VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Spoedig na mijne aankomst in Plymouth, werd bij circulaire van het

vlaggeschip kenbaar gemaakt, dat den zooveelsten aan boord van de

Salvador del Mundo gelegenheid gegeven zou worden tot het afleggen van

het examen voor den rang van Luitenant ter zee. Ten spoedigste maakte

ik mijn vader hiermede bekend, hem mededeelende, dat ik er mij gereed

toe gevoelde en voornemens was de aanvraag daartoe in te dienen. Ik

kwam dienovereenkomstig op den aangewezen dag, met nog veertien of

vijftien andere hoopvolle adspiranten, op het vlaggeschip bijeen. Wij

waren allen gekleed in onze groot-tenue-rok, zoo onberispelijk

mogelijk, met een bundel journalen en aanteekeningboeken onder den

arm. Als zoovele schapen, die ter slachtbank worden geleid, werden

wij voorloopig afgezonderd in eene van zeildoek opgeslagen hut.

Tegen elf uren kwamen de hoofdofficieren, die ons onder handen

zouden nemen, aan boord aan. Toen wij een glimp van hun aanschijn te

zien kregen, kwamen wij overeen, dat de »snit van hunne kluivers"

niet erg in onzen smaak viel. Te twaalf uren werd de eerste naam

afgeroepen. Het »slachtoffer" verzamelde al zijn moed, ruimde zijn

keel, trok zijn boordje recht, verstrikte zijn das, en zijn steek en

boeken grijpende, volgde hij met stouten pas den bode naar de kajuit,

alwaar drie ernstig voor zich uit ziende heeren, in klein uniform

gekleed, hem wachtten. Zij waren aan eene ronde tafel gezeten; half

achter den president zat een schrijver; Moore's »zeevaartkunde" lag

voor hem, met een zeemansalmanak, lei, griffel, papier en inkt. De

bevende jonker kwam nader, en toen hij zeer eerbiedig zijne boeken

en getuigschriften van matigheid en goed gedrag aangeboden had,

werd hij verzocht te gaan zitten. De eerste vragen hadden alleen op

de theorie betrekking; en ofschoon hij die in de longroom en in elk

ander gezelschap met het meeste gemak zou hebben weten te beantwoorden,

was hij zoo bedwelmd en verlegen, dat hij zijn kop kwijtraakte, bij

de eerste vraag zenuwachtig trilde, bij de tweede bedenkelijk naar

boven keek en bij de derde nog minder wist te zeggen wat iets op een

antwoord geleek. Hij werd teruggezonden met aanbeveling om »nog eerst

een zes maanden te gaan varen."

Hij kwam bij ons in eene zeer ontroerde stemming; nooit zag ik iemand

meer verdriet hebben. Niet wetende, hoe spoedig ik in hetzelfde

geval zou kunnen verkeeren, had ik des te meer met hem te doen. Een

ander werd opgeroepen en kwam weldra niet gelukkiger terug; en de

beschrijving, die hij gaf van het bulderend uitvaren van den jongsten

kolonel, drukte ons in de hoogste mate terneder en was voldoende

om ons allen moed te benemen. Het was mij echter zeer nuttig dit te

weten. Bij onderzoek bleek mij, dat zij steeds over de theorie waren

gestruikeld, en ik was vol zelfvertrouwen wat dit onderdeel van mijn

vak aangaat, en vast besloten mij door dat bulderen van dien kolonel

niet van streek te laten brengen. Toen dit besluit bij mij rijpte,

kwam een derde candidaat onverrichter zake bij ons terug; en dit was

nog wel een jongmensch, op wiens bekwaamheid ik vol vertrouwen had

gehad; onwillekeurig deed mij dit in mijn zelfschatting nadeel. Toen

de vierde met een vroolijk gezicht kwam aanzetten en ons vertelde,

dat hij er door was, schepte ik weder adem; maar ook deze gerustheid

was van korten duur, daar hij er bij vertelde, dat een van de heeren

examinatoren een vriend van zijn vader was. Hierdoor werd het raadsel

opgelost; want gedurende den korten tijd, dien ik hem gekend had,

had ik dezen laatste voor allesbehalve een feniks aangezien.

