ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Zoodra de brik de haven van Nassau uitzeilde, zeilde ik mijn bed uit,

en zoodra hij vrij van de havenhoofden was en zijne bramzeilen heesch,

zette ik mijn hoed op en wandelde de deur uit. De officieren van

het regiment, dat ter plaatse in garnizoen lag, waren zoo beleefd

mij uit te noodigen aan hunne tafel deel te nemen, en de kolonel

was nog bovendien zoo voorkomend, om mij goede vertrekken in het

kampement aan te bieden. Zoodra het mij mogelijk was, verhuisde ik

daarheen. Zeer spoedig kwam ik weer op krachten en was ik in staat

aan de tafel te zitten met de vijfendertig meestal jonge officieren,

die een vrolijk leven leidden, zonder zorgen voor den dag van morgen,

en zich voor het overige de wereldsche zaken weinig aantrokken.

Ofschoon ik lang niet onverschillig was voor de genoegens, die eene

goede tafel aanbiedt, ging ik niet in alle opzichten mede in de zeer

losbandige levenswijze mijner dischgenooten. Ik had eene betere

opvoeding genoten dan het meerendeel der officieren en sloot mij,

op grond van onze geestverwantschap, uitsluitend aan bij een zekeren

Charles, een jeugdig luitenant van het garnizoen. Onze vriendschap nam

door de nadere kennismaking toe en werd inniger, naarmate wij reden

vonden om ons te ergeren aan de dwaasheden en verregaande onwetendheid

der anderen. Gewoonlijk brachten wij onze morgens te zamen door met

het lezen der classieken, het declameeren van Latijnsche verzen,

afgewisseld met schermen of biljartspelen. Wanneer de hitte van den

dag voorbij was, wandelden wij, legden bezoeken af bij de inwoners

of doorzochten het eiland; ons streven daarbij was, zoover mogelijk

de barakken te mijden en het aldaar wonende personeel, wier wijze

van zich te vermaken zoo weinig in onzen smaak viel. Gewoonlijk

toch begon voor de officieren de dag eerst tegen het middaguur,

met een ontbijt; na hieraan gezamenlijk te hebben deelgenomen,

zocht elk zijn kwartier weer op om de laatste romans te lezen, die

in massa uit Engeland en Frankrijk werden uitgezonden en doorgaans

van eene slechte strekking waren. Met deze lectuur zoo lui mogelijk

achterover liggende, of daarbij indommelende, wisten zij het warmste

deel van den dag door te brengen; het overige gedeelte, totdat de

bel voor het middagmaal luidde, werd klein gekregen met bij elkaar

in te loopen en onbeduidende buurpraatjes te maken, of een ritje te

paard om den noodigen eetlust op te doen. Tot vier uren in den morgen

was het aanhoudend rooken en drinken; nooit werd het bed opgezocht,

vóór men heel of half beschonken was; de parade, te negen uren des

morgens, verplichtte hen op te staan met een brandend hoofd en eene

dikke tong; zóó sprongen zij in zee, om door het verfrisschende bad

wakker te worden, dat hen althans zoover bracht, dat zij zich voor

het front van den troep konden overeind houden; na afloop van dit

stuk gedwongen dienst zochten zij het bed weer op, om uit te slapen

tot aan het ontbijt toe, op het middaguur.

Zóó gingen onder hen de dagen voorbij. Is het nog te verwonderen,

dat deze eilanden voor een Europeesch gestel noodlottig zijn, waar het

klimaat elke buitensporigheid, die begaan wordt, steeds bestraft? De

mindere manschappen volgden al te spoedig het voorbeeld, hun door de

officieren gegeven, en ook onder hen heerschte eene evenredig groote

sterfte; tot den geregelden morgendienst behoorde het delven van

graven voor de slachtoffers, welke dien nacht waren opgeëischt. De

zorgelooze onverschilligheid bij de officieren was zoo groot, dat

de nadering, ja zelfs de zekerheid van den dood, hen niet eens tot

ernstig nadenken opwekte.

