Halifax is werkelijk eene allerbekoorlijkste, gastvrije plaats:
de naam was verbonden aan zoovele aangename herinneringen, dat hij
altijd aanleiding gaf tot nog een glas uit de reeds gekurkte flesch,
vóórdat zij voor goed werd weggesloten. Het woord »Halifax!" had
dezelfde wonderdadige kracht als het »Sesame open u" uit de Arabische
Nachtvertellingen.
In het vorige hoofdstuk vertelde ik onze ontmoeting met een Iersch
emigrantenschip, waarvan mijn Hoog-Welgeboren commandant de lading
tot zijn eigen voordeel en tevens tot dat van zijn land had weten te
benutten. Een ander dergelijk vaartuig had een onzer kruisers ontmoet,
Z. M. korvet Kolibri, en de commandant daarvan had dertig of veertig
goed gebouwde Hiberniers uitgezocht om er zijne eigene onvoltallige
bemanning mede te completeeren en de overigen aan het admiraalsschip
af te geven. Kortzichtige stervelingen die wij allen zijn, zelfs gij
commandanten van oorlogsschepen behoort daartoe! Hoeveel van hetgeen
reeds zeer na aan de lippen was, komt dikwijls niet uit den beker
in den mond! Aan boord van bedoelden koopvaarder bevonden zich twee
alleraardigste Iersche jonge meisjes uit den fatsoenlijken stand, die
op reis waren naar hunne familiebetrekkingen in Philadelphia; de eene
heette Judy, de andere Maria. Toen aan de arme Ieren hunne veranderde
bestemming was medegedeeld, ging daar aan boord een vreeselijk
gejammer op, luid genoeg om de geschubde monsters uit de diepte naar
hunne donkere holen te doen vluchten. De beide teederhartige meisjes
werden er door tot in haar hart geroerd, en toen de zware stemmen in
dit huilconcert begeleid werden door de sopranen en trillers van de
vrouwen en kinderen, was het verschrikkelijk om aan te hooren.
»O, miss Judy! O, miss Maria! zoudt gij kunnen aanzien, dat wij arme
schepsels naar een oorlogsschip gesleept werden, zonder dat gij een
goed woordje voor ons spraakt? O, een verzoek uit uw lieve mondjes
aan den commandant, zou ons wellicht kunnen doen vrij blijven!"
De jonge dames, hoewel zich niet zoo zeker gevoelende van de macht
harer bekoorlijkheden, besloten toch het te beproeven; zij verzochten
den officier van de korvet haar passage naar boord te verleenen,
ten einde met zijnen commandant te kunnen spreken, verschikten en
verstrikten eenige kleinigheden aan hare kleeding, sprongen als een
paar dartele klipgeitjes in de sloep, zonder vrees voor de spatters
van het zeewater, die, hoewel niet erg bevorderlijk voor den krul in
hare lokken, den blos op hare wangen verhoogden, en daardoor wellicht
aan het welslagen harer onderneming veel bij brachten.
Het gezicht eener vrouwenrok op zee heeft altijd op een welgeaarden man
een grooten invloed. Het brengt dadelijk een ieder in eene vroolijke
stemming. Bij hare aankomst aan boord werden zij door den commandant in
eigen persoon ontvangen en in de kajuit geleid, waar dadelijk eenige
morgendrank werd gereedgemaakt en elke beleefdheid haar werd bewezen,
waarop hare sekse en schoonheid aanspraak konden maken. De commandant
was een van de vroolijkste snaken, die er bestaan hebben, en had een
paar kleine, fonkelende zwarte oogen in het hoofd die dadelijk voor
hem innamen.
»En vertelt mij nu eens, jonge dames," zeide hij, »waaraan ik de eer
van uw bezoek te danken heb."
»Het was om een groote gunst van Uw Edelheid te verzoeken," antwoordde
Judy.
»En die Zijne Edelheid zeker wel toe zal staan," vulde Maria aan;
»dat kan ik op zijn gezicht wel lezen."
Gevleid door die kleine aanhalerij van Maria, zeide de commandant
dat niets ter wereld hem zoo aangenaam was dan de dames te kunnen
verplichten; en dat, indien de gevraagde gunst slechts eenigszins
met zijn plicht kon overeengebracht worden, hij die zoude toestaan.
»Nu dan," zeide Maria, »ik verzoek Uwe Edelheid mij Pat Flannagan,
die pas door u geprest is geworden, af te staan."
De commandant schudde weigerend met het hoofd.
»Hij is geen zeeman, Uwe Edelheid; slechts een arme turftrapper,
van wien gij nooit eenigen dienst zult hebben."
Nogmaals schudde de commandant het hoofd.
»Vraag mij liever iets anders," zeide hij, »en ik zal het u geven."
»Nu dan," zeide Maria, »geef ons Phelim O'Shaugnessy."
De commandant bleef onverbiddelijk.
»Kom, kom, Uwe Edelheid," zeide Judy, »wij zien niet op eene
kleinigheid vandaag. Geef mij Flannagan, en ik zal u een kus geven."
»En ik een ander," riep Maria, »voor Phelim."
De commandant zat tusschen de twee verleidsters in; zijn hoofd draaide
als een windvaan in een storm; hij wist niet met welke te beginnen;
eene onbeschrijfelijke joligheid scheen uit zijn oogen, en de dames
zagen dadelijk in, dat zij het pleit gewonnen hadden. Zoo machtig
is de schoonheid, dat weer deze beheerscher van den oceaan voor haar
moest bukken. Judy kuste hem op de linker-, Maria op de rechterwang;
de kapitein gevoelde zich den gelukkigsten aller stervelingen.
»Nu dan," zeide hij, »gij hebt uwen wensch; neem in 's hemels naam
uw twee man mede, want ik heb haast om verder te zeilen."
»Wilt gij verder zeilen en is het uwe bedoeling al die andere goede
zielen, verreweg, met u mede te nemen? Neen waarlijk niet! Hier hebt
gij een anderen kus voor een anderen man."
