehaald en bleef een tijdlang onder de fokkerust naast het schip

medegesleept, vóór men er een der stuurlieden kennis van gaf.

»Haal door de bakboordsbrassen, scherp bij den wind brassen, bakboord

het roer, laat hem oploeven, kwartiermeester."

»Bakboord ligt hij, sir," zeide de man aan het roer, en het schip

loefde aan den wind, doch zeer langzaam, hoewel er een groot zeil en

brikzeil bij stond en de kluiverschoot afgevierd was.

»Ik geloof, dat wij hen nu beethebben op het laatst," zeide de

kapitein. »Wat denkt gij er van, heer luitenant?" mij daarbij een

hartelijken, welgemeenden tik op den rug gevende. »Kom wat zegt gij,

willen wij eens een lekkere flesch drinken, na de vermoeienissen van

den dag?"

»Wacht een oogenblik," zeide ik, »wacht nog een oogenblik."

»Waar kijkt gij zoo heen, daar te loefwaart?" vroeg de kapitein,

die opmerkte, dat ik steeds op eenzelfde punt bleef staren.

Vóór ik tijd had om antwoord te geven, kwam Thompson naar mij toe, en

terwijl hij wees naar hetzelfde punt, waarop ik mijn oog gericht had,

zeide hij: »Daar is het schip mijnheer." De kapitein hoorde dit; en

daar vrees scherpzinnig maakt, zag ook hij dadelijk wat onze aandacht

had getrokken.

»Op verder ontloopen is nu niet veel kans," zeide hij; »wij hebben het

vàn den wind beproefd, dat voor ons altijd de beste gelegenheid was:

toen heeft hij ons geklopt; en bij den wind was het voor ons nooit

bijzonder gunstig, maar toch is het verwonderlijk zoo slecht als wij

nu loopen; met dit gladde water en dit mooie briesje, moest het veel

beter zijn. Salomon, zie eens rond, er moet iets zijn, dat verkeerd

is en ons in de vaart hindert."

Salomon ging aan stuurboordszijde naar voren, maar zag niets. Toen hij

echter, den bak rondloopende, aan lij over den boeg en later over de

verschansing naar buiten boord keek, zag hij zeildoek uit de fokkerust

afhangen. »Wat is dat?" vroeg hij. Niemand gaf antwoord. Hij sprong

op de verschansing, om beter te zien, en vond het heele onderlijzeil

te water hangende en medegesleept.

»Geen wonder, dat hij niet loopt," zeide de stuurman, »dat houdt me

nog al geen klein beetje tegen. Wie heeft het onderlijzeil moeten

bergen?--Maar enfin, dat zullen wij later wel uitmaken. Komt hier,

jelui gasten."

Enkelen van de Amerikanen kwamen nu op zijn geroep, doch niet bijzonder

gewillig. Het was niet gemakkelijk om met de vaart, die het schip

had, het nu doornatte zeil binnen boord te palmen; en terwijl zij

daarop hunne krachten verspilden, zag men te loefwaart het licht

van een kanonschot flikkeren; en vóór de dreun in onze ooren kwam,

floot ons een kogel boven de hoofden en schoot als een bliksemstraal

door het brikzeil heen.

»Hoera voor Oud-Engeland!" zeide Thompson. »De knaap, die dat schot

gedaan heeft, krijgt morgen mijn oorlam."

»Houd je b.k, verd..... Engelsche schurk," viel de tweede stuurman in,

»of ik zal je voor goed den drank verleeren."

»Ik denk niet, dat gij dit doen zult," zeide de Schot, »en als gij

nog voor vriendschappelijken raad vatbaar zijt, zou ik het maar

niet beproeven." Thompson stond op dit oogenblik op een achterluik;

de boosaardige stuurman sprong op hem toe en greep hem in den

kraag. Thompson scheurde zich in een ommezien los en gaf met de

rechtervuist den ander een stomp in de maagholte, waarmede hij naar

de lij vloog. Hij viel,--kwam bij den boomschoot te land,--wilde dien

grijpen, pakte mis--en stortte in zee, waaruit hij nimmer weer verrees.

Nu was er groote verwarring. »Man overboord!"--Weder een schot van

het fregat,--weer een, nog een, elkander snel opvolgend. Om het lot

van den drenkeling bekommerde zich niemand in de algemeene paniek. Een

kogel schoot het achterste hoofdtouw door; een andere ging dwars door

de op dek staande boot. Het fregat zat ons klaarblijkelijk dicht op de

hielen. Het volk liep naar omlaag, om hun kisten en kooien te halen;

de kapitein stak mij de hand toe en zeide: »Mijnheer, ik geef mij

aan u over, handel nu zooals gij meent te moeten doen."

»Thompson," riep ik, »gooi den grooten schoot en den grooten bras

aan lij los." Zelf naar voren gaande, maakte ik de groote hals, en

de achterboelijns los; de groote ra draaide daarop vierkant en het

achtertuig tegen. Thompson greep daarop een brandende lantaarn en

hield deze boven stuurboords-verschansing uit.

Het fregat zeilde ons rakelings achterom, daarbij eene fraaie batterij

vertoonende; ons toepraaiende, vroeg men wat schip wij waren.

Ik antwoordde, dat het de Echte Yankee van Boston was, dat wij

bijgedraaid lagen en ons overgaven.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 31 / 38 题