ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Het weder was schoon, de zee tamelijk kalm, en daar wij over een

voldoenden voorraad levensmiddelen en water konden beschikken,

was ons lijden niet groot, daar onze zorg alleen bestond, in vrees

voor verandering van den wind en de kennis van onzen onzekeren

toestand. Den vijfden dag na ons verlaten van het wrak ontdekten

wij op grooten afstand land. Ik wist, dat dit het eiland Trinidad

en de rotsen van Martin Vas zijn moesten. Dit eiland, gelegen op 20°

Zuiderbreedte en 30° Westerlengte, behoort men niet te verwarren met

dat van gelijke benaming op de kust van Terra Firma in de West-Indiën,

dat nu eene Engelsche bezitting is.

Bij het raadplegen van Horsburgh, [2] dien ik bij mij in de boot had,

bevond ik, dat het eiland vóór ons vroeger door Portugeezen bewoond

geweest, maar sedert lang verlaten was. Den geheelen nacht door bleef

ik er op aan sturen, tot wij duidelijk de branding tegen de rotsen

konden hooren, toen stak ik bij den wind op aan de loefzijde van het

land, op deze wijze het aanbreken van den dag afwachtende.

Het daglicht bescheen een steile, ruwgevormde, grauwe kust, met

hooge en scherp gepunte rotsen, die uittartend nederzagen op de

onbevredigbare en woeste golven, welke aanhoudend aan hunne voeten

braken en daarna weer terugrolden om dergelijke slagen tot in het

oneindige te herhalen. Eeuw in eeuw uit waren zij dus aan het werk

geweest, eeuw in eeuw uit zouden zij alzoo voortgaan, zonder eenige,

voor het menschelijk oog waarneembare, schade te veroorzaken. Op

dat deel der kust, dat wij nu voor ons zagen, was landen eene

onmogelijkheid, en daarom zeilden wij den wal langs in de hoop ergens

een inham te vinden, waar wij met onze boot binnen konden komen,

om haar daar vast te leggen. Het eiland scheen ongeveer negen mijlen

lang, was blijkbaar van vulkanischen oorsprong en eene verzameling

van rotsige hoogten, die zeven honderd voeten boven de oppervlakte

der zee uitstaken. Het was kaal, behalve op de toppen der heuvels,

waar enkele boomen eene kroon vormden, die prachtig en frisch scheen,

maar het oog tergde, daar zij onbereikbaar was. Zelfs in geval ik

eene landingsplaats gevonden had, betwijfel ik of ik er wel gebruik

van zou gemaakt hebben, daar het eiland niets scheen voort te brengen,

wat voor ons eenige waarde had, terwijl elk oponthoud noodeloos onzen

levensvoorraad zou doen verminderen. Er was nergens een levend wezen

te bespeuren, en om zóó nabij te komen, dat wij eene landingsplaats

zouden kunnen onderscheiden, was hoogst gevaarlijk.