Steeds was ik des morgens vroeg op, eene gewoonte waaraan ik stellig

mijne goede gezondheid te danken had. Een tropische ochtend, wanneer de

lucht nog zoo aangenaam koel is, lokte mij altijd naar de marktplaats,

waar de groote verscheidenheid van koopers en verkoopers al even

belangwekkend was als de keur van prachtige vruchten en groenten die

er sierlijk was uitgestald.

De Babylonische spraakverwarring zou in het niet zijn verzonken bij

het drukke gepraat en getwist op eene West-Indische markt. Men zag

er zwarte vrouwen luid en zonder ophouden kakelen (want die dames

zijn daarin volstrekt niet achterlijk bij hunne blanke zusters);

hun stemgeluid vermengde zich met het geschreeuw van kinderen,

parkieten en apen; overal krioelde het van zwarte jongens en meisjes,

met vroolijke, levendige gezichten, ivoor witte tanden, sterk sprekende

oogen en roode lippen. De koopsters daarentegen trof men er van alle

nuances van kleur aan, van bruin, door geel tot bleek wit toe, allen

de duidelijke bewijsstukken der vermenging van het Kaukasische met

het Ethiopische ras, ten gevolge waarvan zich misschien de slechtste

karaktertrekken, doch zeker ook de lichamelijke bekoorlijkheden der

beide, zoo uiteenloopende rassen in deze vrouwen vereenigden.

Het buitengewoon genotvolle baden is in deze streken volstrekt niet

zonder gevaar. Op de zandbanken heeft men den steek te duchten van

een soort van rog, die op het midden van den staart een scherpen haak

heeft, en eene zoo ernstige wonde geeft, dat ik het heb bijgewoond dat

iemand daarvan bijna twee dagen lang hevig ijlende was. In dieper water

zijn de haaien niet alleen zeer talrijk, doch ook zeer vraatzuchtig;

soms ging ik met een klein bootje op de jacht dezer monsters, gewapend

met een harpoen en tot lokaas een groot stuk vleesch, aan eene lijn

achteraan slepende. Eens echter had ik eene meer ernstige ontmoeting

met een dezer ondieren.

Op eenen schoonen achtermiddag zwierf ik in gezelschap van Charles

over de rotsen en klippen aan den buitenkant van het eiland, en

kwamen wij aan eene plek waar het stille en helder doorschijnende

water ons tot baden verlokte. De diepte was onbeduidend. Als wij

op de vooruitstekende punt stonden, konden wij overal den bodem

zien. Onder den kleinen uithoek, die de overzijde van den inham vormde,

was eene grot, die, daar de rots zeer steil opliep, alleen zwemmende

kon bereikt worden, en deze werd nu ons doel. Spoedig kwamen wij aan

den ingang, waar wij verrukt werden door de woeste schoonheid van dit

natuurtafereel. De grot liep met verschillende inhammen diep het land

in; elke dieper liggende kleine baai was eene badgelegenheid, weder

koeler dan de vorige. Dit lokte ons dieper en dieper. Het bleek,

dat het tij geregeld in en uitliep en het water elke twaalf uren

ververschte. Zeer onvoorzichtig waagden wij ons zoo ver mogelijk,

vonden eene rustplaats en haalden, aldaar neergevlijd, op van de op

deze omgeving toepasselijke vertellingen van Acis en Galathea en van

Diana en hare nimfen.

Eindelijk waarschuwde de ter kimme nijgende zon ons, dat het tijd werd

aan den terugtocht te denken, toen wij op betrekkelijk korten afstand

de rugvin boven water zagen van een monsterachtig grooten haai, wiens

lichaam in het heldere vocht zich duidelijk liet waarnemen. Beurtelings

zagen wij met ontsteltenis elkander en het beest aan en hoopten, dat

hij spoedig ruim baan voor ons maken zou en liever een andere prooi

mocht gaan zoeken; maar de onverlaat zwom voor de grot op en neer als

een fregat, dat eene vijandelijke haven blokkeert, en wij kregen een

zoo eng gevoel over ons, zooals ik veronderstel dat in den laatsten

oorlog door de Franschen en Hollanders ondervonden werd in Brest en

in Tessel.

