ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Toen de commandant te voorschijn kwam, was hij in de meest beminnelijke

stemming. Nauwelijks zag hij mij, of hij zeide: »Zóó mag ik het zien;

kom nooit over uw tijd, zelfs geen vijf minuten. Nu ik zien kan,

dat gij vertrouwen verdient, kunt gij, zoodra gij wilt, weer van

boord gaan."

Dit gezegde zou goed en wel geweest zijn voor iemand van vóór den

mast; maar tot een officier gericht, vond ik het aanmatigend en

onfatsoenlijk.

De hofmeester had in de longroom het ontbijt klaargezet, bestaande

in biefstuk en gebraden zwezeriken met gebakken uien; en de geur

daarvan steeg door den koekoek naar boven en streelde het reukorgaan

van onzen commandant. Aan vriendschappelijke praatjes geen gebrek;

hij leunde op de kap en zeide, naar beneden ziende:

»Het ziet er daar lang niet slecht uit, omlaag!" De wenk werd begrepen

en de eerste officier noodigde hem uit om mede te doen.

»Och zou ik het doen; ik heb niet veel trek."

Zoo zeggende was hij in een oogwenk de trap af, daar hij vreesde,

dat de lekkerste beetjes weg zouden zijn, vóór hij aan den slag

kwam. Wij volgden hem, en zoodra hij gezeten was, zeide hij:

»Ik vertrouw, mijne heeren, dat dit niet de laatste keer is, dat ik

in de longroom zal zitten en dat ook gij van uwen kant mijne kajuit

als uwe eigene zult willen beschouwen. Ik maak het mijne officieren

gaarne naar den zin; niets is aangenamer dan een schip, waar eene goede

geest heerscht, en waar ieder matroos en jongen gereed is om voor zijne

officieren de hel in te gaan. Dat noem ik goede kameraadschap,--geven

en nemen. Ziet elkaars gebreken door de vingers, en het zal iedereen

leed doen, als de tijd van scheiden daar is. Ik vrees echter, dat ik

niet lang bij u zal zijn; want ofschoon ik bijzonder op de brik gesteld

ben, hebben de hertog van N---- en lord George ---- den eersten lord

een afgedrieduiveld standje gemaakt, dat ik niet eerder bevorderd

ben; en, onder ons gezegd en gebleven,--mijne bevordering wacht mij

te Barbados.

De eerste officier knipoogde; maar dit ging niet zoo spoedig in zijn

werk, of de commandant had er een glimp van opgevangen, vóór het weer

middenin, op de biefstuk en uien gericht was. Maar het ging zonder

opmerking voorbij.

»Een prachtig stukje vleesch, dit! Mag ik u even lastig vallen om de

saus en wat mosterd. Wij zullen eens een pretje hebben, als wij in

zee zijn; maar wij moeten eerst het blauwe water hebben; dan is het

rustiger met de bezigheden. Van biefstuk bakken gesproken,--toen ik

in Egypte was, plachten wij onzen biefstuk op de rotsen te bakken:

geen kwestie van vuur, de thermometer op 200°, heet als de hel! Ik

heb eens vier duizend man te gelijk voor het heele leger, zooveel

als twintig à dertig duizend pond vleesch zien braden, alles siste

en knapperde te gelijk: juist op het middaguur, dat spreekt vanzelf,

en geen vonkje vuur! Enkele van de soldaten, die voor glasblazer te

Leith waren grootgebracht, zwoeren dat zij nog nooit zoo'n hitte hadden

bijgewoond. Ik ging gewoonlijk eens onder de lij staan, om mijn neus

te goed te doen en aan Oud-Engeland te denken! O, dat is toch maar je

landje, waar iedereen mag zeggen en denken wat hij wil!--Maar dit soort

werk kon niet lang duren, dat begrijpt ge; zij braadden zich allemaal,

binnen drie of vier weken, de oogen uit het hoofd! Ik had ziek te bed

gelegen, want ik behoorde tot het 72ste regiment, zeventien honderd

man sterk (ik had een partij matrozen bij mij); maar de oogziekte

maakte zulke verwoestingen, dat het heele regiment, de kolonel niet

uitgezonderd, stekeblind werd, op één korporaal na! Gij moogt vreemd

opkijken, heeren, maar het is echt waar. Nu, die korporaal was goed

af; het was zijn dienst het gansche regiment naar het drinkwater te

geleiden: hij ging voorop, en twee of drie hielden aan weerskanten de

slippen van zijn mouwvest vast; dezen werden weer door even zooveel

anderen vastgehouden, en zoo marcheerden zij achter elkaar aan, om

aan de bron hunnen dorst te gaan lesschen. Zoo liet deze korporaal

zijn regiment drinken, als een staljongen zijne paarden, in eene

marschorde uitgespreid als de staart van een pauw."

»Waarvan de korporaal het lichaam was," viel de dokter hem in de rede.

De commandant keek een beetje strak.

»Vondt u het warm in dat land?" vroeg de dokter.