Dit zeer eenvoudige vooruitzicht gaf mij aanleiding tot de overweging

om onze reis tot Rio Janeiro te vervolgen. Doch mijn volk was van

eene andere meening. Zij vonden, dat zij lang genoeg achtereen,

stijf op elkaar, op het water hadden doorgebracht, en gaven de

voorkeur aan een verblijf op het eiland boven het langer wagen van

hun leven in zoo'n zwakke boot op den wijden Oceaan. Nog waren wij

aan het beraadslagen, toen wij langs een smalle zandstrook kwamen,

waarop wij twee wilde varkens zagen loopen, die klaarblijkelijk

bezig waren om zich met schaaldieren te voeden; dit besliste de zaak

geheel en al, en ik stemde toe om onder de lij van het eiland langs te

loopen en aan dien kant naar eene landingsplaats uit te zien. Volgens

aanwijzing van Horsburgh liepen wij de Westpunt om, zoekende naar de

bocht bij de Kegel-rots. Toen deze zich voor ons opende, was het een

onbeschrijfelijk schoon gezicht, dat misschien nergens ter wereld

zijne weergade vindt. Een enorme rots verhief zich bijna loodrecht

uit de zee, tot een hoogte van negen honderd of duizend voet. Zij had

aan de basis nagenoeg dezelfde afmetingen als aan den top en kwam in

vorm volkomen overeen met eenen kegel; vandaar haren naam. De zijden

waren glad, tot boven toe, de top was met groen bedekt en was zoo ver

ons verwijderd, dat de zeevogels, die er bij duizenden omheen vlogen,

reeds op twee derden van den afstand nauwelijks zichtbaar waren. Hevig

werd de voet der rots door de zee gebeukt--sedert eeuwen waren de

vogels in eindelooze verscheidenheid de ongestoorde bewoners van dit

natuurlijke gedenkteeken geweest: elke eenigszins ruwe of uitstekende

punt was met guano bedekt, en het scheen mij eene wonderbaarlijke

speling der natuur toe, welke deze massa geplaatst had in den stand,

dien zij behield, in weerwil van de uiterste krachtinspanning van

den wind en de golven van den grooten Oceaan.

Een ander vreemd verschijnsel deed zich voor aan den anderen kant

van de baai. Hier was de lava naar zee gestroomd en had aldaar eene

laag gevormd; een tweede stroom van gesmolten rots was over de eerste

heengegaan, doch zoo snel afgekoeld, dat geene vereeniging meer kon

plaats vinden en de tusschengelegen ruimte met water volliep. Met

geweld stoof telkens de zee tusschen de twee lagen door en spatte

prachtig, door allerlei openingen, die zich in de bovenste bevonden,

tot eene hoogte van soms wel zestig voet op, als waren het de

waterstralen van eene school walvisschen, maar met een geluid en eene

kracht, die oneindig grooter waren. Het geraas was in werkelijkheid

vreeselijk, hol en ontzagwekkend. Ik kon niet nalaten om zwijgend

dit tooneel te bewonderen, en mijn hart gevoelde zich klein bij het

bedenken van mijne eigene onbeduidendheid, dwaasheid en verdorvenheid.

Terwijl wij nu voortgingen de kust te houden, op den uitkijk naar onze

landingsplaats, klaar om het zeil te strijken, scheen de Amerikaansche

kapitein, die naast den man aan het roer zat, aandachtig op een punt

te staren aan bakboordszijde buiten de boot. Eensklaps riep hij:

»Bakboord het roer, kerel, bakboord, aan boord!" Deze woorden deed

hij samengaan met een duw aan den helmstok, welke den ander bijna

overboord deed slaan. Te gelijk lichtte eene hooge zee de boot op,

en eenige ellen rechts voorbij eene puntige rots, die gelijk met de

waterlijn kwam en onze aandacht ontgaan was, en waarvan het bestaan

slechts door den Amerikaanschen kapitein vermoed was (omdat op sommige

dergelijke steenen de zee slechts zeer zeldzaam breekt). Hierop zouden

wij stellig en zeker verbrijzeld zijn, als het gevaar niet gezien

en vermeden was geworden door de vlugge en handige overlegging van

het roer; een oogenblik later, en een voet dichter bij, en reddeloos

zouden wij weg geweest zijn.

»Genadige Hemel!" riep ik uit, »wat heeft het lot toch met mij

voor? Hoe kan ik dankbaar genoeg zijn voor zooveel goedheid!" Ik

dankte den Amerikaan voor zijn opletten en vertelde mijnen manschappen,

hoeveel zij hem verschuldigd waren en hoe hij thans ruim terugbetaald

had, wat hij ons verplicht was voor zijne redding van het wrak.

»Ach, luitenant!" zeide de arme man, »het is maar een kleine

wederdienst, dien ik bewees voor de goedheid, mij door u betoond."

Het water was nu weer zeer diep, daar de rotsen steil opliepen; daarom

streken wij het zeil, legden de riemen toe en roeiden nader, om een

goed plekje te vinden. Diep de baai in ontdekten wij het wrak van een

schip, dat op het droge zat. Het was middendoor gebroken en scheen

gekoperd te zijn. Dit vermeerderde het verlangen mijner matrozen om

aan land te komen; wij kwamen met de boot nader-bij, doch bevonden,

dat deze stukgeslagen zou worden, als wij er den wal mede oploopen

wilden. Onze jonker stelde voor, dat een onzer naar het strand zou

zwemmen en dan van eene of andere hoogte af een plaatsje zou uitzoeken

en aanwijzen, waar de boot in kon komen. Dit keurde ik goed, en de

kwartiermeester ontkleedde zich voor zoover noodig. Ik bond hem eene

loodlijn onder de armen vast, zoodat wij hem daaraan zouden kunnen

terughalen, in geval hij uitgeput mocht raken. Met het grootste gemak

ging hij door het eerste gedeelte van de branding, doch in de brekers

gekomen, kon hij niet verder; wanneer hij voor een oogenblik den grond

met zijne voeten raakte, werd hij door de terugloopende zee, of wat

de matrozen noemden den onderstroom, met groote vaart achterwaarts

geworpen, tot hij weer in den laatsten roller terechtkwam.