De schildwacht bleef trouw op zijn post en scheen op een onzer,

misschien op ons beiden, te wachten om ons met hetzelfde gemak te

verslinden, waarmede wij dit een garnaal of oester zouden doen. Het

was echter ons voornemen niet, ons op zijne genade of ongenade te

verlaten. Tevergeefs zagen wij voor eenige hulp om ons heen; de rots

boven ons was onbeklimbaar, het water rees en de zon raakte bijna

aan den gezichteinder.

Als aanvoerder beweerde ik de natuurlijke historie van den visch

eenigszins te kennen en deelde mijnen kameraad mede, dat de haaien

een zeer scherp gehoor hadden en het daarom zaak was, ons zoo stil

mogelijk te houden; en daarbij hoe eerder wij ons wegmaakten, hoe

beter het zou zijn, want spoedig zou het water voldoende gerezen wezen,

dat het onder in de grot kon komen, waarvan de localiteit hem stellig

niet vreemd was. Daar er slechts een weg voor onzen aftocht bestond,

waren onze kansen om te ontkomen, al zeer min. Nog ging er naar onze

gedachten een geruime tijd voorbij, vóór wij de gelegenheid om te

ontsnappen eenigszins schoon zagen: onze onverbiddelijke bewaker

was niet van zijn post af te krijgen. De tijd viel ons lang, zwaar

drukte ons de angst; wij waren als ter dood veroordeelden, die, tenzij

er spoedige verlossing kwam, gevaar liepen hunne eigene executie,

binnenskamers, bij te wonen. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat

wij de rugvin niet meer zagen; toen gaf ik Charles het teeken dat wij

coute que coute uitzwemmen moesten. Wij drukten elkaar stilzwijgend

de hand en lieten ons weer in het water glijden; toen ons in de gunst

der Voorzienigheid aanbevelende, sloegen wij haastig voorwaarts. Ik

moet bekennen, dat ik nog nooit zoo het gevaar inzag als ditmaal,

zelfs niet toen ik zwom in het bloedbad van dien armen matroos, dien

ik had willen redden; toen hadden de haaien ten minste iets wat hun

bezighield, nu had het beest volstrekt geene afleiding en hadden wij

het voorrecht van zijne onverdeelde aandacht.

Mijn gevoel is onmogelijk weer te geven. Ik mag nu al luchthartig

vertellen of schrijven van hetgeen toen voorviel, maar toch, als

ik er nogmaals aan terugdenk, overvalt mij eene huivering over ons

toenmalig vooruitzicht. Mijn kameraad was niet zoo'n volleerd zwemmer

als ik, zoodat hij eenige voeten achter mij aankwam, toen ik hem

een zwakken kreet hoorden slaken. Vreezende, dat de haai hem gepakt

had, keerde ik om, doch zag gelukkig, dat dit het geval niet was;

hij was alleen bang geworden, doordien hij zoo achter geraakte en

daarom wilde hij mij toeroepen. Ik bleef nu dichter bij, hield hem

op en bemoedigde hem. Zonder deze hulp ware hij stellig gezonken;

nu herkreeg hij zijne krachten, en veilig bereikten wij het strand,

ten spijt van onzen vijand, dien wij op eene wonderbaarlijke wijze

hadden verschalkt. Het scheen dat hij door ons stilzwijgen in de grot

bijtijds afgetrokken was.

Toen wij eens op het droge waren, bleven wij eenige minuten ademloos

liggen. Hoe mijn metgezel er over dacht, vertelde hij niet: maar

ik gevoelde een innige dankbaarheid en hernieuwde mijne geloften

tot beterschap: ik heb alle reden om aan te nemen dat Charles, die

zeker niet zooveel op zijn geweten had als ik, wel met gelijksoortige

gedachten vervuld was. Nooit herhaalden wij later een zoo gevaarlijk

amusement, ofschoon wij dikwijls nog over onze uitredding spraken

en over onzen angst lachten; doch een dergelijk gesprek stemde ons

altijd ernstig; en in 't geheel genomen was het avontuur ons heilzaam.