»Warm!" riep de commandant uit. »Ik zal u wat zeggen, dokter: als

gij gaat, waar gij zoo menigen patiënt hebt heengezonden, en om

die reden zeker zelf belanden zult, dan hoop ik voor u en voor uw

beroep in het algemeen, dat gij het er niet zoo heet hebben zult,

als wij het in Egypte vonden. Hoe vindt gij het, dat negentien van

mijn manschappen gedood zijn, doordien een bundel lichtstralen op de

pannen van de blinkende geweren der schildwachten viel en het kruit

deed ontvlammen? Ik commandeerde bij Acre eene mortier-batterij en

ik poederde de Franschen, altijd als zij achter hun middagmaal zaten,

met een regen van granaten; maar wat denkt ge dat de beesten er op 't

laatst op uitgevonden hadden? Zij dresseerden een hoop poedelhonden om

op de granaten te passen, die neervielen, dan er op toe te vliegen en

met hunne tanden de brandende lont er uit te trekken. Hebt gij ooit

van zoo iets gehoord? Hierdoor redden zij honderden manschappen en

verloren slechts een half dozijn honden,--het is een feit, waarachtig;

vraag het maar aan sir Sidney Smith; die zal het u net precies zóó

vertellen, en een bl.......... boel er bij."

De stroom zijner welbespraaktheid werd alleen geëvenaard door

zijne vlugheid van vinding en zijn kauwvermogen; want zoolang dit

onderhoudende monodrama duurde, deden zijne tanden druk dienst als

de zuigerstang op eene stoomboot; en daar hij zoowel onze commandant

als onze gast was, genoot hij het leeuwenaandeel van ons maal.

»Maar, iets anders, Soudings," zeide hij zich gemeenzaam wendende tot

den master, die nog pas kort aan boord was, »laat eens zien wat gij

in het voorruim hebt gestuwd. Gij weet, ik ben een waterdrinker;

geef mij maar van dien zuiveren kost, en ik ben door een kind

te leiden. Zelden zal ik sterken drank nemen, als het water goed

is." Zoo zeggende, schonk hij zich een glas vol en hield het onder

den neus. »Het stinkt! Zeg master, zijt gij er zeker van, dat de

sponsen op de vaten zitten? De katten zijn er bij geweest. Hierin

moet voorzien worden." En de helft van het water weggegooid hebbende,

vulde hij het glas met rum aan. Toen proefde hij weer, zeggende: »Kom,

juffrouw poes, dat zal u in allen gevalle onschadelijk maken."--Het

water was inderdaad onberispelijk.

Hij wachtte een oogenblik, terwijl hij het glas voor de oogen hield,

en toen ging het naar binnen, geene andere uitwerking hebbende dan

een diepen zucht. »Komaan, dat is goed bedacht: wij willen geen

katten meer in het schip hebben (behalve natuurlijk die (de cat),

welke de verdorven menschelijke aard voor den bootsman onmisbaar

maakt). Mr. Skysail wees zoo goed en zorg daar eens voor. Zij moeten

allen overboord."

Zijn hoed opvattende, stond hij van tafel op, en op weg naar boven,

zeide hij: »Bij nader inzien is het toch maar beter om de katten

niet overboord te gooien; de zeilen hebben een dwaas bijgeloof ten

opzichte van die beesten,--het is verd.... ongelukkig. Neen, laat ze

maar levend in een broodzak doen en met de ververschingssloep naar

den wal brengen."

Mij herinnerende, dat het afgesproken diner met mijne vrienden

vandaag moest plaats hebben, en indachtig aan de toezegging van den

commandant, dat ik aan den wal kon gaan, wanneer ik wilde, meende

ik dat het voldoende was om te zeggen, dat ik ging,--om daardoor de

noodige beleefdheid tegen mijnen meerdere in acht te nemen. Met eene

bescheiden zekerheid ging ik daarom naar hem toe en gaf hem kennis

van mijne afspraak en mijn voornemen.

»Op mijne eer, sir," riep hij hard uit, de armen in de zijde zettende

en mij vierkant in 't gezicht ziende, »gij houdt er geen klein

beetje assurantie op na; nauwelijks aan boord of gij vraagt om weer

naar den wal te gaan en te gelijk hebt gij de onbeschaamdheid mij,

terwijl gij weet, dat ik die ondeugd zoo verfoei, mede te deelen,

dat gij voornemens zijt met eene partij uwe promotie te vieren, dus

beestachtig dronken te worden en anderen even slecht te maken als

gijzelf zijt. Neen, mijnheer; ik wil hebben, dat gij eens vooral weet

dat ik, als kapitein van mijn schip en zoolang ik de eer zal hebben

dat te commandeeren, de magister morum ben."

»Ik was juist op weg om daarop te komen, commandant," zeide ik, »toen

u mij in de rede vielt. Wetende hoe moeielijk het is om jongelui

bedaard te houden, zonder de tegenwoordigheid van iemand, voor wien

zij respect gevoelen en tegen wien zij als een voorbeeld opzien, was

het mijn plan u te vragen om ons met uw gezelschap te vereeren. Niets,

zou volgens mijn inzien, zoo zeker elke neiging tot onbehoorlijke

uitspatting tegengaan!"

»Wel, daar spreekt gij als een kind dat ikzelf groot gebracht heb,"

antwoordde overste G----; »ik had niet gedacht, dat gij zoo verstandig

waart. Het is verre van mij af om iets tegen gepaste vroolijkheid te

hebben. Een mensch is altijd een mensch; geef hem alleen het strikt

noodzakelijke voor zijn bestaan, en hij staat gelijk met een hond. Een

beetje pret bij zoo'n gelegenheid is niet alleen billijk, maar zelfs

aan te bevelen. De gezondheid van een goeden koning als de onze,--God

zegene hem!--behoort altijd met een glas goeden wijn gedronken te

worden, en daar gij zegt, dat het een uitgezocht gezelschap is,

en de aanleiding: het vieren van uwe benoeming, zoo zal ik geen

bezwaar hebben te komen en mede te doen; maar denk er om, niet zwaar

drinken--alles in den vorm--en ik zal niet alleen mijn best doen,

om de jonge heethoofden bedaard te houden, maar tevens naar mijn

beste vermogen tot de vroolijkheid van den avond bij te dragen."