Ik kan onmogelijk vertellen met hoeveel kusjes die lieve meisjes
deze benijdenswaardigen commandant begunstigden. Genoeg zij het te
melden, dat zij al hare landslieden vrij kregen en opgetogen naar
het schip terugkeerden. De geschiedenis werd in Halifax bekend, waar
de goed gestemde admiraal alleen opmerkte, dat het hem speet geen
commandant te zijn, en de geheele gemeente maakte er zich vroolijk
over. De commandant, die even dapper als goed was, werd spoedig
daarop bevorderd, maar niet voor deze daad, waarbij men bescheiden
en vriendschappelijk zal moeten erkennen, dat hij eene nederlaag
leed. De lord-kanselier placht te zeggen, dat hij in zijn langdurige
rechterlijke loopbaan nog nooit een commandant van een oorlogsschip
had gezien, die zich door twee Iersche meisjes veertig man uit zijne
handen had laten kussen.
Wij kregen last om naar de Bermudas te zeilen en stuurden dadelijk,
nadat wij de haven uit waren, met eene frissche noordwester koelte
zuidwaarts. De wind liep langzaam naar het zuidoosten en wakkerde
tot een hevigen storm aan; na een poos echter ging hij weer liggen
tot volkomen stilte, een hooge zee achterlatende, waarin het schip
geweldig slingerde. Tegen elf uren begon de lucht te betrekken en was
vóór den middag onheilspellend zwart geworden; de zeemeeuwen vlogen
wild en schreeuwend om ons heen, alsof zij ons wilden waarschuwen
gereed te zijn voor den naderenden orkaan, in welks verschijnselen
men zich onmogelijk kon vergissen. De waarschuwing werd niet in den
wind geslagen, wij maakten klein zeil en hadden, naar wij meenden,
alle maatregelen genomen om met gerustheid het slechtste weer te
kunnen afwachten. Tegen den middag viel het in met eene hevigheid, die
de oudste en meest bevaren zeelieden aan boord deed verbaasd staan;
het geweld van den stormwind was verschrikkelijk, en de verwoesting,
die hij aanrichtte, onbegrijpelijk.
De wind was weer naar het noordwesten teruggeloopen; het water, dat
aan boord en over ons heen woei, was lauw als melk; de donkerheid
en drukkende benauwdheid van de lucht waren in korten tijd over,
doch de kracht van den windstoot was zoo hevig, dat bij het invallen
het schip over zij helde met zijne lijbatterij te water. Al wat niet
vastgesjord was, vloog met vaart naar den lijkant; de kogels rolden
uit hun roosters en omlaag heerschte de grootst denkbare verwarring en
ontsteltenis, terwijl het bovendeks er nog vrij wat ernstiger uitzag;
de bezaansmast en de voor- en groote steng gingen overboord, doch de
wind maakte zooveel leven, dat wij er niets van hoorden; evenmin had
ik, die dicht bij den bezaansmast gestaan had, iets van het breken
bemerkt, tot ik omkeek en den stomp zag, afgescheurd als ware het een
wortel. Nog steeds vermeerderde het geraas van den wind; het geleek
op een roffel van donderslagen; de huizenhooge golven werden in hunne
opheffing geregeld onthoofd en glad afgeblazen, terwijl de koppen
als kokend schuim de dalen vulden; de stormstagzeilen woeien uit de
lijken; de commandant, de officieren en de gansche bemanning stonden
versuft in afwachting van de vreeselijke dingen, die komen konden.
Het schip lag zoo zwaar over zijne bakboordszijde, dat de
geschutpoorten eene sterke persing te doorstaan hadden en het er veel
van had, alsof wij ingedrukt werden; groote watermassa's werden door
den wind opgenomen en de lucht ingeslingerd, andere stroomden de
luiken in, die wij geen tijd gehad hadden behoorlijk te schalmen,
want vóór wij hiermede gereed waren gekomen, was er veel water in
het schip en dreven omlaag alle kisten en kooien, tafels en banken
in groote verwarring dooreen. De schapen, de koe, de varkens en het
pluimvee spoelden overboord of verdronken in het schip; geen stem van
commando kon verstaan worden, bevelen werden dus niet meer mondeling
gegeven; de tucht was tijdelijk geschorst; commandant en lichtmatroos
hielden zich aan hetzelfde touw vast voor behoud van hun leven.
De baas timmerman was voor het kappen der masten, maar daartoe gaf
de commandant nog geene toestemming. Een van de schiemansgasten kwam,
zich overal vasthoudende, op het halfdek en schreeuwde den commandant
in het oor, dat een van de ankers losgeslagen was en nu aan het
kabeltouw voor den boeg heen en weer sloeg. Dit niet te verhelpen,
zou voor het schip zeer gevaarlijk kunnen worden; op grond hiervan
kreeg ik last om naar voren te gaan en te zorgen, dat het weggekapt
werd; maar in korten tijd waren nog èn wind èn zee zoo toegenomen,
dat de weg om naar voren te komen, afgesloten was; te loefwaart was
de drang zoo sterk, dat geen sterveling er tegen op kon. Ik werd
daar tegen de op dek gesjorde sloepen aangedrukt en moest weer naar
achteren terugkruipen; de weg langs de lijloopplank bleef dus slechts
over; daar deze onder water was, zwom ik over, onder beschutting van
de sloepen, en deelde het bevel mede, dat onder eindelooze inspanning
ten uitvoer werd gebracht.