Driemaal werd het door den onversaagden man beproefd, steeds met

denzelfden uitslag. Ten laatste zagen wij hem zinken en hadden veel

moeite hem aan de lijn nog levend in de boot terug te trekken. Thans

stelde de adelborst voor om het zelf te beproeven, zonder de lijn,

omdat deze den eersten zwemmer zeer in zijne bewegingen belemmerd

had; dit was werkelijk het geval geweest, doch ik wilde hem niet aan

dit gevaar blootstellen, en wij bleven nu langs den wal doorroeien,

tot wij aan een rots kwamen, waarop de branding bijzonder hoog stond,

en die wij bij gevolg niet te na kwamen. Wij ontdekten, dat deze rots

vroeger aan het eiland moest vastgezeten hebben en op eene of andere

wijze daarvan losgeraakt was; daarachter zagen wij, tot onze groote

vreugde, kalm water; wij roeiden binnen, en het kostte ons thans

weinig moeite om te landen. Na de boot voor dreg gelegd en twee man

voor de bewaking er in gelaten te hebben, ging ik met de overigen op

het onderzoeken van den omtrek uit. Natuurlijk werd het eerst onze

aandacht bepaald bij het wrak, waar wij langs waren gekomen, en na een

kwartier lang geklauterd te hebben over allerlei vormelooze, hoekige,

losse steenen of rotsblokken, die van de naaste hoogte afgebroken

waren en over het strand verspreid lagen, bereikten wij die plaats.

Het wrak was dat van een mooien, gekoperden schoener, van omtrent

honderdentachtig tonnen inhoud. Met geweldige kracht was hij op

den wal gesmeten, en zat daar eenige ellen boven hoogwaterpeil. De

masten en rondhouten, zoomede een groot deel der lading lagen in alle

richtingen over het naaste strand verspreid. Deze laatste bestond uit

snuisterijen, aardewerk en muziekinstrumenten, violen, klarinetten,

fluiten enz. Enkele overblijfsels van boeken, die ik vond en opraapte,

bleken Fransche romans te zijn. Dicht bij het wrak, op eene kleine

verhevenheid, vonden wij een viertal hutten, zeer ruw samengesteld

uit aangespoelde planken van het scheepje; iets verder, zagen wij

eenige graven naast elkander, ieder door een kruis aangewezen. Ik

onderzocht de hutten, die ruwe overblijfsels van menschelijke bewoning

bevatten: een paar banken en tafels, hoogst eenvoudig bekapt en in

elkaar geslagen, beenderen van geiten en wilde varkens met de sporen

van uitgebrand vuur. Niets echter konden wij te weten komen van den

naam van schip of eigenaar, noch waren er namen op de begraafplaats

vermeld, of eenig teeken of nummer op den spiegel van het scheepje

geverfd of ingesneden, waaruit wij iets hadden kunnen opmaken.

Dit met opzet verbergen van alles wat inlichting zou geven, gaf ons bij

nadenken nu juist volkomen aan wat wij verlangden te weten: de haven

van vertrek, de bestemming en den aard der lading. Daar de schoener

op de zuidwestzijde van het eiland zat, met den kop om de noord-oost,

was hij buiten twijfel op weg van Rio Janeiro naar de kust van Afrika,

gedurende den nacht, verongelukt. Dat hij voornemens was eene lading

slaven te halen, was even zeker, niet alleen om de prullen, die hij

nu aan boord had, maar ook om de inwendige verdeeling van het vaartuig

en het groot aantal hand- en voetboeien, die wij overal zagen liggen,

en die wij wisten, dat alleen gebezigd worden voor het vatten en in

bedwang houden van de ongelukkige slachtoffers van dezen handel.