Ik dankte hem voor zijne welwillendheid. Hij gaf toen eenige orders

aan Skysail, den eersten officier, en verzoekende om voor hem de giek

te doen gereedmaken, bood hij mij aan, met hem naar den wal te gaan.

Dit was inderdaad een gunstbetoon, dat nog nooit aan boord aan een

der officieren was bewezen, en iedereen kwam dan ook boven, om het te

zien. De eerste officier knipoogde, alsof hij daarmede zeggen wilde:

»Dat loopt te hard van stal,--dat kan nooit duren." Hoe het zij,

wij roeiden met de giek weg, naar den wal toe. Daar de stroom de

haven uitliep, passeerden wij rakelings de ton van de Boyne.

»O, hoe goed herinner ik mij dat oude schip! Ik was er adelborst op,

toen het in de lucht vloog. Ik was met de seinen belast en juist bezig

om het noodsein aan te slaan, toen ik opvloog. Hemel en hel! ik dacht,

dat ik nooit weer beneden zou komen."

»Zoo, commandant!" zeide ik, »ik heb altijd gedacht, dat er op dat

oogenblik niemand aan boord was."

»Niemand aan boord!" herhaalde de overste, mij met opgetrokken bovenlip

aanziende. »Hoe komt gij daaraan?"

»Ik heb het gehoord van een commandant, onder wien ik in Amerika

gediend heb."

»Zeg dan aan dien ouden commandant van je, met mijne groeten, dat hij

er niets van weet. Niemand aan boord! Wel, verd.... mijnheer, de bak

stond vol menschen, als schapen op een hoop gedrongen, en allen tegen

mij om hulp schreeuwende. Ik riep ze toe, dat zij naar de hel konden

gaan,--en juist op dat moment gingen wij zoo stellig als iets. Ik werd

bewusteloos opgepikt, zooals ik later vernam, ergens in Stokesbaai, en

naar het Haslar-hospitaal vervoerd, waar ik drie maanden voor zoo goed

als dood gehouden werd--en er geen woord bij mij uitkwam. Eindelijk

werd ik beter; en het eerste, wat ik deed, was eene sloep te nemen,

naar de plaats van de ramp te varen, het voorruim van mijn oude schip

in te duiken en achter naar de broodkamer te zwemmen."

»En wat zaagt gij daar, commandant?"

»O, niets dan hoopen menschelijke geraamten en overvloed van wijtings,

die hen tusschen de ribben door zwommen. Ik bracht mijn oud quadrant

mede uit de stuurboordsdekhut, waar ik bezig was het schoon te maken,

toen het alarmsein gegeven werd. Ik vond het op tafel liggen op

dezelfde plaats, waar ik het achterliet. Ik zal nooit vergeten wat

een d.....schen bons wij tegen de oude Queen Charlotte gaven met onze

bakboordsbatterij; zij kreeg elk schot binnen en de stukken waren

met dubbel schroot geladen. Wat bl..... ik geloof, dat wij minstens

honderd man buiten gevecht stelden."

»Wel, overste," zeide ik, »ik heb altijd gemeend, dat zij bij die

gelegenheid maar twee man verloor."

»Wie heeft u dat nu weer wijsgemaakt?" zeide overste G..... »Zeker

uw oude commandant?"

»Ja, overste," zeide ik; »hij was er adelborst aan boord."

»Hij kan opd...." zeide de commandant; »ik weet zeker, dat er drie

barkasladingen met lijken uitgehaald zijn en naar het hospitaal

gebracht, om begraven te worden."

Daar de giek intusschen de landingsplaats bereikte, kreeg deze

volleerde leugenaar tijd om adem te scheppen; werkelijk begon ik

ongerust te worden, dat hij zijn voorraad leugens vóór het diner zou

uitgeput hebben, zoodat er aan het dessert niets meer zou zijn. Toen

wij uitstapten, ging hij naar zijn oude kwartier in de Star and

Garter, en ik naar de George. Bij het scheiden herinnerde ik hem,

dat zes uren het klokje was.

»Maak u niet bezorgd," zeide hij.

Ik had mijn gezelschap bijeen, vóór hij er bij was, deelde mijne

vrienden mede, dat het mijn plan was hem dronken te maken, en verzocht

hun mij daarin te helpen, wat zij beloofden. Als ik hem eens zoover

zou gekregen hebben, was ik er zeker van, dat er een eind zou zijn

aan alle toekomstige redeneeringen ten gunste der matigheid. Mijne

kameraden, volkomen begrijpende met welk soort van man zij te doen

hadden, betoonden hem bij zijn binnentreden de meest vleiende bewijzen

van eerbied. Ik stelde hen allen op de meest plechtige wijze aan hem

voor, ze een voor een bij hem brengende, zooals eene presentatie

aan het hof plaats vindt. Zijne vroolijkheid had het hoogste punt

bereikt; door ieder afzonderlijk en op den onderdanigsten toon werd

hem de eer verzocht, een glas wijn met hem te mogen drinken; met de

meeste vriendelijkheid verwaardigde hij zich dit de geheele tafel

te vergunnen.

»Dat is prachtige zalm, deze," zeide de commandant. »Waar haalt Billet

die vandaan? O ja, wat dat betreft, hebt gij wel eens gehoord van de

gezouten zalm in Schotland?"