Na een verblijf van zes maanden op deze eilanden, was mijn gezondheid

weer volkomen hersteld, en begon ik naar bezigheid te verlangen. Het

schitterend geluk van onzen schout-bij-nacht te Washington, deed mij

verlangen naar een aandeel in de eer en roem, die mijne wapenbroeders

op de kust van Noord-Amerika verwierven; doch het noodlot had anders

voor mij beslist.

Een der fregatten bezocht het eiland om schildpadden in te nemen;

en toen ik mijne omstandigheden aan den commandant had verteld,

bood hij mij logies aan boord aan, mij te gelijk mededeelende, dat

hij zuidwaarts ging om eenen anderen kruiser te vervangen, die dan

naar Engeland zou terugkeeren, van welke gelegenheid om mede te gaan,

ik ongetwijfeld zou kunnen gebruik maken. Ik maakte mij dus tot een

spoedig vertrek gereed, nam afscheid van mijne goedhartige vrienden

in het kampement en van de vele familiën op het eiland, waar aan huis

ik de meeste gastvrijheid had ondervonden.

Wij vertrokken; met matige koelte en schoon weder namen wij binnen

eenige dagen een groot Amerikaansch schip, dat, in de hoop onze

kruisers mis te loopen, langs een grooten omweg van de Fransche kust

kwam; het was vierhonderd ton groot, diep en kostbaar geladen en

bestemd naar Laguayra. De commandant ontbood mij bij zich, en vroeg of

ik, als prijsmeester, het schip naar Engeland wilde overbrengen. Dit

voorstel bekoorde mij, en ik stemde toe, onder voorwaarde dat ik

een bootsmansmaat, Thomson genaamd, mede zoude krijgen; dit was een

oud scheepsgezel van mij, samen hadden wij bij de geschiedenis van

Rochefort in de giek gezeten; hij was een flinke, stevige, kalme,

gespierde Schot, van Aberdeen afkomstig, en een man, op wien ik in

tijd van nood volkomen staat zou kunnen maken. Hij werd aangewezen,

om met mij mede te gaan, en de noodige voorraad eetwaren en drank

werd nog overgescheept. Ik ontving mijne zeilorders en nam afscheid

van mijnen nieuwen commandant, dien ik in dien korten tijd als een

goed zeeman en bekwaam officier had leeren hoogschatten.

Toen ik op den prijs aan boord stapte, vond ik de gansche bemanning

druk in de weer met het inpakken van hun goed en viel het mij op, dat

zij zoo'n bijzonderen voortgang maakten met het inladen daarvan in de

sloep, die hen als gevangenen naar het fregat zou overbrengen. Zoodra

hun vergund was daarin te stappen, deden zij dit met een overhaasting,

die mij later eerst verklaarbaar werd. Mijne lastgeving hield in den

kapitein en een der matrozen aan boord te houden, ten behoeve der

prijsverklaring voor het admiraliteitshof.

In de drukte, die mij het spoedig voortzetten der reis gaf, had ik

dit gedeelte van mijne orders over het hoofd gezien en verzuimde ik

de sloep weg te zenden, tot de jonge adelborst, die er inzat, mij

vroeg of hij met de gevangenen kon afsteken. Ik kwam daarop aan dek,

en ze allen met hunne kisten en kooien in de sloep ziende zitten, viel

het mij te binnen, dat de kapitein blijven moest, en liet ik dus hem

en een van zijn volk met hunne kleederen terugkomen. Met blijkbaren

tegenzin werd aan dien last, door den adelborst nog eens herhaald,

voldaan; het goed werd hun nagemand op dek, en toen het sein van het

fregat, daar het reeds donker was bestaande in eene van den gaffel

geheschen lantaarn, herhaald werd, stak men haastig af en zag ik

weldra niets meer van hen.

»Houd de sloep aan!--In 's hemels naam, houd de sloep aan!" riep

de kapitein.