Toen mijn eigen naam werd afgeroepen, kreeg ik een koud gevoel om

het hart, zooals ik nooit te voren ondervonden had, noch bij eenig

gevecht, noch gedurende den orkaan, noch toen ik ter reede van Spithead

klaar was om te water te gaan en naar den wal te zwemmen. »O macht der

onbeschaamdheid, o geest van de algebra," zeide ik, »sta mij bij, of ik

ben verloren." Nog al te spoedig naar mijn zin vloog de kajuitsdeur

voor mij open, werd door den schildwacht achter mij gesloten, en

bevond ik mij in tegenwoordigheid van het gevreesde driemanschap. Ik

had het gevoel van Daniël, toen hij den leeuwenkuil intrad. Ik werd

uitgenoodigd om te gaan zitten, en daarop staken mijne rechters de

hoofden bijeen tot eene korte beraadslaging, die ik niet verstaan

kon of wilde; terwijl ik in den tusschentijd gelegenheid vond mijne

tegenpartij van top tot teen op te nemen. Ik sprak mij zelf moed in

door te denken, dat ik één wel zou kunnen staan en, als ik dien nu

onzijdig wist te houden, de twee overigen ook wel klein zou krijgen.

Een van deze heeren had een gelaat als een beschilderde meloen,

en zijne hand die op de tafel lag deed aan de vin van een schildpad

denken; de nagels daarvan waren zoo kort afgebeten, dat het scheen

alsof de overblijfselen zich in het vleesch teruggetrokken hadden uit

vrees van verdere mishandeling, die de andere hand op dit oogenblik

had te lijden. »Nu," dacht ik in mijzelven, »als ik ooit ergens

ongemeubileerde bovenkamers te huur heb zien staan, dan is het in

die kokosnoot of pompoen van UEd."

De hoofdofficier, die naast hem zat, was een klein, mager,

donker, uitgedroogd gerimpeld mannetje met levendige oogjes en een

vooruitspringenden neus. Bij de adelborsten had hij den bijnaam van

»oude Chili-azijn" of »oude zuurspons". Hij was wat men een »ijzeren

Hein" noemt. Hij kon een matroos twee maanden lang op de zwarte lijst

houden en gaf hem het bodemstuk van een kanon om te poetsen en blank te

houden, zonder hem tijd te gunnen tot het heel houden zijner kleeren of

het schoonhouden van zichzelf, terwijl hij nu schoon en schitterend

moest houden, wat voor zijn eigenlijke bestemming beter zwart en

dof was. Zelden liet hij een man slaan; maar hij kon hem »negeren",

zoodat hij zichzelf niet meer was, door wat hij noemde »den duivel

uit te drijven." Spoedig bemerkte ik, dat deze kleine krates, die er

als een droog palingvel uitzag, het meeste had in te brengen. De derde

kolonel was een lang, knap, deftig man (de jongste van het drietal),

met een bevelende en strakke uitdrukking op het gelaat. Om de grootste

aardigheid zou geen spier daarvan tot lachen vertrokken zijn geworden.

Juist was ik met mijne opname gereed en had mij een oppervlakkig

oordeel gevormd over de eigenaardigheden mijner examinatoren, toen

mijn verhoor een aanvang nam en de president mij aldus aansprak:

»Ik houd het er voor, dat gij volmaakt op de hoogte zijt van de theorie

der stuurmanskunst; anders zoudt gij zeker niet hier gekomen zijn."

Ik antwoordde, dat ik hoopte dat dit blijken zou, als de heeren mij

geliefden te ondervragen.