Wij antwoordden allen toestemmend.

»Och, gij begrijpt mij niet. Verd.... ik meen niet de doode gezouten

zalm; ik meen levende gezouten zalm, in vijvers zwemmende, zoo vroolijk

als alen, zoo hongerig als ratten."

Hierop gaven wij allen onze verwondering te kennen en verzekerden

nooit van zoo iets gehoord te hebben.

»Dat dacht ik wel," zeide hij, »want het is pas kort geleden in dit

land ingevoerd, door een bijzonderen vriend van mij, Dr. Mac .....;

ik kan mij op dit oogenblik zijn verd.... moeielijken Schotschen

naam niet te binnen brengen; hij was een groot chemicus en geoloog,

en al dat soort van goed,--een kante kerel, dat verzeker ik u, al

lacht gij er om. Wel die kerel, mijnheer, keerde, om zoo te zeggen,

de natuur onderstboven. Ik geloof zeker, dat hij zich aan den duivel

verkocht had. Wel wat doet hij? Zalm vangen en in de vijvers brengen,

en elken dag doet hij er zout, meer zout in, tot de pekel zoo dik

als pap was en de visschen hun staart niet meer konden roeren. Toen

wierp hij er heele peperkorrels in, een half dozijn ponden te

gelijk, zoolang tot er genoeg in was. Toen begon hij aan te lengen

met azijn, net zoolang tot de pekel klaar was. De visch had er in

't begin maar half zin in; maar de gewoonte is eene tweede natuur,

en toen hij mij bij zijn vijver bracht, zwommen zij zoo dartel rond

als eene school witvisschen. Hij voedde hen met fijngehakte venkel

en zwarte peperkorrels. »Kom dokter," zei ik, »ik geloof niemand op

zijn praatjes, ik moet er eerst van proeven." (Wij zagen elkander

eens aan.) »Dat zult gij in een minuut tijds," zeide hij; hij vischte

met een schepnetje een zalm op, en toen ik er met mijn mes in stak,

stroomde hem de pekel uit het lijf, als de wijn uit een flesch, en

ik had al wel twee pond van het beest op, terwijl hij mij met den

staart in het gezicht sloeg. Nooit van mijn leven proefde ik zulke

visch. Het is de moeite waard om naar Schotland te gaan, alleen om er

levende gezouten zalm te eten. Ik zal, wie uwer lust heeft, een brief

voor mijn vriend medegeven. Hij zal d.....sch blijde zijn u te zien,

en dan kunt gij u overtuigen. Geloof mij op mijn woord, als gij eens

van die soort zalm geproefd hebt, lust gij geen andere meer."

Wij vonden allen, dat dit wel waar zou zijn.

De champagnekurken vlogen zoo dicht en zoo luid als zijne granaten

bij Acre; maar wij hielden ons bijzonder in, ons vooral vermakende

met zijn doorslaan; en opmerkende, dat het gesprek meer geanimeerd

begon te worden, bracht ik opzettelijk Egypte op het tapijt, door

aan een mijner vrienden te verzoeken eene piramide van gelei, die

vóór hem stond, klein te maken en aan den commandant te passeeren.

Dit was voldoende; hij begon over Egypte, en naarmate wij hem

harder toejuichten, vermeerderden het aantal en de grootte zijner

leugens. Jammer, dat er geen snelschrijver bij tegenwoordig was,

want deze nieuwerwetsche Münchhausen stond voor niets. »Van het water

van den Nijl gesproken," zeide hij, »herinner ik mij, toen ik eerste

officier op de Bellerophon was, dat wij Minorca binnenliepen met een

restant van slechts zes ton water, en in minder dan vier uren tijds

hadden wij driehonderd en vijftig ton binnen, alles weggestuwd. Ik

zette alle hens aan het werk. De admiraal zelf stond tot aan zijn

hals in het water met al de anderen. »Verd..... admiraal," zeide ik,

»niet wegkruipen." Wel, den volgenden dag zeilden wij, en zoo'n beest

van een wind heb ik nog nooit bijgewoond,--al ons tuig overboord, en

wij bijna in de zeeën gesmoord. Een onzer sloepen woei uit de davits

en was uit 't zicht vóór hij het water raakte. Gij kunt er om lachen,

maar het was nog niets bij hetgeen de brik de Zwaluw ondervond. Wij

zeilden samen; zij wilde er voor gaan lenzen, maar werd, bij Jupiter,

twee mijl het land ingewaaid: kanonnen, volk, de heele rommel; den

volgenden morgen vonden zij haar, met haar jaaghout, door een kerkraam,

in een schilderij vastgestoken."

Het is moeielijk uit te maken, hoe lang hij nog met al dien onzin zou

doorgegaan zijn, maar het begon ons te vervelen; daarom lieten wij de

flesch wat drukker rondgaan en hij begon toen in de gemoedelijkheid

te vervallen.

»Zeg eens Frank (een hik)," zeide hij, »ge zijt een duivelsche goede

kerel; maar dat één-oogige ongeluk zal ik den eersten keer, dat ik

hem dronken vind, voor een krijgsraad brengen; ik zal hem aan de ra

opknoopen, dan wordt gij mijn eerste officier en custos rottorum

verd..... Vertel gij het mij maar de eerste maal, dat hij te veel

sterken drank opheeft, en ik zal hem waarnemen, verd.... scheel

mispunt van een vent."

Hier begon zijn denkvermogen aan het dwalen te raken; hij begon in

zichzelf te praten en mij met den eersten officier dooreen te haspelen.