Wij bleven in de hutten overnachten en verdeelden ons met het aanbreken

van den morgen in drie partijen, ten einde in verschillende richtingen

het eiland te gaan doorzoeken. Reeds eerder heb ik medegedeeld,

dat wij wel in het bezit van geweren waren, doch geen kruit hadden;

de kans om eenige geiten of varkens, waarvan het eiland wemelde,

te schieten, was dus zeer gering. Eene partij zocht een weg om naar

het hoogste punt van het eiland te komen; eene andere trok westwaarts

de kust langs, terwijl ikzelf met twee anderen oostwaarts ging. Met

veel moeite kwamen wij over verscheidene ravijnen heen, tot wij eene

lange vlakte bereikten, die het eiland scheen middendoor te deelen.

Hier werd onze aandacht getrokken door een wonderlijk en bedroevend

verschijnsel. In het dal stonden duizenden boomen, van gemiddeld

dertig voet hoogte; maar zij waren alle dood, en elke stam strekte

zijne bladerlooze takken naar eene andere uit--het was een woud der

verlatenheid, alsof de natuur op een gegeven oogenblik daaraan de

groeikracht had onthouden! Noch lage struiken, noch gras vond men

er. Op de laagste, doode takken hadden tal van zeevogels hunne nesten

gebouwd. Zij waren bijzonder mak en schenen den mensch zoo weinig

gewend te zijn, dat de wijfjes, die op de eieren zaten te broeden,

alleen dreigend hunne bekken omhoog staken, toen wij voorbijgingen.

Zich rekenschap te geven van de gelijktijdige verwoesting in dit

uitgestrekte bosch was niet gemakkelijk, daar er volstrekt geene

vette aardlaag ontbrak, om de wortels te voeden. Het kwam mij het

meest waarschijnlijk voor, dat er in eens een aanhoudende stroom van

zwaveldampen uit een krater was neergedaald; of anders dat met een

ongewoon hevige storm het zeewater in groote massa den wal opgejaagd

had en er veel zout bij de wortels was achtergebleven. Aan welke dezer

beide oorzaken de schuld moest gegeven worden, laat ik ter beslissing

aan den natuurkundige.

Voor ons was het althans een troost te ervaren, dat wij geen gebrek

aan voedsel zouden krijgen, daar de vogelnesten ons ruim van eieren

en jongen van verschillenden leeftijd konden voorzien; met een goeden

voorraad daarvan keerden wij naar ons punt van uitgang terug.

De troep, die westwaarts getrokken was, meldde, dat zij vele varkens

gezien hadden, doch geene kans zagen er een van te vangen; en zij die

beproefd hadden, het hoogste punt te beklimmen, kwamen zeer vermoeid

terug, terwijl een hunner vermist werd. Zij verklaarden den top van den

berg bereikt te hebben; aldaar hadden zij eene groote vlakte ontdekt,

omzoomd met varens van twaalf tot achttien voet hoogte. Ook hadden

zij op die vlakte eene kudde geiten gezien, en daaronder een bok van

bijzondere grootte, die de leider wel scheen; hij was wel zoo groot als

een hit. Ook hier waren alle pogingen mislukt om er een te vatten. De

matroos, die nu vermist werd, had de geiten verder vervolgd dan de

overigen. Een tijdlang hadden zij op zijn terugkeer gewacht, doch hem

niet weer ziende opdagen, meenden zij, dat hij wel een anderen weg

naar de baai gevonden zou hebben. Dit verhaal stond mij niets aan;

vreezende, dat den armen man een of ander ernstig ongeluk overkomen

was, hielden wij gedurende den nacht, dien wij even als den vorigen

in de hutten doorbrachten, de wacht en een goed vuur brandende. Van

de wrakstukken hadden wij ruimen voorraad brandhout, en langs ons

kleine dorp stroomde een beekje van helder water.

Den volgenden morgen werd een troep uitgezonden om den vermiste te

gaan zoeken, en eenige anderen gingen er op uit om jonge vogels voor

ons middagmaal te vangen. De laatsten brachten daarvan een voorraad

mede, voldoende voor twee of drie dagen; maar van de drie man,

die hun verloren makker zouden zoeken, keerden er slechts twee bij

ons weder. Zij verklaarden niets gevonden te hebben, maar dat hun

derde man zeker het onderzoek nog voortgezet had, want zij waren

hem kwijtgeraakt.