»Hij is met zijn antwoord vlug genoeg," zeide de lange kolonel;

»ik denk, dat dit heerschap het meeste praats in de voorlongroom

heeft. Onder wien hebt gij gediend, jonker?"

Ik noemde de verschillende commandanten op, die ik gehad had, en

vooral lord Edward.

»O, zoo, dat is voldoende; als gij onder lord Edward gediend hebt,

dan moet gij wel op de hoogte zijn."

Ik begreep de afgunstige en schimpende wijze, waarop dit

gezegd werd, en bereidde mij daarom voor op een zwaren strijd,

overtuigd, dat deze man, die volstrekt geen zeeman was, het hoogst

aangenaam zou vinden, een van lord Edward's adelborsten te kunnen

afwijzen. Verscheidene vraagstukken werden mij voorgelegd, die ik

goed wist te beantwoorden. De heeren keken zeer nauwkeurig mijne

medegebrachte werkboeken en ook mijne getuigschriften na, en deden

mij toen eene vraag uit de hoogere wiskunde. Ook deze loste ik op;

maar toen bespeurde ik, dat het niet juist knapheid was, waar zij naar

zochten. De kleine gerimpelde kolonel scheen eigenlijk teleurgesteld,

dat hij mij nergens op vatten kon. Een moeielijk vraagstuk uit de

bolvormige driehoeksmeting lag voor hen, zorgvuldig uitgewerkt en

met de uitkomst duidelijk onderaan geschreven; maar deze mocht ik

natuurlijk niet zien. Zoodra ik die vraag opgelost had, werd mijn werk

met het hunne vergeleken; en daar het niet volkomen overeenstemde,

werd mij gezegd, dat ik het fout had. Ik werd daardoor niet van

mijn stuk gebracht, doch na mijn werk nog eens overgezien te hebben,

zeide ik, dat ik nergens eene vergissing kon ontdekken en de uitkomst,

uit de figuur, kon bewijzen.

»Ik geloof, dat gij uzelf al voor heel knap houdt," zeide de kleine,

dikke kolonel.

»Een tweede Euclides!" vulde de lange kolonel aan. »Vertel eens,

jonker de beteekenis van Pons asinorum?"

»Ezelsbrug, sir," zeide ik, hem vierkant in het gezicht ziende.

Nu bleek het mij klaar en duidelijk, dat de kleine, dikke kolonel nooit

van eene »brug voor ezels" had gehoord en daarom veronderstelde, dat

ik spotte met den langen kolonel, die zijn heele leven »binnenslands

gevaren" hebbende, wel van den Pons asinorum afwist, doch niet

zeggen kon welk probleem van Euclides het was, noch hoe het bij de

stuurmanskunst toepassing vond. De dikke kolonel proestte het daarom

van het lachen uit, zeggende: »Nu, hij heeft u goed beet; laat hem

stil loopen: straks zal hij het u nog benauwd maken."

Geraakt over deze opmerking, werd de lange kolonel driftig en

herinnerde, dat de laatst gestelde vraag niet naar behooren was

opgelost, en hij zwoer bij hoog en laag, dat hij mijn certificaat

niet teekenen zou, vóór de oplossing goed was ingediend. Ik bleef

volhouden, dat mijn werk goed was; beide oplossingen werden naast

elkaar gelegd en vergeleken: men dreigde mij weg te zenden, toen

tot groote ontsteltenis van de partij de fout in hun eigen werk werd

ontdekt. De dikke kolonel, die een goedaardig man was, lachte recht

hartelijk; de beide anderen keken ontstemd en boos.