»Ik zal hem wel afleeren om aan den haven-admiraal over verlof te

schrijven,--die zoon van een zeekok."

Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te

zingen. Bij den derden regel zakte zijn hoofd op de borst; hij gleed

van zijn stoel af en rolde verder onder de tafel, waar hij als »lijk"

bleef liggen.

Ik had vooraf besloten hem in dien toestand niet over straat te

brengen, en daarom had ik gezorgd, dat er in het logement een bed

voor hem gereed was, en aan de bel trekkende, gelastte ik een paar

bedienden, hem derwaarts te brengen. Ziende, dat hij in veiligheid was,

maakte ik zijn halsdoek los, trok hem de laarzen uit, legde zijn hoofd

wat hooger op, en zoo lieten wij hem verder uitslapen, keerden weer

naar tafel terug en maakten het ons dien avond verder zeer vroolijk,

zonder dat er dronkenschap bij te pas kwam.

Den volgenden morgen wachtte ik hem op. Hij had erg het land, toen hij

mij vóór zich zag, denkende dat het mijne bedoeling was hem op eene of

andere wijze zijne dronkenschap onder het oog te brengen; doch dit lag

niet in mijne plannen. Ik vroeg hem, hoe hij zich gevoelde, en betuigde

mijn leedwezen, dat onze vroolijkheid zoo verstoord was geworden.

»Wat bedoelt gij, mijnheer? Wilt gij daarmede soms zeggen, dat ik

niet nuchter was?"

»Geenszins, sir," zeide ik; »maar weet u wel, dat u in het midden van

een aangenaam en onderhoudend gesprek een toeval gekregen hebt en van

uw stoel zijt gevallen?--Zijt gij meer aan zulke toevallen onderhevig?"

»Ja, mijn waarde, dat is zoo; maar de laatste maal, dat dit mij

overviel, was zoo lang geleden, dat ik zeker dacht, dat ik er van

genezen was. Ik ben er viermaal voor verpleegd moeten worden, en

ongelukkig juist altijd dan, wanneer ik in de termen van zekere

bevordering viel."

Daarop gaf hij mij vergunning om dien dag, als ik wilde, aan den wal

te blijven. Ik bewonderde zijne slimheid om dadelijk dien wenk van het

toeval te begrijpen en zich ten nutte te maken; zoodra ik hem verlaten

had, stond hij op, ging aan boord en liet twee matrozen voor den

rooster afstraffen, omdat zij den vorigen avond dronken waren geweest.

Ik verzuimde niet al wat er voorgevallen was aan mijne kameraden mede

te deelen, en weinige dagen later zeilden wij naar Barbados. Den

eersten Zondag in zee at de commandant in de longroom bij de

officieren. Spoedig verviel hij weer in zijn gewone doen van liegen en

bluffen, tot groote ergernis van onzen dokter, die een lichtgeraakte,

jonge Welschman was. Bij dergelijke gelegenheden verzuimde deze

nooit den commandant bespottelijk te maken, door op het eind van elk

dwaas verhaal een paar woordjes van toepassing te zeggen; maar hij

had den slag om dit zoo deftig en bescheiden te doen, dat iemand,

die hem niet kende, gedacht zou hebben, dat hij in ernst sprak. De

overste herhaalde zijne vertelling van het korps poedelhonden, die

gedresseerd waren om de granaten onschadelijk te maken. »Ik hoopte

toen," zeide hij, »dat men bij ons ook zoo'n korps zou opgericht

hebben; en als ik er dan de chef over geweest was, zou ik gauw een

kruisje op de borst hebben gekregen."

»Dat zou dan zeker het hondenkruis geheeten hebben," zeide de dokter

zeer vroolijk.

»Verplicht, dokter," zeide de commandant, »niet kwaad bedacht; die

zal ik u betaald zetten."

Wij lachten, de dokter trok een effen gelaat, en de overste keek wat

boos, maar hij ging door met liegen en, als het zoo te pas kwam, dan

sleepte hij er Sir Sydney Smith bij, om er meer schijn van waarheid aan

te geven. »Als gij twijfelt, vraag het dan maar aan Sir Sydney Smith:

die zal u zesendertig uren lang in één adem van Acre vertellen; zijn

bootsman had er op 't laatst zoo genoeg van, dat hij hem den bijnaam

bezorgde van Lang-Acre."

De dokter kwam er ditmaal niet zonder kleerscheuren af. Werkelijk

zette de commandant hem zijne hatelijkheid betaald, maar op eene

andere hatelijke wijze. Den volgenden morgen namelijk het geklop

van een hamer in eene der officiershutten hoorende, vroeg hij naar

de reden en vernam, dat de dokter van den baas timmerman spijkers

en eene reep zeildoek gekregen had, om een naad van het bovendek,

die juist boven zijne kooi lekte, te verzekeren.

Uit plaaglust verbood hij, dat dit voortgang zou hebben, bewerende

dat zoo iets nog nooit vertoond was, een dokter die het schip

repareerde. »Repareer maar wat beter en vlugger uwe zieken," riep

hij hem toe; »daarvan schijnt gij zoo weinig verstand te hebben,

dat ik er dien bij te komen." Werkelijk liet hij al de zieken naar

boven komen en aan elk eenige slagen toedienen, om zooals hij zeide,

den bloedsomloop te bevorderen en er wat leven in te brengen.