Op den bak vond ik de oudste en bevarendste matrozen zich aan het
loefboord vasthoudende, met angst op het gelaat uitgedrukt; dit
verbaasde mij, en ik was trotsch boven zulk eene zwakheid verheven te
zijn. Terwijl bij mijne meerderen in jaren en ondervinding het hart
van schrik verstijfd was, bleef ik volkomen bewust van het gevaar,
dat ons dreigde, en zag ik duidelijk in, dat als het fregat niet
binnen zeer korten tijd rees, wij allen naar de kelder gingen; want in
weerwil van onze inspanning en voorzorgen vermeerderde het water in het
schip. Ik bereikte weder zwemmende het halfdek, waar de commandant,
met de grootste zeemanskalmte, met drie van de beste matrozen, bij
het stuurrad stond; doch het roer ontving van de hooge zee zulke
hevige schokken, dat zij de uiterste moeite hadden om te voorkomen
van overboord geslagen te worden. De lij-halfdeks-batterij was geheel
onder water; het was wenschelijk deze overboord te werken, en daar
het hier eene zaak van leven of dood gold, slaagde men daarin. Toch
bleef het schip als een blok liggen en wilde zich niet oprichten,
doch ging voort op verontrustende wijze te zakken. De orkaan bleef
met dezelfde hevigheid voortwoeden, en de algemeene stemming scheen
te zijn: »Laat ons bidden, want wij zijn verloren!"
De fokke- en groote mast waren nog heel en hadden het gewicht te
dragen van de daaraan hangende gebroken stengen met hun tuig, die,
als een hefboom, het gedrukte schip nog het meeste neerhielden. Die
groote toplast kwijt te raken was noodig, doch zoo goed als
onuitvoerbaar. Doch het was een wanhopend geval, waarvoor eene
wanhopige poging moest in het werk gesteld worden, wilden wij niet
zeer spoedig naar het rijk der haaien verhuizen. Het gevaar om iemand
naar boven te zenden was zoo groot, dat de commandant daartoe geen
bevel durfde geven; maar hij wist aan het langzamerhand op het halfdek
gekomen volk, door gebaren te kennen te geven, dat, tenzij wij gauw
van dat bovenwicht verlost waren, het schip zoude moeten zinken.
Op dit oogenblik scheen het, alsof elke nieuwe aanschietende zee het
schip dieper en dieper indompelde. Met vaart daalde het in de holte der
golven, om slechts met moeite, alsof het niet meer kon van vermoeienis,
en slechts gedeeltelijk, door een volgenden roller opwaarts geheven
te worden. Het schip scheen den strijd tegen de elementen moede
en op het punt om zich over te geven, gelijk eene edele, zwaar
gehavende versterking bukt voor de onweerstaanbare overmacht van
den vijand. Onze bemanning had geheel en al de bezinning verloren;
hadden zij drank kunnen bemachtigen, dan zouden zij zich uit wanhoop
bedronken hebben, om zoo den dood te gemoet te gaan. Bij elke ruk,
dien het schip kreeg, scheen het alsof de groote mast zich voornam
om te gaan; het loefwant stond snaarstijf, alsof de hoofdtouwen
ijzeren stangen waren, terwijl het lijwant in een groote bocht los
naar beneden hing of met de blokken van de andere zijde tegen den
mast aanslingerde, welke met al de ontvangen rukken, zijne laatste
oogenblikken naderde. Wij verwachten niet anders dan hem te zien
afbreken en daarbij een stuk van de verschansing te zien medegaan. Er
werd niemand genegen bevonden op het verzoek van den commandant naar
boven te gaan om de aan den top hangende vleet van stengen, raas en
tuig weg te kappen. Doodelijk stil waren wij allen, doch de orkaan nam,
zoo mogelijk, nog in hevigheid toe.
Ik erken, dat ik mij op dit oogenblik voelde herleven tegenover een
gevaar, dat niemand scheen te durven trotseeren. Ik wachtte nog een
oogenblik, of zich allicht een vrijwilliger zou voordoen, en was
er zeker van, dat zoodanig een mijn bitterste vijand zou worden,
omdat hij mij in den weg kwam voor de voldoening aan mijn grootsten
hartstocht--grenzenloozen trots--doch niemand trad voor. Dikwijls
genoeg had ik mij in een groot, gemeenschappelijk gevaar bevonden, en
was dan meesttijds geheel vooraan gesprongen; maar om te ondernemen wat
eene dappere, goed geoefende fregatsbemanning niet durfde bestaan,--was
voor mij het toppunt van moed, dat ik nooit gedroomd had te zullen
bereiken. Een scherp kapmes in mijnen gordel stekende, wenkte ik den
commandant toe, dat ik het zou gaan beproeven, en dat wie lust had,
mij volgen kon, en ik liep het sterk hellende loefwant in, met vijf
kloeke mannen achter mij aan komende. Zóó werkt het voorbeeld van
een officier op de houding der mindere schepelingen!
De zware rukken, die het tuig kreeg, maakten het zeer moeielijk om
ons vast te houden of niet in de vleet bekneld te raken. Met de
armen en beenen moesten wij de hoofdtouwen omvatten; en angstig,
in ademlooze spanning zag men van het dek naar ons op en werd daarna
elke hak van het mes met gejuich begroet. Het grootste gevaar voor ons
scheen voorbij, toen wij de zwichtings bereikt hadden, waar onze voeten
steun vonden. Wij verdeelden ons werk; sommigen namen de talreepen van
het stengewant, ik den borg van de groote ra voor mijne rekening. De
stevige kappen, die wij gaven, werden door gekraak beantwoord; nog
een hak, nog een en.... daar ging de heele afgebroken rommel over het
lijboord te water. Het was alsof het schip dadelijk verademing kreeg;
het richtte zich weder, en wij kwamen omlaag onder de vreugdekreten,
toejuichingen en gelukwenschen, en ik mag er zelfs bijvoegen, de tranen
van dankbaarheid van de meesten onzer scheepsmakkers. Er bleef nu nog
eenig licht werk overig; gestadig nam thans ook de storm in hevigheid
af, de vleet werd langzamerhand van het schip vrij geklaard, en de
angst werd vergeten.
Dit was voor mij het genotvolste oogenblik van mijn leven, voor geen
aardsch goed had ik dat fiere gevoel willen missen, dat ik had bij
het weder betreden van het halfdek. De goedkeurende glans in het oog
van den commandant, de hartelijke handdrukken, de lof der officieren,
de gretige blikken van de bemanning, die mij vol verbazing aanstaarden
en opgewekt gehoorzaamden, deden mij op zichzelf beschouwd aangenaam
aan, maar verzonken in het niet, vergeleken bij het innerlijke gevoel
van bevredigde eerzucht,--een hartstocht zoo nauw met mijn bestaan
saamgeweven, dat mijn persoon en mijn roem zonder deze niet meer
leven konden. Ik gevoelde, dat mijn trots gerechtvaardigd was.