»Dit deel zullen wij dan hierbij laten," zeide de ijzeren Hein:

»sta nu eens op en laat zien, wat gij met een schip weet te doen." De

veronderstelling was, dat het schip op de helling stond; het liep te

water; ik werd er als eerste officier op geplaatst en moest het verder

zeeklaar maken. Ik haalde het in het droge dok en liet het koperen;

verhaalde het onder den mastbok en zette de masten in; bracht het over

naar de ballastkade, nam over en stuwde den ballast en de waterkisten;

verhaalde naar de overzijde bij den tuigzolder, tuigde het schip van a

tot z op, sneed de zeilen, nam de batterij over, en de benoodigdheden

en de victualie; rapporteerde gereed te zijn; deed sein voor een loods;

ging er mede uit de haven; kreeg order er elders mede binnen te loopen,

en de ondiepten en klippen op te noemen op den weg naar Portsmouth,

Plymouth, Falmouth, Duins, Yarmouth, ja tot de Shetlands-eilanden toe.

Maar de kleine »ijzeren" en de lange kolonel konden maar niet

vergeven, dat ik in het trigonometrische vraagstuk gelijk had gehad,

en de ondervragingen gingen voort. Zij brachten mijn schip in alle

mogelijke omstandigheden, die bij de vele gevallen, welke op zee kunnen

voorkomen, in zulke eindelooze verscheidenheid bestaan. Ik moest elk

zeil bijzetten en bergen van een bovenbramzeil af tot een gaffeltopzeil

toe. Mijne masten werden weggeschoten, en ik zette noodmasten op: ik

had de zeilen daarbij pas gemaakt en zou juist eene haven inloopen,

toen »oude zuurspons" wreedaardig mijn schip over zij wierp, op bot

lagerwal, met donkeren nacht, onder een orkaan, en mij toen opdroeg,

mij daar eens uit te redden. Ik antwoordde, dat als er ankergrond was,

ik al mijne ankers zou laten vallen en afwachten wat er gebeurde; maar

dat, als er geene ankergrond was, noch hijzelf, noch iemand anders het

schip zou kunnen afbrengen, zonder verandering van den wind of eene

bijzondere tusschenkomst van de Voorzienigheid. Hiermede was »ijzeren

Hein" niet tevreden. Ik zag nu den toeleg om mij te laten »zakken", en

dat de uitkomst mijne hoop zou beschamen: dit maakte mij onverschillig;

dat eindelooze vragen begon mij tegen te staan, en ik maakte toen,

gelukkig voor mijzelf, eene vergissing, althans in de oogen van den

langen kolonel. De mij gedane vraag was juist eene, die aan boord

der schepen tot velerlei uiteenloopende opvattingen aanleiding gaf:

n.l. of wanneer de wind zeer achterlijk inkwam, het roer midscheeps kon

varen, dan wel een paar spaken òp moest leggen? Ik meende het eerste;

maar de lange kolonel beweerde het laatste en gaf daarvoor zijne

gronden aan. Op twijfelachtig terrein staande, gaf ik toe en dankte

hem voor den raad, dien ik verklaarde stellig te zullen opvolgen,

als ik in het geval kwam; toch was ik er zoo zeker niet van, dat hij

gelijk had, en sedert dien tijd heb ik dat ook ondervonden; maar mijne

meegaandheid vleide zijne eigenliefde, en van dat oogenblik af stond

hij mij vóór. Op zijn gelaat vertoonde zich een barsche glimlach,

hij wendde zich tot zijne collega's, en vroeg hun of zij voldaan waren.

Deze vraag maakt, evenals de hamer bij eene publieke verkooping, een

eind aan alle quaestie; want bij dergelijke gelegenheden zullen de

hoofdofficieren elkander niet tegenspreken; ik ontving de kennisgeving,

dat ik zeer voldoende geslaagd was. Ik maakte eene sierlijke buiging

en ging heen, op weg naar de schaapskooi overdenkende, dat ik bijna

mijne bevordering verspeeld had, door hunne ijdelheid te kwetsen, doch

dat alles nog goed terecht was gekomen, door die te streelen. Zoo gaat

het in de wereld; van mijn vroegste jeugd af werden steeds al mijne

ondeugden vergroot door het slechte voorbeeld, dat mijne meerderen

mij gaven.