Menige arme, werkelijk zieke, heb ik op die wijze onbarmhartig

zien slaan. Het verwondert mij, dat de bemanning zich nooit aan den

wreedaard vergreep en hem overboord smeet; ik geloof werkelijk, dat

zij het gelaten hebben uit eerbied en genegenheid voor de overige

officieren alleen. Nauwelijks waren wij in het blauwe water, zooals

hij het noemde--waar de diepte niet meer te looden was--of zijne

streken begonnen eerst recht, en zij hielden niet op vóór wij in

Carlisle-baai kwamen. Officieren en matrozen werden op denzelfden

voet behandeld, en er was geen verhaal op, omdat niemand hem durfde

aanklagen. In zijn mond lag bestorven: »Houd zeelui aan het werk, en

gij weert den duivel uit hun hoofd; alle hens dag en nacht wacht doen."

»Niemand," zeide Jacky (zoo noemden wij hem), »zal bij mij aan boord

het brood der luiheid eten; werk houdt de spieren lenig van die

luie schurken."

Nooit werd in de eerste drie weken aan iemand van de officieren en van

het volk over dag vergund een wacht omlaag door te brengen. Zij waren

doodvermoeid, uitgeput, en in het schip begon een zeer ontevreden,

oproerige geest te heerschen. Een van de beste matrozen zeide hardop,

zoodat de commandant het hooren kon: »Zoolang het schip in zee is,

ben ik nog geen drie wachten beneden deks geweest."

»En als ik dat geweten had," zeide de commandant, »dan zou ik er een

stokje voor gestoken hebben;" waarop hij alle hens voor den boeg liet

komen en den ontevredene vier dozijn liet geven.

Wanneer hij zijne matrozen liet ranselen, wat gewoon dagwerk was,

verzuimde hij nooit hun hunne ondankbaarheid te verwijten en zijne

eigene toegevendheid hemelhoog te verheffen.

»Er is geen enkel oorlogsschip in dienst, waar jelui beestentuig zoo

goed behandeld wordt. Al wat er hier te werken is, bestaat in: het

schip schoon en de raas vierkant te houden, victualie in te nemen

en die op te eten, grog over te hijschen en die op te drinken, en

de ledige vaten weer overboord te zetten; maar de hemel zou niet in

staat zijn het zoo'n bende onbekwame, verd.... ontevreden schurken

naar den zin te maken."

Zijn taal tegen de officieren was verre beneden alles wat men

zou kunnen verwachten uit den mond van een menschelijk wezen te

hooren. Eens had de master zijn ongenoegen opgewekt; toen vertelde

hij rondweg aan den armen man, dat hij naar de hel kon loopen.

»Ik hoop, commandant," zeide de master, »dat ik evengoed kans heb

als u om in den hemel terecht te komen."

»Gij in den hemel!" zeide de overste, »gij in den hemel! Laat ik u

daar snappen, en ik kom er u schoppen."

Dit was inderdaad toch al te ver. Maar wij werden weerhouden onze

gevoeligheid over die lastertaal te toonen, doordien wij ons intijds

herinnerden, dat hij aan niets geloofde, en dat zijn denkbeeld van den

hemel verwezenlijkt werd door die kleine kamer in de Star and Garter,

met een goed vuurtje, grog zooveel hij slechts verlangde en de noodige

pijpen en tabak.

Een eigenlijke tafel hield hij niet, wijn dronk hij alleen, als hij

met ons at; maar trouw iederen avond bedronk hij zich, in meerdere

of mindere mate, aan den scheeps sterken drank in zijne eigene

kajuit. Daardoor was hij 's avonds altijd erg ongemakkelijk. Onze

eenige wraak bestond in het Zondags, als hij bij ons dineerde, lachen

om zijn monster-leugens. Eens op een nacht kwam zijn hofmeester aan

den adelborst van de wacht vertellen, dat hij in zijn kajuit, stom

dronken op den grond lag. Dit werd daarop aan mij overgebracht, en ik

besloot daarvan gebruik te maken. Ik liet mij naar de kajuit zakken,

gevolgd door den adelborst der wacht, den kwartiermeester en twee

van de geschiktste matrozen; nadat wij den waterdrinker op zijn bed

neergelegd hadden, maakte ik van den datum en de namen der getuigen

eene verklaring naar waarheid op, ten einde daarvan gebruik te maken,

zoodra wij met het schip bij den admiraal zouden komen.