Dit nieuws maakte ons weder zeer angstig en gaf aanleiding tot allerlei

nieuwe onderstellingen, waarvan er eene de meeste aanhangers vond,

namelijk dat er verscheurend gedierte op het eiland zou zijn, waarvan

onze arme vrienden de prooi waren geworden. Ik besloot nu den volgenden

morgen, zelf er op uit te gaan en een paar vertrouwde matrozen met mij

te nemen. Ik heb verzuimd mede te deelen, dat wij bij het verlaten van

het zinkende schip ook een aan boord zijnden poedel hadden medegenomen,

ten eerste omdat ik niet over mij kon verkrijgen het arme beest te

laten verdrinken, en ten tweede omdat wij in geval van nood, het dier

nog voor ons zouden kunnen slachten. Hiertoe hadden wij het recht, en

wel overeenkomstig het spreekwoord: »Dat het hemd nader is dan de rok."

Deze trouwe hond had zich bijzonder gehecht aan mij, die hem zijn

dagelijksch voedsel gaf. Nooit liet hij mij alleen en volgde niemand

anders; en ook op dezen tocht was hij mijn compagnon.

Wij bereikten den top van den eersten berg, van waar wij de geiten

zagen grazen op de vlakte, werwaarts wij ons nu ook wilden begeven,

tot opsporing onzer vermiste makkers. Ik was mijne manschappen eenige

passen vooruit, en kort vóór mij liep de hond langs een afgescheurd

rotsblok, naast een afgrond. Het vak, dat ik oversteken moest, was

ongeveer zes of zeven voet wijd, en tien of twaalf lang, met eene

zoo flauwe glooiing naar het ravijn toe, dat ik mij volkomen veilig

achtte. Een kleine waterstroom druppelde van de rots, die daar boven

was, en viel, zich in het mos en de kruipplanten verliezende, over

den afgrond naar beneden in een ontzettende diepte.

Deze weg scheen volstrekt niet gevaarlijk, vergeleken bij andere

gedeelten, die wij reeds voorbij waren, en juist zou ik er den voet

op zetten, toen mijn hond vóór mij op de noodlottige plek sprong: ik

zag de pooten uitglippen,--hij viel en verdween in de diepte! Ik vloog

terug, hoorde een zwaren plof en een kort gehuil; daarop volgde nog een

zachte kreet, en toen bleef alles stil. Met de grootste behoedzaamheid

en op den buik voortkruipende, naderde ik nu den rand van het ravijn,

alwaar ik opmerkte, dat het waterstroompje oorzaak was dat er eene

dunne laag mos groeide, zóó dicht in een en zacht als fluweel, maar

zóó glibberig dat de lichtste voetstap er onmogelijk op kon staande

blijven; dit verklaarde het plotseling verdwijnen, en zooals ik nu

wel denken moest, de onvermijdelijke dood van mijn hond.

Mijne eerste gedachte was dankbaarheid voor mijn wonderdadig behoud;

mijne tweede was een treurig voorgevoel van het lot mijner arme

manschappen, die maar al te waarschijnlijk verminkt aan den voet van

dezen berg lagen. Ik deelde mijn vermoeden mede aan de twee matrozen,

die bij mij waren en mij intusschen hadden ingehaald. Hoe meer wij er

over nadachten, des te meer verdween elke twijfel in onzen geest. Langs

een glooiend slingerpad daalden wij af; en na een hoogst vermoeiende en

gevaarlijke wandeling, die een uur vorderde, bereikten wij de plaats,

waar ons aller vrees helaas! volkomen bevestigd werd. Hier lagen de

twee lichamen mijner mannen en dat van mijn hond, onkenbaar verminkt:

het scheen, dat beiden beproefd hadden over het mos te loopen, even

zorgeloos als ik op het punt was geweest dit te doen, ware niet de

hond mij vóór geweest. Peinzende keerde ik naar mijne manschappen

aan de baai terug en deelde hun onze droevige ontdekking mede. Allen

waren bewogen over het lot dat hunne kameraden getroffen had, en niet

het minst de Amerikaansche kapitein, die Green heette.