Buitenslands zou mijn examen veel gemakkelijker zijn afgeloopen. Ik

herinner mij eens in de West-Indiën, terwijl wij op zee waren, dat

er eene sloep gestreken werd en daarmede een adelborst (die niet

eens den vollen diensttijd had, en wiens leeftijd en voorkomen aan

alles behalve zeevaartkundige kennis deden denken) naar een ander

met ons zeilend schip werd gezonden; na een kwartier was hij al terug

met een certificaat van goed afgelegd examen. Wij waren ten zeerste

verwonderd en vroegen, wat men hem toch wel in dien tijd gevraagd

had. Hij antwoordde: »Alleen naar de gezondheid van papa en mama; en

of ik port of witten wijn met water wilde drinken. Bij mijn heengaan,"

vervolgde de knaap, »zeide een der officieren, dat als ik naar huis

schreef, ik zijne eerbiedige groeten moest overbrengen aan lord en

lady G..... Hij had een kalkoen voor mij in de sloep laten brengen

en wenschte mij veel geluk."

Dit jongmensch werd spoedig bevorderd; doch overleed, gelukkig

misschien voor den dienst, op zijnen overtocht naar Engeland.

Zeker was er een zeer groot verschil tusschen dit examen en het

mijne; doch toen het eenmaal over was, verheugde ik mij juist over de

gestrengheid, die ik ondervonden had. Mijne eerzucht was gestreeld

door de zege mijner bekwaamheden; en toen ik mij het zweet van het

voorhoofd had afgewischt, verhaalde ik mijne moeielijkheden, mijne

beproevingen en den gunstigen uitslag op een toon van zelfbehagen,

die mij van een ander als onuitstaanbare ijdelheid zou geklonken

hebben. Het grootste voordeel van mijn lang examen, dat anderhalf uur

geduurd had, trokken de overige adelborsten, die daardoor slechts

weinig vragen kregen. De commissie was van haar werk vermoeid; en

dus waren het alleen de arme ongeluksvogels, die de eerste kracht van

haren vroegtijdigen morgenijver gevoeld hadden, die de lijdende partij

waren, en onder de »gezakten" waren meer bekende knappe jongens dan

onder degenen, die er met vlag en wimpel doorgerold waren.

Eene bijzonderheid verschafte mij veel genoegen. Toen de kolonels

op dek kwamen, riep »Zuursponsje" mij bij zich en vroeg, of ik ook

familie was van Mr.---- Ik vertelde, dat dit mijn oom was.

»Wel, mijnheer! dat is mijn beste vriend. Waarom hebt ge niet gezegd,

dat gij zijn neef waart?"

Ik antwoordde met nagebootste nederigheid, die zeer na geparenteerd

was aan onbeschaamdheid, dat ik niet aan zijn gezicht had kunnen

zien, dat hij mijn oom kende, maar dat, als ik het geweten had,

ik te kiesch zou zijn geweest er bij deze gelegenheid melding van

te maken; daar het òf gebrek aan vertrouwen in mijne eigene kennis

zou verraden hebben, òf den schijn zou gegeven hebben, dat hij door

die mededeeling verzocht werd, mij eenigszins genadig te behandelen,

wat veel van eene beleediging zou gehad hebben.

»Dat is allemaal mooi, en allemaal waar," zeide de oude heer, »maar

als gij eerst eens wat ouder zijt en wat meer van den dienst hebt

gezien, dan zult gij minstens evenveel op uwe vrienden, als op uwe

verdiensten rekenen; en maak daar staat op, dat gij er te beter bij

varen zoudt, als ge bewijzen kondt een broers kind van den ouden

kater aan de Admiraliteit te zijn. Maar enfin, alles is nu voorbij

en afgeloopen; maar breng mijne groeten aan uwen oom over en zeg hem,

dat gij uw examen op eene alleszins bevredigende wijze hebt afgelegd."