Gewoonlijk hebben orkanen geen langen duur; deze werd gevolgd door
stormweer, dat zwaar genoeg, echter in vergelijking van hetgeen wij
doorleefd hadden, niets beteekende. Wij togen aan het werk, zetten
een noodmast op en kwamen zoo na enkele dagen te Halifax terug,
hetgeen voor ons eene heerlijkheid, en voor de bewoners, die de volle
kracht van den orkaan gevoeld hadden en zeer over ons in angst waren
geweest, eene geruststelling was. Mijne armen en beenen vorderden
eenigen tijd om te herstellen van de kneuzingen, die ik bij mijn
laatste gevaarvolle werk had opgedaan, en daarvoor moest ik zoolang
aan boord blijven. Toen ik beter was, ging ik naar den wal en werd
vriendelijk en minzaam door mijne talrijke kennissen ontvangen.
Nog niet lang waren wij in Halifax, toen ik eene plotselinge
verandering bespeurde in de houding van den commandant tegenover
mij. De werkelijke reden daartoe heb ik nooit kunnen ontdekken,
ofschoon ik mij ter zake in gissingen verdiepte. Ik moet tot mijn
spijt bekennen dat ik, in weerwil zijner steeds tegenover mij betoonde
vriendelijkheid, in weerwil van mijn oprechten eerbied voor hem, zoowel
in zijne hoedanigheid van officier als van fatsoenlijk man, hem eens
belachelijk gemaakt heb. Maar hij was veel te goedaardig om zich eene
onschadelijke jeugdige grap zoo zwaar aan te trekken; gewoonlijk was
in vijf minuten tijds de boosheid van dezen beminnelijken man over
iets dergelijks, als ik nu hier vertellen ga, geheel geweken.
Wat er gebeurd was, was dit: mijn waarlijke edele commandant droeg een
bijzonder wijd soort van blauwe pantalon. Of hij nu zelf vond, dat dit
zeemansachtig stond, dan wel of zijn kleermaker bij het uitknippen
zich vergist had of toen ter tijd met veel katoenen stof bezet had
gezeten die hij opruimen wilde, weet ik niet; maar hoe breed ook de
achterboeg van zijn lordschap was, nog breeder en wijder waren naar
evenredigheid de plooien van dit onmisbaar deel van zijn omhulsel.
Dat »een steekje op zijn tijd er wel negen later uithaalt" is een
spreekwoord, dat bij de naaisters veel opgang maakt, doch aan boord,
met zoovele andere wijsheden, al te dikwijls over het hoofd wordt
gezien. Dit was ook met lord Edward het geval geweest. In de achternaad
van zijn boven omschreven kleedingstuk bevond zich een verwaarloosde
torn, nog aanwezig toen de orkaan inviel. De verbolgen wind had
voor niets ontzag, joeg, scheurde, brak alles voor zich uit wat hem
tegenstand bood, nestelde zich waar hij een opening kon vinden, vulde
alle ruimten, die hij in zijn weg ontmoette. De onschuldige broek van
lord Edward had een argeloos kiertje openstaan, dit was als eene bres
voor het woedende element, waardoor het zich een intocht baande. De
krachtige Boreas blies het kleedingstuk op, als een trompetter zijne
wangen. Tegen zulk eene spanning bleek het niet bestand te zijn,
het scheurde aan flarden en reepen, die het lichaamsdeel tuchtigden,
dat zij behoorden te beschermen, en eindelijk geheel en al in den
steek lieten.
Het was een lastig geval; doch daar het schip in nood was en wij niet
anders dachten dan daarmede binnen het halfuur te zinken, was het de
moeite niet waard om van dek te gaan om het vernielde kleedingstuk
te vervangen door een ander, dat hem in de diepte der zee toch niets
gegeven zou hebben. Maar toen het gevaar geweken was, werd de grap
opgehaald en was ik te Halifax eens bezig met het verhaal een heel
gezelschap te amuseeren, toen juist zijn lordschap binnenkwam. Het
verhaal veroorzaakte een niet te bedwingen luid gelach. Spoedig
bespeurde hij hiervan het onderwerp te zijn; hij zag mij voor de
aanleiding aan en was een paar minuten onaangenaam gestemd; doch
het woei spoedig voorbij, en ik kan nog niet gelooven, dat dit de
reden was van de verandering zijner gevoelens ten mijnen opzichte;
want hoewel het als hoogverraad wordt beschouwd den hond van den
commandant scheef aan te zien, laat staan hemzelf uit te lachen,
wist ik toch, dat mijn chef een veel te royale kerel was, om door
zulk eene kleinigheid lang gegriefd te zijn. Meer verdenk ik den
eersten officier en de overige luitenants, dat zij mij wel wilden
kwijt zijn; en in zekeren zin hadden zij geen ongelijk: voor een
zoo jong officier was ik, boven al de anderen uit, te populair bij
de mindere schepelingen, en noodwendig was dit ten nadeele van de
krijgstucht. Ik ontving van lord Edward een zeer vriendschappelijken
wenk, dat een ander commandant van een grooter fregat om mij gevraagd
had. Ik begreep zijne bedoeling; wij scheidden als goede vrienden,
en altijd zal ik met eerbied en erkentelijkheid aan hem denken.
Mijn nieuwe commandant was een geheel ander soort van mensch, ook
beschaafd van manieren en een gentleman, maar een boekgeleerde. Minzaam
met zijne officieren omgaande, stelde hij zijne bibliotheek steeds
ter hunner beschikking; de kerk, waar de boekenkasten stonden, was
voor ons allen open. Dit lokaal was de schoolkamer voor de jongere,
het studeervertrek voor de oudere cadets. Hij was een uitmuntend
teekenaar, en ik leerde veel door zijne aanwijzingen.