»Waarvoor zou ik de sloep aanhouden?" vroeg ik. »Mijne bevelen zijn

duidelijk; gij moet bij mij blijven."

Daarop ging ik een paar minuten naar omlaag en werd door den kapitein

gevolgd.

»Als gij uw leven lief hebt, mijnheer," zeide hij, »laat dan de

sloep terugkomen."

»Waarom toch?" vroeg ik dringend.

»Omdat, sir," zeide hij, »het schip door het volk lek is gemaakt,

en binnen weinige uren zal zinken: gij kunt het niet voorkomen,

want het kan onmogelijk gestopt worden."

Thans zag ik duidelijk in, hoe noodig het was om eene sloep bij ons

te hebben; maar nu was het te laat, de onze was buiten bereik. De

lantaren, die gediend had tot sein om haar terug te roepen, was

neer, ten bewijze dat zij aan boord was aangekomen. Ik heesch twee

lichten aan den bezaanstop en gaf bevel een geweer af te schieten;

maar ongelukkig waren er met de sloep, die mij overgevoerd had,

geene patronen medegegaan, of wel men had die bij vergissing weer

teruggevoerd. Een van de lichten woei uit en het andere werd door het

fregat niet opgemerkt. Wij heschen een ander licht, doch ook dit trok

de aandacht niet: blijkbaar was het fregat reeds verre. Wij zeilden

zoo snel mogelijk er achter aan, in de hoop nog gedurende den nacht

gezien te worden, of althans, indien wij den volgenden morgen nog

drijvende waren, opgevischt te zullen worden.

Maar mijn schip, dat reeds diep geladen was, begon hoe langer hoe

meer water te maken en liep daardoor niet meer dan eene vier-mijls

vaart. Alle hoop, het fregat in te halen, vervloog dus. Toen trachtte

ik van den kapitein te weten te komen, waar zich de lekken bevonden,

opdat wij die nog zouden kunnen stoppen; maar hij had zich zoozeer aan

den drank te buiten gegaan, dat er niets dan onsamenhangende woorden

uit hem te krijgen waren. Toen werd de arme zwarte, die te zamen

met den kapitein aangehouden was, in verhoor genomen. Wij vernamen

daarop alleen, dat, toen het schip te Bordeaux lag, de kapitein zoo

laag mogelijk in den bodem, gaten had laten boren, zoodat hij op een

gegeven oogenblik de stoppen er uit kon trekken, daarbij een duren eed

doende, dat het nooit een Engelsche haven zou binnenloopen. Hij wist

de juiste plaats van de lekken niet, schoon het voor mij nu duidelijk

was, dat zij zoowel in het achter- als in het voorschip waren, zeer

laag en nu reeds diep onder water, zoo van binnen als van buiten. De

zwarte voegde er bij, dat de kapitein zelf het water had ingelaten,

maar meer wist hij niet.

Nogmaals beproefde ik den kapitein tot de eene of andere handeling in

ons belang aan te sporen, maar hij was veel te ver weg, om hem iets

aan 't verstand te kunnen brengen; hij had zich in het vooruitzicht

van den dood bedronken, omdat hij vreesde nuchter de eeuwigheid in

te gaan, iets waar zeer veel zeelieden wat tegen schijnen te hebben.

»Och loop rondom; verd....! wie zit er in de knoei om dood te

gaan? Ik niet. Ik heb gezworen, dat hij nooit eene Britsche haven

zou binnenloopen, en dat zal hij nu wel niet doen."

Toen begon hij te vloeken en te razen en viel op het laatst stomdronken

op dek neer.

Daarop riep ik al mijne manschappen bijeen, en nadat ik hun het

hachelijke van onzen toestand had blootgelegd, oordeelden wij dat het

noodig was met den meesten spoed de groote boot, die nog op het dek

stond, uit te zetten en voor eene reis van eenigen duur van alles te

voorzien. Onze kleeren, hard brood, gezouten vleesch en drinkwater

werden er in gestuwd, en ik verzuimde niet mijn sextant en kijker er

in te doen leggen. Den sterken drank, die in de kajuit was, vertrouwde

ik toe aan de zorg van den adelborst, die met mij medegekomen was;

geheel gereed en voorzien van haar emmerzeil, maakten wij de boot aan

twee zware sleepers vast en lieten haar achteraan zakken, met vier

man er in, terwijl wij nog steeds in het vermoedelijk vaarwater van

het fregat, tot het aanbreken van den dag, bleven doorzeilen.