Inderdaad, zoolang wij dezen armen man bij ons in de boot gehad

hadden, had hij zich geheel anders doen kennen, dan ik aanvankelijk

van hem gedacht had; steeds bedankte hij voor zijn rantsoen sterken

drank, dien hij aan de matrozen weggaf; hij zweeg meestal en zat

in gedachten verzonken; dikwijls zag ik dat hij in stilte bad, en

bij die gelegenheden stoorde ik hem nooit. Andere keeren legde hij

zich er op toe om zoo nuttig mogelijk te zijn. Hij naaide en lapte

de kleeren en schoenen van het volk, of leerde hun daarin zich zelf

te helpen. Viel er zwaar werk te verrichten, dan was hij steeds de

eerste om te beginnen, de laatste om te eindigen; en zoover ging hij

in zijne beleefde hulpvaardigheid, dat wij hem allen begonnen lief

te hebben en met eerbied te behandelen. Wanneer wij op zee waren,

nam hij met de meeste trouw en waakzaamheid een wacht waar.

Geenszins was dit uit vrees of bezorgdheid voor slechte behandeling

onder zoovele Engelschen, die door zijne houding in het ongeluk

waren gebracht. Spoedig had hij eene gelegenheid om te toonen, dat de

verandering in zijn gedrag het uitvloeisel was van hartzeer en berouw.

Den volgenden morgen zond ik een troep langs het zeestrand rond,

met last om den berg heen te gaan en de lijken onzer ongelukkige

kameraden aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. De twee matrozen,

die mij vergezeld hadden, waren mede voor dien dienst aangewezen;

toen zij daarvan teruggekeerd waren, bracht ik hun onder het oog,

hoe noodlottig ons verblijf op dit rampzalige eiland was geweest, en

hoeveel beter het toch geweest zou zijn, als wij naar Rio de Janeiro

waren doorgegaan, dat, slechts een tweehonderdvijftig mijlen verder,

op dit oogenblik al reeds door ons bereikt kon zijn; dat wij nu het

voornaamste deel onzer provisiën--sterken drank en tabak--opteerden;

terwijl onze boot, onze laatste hoop, ons uiterste redmiddel, niet

eens veilig lag, daar een storm haar kon vernielen. Op grond hiervan

stelde ik voor om dadelijk toebereidselen voor ons vertrek te maken,

wat met algemeene stemmen werd goedgekeurd.

Het werk, dat nog te verrichten viel, verdeelden wij onder elkander:

sommigen gingen eene zeeprovisie jonge vogels vangen, die gedood

en schoongemaakt werden; anderen vulden onze watervaten. Kapitein

Green nam het toezicht over het tuig, de zeilen en riemen van de boot

en zorgde, dat hieraan niets ontbrak. De overgebleven spiritualiën

waren niet veel, en kapitein Green, de adelborst en ikzelf namen ons

voor het ons daarvan toekomende aandeel voor buitengewone gevallen te

bewaren. Drie dagen na den aanvang onzer toebereidselen, en eene week

na onze aankomst, scheepten wij ons weder in, en na in de branding

bijna omgeslagen en volgeloopen te zijn, heschen wij andermaal ons

zeil op de wijde wateren van den Atlantischen Oceaan.

Het was echter niet voorbeschikt, dat wij ditmaal veel gevaren zouden

doorstaan of de kust van Zuid-Amerika zouden bereiken; want slechts

weinige uren waren wij in het ruime sop, toen wij een schip in het

zicht kregen; dit bleek, nader-bij komende, een brik, een Amerikaansche

kaper te zijn, varende veertien stukken en honderdentachtig koppen,

bestemd om te kruisen in den omtrek van de Kaap de Goede Hoop. Zoodra

men ons gewaar werd, hield men op ons af, en een half uur later

bevonden wij ons veilig aldaar aan boord; toen ook onze kleine voorraad

goed op het dek was overgebracht, liet men de boot aan zijn lot over.

Mijne manschappen werden zeer ruw behandeld, zoolang zij er niet

in toestemden op den kaper dienst te nemen, waartoe zij allen na

overreding en bedreigingen overgingen, niettegenstaande ik daartegen

mij zoo krachtig mogelijk verzette en alles aanwendde om hen van

zulk een noodlottigen stap terug te houden. Alleen Thompson bleef

dit weigeren.