Dit zeggende, groette hij de wacht, die in het geweer stond, en

ging den valreep af naar de giek, die hem wachtte. Toen hij de trap

afsteeg, mompelde ik in mijzelven: »De duivel hale uw apengezicht,

koffiekleurige, kleine krates! Het is uwe schuld niet, dat ik er door

ben. Ik houd het er voor, dat uw vader broeken-lapper was van den

bottelier van den eersten lord (van de Admiraliteit), of misschien

waart gij zoogbroeder van een anderen toekomstigen lord, en daaraan

hebt gij het commandement te danken van de ----."

Verrukt over den gunstigen uitslag van dezen dag, sprong ik dien avond

in den postwagen en bereikte spoedig daarop mijns vaders huis. De

ontvangst aldaar was zeer hartelijk; doch de dood had gedurende mijn

afzijn groote offers van mijne familie geëischt. Mijn oudste broeder

en twee mijner zusters waren achtereenvolgens gestorven, en mijn vader

bezat nu nog slechts eene jongere zuster en mijzelven. Ik moet bekennen

dat mijn vader mij zeer getroffen ontving; zijne bittere droefheid

over het verlies zijner kinderen, de gevaren die ik had doorstaan,

de stellige bewijzen van mijn goed gedrag, die hem onder de oogen

waren gekomen, dat alles bracht er toe bij hem al mijne dwalingen

te doen vergeten; en hij scheen, en was in werkelijkheid, meer dan

vroeger met mij ingenomen en trotsch op mij.

Ik wil geene pogingen doen mijne eigene gevoelens bij deze gelegenheid

te verbergen. Zeker was ik bedroefd over den dood mijner naaste

verwanten, maar het bericht daarvan had ik ontvangen te midden van de

afleiding van eenen zeer drukken dienst. De dood was voor mij niets

buitengewoons; en destijds maakte mijn verlies op mij een zoo geringen

indruk, dat ik niet eens den draad van mijn verhaal heb afgebroken

om er toen melding van te maken. In werkelijken zin was ik verhard

geraakt door mijne omgeving en mijne levenswijze. Het fijne gevoel

was bij mij verstompt door de ruwe school der ondervinding, die ik

doorloopen had. In het verlies van mijn ouderen broeder troostte

ik mij gemakkelijk. Mijne ouders hadden hem steeds voorgetrokken

en mij aanleiding gegeven hem vaak te benijden. Thomas was altijd

een geschikte, brave jongen geweest, ik daarentegen een rumoerige

wildzang. Groote sympathie had er tusschen ons nooit bestaan.

Mijn beide zusters had ik eigenlijk slechts zeer weinig gekend. Nooit

had ik mij veel aan haar laten gelegen liggen. Nu ik ze verloren had,

gevoelde ik eerst wat eene bron voor broederlijke genegenheid weder

voor mij verstopt was geraakt. Onwillekeurig bracht ik thans alle

liefde op mijne overgebleven zuster over. Ons beider verlies had ons

nader tot elkaar gebracht.

Daar mijn vader nog al eenigen invloed had en ik thans op goede

getuigschriften kon wijzen, ontving ik mijne benoeming tot luitenant

bij Zr. Ms. zeedienst ongeveer veertien dagen na mijne aankomst in

Londen; maar aangezien ik nog geene plaatsing had gekregen, besloot

ik een korten tijd eenige vergoeding te nemen voor de harde dagen op

de Amerikaansche kust doorgebracht. Het streelde mij thans werkelijk

iets te zijn en, zoo noodig, onafhankelijk van mijnen vader te kunnen

leven; deze bevordering verschafte mij meer genoegen dan de twee,

die hier op gevolgd zijn.