Wij werden naar Quebec gezonden, zeilden door de prachtige Straat
Canso, de breede en vorstelijke St. Laurensrivier op, in 't zicht van
het eiland Anticosta. Veel bijzonders gebeurde er op den overtocht
niet, behalve dat een Schotsche dokters-assistent in de voorlongroom,
die allerlei aristocratische neigingen aan den dag legde, eene
democratische les noodig had, die ik hem toediende. Hij beweerde,
dat hij door geboorte en opvoeding (te Edinburgh) het recht had om het
hoofd van onze tafel te zijn. Hier had ik een en ander tegen en leerde
spoedig den heerschzuchtigen zoon van Esculapius, dat de wetenschap
der zelfverdediging even hoog behoort aangeschreven te staan als de
kunst van heelen, en dat, mocht hij in de laatste bedreven zijn, ik
hem gelegenheid zou geven op eigen persoon daarvan de proef te nemen:
hierop gaf ik op zijn sinciput, op zijn occiput, os frontis, os nasi en
alle andere kwetsbare deelen van zijn corpus, zekere veerkrachtige,
harde drukkingen, die de bedoeling hadden de gevoelszenuwen te
verstompen en te verdooven en onder elk oog eene onderhuidsche
bloeduitstorting teweeg te brengen; terwijl tegelijkertijd uit iedere
neusopening eene rijke carmijnkleurige stroom te voorschijn kwam. Het
was echter nooit mijne gewoonte om te bluffen of op eene overwinning
door te gaan; ziende dat hij zijne wapenen liet zakken, deed ik hem
de gebruikelijke vraag of de partij ter andere zijde voldaan was,
en hierop een bevestigend antwoord hebbende ontvangen, borg ik mijne
kneusbotten op, tot hun dienst eens weer gevorderd mocht worden,
hetzij om eene berisping uit te deelen, of eene correctie af te weren.
Wij ankerden bij kaap Diamant, die de St. Laurens van de kleine
rivier St. Charles scheidt. De binnenlandsche voortzetting van deze
kaap vormen de Abrahams-hoogten, alwaar de onsterfelijke generaal
Wolfe Montcalm versloeg, in het jaar 1759, toen beide generaals
een roemrijken dood op het slagveld vonden. De stad is gelegen aan
het uiteinde van de kaap en heeft een schilderachtig voorkomen. De
huizen en kerken zijn meerendeels met zink gedekt ter vermindering
van brandgevaar, waaraan deze plaats dikwijls blootstond, toen de
huizen gedekt waren met riet en latten. Wanneer de ondergaande zon
zijne stralen over de stad uitwerpt, zoude men zeggen, dat zij in
't zilver gezet was.
Het hoofddoel onzer reis naar Quebec was om volk te zoeken, waaraan
op het eskader groot gebrek was. Onze matrozen en mariniers werden
heimelijk in presgangen afgedeeld. Het bevel van eene daarvan werd mij
toevertrouwd. De officieren en mariniers gingen vermomd aan wal, nadat
zij onderling seinen en plaatsen van bijeenkomst hadden afgesproken;
terwijl matrozen, op welken wij konden rekenen, als lok-eenden
moesten dienen en den schijn zouden aannemen van op koopvaarders
te dienen, waarvan hun officier de schipper was, en hen overhalen
zouden voor de thuisreis dienst te nemen, voor eene premie van 10
kan rum en driehonderd dollars. Menigeen liep er op deze wijze in,
en zij werden niet uit den droom geholpen vóór zij langs zijde van
het fregat kwamen, waar hunne vloeken en verwenschingen beter te
begrijpen dan te herhalen zijn.
Hierbij dient aangeteekend te worden, dat vaartuigen, die voor den
houthandel varen, aankomen in de maand Juni, als de riviermond vrij
van ijs is, en dat, als zij niet weg zijn tegen of vóór het eind van
October, de kans groot is om in het ijs vast te raken, waardoor zij
in de St. Laurens moeten overwinteren, eene verloren reis gemaakt
hebben en zeven à acht maanden werkeloos moeten blijven. Hiermede
bekend deserteeren de matrozen zeer dikwijls bij hunne aankomst,
en worden dan verborgen en gevoed door zielverkoopers, die er hun
voordeel in vinden hen in den loop van het jaar aan de kapiteins te
verschacheren. Zij weten dan voor de matrozen een zeer groote som voor
het maken der thuisreis te bedingen en verdienen voor zichzelf een
goed handgeld voor hunne moeite èn van den kapitein èn van den matroos.
Men had ons opgedragen geen volk van de koopvaardijschepen aan te
nemen, doch hen in de huizen der ronselaars te gaan zoeken. Voor ons
was dit eene bron van veel genoegen en van merkwaardige lotgevallen;
want het vernuft om het volk weg te stoppen werd overtroffen door de
kunstmiddelen en slimheid van onzen kant in het werk gesteld om hunne
schuilhoeken te vinden. Kelders en vlieringen lagen al te zeer voor
de hand, daar behoefden wij niet te zoeken; meer kans op een goede
jacht hadden wij bij het doorsnuffelen van hooibergen, kerktorens,
geheime bergplaatsen onder den haard, waarin het vuur brandde,
enz. In een woord, men kon zoo vreemd geen hoekje uitdenken, waarin
niet wel eens een of meer mannen waren verstopt geweest. Somtijds
vonden wij matrozen, als heeren gekleed, aan het drinken van wijn en
in vertrouwelijk gesprek met menschen uit hoogere standen, die hen
op deze wijze zochten te verbergen. Door eigen onderzoek kwamen wij
achter dergelijke verschoonbare bedriegerijen.