Die lang gewenschte tijd brak aan, maar er was, zelfs van top,

geen fregat meer te zien. Ons schip zakte dieper en dieper, en wij

maakten ons gereed om in de boot te gaan. Ik berekende, dat de naaste

kust van Zuid-Amerika zevenhonderd Engelsche mijlen van ons af was,

en dat wij nog ééns zoover van Rio Janeiro waren verwijderd. Ik liet

daarom geenszins den moed zakken, want betrekkelijk waren wij voor

alle omstandigheden, die zich konden voordoen, vrij wel gewapend;

en mijn moed wist ik aan mijne manschappen zoo volkomen mede te

deelen, dat zij vol vertrouwen in mij stelden en mij in alles met de

grootste gewilligheid en voortvarendheid gehoorzaamden, behalve op

een enkel punt.

Naar alle waarschijnlijkheid zou het schip het niet langer dan

hoogstens nog twee uren drijvende kunnen houden; ik besloot daarom

tot het verlaten over te gaan en liet de boot langs zijde ophalen. De

bemanning ging er in, zette den mast op, haakte de ra van het emmerzeil

in, op mijn bevel wachtende om dit op te hijschen; en zonder dat

ik daaromtrent orders had gegeven, hadden zij mijn mantel op de

hoekplaats achterin gemakkelijk voor mij uitgespreid. Ook de kapitein

wilde zich in de sloep laten afzakken, maar de matrozen weerden hem

terug met slagen en stompen en uitjouwingen, heftig zwerende, dat

hij overboord zou geworpen worden, indien hij het waagde om er in

te komen. Ofschoon ik, in zeker opzicht, hunne verbittering deelen

moest, kon ik het toch niet over mij verkrijgen een medeschepsel op

zoodanige wijze aan zijn vreeselijk noodlot over te laten, zelfs al

werd dit zóó het graf dat hij voor anderen gedolven had.

»Hij verdient te sterven; het is alles zijn werk," riepen

zij. »Mijnheer! komt uzelf in de boot, of wij zouden zonder u moeten

afsteken."

De arme kapitein,--die in de vier uren slaap, die hij genomen had,

weer tot bezinning was gekomen en thans al het afgrijselijke van

zijnen toestand besefte,--weende, jammerde, trok zich de haren uit

het hoofd en klemde zich aan mij vast, zoodat hij met geweld moest

losgescheurd worden. Hij hechtte aan het leven met eene kracht, die

ik nooit bij een ter dood veroordeelden misdadiger zoo aangetroffen

heb; hij knielde voor mij neder en beriep zich bij allen te zamen,

en dan weer bij ieder afzonderlijk, op hunne betere gevoelens; hij

bad ons te denken om zijne te Baltimore wonende vrouw en ongelukkige

kinderen, zooals wij wel om de onzen zouden denken.

Ik was tot tranen toe bewogen; maar mijne manschappen hoorden hem met

onverstoorbare onverschilligheid aan. Twee hunner duwden hem naar het

andere boord toe; en vóór hij van den smak, dien hij maakte, bekomen

was, drongen zij mij in de boot en staken daarmede af. De ongelukkige

was intusschen weer aan onze zijde van het schip gekropen, en op zijne

knieën in den valreep liggende, weeklaagde hij: »O, hulp, medelijden,

genade!--Om Gods wil, hebt medelijden met mij, zooals gij dit zelf

verwacht!--O God! mijne vrouw en kindertjes!"