Den volgenden dag meende ik op te merken, dat hij eenig vermoeden had

van hetgeen er gebeurd was en van mijne behandeling, en bijna liep dit

tot mijn ongeluk uit. Er woei een frissche passaatwind en het schip

slingerde zwaar, toen hij last gaf de waarlooze rondhouten, die op de

barring lagen, te ontsjorren en opnieuw vast te maken. Dit was hoogst

gevaarlijk en onzinnigen-werk; doch in weerwil van de hem gemaakte

opmerkingen, bleef hij volhouden, dat het gebeuren moest. De ernstige

gevolgen bleven niet uit. Nauwelijks was de sjorring los, of eene

waarlooze steng slingerde naar beneden en doodde een der matrozen. Dit

zou reeds erg genoeg geweest zijn, maar de duivel wilde, dat er dezen

dag nog meer zou voorvallen. De rondhouten kwamen weer vast, en toen

werd er bevel gegeven om het stengewant aan te zetten, dat, aangezien

het schip steeds hevig slingerde, nog wel zoo gevaarlijk en nutteloos

was als het voorgaande werk. Weder was hij er tegen gewaarschuwd,

doch vruchteloos; de gasten waren er nog geen tien minuten voor boven,

toen een hunner overboord viel. Hoe ik er toe kwam mijn leven opnieuw

te wagen, na hetgeen er op de vorige reis gebeurd was, weet ik niet

te zeggen. Misschien was het mijne ijdelheid over hetgeen ik te water

kon doen. In de hoop van dit ongelukkige slachtoffer van de dwaasheid

en wreedheid van den commandant te zullen redden, sprong ik hem in zee

na, bijna overtuigd, dat ik een soort van zelfmoord beging. Ik pakte

den drenkeling en hield hem een tijdlang boven water; en had men aan

boord slechts de meest gewone oplettendheid en zeemanschap aan den

dag gelegd, dan zou ik hem ook zeker gered hebben. Maar mijn brave

overste, bemerkende dat ik ook overboord was, scheen de gelegenheid

die zich voordeed aan te grijpen om op een fatsoenlijke (?) wijze van

mij af te komen: hij deed zijn uiterste best om te verhinderen, dat er

vlug eene sloep op ons werd afgezonden. De arme matroos was uitgeput:

ik hield mij, rondom hem blijvende zwemmen, zooveel mogelijk vrij

in mijne bewegingen, alleen helpende, als hij dreigde te zinken;

doch op het laatst, ziende dat hij reddeloos verloren was en wij

samen reeds vrij diep onder de oppervlakte waren geraakt, kon ik

niet anders dan hem aan zijn lot overlaten; ik zette mijne voeten op

zijne schouders tot steun om zelf weer boven te kunnen komen en werd,

doodelijk vermoeid en flauw van de inspanning, een halve minuut later,

nog even bijtijds door eene sloep opgevischt.

Het dralen, om het schip in den wind op te laten loopen, schreef ik

toe aan mijne tegenwoordigheid bij de scène van den vorigen avond;

dit vermoeden werd in mij versterkt door de getuigenis der andere

officieren. Twee man verloren hebbende door zijne roekeloosheid,

zou hij er den moedwilligen moord van een derde bij op zich genomen

hebben, om zich zoo te vrijwaren voor den straf, die hij begreep

dat hem wachtte. Hij ging voort met zich tiranniek aan te stellen,

en ik voor mij was vast besloten, om zoodra wij den admiraal zouden

ontmoeten, dezen man voor een krijgsraad aan te klagen, er mocht dan

van komen wat er wilde; sterk was mijn overtuiging, dat ik, zoowel

mijn land als de marine eenen dienst bewees, door zulk een monster

voor het vervolg onschadelijk te maken.

Aan verscheiden officieren werd arrest opgelegd, en in weerwil der

onuitstaanbare warmte hunner hutten in een klimaat als dit, moesten

zij daarin blijven met een schildwacht voor de deur. Ten gevolge

dezer wreede behandeling werd een van hen dan ook krankzinnig. Wij

liepen Barbados in het zicht, en rond kaap Needham in de Carlisle-baai

komende, zagen wij tot onze teleurstelling noch het admiraalsschip,

noch eenig ander oorlogsschip aldaar ten anker, en werd dus onze

commandant de oudst aanwezende zeeofficier in de haven. Hierdoor werd

hij in eens weder opvallend beminnelijk, hopende dat men ten gevolge

van het hierdoor teweeggebrachte uitstel, de tegen hem bestaande

grieven wel zou vergeten. Mij vooral behandelde hij met in het oog

vallende voorkomendheid; hij hoopte, dat wij aan den wal eenige pret

zouden maken; daar de admiraal niet binnen was, zouden wij diens komst

afwachten; hij was voorloopig moede van het zwerven op zee; hij zou al

zijn goed mede van boord nemen en zijn anker aan den wal laten vallen,

en niet terugkomen, vóór hij het saluut aan de admiraalsvlag hoorde.

Noch de eerste officier, noch ik geloofden een enkel woord van hetgeen

hij zeide; integendeel wij handelden altijd juist in den geest van

het omgekeerde; en in dit geval was dit ook goed gezien geweest. Toen

wij ten anker gekomen waren, ging hij naar den wal, doch kwam reeds

binnen een uur terug met het bericht, dat de admiraal niet voor de

volgende maand verwacht werd, dat hij daarom weer wegging en zijn

kwartier opsloeg bij Jemmy Cavan en men hem niet weer aan boord zou

zien, vóór de admiraal er was. Daarop verliet hij ons, zijn koffer

en al zijn vuil linnengoed medenemende.

Enkelen van de officieren geloofden waarlijk nog, dat wij met het schip

zouden blijven liggen, en volgden het voorbeeld van den commandant,

door hun linnengoed aan wal te zenden om te laten wasschen. Skysail

en ik hielden ons goed; de eerste officier knipoogde en zeide:

»Kameraad, reken er op, dat er wat in aantocht is. Ik heb maar één

hemd aan den wal gestuurd om te laten wasschen; en als dat terugkomt,

zal ik een tweede sturen; als ik dan wat achter zeil, is het niet de

moeite waard."

Des avonds om tien uren kwam overste Jacky aan boord, zijn koffer

en zijn vuile linnengoed weer medebrengende, liet »overal" maken,

het anker lichten en wij zeilden Carlisle-baai uit en zee in,

terwijl de meeste officieren het grootste deel van hun goed aan

den wal hadden. Dit was een van zijne streken. Reeds 's morgens,

toen hij van boord was geweest, had hij de voor hem gereedliggende

orders ontvangen; zijn terugkomen toen had alleen de bedoeling ons

in de war te brengen en een koopje te geven, en naar ik denk ons,

door het gemis van ons goed, te noodzaken even onzindelijk voor den

dag te komen, als hijzelf gewoonlijk was; »maar hij hield er zooveel

van om het zijne officieren naar den zin te maken."