Ik trok ongeveer vijftien mijlen van Quebec landwaarts in naar eene
schuur, waarvan het mij bekend was geworden dat zij aan een der
ronselaars toebehoorde. Na lang vruchteloos gezocht te hebben,
ontdekten wij eenige flinke matrozen in de hanebalken van een
buitenloods, die alleen diende om spek te rooken. Daar het vuur
brandde en er eene flinke rook naar boven steeg, was het moeielijk om
te denken dat een menschelijk wezen het daar zou kunnen uithouden;
wanneer ook niet iemand uit den troep aan het hoesten geraakt was,
zouden wij ze nooit ontdekt hebben. De arme hoester werd natuurlijk
door zijne kameraden niet vroolijk aangekeken, toen wij hen een voor
een inpalmden. Om hen zeker over te brengen, sneden wij hen van achter
de broeksbanden door (een zeer aan te bevelen middel van voorzorg)
waardoor zij in het wegloopen belemmerd waren, en namen gezamenlijk
plaats op den grooten wagen van den boer, die gedwongen werd ook
naar Quebec terug te rijden. Eens onder weg zijnde schertsten onze
nieuwelingen braaf mede over de omstandigheden hunner ontdekking. Het
was overigens verwonderlijk, hoe gemakkelijk die lieden zich verzoenden
met het denkbeeld van naar een oorlogsschip te gaan; misschien
was het om den aanstaanden oorlog met de Yankees. Ik begon veel
genoegen in de menschenjacht te krijgen, ofschoon kalme overdenking
mij later overtuigd heeft van de wreedheid en onrechtvaardigheid
van het pressen. Het middel is bovendien ondoelmatig, daar het meer
dan eenige maatregel, die het gouvernement zou kunnen nemen, strekt
om goede zeelieden het land uit te jagen. Doch het is hier niet de
plaats om eene verhandeling te schrijven tegen den presgang. Ik voor
mij gaf niets om de persoonlijke vrijheid van een ander, zoolang
het mij te doen was om de equipage voltallig te hebben tegen den
naderenden oorlog; en daar ik tevens mijne liefhebberij voor avonturen
bevredigde, had ik volstrekt geene gedachten over voor de gevolgen
van mijne handelwijze.
Een koopman te Quebec had mij beleedigd door het niet aannemen van
een wissel, dien ik op mijn vader had getrokken. Ik had geen ander
middel om eenige bij hem gedane aankoopen te voldoen, en was zeer
verstoord door zijne weigering, die hij vergezeld deed gaan van een
zeer onbehoorlijken schimp op mijzelf en de uniform die ik droeg. Het
papier, dat hij in handen hield, van alle zijden bekijkende, zeide
hij verachtelijk: »Een wissel van een adelborst heeft voor mij geene
waarde; ik dank u voor het bedoelde koopje!"
Overtuigd dat de wissel goed was, nam ik voor mij te wreken. Mijne
pres-volmacht stelde mij in staat om overal te komen, waar men
mij bericht had, dat volk zou verstopt zijn, en een dergelijke
aanklacht tegen hem wist ik gemakkelijk door een mijner kameraads
op te doen. (Men ziet de arme man was in handen van eene heilige
broederschap gevallen). Mijn vriend gaf zijne besliste overtuiging
te kennen, dat daar in huis matrozen verborgen waren; ik verzocht
nadere orders van den commandant, en deze beval mij aan strikt mijnen
plicht te doen. Onze koopman nu was een man van aanzien in Quebec,
die uitgebreiden handel dreef. Ongeveer te één uur in den morgen
bonsden wij met het noodige geweld op zijne huisdeur, gelastende dat
men zou openen in naam des Konings. Toen men weigerde, braken wij de
deur open en verspreidden ons als een nest van kakkerlakken door zijn
huis. Wij lieten geen kelder, geen zolder, geen kamer ondoorzocht,
braken in ons onderzoek enkele der onmisbaarste kamerbehoeften, smeten
in de keuken potten en pannen dooreen; en toen wij twee zoons van den
eigenaar vonden, gaven wij te kennen, dat zij de gezochte zeelieden
waren en zich maar dadelijk hadden aan te kleeden om ons te volgen.
Toen de oude koopman mij te zien kreeg, begon hij lont te ruiken
en dreigde hij mij met ernstige gevolgen voor mijne handeling. Ik
toonde hem mijne volmacht en vroeg hem of dit papier soms »waarde"
voor hem had. Toen ik elk deel van het huis behoorlijk had doen
doorzoeken, trok ik af, de twee jonge welpen half dood van den schrik
achterlatende. Den volgenden dag werd er aan het gouvernementshuis
geklaagd, doch aangezien hier een oorlogsschip in betrokken was,
liep dit op niets uit. Intusschen kwamen er tijdingen uit Albany te
Quebec aan, inhoudende dat de President der Vereenigde Staten Engeland
den oorlog had verklaard; naar aanleiding hiervan nam onze commandant
van den Gouverneur afscheid; wij zakten met allen spoed de rivier af,
en nooit hoorde ik iets meer van mijnen vriend den koopman.
Met eene volle bemanning te Halifax teruggekomen, kregen wij dadelijk
bevel om zee te kiezen en den vijand alle mogelijke afbreuk te
doen. Wij stuurden op Bostonbaai aan, toen wij in den morgen, waarop
wij land haalden een tien of twaalftal koopvaarders zagen. De eerste,
dien wij benaderden, was eene brik; een onzer sloepen werd gestreken en
bemand, ik werd medegezonden en kwam op den Yankee, terwijl het fregat
voortging de overige te jagen. De kapitein van het schip zat op een
kippenhok en verwaardigde zich niet om op te staan of mij te begroeten,
toen ik langs hem ging. Hij was een kort, dik, vierkant mannetje.
»Ik gis dat gij een Engelschman zijt?" vroeg hij.
»Ik gis, dat dit waar is," zeide ik, evenals hij door den neus
pratende.
»Ik dacht wel, dat wij niet lang in onze wateren zouden zijn voor wij
er eenigen van jelui's gebroed uit het oude land zouden ontmoeten. Ge
zoekt er toch geen kwaad in wat ik zeide?" vervolgde de schipper.