Het spijt mij te moeten verklaren, dat zijne smeekingen geen indruk

maakten op de verbitterde matrozen. Toen verviel hij in vloeken en

verwenschingen, klaarblijkelijk van zijne zinnen beroofd; en in dien

toestand bleef hij eenigen tijd, terwijl de boot nog op zijde lag,

alleen door den voorsten man met den haak vastgehouden. Heimelijk

had ik mij voorgenomen hem niet aan zijn lot over te laten, ofschoon

ik voorzag, dat dit in de boot een oproer zou teweegbrengen. Ten

laatste gaf ik bevel om af te zetten. De rampzalige kapitein, die

tot op dat oogenblik nog eenige zwakke hoop kon overgehouden hebben,

op grond van het stille medelijden, dat hij begreep dat ik voor hem

gevoelde, gaf zich nu aan de vreeselijkste wanhoop over. Hij ging in

den valreep zitten en staarde ons met doffe oogen na. Nooit zag ik

treffender schouwspel van menschelijke ellende.

Terwijl ik naar hem keek, sprong de zwarte, die tot het schip behoord

had, Mungo geheeten, uit de boot te water en zwom naar het zinkende

vaartuig terug. Een eind touw grijpende, dat buiten boord te water

hing, klom hij daarmede op en ging naar zijnen ouden meester toe. Wij

riepen hem toe terug te keeren, daar hij anders ook achtergelaten

zou worden.

»Neen, massa," riep het trouwe schepsel terug, »ik wil niet weg:

niet nemen master Green, niet nemen mij! Mungo veel jaren samen met

massa kaptein; Mungo sterven met massa, en terug naar Guinea!"

Ik voor mij vond, dat thans de les, die de kapitein te leeren had

gekregen voor zijne verraderlijke en moorddadige bedoelingen, genoeg

was. Ware ik in ernst van plan geweest den Amerikaan achter te laten,

dan zou het gedrag van den armen Mungo mijn besef van plicht weer

hebben doen ontwaken. Ik beval Thompson, die de sloep stuurde, het

roer aan stuurboord en de boot weer langs zijde van het schip te

leggen. Niet zoodra was dit bevel gegeven, of drie of vier van de

matrozen sprongen met dreigende gebaren op en zwoeren, dat zij voor

dien man niet terug wilden keeren, dat hij de oorzaak was van hunne

ellende, en dat, als ik zijn lot verkoos te deelen, dit hun goed was,

maar in de boot wilden zij hem niet hebben. Een hunner, woester dan

de anderen, beproefde Thompson den helmstok te ontnemen; maar deze

trouwe zeeman greep hem in den kraag en slingerde hem met een ruk

overboord. De overigen kwamen naar achteren, om deze behandeling van

hunnen aanvoerder te wreken; doch ik trok mijn degen, en dezen den

naast-bij-zijnden muiteling op de borst zettende, gelastte ik hem,

op straffe van onmiddellijk doorstoken te worden, naar zijne doft

terug te keeren. Hij had al een en ander van mij gehoord en wist,

dat ik in staat was het te doen.

Door bedaarde fermeteit is men een oproermaker spoedig meester. Hij

gehoorzaamde, doch met blijkbaren tegenzin, en ik hoorde verscheidene

oproerige uitdrukkingen onder het volk. Een hunner zeide, dat ik hun

officier niet was en dat ik niet eens op het fregat behoorde.

»Dat," antwoordde ik, »is eene zaak, waarover ik u niet vergun een

oordeel te vellen. Ik bezit eene aanstelling van 's konings eersten

lord van de Admiraliteit, of althans in zijnen naam onderteekend. Uw

commandant, en de mijne tevens, is op dezelfde wijze aangesteld. Op dit

gezag berusten mijne handelingen. Kome op, wie dit durft betwisten,--en

ik laat hem nog opknoopen aan de ra van het zinkende schip;" en naar

den man ziende, die door Thompson overboord was geworpen en zich

aan den rand van de boot vasthield, zonder er in te durven komen,

vroeg ik hem, of hij voornemens was te gehoorzamen, ja of neen? Hij

antwoordde van ja, en hoopte dat ik hem vergiffenis zou schenken. Ik

zeide hierop, dat mijne vergiffenis geheel afhankelijk was van het

gedrag van hemzelf en de overigen; dat hij niet moest vergeten,

dat wanneer wij door ons eigen of eenig ander oorlogsschip werden

opgenomen, hij en nog drie of vier der overigen reeds genoeg op hun

geweten hadden, om voor muiterij opgehangen te worden; en dat niets

dan hunne volkomene gehoorzaamheid voor het vervolge hen bij het

bereiken eener haven voor die straf zou kunnen vrijwaren.

Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De schuldigen verzochten

allen vergeving en gaven mij de beste verzekeringen voor hunne

toekomstige onderdanigheid.

Dit alles gebeurde op korten afstand van het wrak en kon aldaar

gehoord worden; en terwijl het gaande was, nam de wind, die frisch

gewaaid had toen wij afstaken, langzaam af en kwam uit het zuidwesten

zeer flauw naar het zinkende schip toe. Van deze omstandigheid maakte

ik gebruik om eene zedepreek te houden. Toen ik hen onderworpen had

en een weinig op hun gevoel had weten te werken, zeide ik, dat ik

wreedheid nog nooit eenig goeds had zien teweegbrengen; dat, wanneer

ergens een schip of eene boot een man had achtergelaten, die gered had

kunnen worden, die wreede handeling steeds door allerlei ongelukken

en totalen ondergang gevolgd was; dat ik heilig overtuigd was, dat

wij het gevaar, waarin wij ons nu bevonden, nooit zouden doorkomen,

als wij geen medelijden toonden met onze natuurgenooten. »God," zeide

ik, »is ons genadig geweest door ons, in dezen dreigenden nood, een

uitmuntende boot te geven voor onze redding en het is alsof Hij nu tot

ons zegt: »Ga terug naar het wrak en neem uwen kameraad in het ongeluk

op." De wind wijst ons juist daarheen, en is juist tegen de koerslijn

in, die wij hadden willen sturen; haasten wij ons dus," vervolgde ik,

»aan den Goddelijken wil te gehoorzamen; doet uw plicht en vertrouwt

voor het overige op God. Dan zal ik mij trotsch gevoelen om over u

het bevel te voeren, dan twijfel ik niet u veilig binnen te brengen."

Dit gaf den doorslag; vlug grepen zij naar de riemen en roeiden

met krachtige slagen naar het wrak terug. De arme kapitein, die van

alles getuige was geweest, wachtte de uitkomst van mijn pleit voor

hem in angstige spanning af. Nauwelijks raakte de boot met zijn

steven het schip aan, of hij sprong er in, viel op zijne knieën,

en dankte overluid God voor zijne uitredding. Toen viel hij mij om

den hals, omhelsde en kuste mij en weende als een kind. Onderwijl

sprongen de matrozen, die nooit haatdragend zijn, uit eigen beweging

aan boord terug en haalden zijn goed af; en toen Mungo zijnen meester

gevolgd was, schudden allen hem de hand en zwoeren, dat hij in Guinea

terugkomende, een zwarte prins zou worden. Verder maakten wij van

de gelegenheid gebruik om nog een en ander van het schip in de boot

over te nemen, wat ons mogelijk nuttig kon zijn en bij het vorige,

haastige vertrek over het hoofd was gezien.

Nu staken wij voor goed af; en wij waren nog geen tweehonderd el

van het schip, toen dit geweldig ging overhellen, weder recht kwam,

om daarop over de andere zijde te hellen; toen, alsof het leefde en

gevoel bezat, gaf het een laatsten stamp en ging, met den neus het

eerst, in de peillooze diepte naar omlaag. Nauwelijks hadden wij den

tijd gehad om dit treffende schouwspel aan te zien, toen de wind weer

aanwakkerde uit zijn ouden hoek, het Oosten.

»Ziedaar," zeide ik, »de hemel heeft zich reeds vóór ons

verklaard. Daar hebben wij onzen goeden wind terug."

En ons zeil weer geheschen hebbende, zetten wij koers op Kaap

St. Thomas en in opgeruimde en dankbare stemming deelden wij ons

eenvoudig middagmaal uit.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 29 / 38 题