Zonder dat er iets bijzonders voorviel, kwamen wij te Nassau in New

Providence, terwijl de dienst even onaangenaam als altijd doorging. Ik

kreeg echter in den regel nog al vergunning om naar den wal te gaan;

en, geene kans ziende om den commandant wat redelijker te maken,

besloot ik mijn best te doen van het schip af te komen. Het toeval was

mij hierin behulpzaam; had dit mij niet geholpen, dan zou het mij niet

licht gelukt zijn. Eens bij het aan wal stappen maakte ik een misstap

en raakte tusschen de kade en de sloep in de klem; door den schok brak

mij een bloedvat in de borst; de wond had niet veel te beduiden, doch

moest toch in dit klimaat met zorg behandeld worden, en ik hield mij,

alsof het veel erger was. Men wilde mij naar boord transporteeren,

doch ik verzocht om naar een hotel gebracht te worden. Dáár werd

ik door den garnizoensdokter behandeld, en dezen had ik verzocht om

mijn ziektegeval ernstig voor te stellen. De commandant kwam mij eens

opzoeken--ik was er naar aan toe--met een medelijden, dat denken deed

aan dat van den Groot-Inquisiteur, die zijn slachtoffer genezen wil

om hem voor verdere pijnigingen beschikbaar te hebben. Toen het tijd

voor ons schip was, om naar zee te gaan, werd van mij gerapporteerd,

dat ik te ziek was om vervoerd te kunnen worden. Vast besloten,

dat ik mede zou gaan, stelde hij het vertrek uit. Ik ging vooruit,

het verslag van den dokter was gunstiger; toch had ik niets geen zin

om naar boord te gaan. De commandant zond mij een allervriendelijkste

boodschap: als ik niet dadelijk kwam, zou hij eene wacht mariniers

zenden om mij te halen. Daarop kwam hijzelf en dreigde mij. Maar op

dat oogenblik had ik hem zonder getuigen en vertelde hem vierkant

weg, dat als hij er op stond om mij aan boord te hebben, het tot zijn

eigen groot nadeel zou zijn, want dat ik vast besloten was, hem voor

een krijgsraad te dagen wegens dronkenschap en handelingen beneden

de waardigheid van een officier, zoodra wij bij den admiraal zouden

zijn aangekomen. Ik wees hem op den toestand, waarin ik hem aan boord

had aangetroffen. Ik haalde zijne godslasteringen eens weer op en

het schandelijke gedrag, waardoor hij twee man verloren had. Vreemd

zag hij mij aan en beproefde uitleggingen te geven; ik bleef op mijn

stuk staan, en hij »haalde bakzeil," ziende dat hij in mijn macht was.

»Welnu dan, mijn waarde," zeide Jacky, »nu gij toch zoo erg ziek

zijt,--het spijt mij dat ik u missen moet,--dien ik er wel in toe

te stemmen, dat gij achterblijft; het zal mij moeielijk vallen

u te vervangen, maar daar het welzijn en geluk mijner officieren

steeds mijne hoofdzorg is, wil ik dan maar liever zelf dit bezwaar

ondervinden." Zoo sprekende, stak hij mij zijn hand toe, die ik zonder

leedwezen drukte, oprechtelijk hopende hem nimmer weer te zien noch

hier, noch hier namaals.

Een tijd later kwam hij toch voor een krijgsraad, wegens herhaalde

dronkenschap en wreedheid, en werd voor goed uit den dienst ontslagen.

Ik moet, na dit vrij uitvoerig verslag van de eigenaardigheden van den

overste G----, wel bepaald de verzekering geven, dat reeds in dien tijd

zulke karakters in den zeedienst hoogst zeldzaam voorkwamen. Hierboven

deed ik hem reeds als een zonderling uitkomen.

Het pressen en het groot gebrek, dat er bestond aan officieren bij

het uitbreken van den oorlog, hadden hem in de gelegenheid gesteld

om luitenant ter zee te worden; door den admiraal in zijn zwak aan

te tasten, maakte hij bevordering, door de admiraliteit plat te

loopen en op zijne lange dienstjaren te wijzen, gelukte het hem het

bevel over een brik te krijgen. De dienst werd zeer benadeeld door

mannen, die vóór de mast waren opgeleid, onder den état-major op

te nemen; daardoor verkreeg men tweeërlei soort van officieren in

de marine,--namelijk die van goede afkomst en familie, die daardoor

eene goede opvoeding hadden genoten, en die, welke om zoo te zeggen

door de kluisgaten aan boord waren gestapt. De eersten waren in hunne

jeugd door gunstbetoon zoover gekomen en leerden nooit behoorlijk

hunne plichten kennen, de laatsten bewezen, op weinige uitzonderingen

na, naarmate zij in rang verhoogd werden, hunne ongeschiktheid voor

hunnen stand door gebrek aan opvoeding. Beide deze verkeerdheden zijn

thans weggenomen; en daar alle jongelieden, om in dienst te komen,

een geregelde opleiding moeten hebben en dus van een fatsoenlijke

afkomst zijn, is er eene scheidsmuur gevormd, die tot eenen zekeren

graad gunstbetoon buitensluit, maar zeker de toelating verhindert

van menschen van het gehalte van overste G----.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 28 / 38 题