»Och neen," zeide ik, »in 't minst niet; op den langen duur maakt
het niet uit. Maar waar komt gij vandaan en wat is uwe bestemming?"
»Kom van Smyrna, bestemd naar Boston, waar ik als God belieft, en
met een goed geweten, morgenochtend hoop binnen te loopen."
Uit dit antwoord bemerkte ik, dat hij nog niets van den oorlog af
wist, en daarom besloot ik er nog wat pret van te maken, voor ik
hem het noodlottige nieuws mededeelde. »En vertel eens," zeide ik,
»wat gij inhebt? Gij schijnt lichte lading te hebben."
»Niet zoo licht, zou ik denken," zeide de man; »wij hebben olijfolie,
rozijnen en nog zoo'n rommel."
»Wat bedoelt gij met rommel?" vroeg ik. »Verklaar u wat duidelijker."
»Wel, zie je, rommel is, wat wij noemen van alles wat. De een heeft het
met het eene op, een ander verlangt weer wat anders; sommigen houden
van amandelen, sommigen houden van zijde, sommigen hebben graag opium,
en sommigen (voegde hij er knipoogend bij) mogen graag dollars."
»En is dit nu de rommel, dien gij in hebt?" vroeg ik.
»Ik gis, dat dit zoo is," antwoordde Jonathan.
»En welke lading hebt gij uitgebracht?" zeide ik.
»Gezouten visch, meel en tabak," was het antwoord.
»En is dit al wat gij mede terugbrengt?" vroeg ik. »Ik dacht, dat de
Smyrna-handel nog al wat te beduiden had."
»Dat is ook zoo," zeide de argelooze Yankee. »Dertig duizend dollars
in de kajuit, behalve de olie en het andere goed, heeft ook nog al
wat te beduiden."
»Ik ben blijde, dat ik van die dollars hoor," zeide ik.
»Wat zal u dat uitmaken," zeide de kapitein; »een mager klein
aandeeltje zult gij krijgen, als wij aan het deelen gaan."
»Dat denkt gij; maar," zeide ik, »hebt gij onder weg het nieuws
gehoord?"
Op het woord »nieuws" kreeg de arme kerel een kleur, alsof hem de
geelzucht overviel. »Wat nieuws?" vroeg hij in een staat van onrust,
die hem bijna het spreken niet toeliet.
»Wel, anders niet, dan dat uw president Madison goedgevonden heeft
Engeland den oorlog te verklaren."
»Kom, gij schertst!" zeide de kapitein.
»Ik geef u mijn woord van eer, dat het waar is," zeide ik; »en uw
vaartuig wordt bij deze goeden prijs verklaard door Zijner Britsche
Majesteits schip de ----."
De arme man loosde een zucht, die als uit zijne broekspijpen scheen
op te komen. »Dan ben ik geruïneerd," zeide hij. »Het spijt mij,
dat ik van dien oorlog niet wat vroeger heb afgeweten; ik heb hier
op den bak zoo'n paar aardige, kleine kanonnetjes staan; gij zoudt
mij niet zoo gemakkelijk gekregen hebben."
Ik glimlachte op dit denkbeeld van wederstand tegen een goed bezeild
fregat van vijftig stukken; maar stoorde hem niet in het genot zijner
zelfbewuste kracht, en over iets anders beginnende, vroeg ik, of hij
wat voor ons te drinken had; het weder was zoo warm.
»Neen, ik heb niets," antwoordde hij nijdig, »en als ik had...."
»Kom, kom, mijn waarde," zeide ik, »gij vergeet, dat gij prijs gemaakt
zijt; beleefdheid is goedkoop en brengt hare rente wel op."
»Dat is waar," zeide Jonathan, getroffen op het gevoelige punt, »dat
is waar, gij doet slechts uw plicht. Hier jongen, breng die groote
kruik madera,--ik denk dat deze den jongen officier wel zal aanstaan;
en te gelijk eenige glazen en een van die flesschen rooden wijn,
uit het achterste kastje aan stuurboord."
De jongen gehoorzaamde, het gevraagde kwam spoedig boven. Terwijl
wij aan het praten waren, was het fregat blijven doorjagen, deed
de noodige losse schoten, liet de verschillende schepen, die het
voorbijkwam, bijdraaien, stuurde eene sloep op het eene af, vervolgde
het andere. Onze brik zeilde achter hem aan, met alle lappen er op.
»Zeg eens," zeide de kapitein, »mag ik u soms wat te eten aanbieden? Ik
gis, dat gij nog niet gedineerd hebt, daar de zon nog vóór den
meridiaan staat."
Onder dankbetuiging nam ik zijn aanbod aan; hij liet zich dadelijk
naar de kajuit zakken, zoo het heette om wat klaar te zetten; maar ik
geloof eer, dat het hem te doen was, om een en ander uit het gezicht
te bergen, en dit kwam later ook uit: hij verduisterde een zak dollars
uit de lading. Spoedig werd ik verzocht beneden te komen. Een stuk
ham en een gebraden kip lieten zich den hongerigen jonker goed smaken;
en toen er eenige glazen madera bij verwerkt werden, rees de barometer
van mijne stemming even hard, als de zijne daalde.
»Kom, kapitein," zeide ik, een vol glas omhooghoudende, »op een langen
en bloedigen oorlog!"
»Schande op hem, die daar geen amen toe zegt," zeide de
schipper. »Maar waar zijt gij voornemens mij heen te brengen? Ik
gis naar Halifax. Mijne kleeren en ander particulier eigendom mag ik
toch houden?"
»Al uw particulier eigendom," zeide ik, »is heilig; maar schip en
lading zijn ons."
»Wel zoo," zeide de man, »dat weet ik; maar als ge mij goed behandelt,
zult ge zien, dat ik geen ondankbare ben. Laat mij mijne zaakjes
maar houden, en dan zal ik u een nieuwtje vertellen waar ge wat aan
hebben zult."