Ook bij den kaperkapitein protesteerde ik tegen deze schending

der gastvrijheid. »Gij vondt mij," zeide ik, »in volle zee, in eene

zwakke boot, welke aanhoudend in gevaar verkeerde door eene hooge zee

overstelpt of door een dartelen walvisch omgeslagen te worden. Gij hebt

mij en mijn volk opgenomen met alle medelijden en vriendschap, die wij

slechts verwachten konden; maar dit alles doet gij weer te niet door

mijne manschappen over te halen tot ontrouw aan hun wettigen vorst,

door hen te dwingen om rebellen te worden en hen dus bloot te stellen

aan de hoogst mogelijke straf, die hen wacht, als wij (waar zeer veel

kans voor bestaat) weer in handen van onze landgenooten vallen mochten.

De kapitein, die een ruwe, doch verstandige en helderziende Yankee was,

antwoordde: dat het hem leed deed dat ik de zaak op deze wijze opnam;

dat hij volstrekt geene beleediging bedoelde; dat hij niets met mijne

manschappen te doen wilde hebben, vóór zij zich uit eigen beweging

kwamen aanbieden om onder hem te dienen; dat hij echter niet had kunnen

voorkomen, dat eenigen van zijn eigen volk mijne matrozen tot dezen

stap hadden overgehaald. »En nu, mijnheer de luitenant," zeide hij,

»laat ik u eene vraag stellen. Neem aan, dat gij een Engelsch schip

commandeerdet, en ik had het ongeluk gehad door u genomen te worden,

en tien of twaalf van mijne matrozen boden zich aan bij u dienst te

nemen, opgevende te Newcastle thuis te behooren, zoudt gij ze dan

weigeren? Buitendien, vóórdat de oorlog begon, zaagt gij er geen

bezwaar in om van onze koopvaarders volk over te nemen,--zelfs onze

oorlogsschepen waren daarvoor niet veilig, wanneer gij er kans toe

zaagt. Zeg nu eens open en eerlijk, wat het onderscheid is tusschen

uwe handeling en de onze?"

Hierop antwoordde ik: dat het niet gemakkelijk was hieromtrent iets

te zeggen, doch dat zelfs al ware zulks het geval, het dan voor ons

weinig nut zoude opleveren om eene dergelijke quaestie te behandelen,

die wijzer menschen, dan wij waren, zoowel in zijn land als het mijne,

in de laatste twintig jaren reeds veel hoofdbrekens had gekost; dat het

hier een op zichzelf staand geval betrof, dat afzonderlijk behoorde

uitgemaakt te worden; dat de oorlogskansen mij in zijne macht hadden

gebracht, en hij een slecht gebruik had gemaakt van het tijdelijke

voordeel, dat hij genoot, door toe te staan, dat mijne menschen,

die toch slechts arme, bekrompen schepsels waren, tot plichtverzaking

werden verleid en overgehaald hun vlag te verlaten en hoogverraad te

plegen, waardoor zij hun leven verbeurden en hunne gezinnen in het

ongeluk stortten; dat, wat ook zijne regeering of de mijne vroeger

gedaan mochten hebben, welke gedragslijn ook gevolgd werd door dezen

of genen commandant, geen vorige zaak recht kon maken wat onrecht

was; en verder liet ik het aan hemzelf over (ziende, dat mij niets

anders overbleef) om te zeggen of hij nu deed, wat hij wenschen zoude,

dat hem geschiedde.

»O, wat dat betreft," zeide de kapitein, »daarom bekommeren wij

kapers ons niet zoo bijzonder; wij denken vooral om nummer één; en

als uwe matrozen nu verkiezen te vertellen, dat zij van Boston vandaan

zijn en op mijn schip willen dienen, dan moet ik hen aannemen. Wel,"

vervolgde hij, »daar is de beste van uw volk, Thompson; ik verwed er

een vaatje oude Jamaica-rum onder, dat hij een geboren Yankee is, die,

als hij volgens zijn hart te werk ging liever onder Amerikaansche,

dan onder Engelsche vlag zou willen vechten."