Nauwelijks was de vreugde over mijne benoeming uit, of ik dacht

aan Emilia; en toen ik twee dagen in het bezit van dien rang was,

gaf ik mijn vader mijn voornemen te kennen om een bezoek op ... Hall

te brengen.

Mijn vader was op dat oogenblik in zeer opgeruimde stemming; wij

zaten, na een goed middagmaal, samen onder genot van een flesch wijn

te praten. Ik was de woordvoerder en deed hem schudden van het lachen

over mijne grappen te Quebec en Prins Edwards Eiland en aan boord. Toen

ik van miss Sommerville sprak, zeide mijn vader niet te twijfelen,

of zij zou zeer verheugd zijn mij weer te zien, en dat zij thans het

mooiste en liefste meisje uit den ganschen omtrek was.

Den lof van Emilia hoorde ik met schijnbare kalmte en onverschilligheid

aan, en alsof zij mij volstrekt niet na aan het hart lag, beweerde

ik dat zij altijd aanleg gehad had een mooi meisje te worden, »maar,"

zeide ik, »aan mooie meisjes is tegenwoordig geen gebrek."

Dit gezegde maakte op mijnen vader een zeer verkoelenden indruk

en gaf hem aanleiding aan den heer Sommerville, nog vóór ik naar

... Hall vertrok, mede te deelen, dat een plan dat zij zamen voor de

toekomst hunner kinderen op het oog hadden gehad, wel geen groote

kans op vervulling meer had. Dit bericht had men voor Emilia niet

geheel kunnen verbergen.

Wat mij nu eigenlijk bewogen had met mijnen vader, die mij zoo

vriendelijk te gemoet was gekomen, zoo onoprecht om te gaan, weet ik

niet te verklaren; het was weer die oude lust tot bedriegen, die in

mij opkwam. Sedert er zooveel betere berichten van mij waren thuis

gekomen en mijne vooruitzichten waren verbeterd, hadden de beide oude

heeren eens de mogelijkheid besproken en elkaar den wederkeerigen

wensch verraden, dat Emilia, die niet had kunnen verzwijgen, dat

zij mij genegen was, en ik een paar zouden worden, zoodra ik den

kapiteinsrang in den zeedienst zou hebben verkregen. Vandaar dat mijn

vader zich gehaast had mijne veranderde zienswijze aan zijnen vriend

mede te deelen.

Emilia was over mijne gebleken onverschilligheid natuurlijk zeer

ontstemd; langzamerhand won bij haar de overtuiging veld, dat zij hare

genegenheid aan eenen onwaardige had geschonken. Toen verkreeg hare

jonkvrouwelijke fierheid weder de overhand en schonk haar althans

de noodige kalmte en troost om zich bij ons spoedig daarop gevolgd

wederzien met gepaste terughoudendheid te gedragen.

Ik werd te ... Hall dus beleefd, maar overigens vrij koel ontvangen. Ik

zag dadelijk in, dat het mij groote moeite zoude kosten den hoogst

ongunstigen indruk weg te nemen, die mijne onverschilligheid, te huis

aan den dag gelegd en door den brief van mijnen vader bekend geworden,

had teweeggebracht. In den grond mijns harten was ik echter Emilia

blijven liefhebben; ik had slechts den schijn aangenomen, dat zulks

niet langer het geval was, en Emilia zelve werd door mijne vernieuwde

betuigingen hiervan langzamerhand ook overtuigd. Toen ons bijeen zijn

dan ook nog slechts kort geduurd had, werden wij volkomen verzoend.

Het gebeurde kon wederom niet anders dan een diepen indruk op mijn

gemoed teweegbrengen. Opnieuw kwamen de beste voornemens, om eens

eindelijk een meer eerlijk, braaf, oprecht en degelijk mensch te

worden, bij mij boven.

In het bijzijn van Emilia vlood weder de tijd met snelheid voort,

en te vroeg naar ons beider verlangen was weder de ure der scheiding

aangebroken.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 26 / 38 题