Hij vertelde mij toen, op mijne belofte van zijn goed te zullen
eerbiedigen, dat wij geen oogenblik te verzuimen hadden, om een
vaartuig te pakken, dat met eene rijke lading uit Smyrna kwam,
en dat hij mij nu aanwees als nog slechts een stipje aan de kim; de
kapitein daarvan was een stadgenoot van hem, en hun beider bestemming
was dezelfde. Ik wendde mij minachtend van hem af en heesch te gelijk
een sein op om het fregat te praaien. Daar aan boord teruggekeerd,
vertelde ik den commandant, wat ik van den kapitein van den prijs
gehoord had, en wat ik dezen had toegezegd. Hij keurde dit laatste
goed, zond het noodige volk naar de brik in ruil voor de gevangen
bemanning, terwijl het fregat zeil maakte voor het aangewezen vaartuig,
dat 's avonds te negen uren in onze handen viel.
Ik wil niet aannemen, dat zulke verraderlijke handelingen bij de
Amerikanen eene gewone zaak zijn. Afscheid nemende van den schipper
van mijne brik, had ik nog het volgende stekelige gesprek.
»Ik gis, dat ik een kaperschip ga uitrusten en daarmede eenige van
jelui koopvaarders zal pakken."
»Pas maar op, dat gijzelf niet gepakt wordt en verder uw tijd moet zoek
maken aan boord van een onzer gevangenisschepen. Maar bedenk altijd,
wat er ook gebeuren moge, dat alles uw eigen schuld is; gij hebt
ruzie met ons gezocht om Boney [1] te behagen, en hij zal u alleen in
't gezicht spuwen, wanneer gij uw best voor hem hebt gedaan. Uw wijze
president heeft den oorlog verklaard aan het moederland."
»Wat kan ons het moederland schelen!" mompelde de Yankee; »ik gis,
dat gij meent het stiefmoederland. Voor mijn part moge het te gronde
gaan!!!"
Wij gingen met het vervolgen van schepen door, en tegen den nacht
had het fregat acht prijzen genomen; op een daarvan, een brik die
slechts ballast inhad, werden alle gevangenen overgebracht, mijn
Yankee vriend niet uitgezonderd, en het vaartuig daarop losgelaten,
vrij om den weg naar huis te volgen. Wij droegen zorg, dat allen hun
kleederen en hun bijzonder eigendom medekregen. Ik had hoop met mijn
prijs naar Halifax te worden opgezonden, maar daarvan kwam niets in,
zeker omdat mijn commandant in de peiling had, dat ik er niet veel
goeds zou uitvoeren; ik bleef bij hem aan boord. Wij kruisten nog
twee maanden en namen verscheidene kapers, sommige groote en sommige
kleine; eenige werden door ons verbrand, andere in den grond geboord.
Eens lag dergelijk vaartuig bij ons op zijde; alles wat de moeite waard
was er uitgenomen hebbende, staken wij, hoogst onvoorzichtig, den brand
er in vóór hij geheel vrij van ons was, en daar hij windwaarts van ons
lag, duurde dit eenige minuten vóór wij hem kwijt waren. Intusschen
begonnen de vlammen onrustbarend uit te breken en wel heel dicht bij
onze bezaansrust, terwijl er veel gevaar bestond, dat het over zoude
slaan, daar de twee drijvende massa's naar elkander toe bleven zuigen;
wij legden het roer op, en kregen de schuit met een krachtigen zet van
ons af, en toen wij eens vóór den wind lagen, dreef hij achter langs,
weldra geheel een vuurzee gelijk. Wij hadden den brand aangestoken,
om tijd uit te sparen, daar van top een nieuw schip gepraaid was,
dat wij nog vervolgen moesten, en het strijken eener sloep om hem
daarmede te vernielen ons te veel zou opgehouden hebben.
Vóór het einde van den kruistocht jaagden wij nog eens een schoener,
die zich op den wal liet loopen en daar uit elkander stootte;
wij namen toch het vaartuig in bezit, omdat het eene rijke lading
inhad. De schoener kwam van Bordeaux en moest naar Philadelphia. Na
vele kostbare zaken er uitgenomen te hebben, zag ik in het ruim,
dat reeds vol water stond, eenige kisten drijven. Toen wij hiernaar
gedoken hadden in het ijskoude water, bleek het fijne Bordeauxwijn te
zijn, waaraan wij ons duchtig te goed deden. Zoolang wij in de koude
waren, bemerkten wij hiervan niet de gevolgen, doch spoedig na onze
komst aan boord, begonnen wij te ontdooien, even als die jagershoorn
van den beroemden Münchhausen, waardoor het geheim uitkwam, dat wij
allen dronken waren. De commandant deed den volgenden dag onderzoek
naar den reden hiervan, en ik vertelde hem openhartig de geheele
geschiedenis. Hij was verstandig genoeg er om te lachen; bij andere
commandanten zou het volk er de noodige slaag voor gekregen hebben
en de officier, die er bij was, zijn weggejaagd geworden.
In de haven teruggekomen, verzocht ik vergunning om naar Engeland
terug te keeren, ten einde mijn examen voor luitenant te doen,
daar ik mijne jaren voor adelborst had uitgediend. Men gaf mij in
overweging om buitenslands te blijven en mijne kans op bevordering op
het vlaggeschip af te wachten; maar om meer redenen, dan ik verkoos
op te geven, bleef ik het examen in eene Engelsche zeehaven verkiezen,
kreeg diensvolgens mijn ontslag en kwam te huis.
Ik had brieven van mijn vader ontvangen, waarin ook deze mij te
huis riep, omdat hij mij met verschillende hooggeplaatste personen
in kennis wilde brengen en mij daardoor de hoogere rangen in den
zeedienst toegankelijk wilde maken. Die raad was goed, en aangezien
hij met mijn verlangen overeenstemde, volgde ik hem op. Ik scheidde
van mijn commandant op den besten voet en nam een hartelijk afscheid
van mijne kameraden en van de officieren.
Na een overtocht van zes weken kwam ik te Plymouth binnen, juist toen
mijne zes jaren dienst, die gevorderd werden, vol waren.