»Zij kunnen voor mijn part opd......, die zoo iets van Jack Thompson

zeggen," gaf de Schot, die dit gehoord had, ten antwoord; »ik ben

nog nooit van m'n leven overgeloopen, en dat zal me ook niet gauw

gebeuren. Ik heb u en uwe stuurlieden maar één stuk raad te geven,

kaptein. Ik ben een bedaard man en zal nooit iemand kwaad doen, als

het niet in een eerlijk vechten is; maar als òf gij, òf iemand van

uw volk probeeren om mij om te koopen, of op eenigerlei wijze mij

ontrouw willen maken aan mijn koning of aan mijn land, dan zal ik

hem, als ik er kans toe zie, plat in elkaar trappen als eene schol;

en al kan ik het niet, dan zal ik het toch beproeven."

»Dat is goed gezegd," sprak de kapitein, »en ik prijs u daarvoor. Gij

kunt er op rekenen, dat ik u niet verzoeken zal, en als een van mijn

volk het doet, dan moet hij maar ondervinden wat er op staat."

Kapitein Green hoorde dit gesprek aan; hij nam er geen deel in, maar

liep op de hem eigene, peinzende wijze, op het dek op en neer. Toen

de kapitein van den kaper naar omlaag was gegaan, kwam die ongelukkige

man naar mij toe en merkte op:

»Wat een flink stuk van een Engelschen matroos hebt gij daar bij u."

»Ja," antwoordde ik, »hij is er nog een van het rechte soort; hij komt

uit het land, waar de opvoeding der minvermogenden bijdraagt tot de

veiligheid der rijken, waar men iemand er niet minder om acht, als

hij zijn bijbel leest, en waar het meerendeel van de lagere standen

grootgebracht is in alle eenvoudigheid van het vroegere Christendom."

»Ik houd het er voor," zeide Green, »dat gij er in uwe marine niet

veel zóó hebt."

»Meer dan gij denken zoudt," hernam ik; »en wat u het vreemdst zal

toeschijnen is, dat zij nooit deserteeren zullen, zelfs al zijn zij

geprest geworden; en toch houdt men hen op veel lager gage, dan zij

te voren hadden of dan zij krijgen konden, maar zij hebben een hoog

begrip van zedelijkheid en godsdienstig gevoel, en dit houdt hen tot

hunnen plicht."

»Maar in weerwil hiervan, moeten zij toch niet erg tevreden zijn,"

zeide Green.

»Dat behoeft daaruit juist niet te volgen," zeide ik: »zij hebben in

den zeedienst verschillende voordeelen, die zij elders missen. Voor

langdurigen dienst en voor bekomen wonden verkrijgen zij pensioen,

op hun ouden dag genieten zij veel geldelijke hulp, hunne weduwen en

weezen ontvangen bescherming, zoowel van gouvernementswege als van

liefdadigheidsinrichtingen of rijke particulieren. Maar wij zullen

dit gesprek later voortzetten," vervolgde ik, »want ik zie daar het

eten naar de kajuit opgedragen worden."

De kapitein van den kaper bewees mij alle eerbied en voorkomendheid,

zooveel hij slechts kon. Veel hiervan had ik te danken aan Green en aan

den zwarte, Mungo, die beiden mijn gedrag verheerlijkt hadden bij de

redding van het leven van hem, die dat van ons allen in de waagschaal

had gesteld. Greens dankbaarheid kende geene grenzen,--hij waakte over

mij dag en nacht, zooals eene moeder over haren lieveling zoude waken;

hij voorkwam elke behoefte, elken wensch, dien ik kon hebben en was

nooit gelukkiger, dan wanneer hij dien kon bevredigen. De matrozen

van de brik waren allen even vriendelijk en attent voor mij, zoo hoog

waardeerden zij mijne handeling om het leven van hunnen landgenoot

te redden, en mijn eigen leven te wagen in het onderdrukken van

een oproer.

Wij kruisten zuidwaarts en namen een paar prijzen, die echter geene

groote waarde hadden. Een daarvan, een handelsvaartuig van Mozambique,

werd vernield; met den ander, een slavenhaler van Madagaskar, wist de

kapitein niet goed wat hij uitvoeren zou. Daarom scheepte hij slechts

een tiental van de stevigste negers over, om in den dienst aan boord

van den kaper te assisteeren, en liet verder dien prijs maar aan zijn

lot over.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 30 / 38 题