De Bermudas hebben iets zoo bijzonder schoons, dat men die
eilandengroep voor eene verblijfplaats van nimfen zou aanzien. Zij
bestaan uit rotsen, door een koraalrif omgeven, en heeten in aantal
overeen te komen met de dagen des jaars. Zij zijn bedekt met laag groen
en donkere ceders, waartusschen lage witte huizen, met een vroolijk en
bevallig aanzien; de ankerplaatsen zijn talrijk, doch hebben weinig
diepte, en mogen er al veel vaarwaters tusschen de eilanden zijn, er
is slechts een voor groote schepen dat naar de voornaamste haven leidt.
Talrijke grotten, waarvan het gewelf schittert van prachtig druipsteen,
in allerlei grillige vormen neerhangende, zijn op vele van de eilanden
aanwezig. Weer elders treft men fonteinen en bronnen aan van het
helderste en koelste water. De zeelieden hebben het bijgeloof, dat
deze eilanden op de zee drijven en dat de onderkorst zoo broos is,
dat men weinig inspanning noodig heeft om er door te breken. Een
matroos, die wegens wangedrag en dronkenschap in de wacht was gezet,
stampte op den grond en schreeuwde de soldaten bij elkaar. »Laat mij
er uit, of voor den d..... ik stoot een gat in den bodem, laat je
eiland zinken en stuur jelui allemaal de hel in." Overal tusschen de
eilanden vindt men klippen en riffen, doch het menigvuldigst komen
zij voor aan de Noord- en Westzijde. Bij de inlandsche loodsen zijn
ze alle bekend en doen dienst als een versperrend bolwerk tegen
verrassing en nachtelijken overval.
Groot is de verscheidenheid aan visch in deze wateren, schoon voor
het oog en heerlijk van smaak; de roode klipvisch is van deze het
beste. Wanneer men op een kalmen, zonnigen dag, in een bootje tusschen
deze bekoorlijke eilanden drijft, is het alsof men vaart boven een
onderzeeschen tuin, vol bloemen van velerlei kleur; boomstammen,
varens, struiken, reusachtige bloemkolen schijnen daar in rechte
verwarring tusschen zandpaden ingeplant te zijn. Het is inderdaad
eene prachtvolle schilderij, waarnaar men uren lang kan blijven staren.
Mijn voornaamste bezigheid was altijd op het water, en natuurlijk trok
dit mij te meer aan, naarmate het gevaar er aan verbonden grooter
was. Hierdoor zag ik dan ook met verlangen naar de walvischvangst
uit, waarvoor de tijd thans naderde. De woestheid van dezen visch,
op zulke zuidelijke breedte, schijnt vermeerderd te zijn door de
warmte van het klimaat en de zorg voor de jongen; om deze redenen is
zeker het gevaar bij de vangst grooter dan in de poolzeeën.
Naar hetgeen ik heb kunnen te weten komen van de natuurlijke historie
van den walvisch, brengt deze zijne jongen, zelden meer dan een te
gelijk, in de noordelijke streken ter wereld. Daarna zoekt de moeder,
met het jong naast zich, een zachter klimaat op, om het groot te
brengen. Gewoonlijk bereiken zij de Bermudas tegen medio Maart; blijven
daar enkele weken, bezoeken dan de West-Indische eilanden om dan weder
zuidwaarts te trekken en om Kaap Hoorn door de Beringstraat weer naar
de Noordelijke IJszee, die zij den daaropvolgenden zomer bereiken,
terug te keeren. De jonge walvisch, die in de warmte krachtig en
groot is geworden, kan in het noorden zijne vijanden staan en paart
daar weder. Uit eigen ervaring en onderzoek, ben ik vrij zeker, dat
dit eene juiste omschrijving is van de zwerftochten van deze beesten
en dat de wijfjes met hare jongen jaarlijks de reis maken rondom de
beide grooten deelen van Amerika.
De moederlijke zorg van de walvisch maakt haar eene gevaarlijke
tegenpartij, en ernstige ongelukken komen bij de vangst veelvuldig
voor. Eens had ik het voldoen aan mijne nieuwsgierigheid bijna met
mijn leven moeten boeten.
Ik maakte een tocht in een der walvischbooten mede. De boot werd
geroeid door kleurlingen, inwoners van het eiland, die zeer ondernemend
en bekwaam in de vangst zijn. Wij zagen een walvisch, die met haar jong
rondom de koraalklippen speelde; het was werkelijk aandoenlijk om te
zien, hoeveel oplettendheid zij haar jong schonk en hoe zij zorgde om
het voor gevaren te waarschuwen. Zij geleidde het weg van de booten,
zwom er omheen, deed soms als wilde zij het met de vinnen omvatten
en rolde er mede rond in de golven. Wij slaagden er in eene gunstige
standplaats in te nemen, door aan de zeezijde van haar te komen, en
haar zoo tusschen de rotsen in ondiep water te drijven. Ten laatste
kwamen wij zoo dicht bij het jong, dat de harpoenier zijn wapen reeds
richtte, wetende dat als het kind eenmaal getroffen was, de moeder,
die het nooit verlaten zou, in onze macht zou zijn. Het dreigende
gevaar, waarin haar onervaren afstammeling verkeerde, bemerkende,
zwom zij er snel rondom heen, in steeds kleiner kringen, daarbij den
grootsten angst aan den dag leggende; doch de ouderlijke vermaningen
waren vruchteloos, en het jonge dier ontging zijn noodlot niet.
De boot wist den kleinen visch nabij te komen en de harpoenier wierp
hem zijn vreeselijk wapen tusschen de ribben, diep in het vleesch. Zich
gewond voelende, ontvluchtte ons het arme dier, een honderd vadem
lijn achter zich medetrekkende; doch een jonge visch, die eens goed
geraakt is, legt het spoedig af. Dit bleek ook hier; niet zoodra was
de lijn strak gekomen, of hij kwam op de oppervlakte van het water,
draaide zich op den rug en bleek dood te zijn. De bedroefde moeder
wilde het lijk niet verlaten, getrouw door een instinct dat sterker
was dan de rede.
Wij haalden de lijn in en kwamen daarop dicht bij onze prooi,
juist toen van eene andere boot de harpoen den grooten visch had
getroffen. De staart van het woedende dier kwam met zulk eene
onweerstaanbare kracht op het midden van onze boot terecht, dat
deze door midden brak en twee man doodgeslagen werden; wij overigen
zwommen naar alle richtingen om ons leven te redden. De walvisch
zwom nu op de derde boot aan; doch werd in hare vaart gestuit door
de lijn van den harpoen; zij sleepte daaraan de tweede boot met eene
10 mijls vaart door het water; en had zij zich in de diepte bevonden,
dan zoude zij deze mede naar beneden getrokken hebben, tenzij men er
tijdig de lijn afsneed.
Beide booten hadden het zoo druk met zichzelf, dat zij een tijdlang
niet ter onzer hulp konden komen; wij waren dus langer, dan ik
aangenaam vond, aan onze eigene krachten overgelaten. Ik was op het
punt om naar den jongen walvisch te zwemmen, toen een der roeiers
mij daartegen waarschuwde, zeggende dat er wel zooveel haaien in
den omtrek zouden zwerven als men rechtsgeleerden om Westminster
Hall telt, en dat ik er stellig bij zou zijn als ik ze te na kwam;
tot mijne geruststelling voegde hij er bij: »Die duivels zullen
zelden een mensch pakken, als zij iets anders kunnen krijgen". Hoe
waar dit ook zijn mocht, moet ik erkennen dat mijne blijdschap groot
was, toen ik eene der booten tot onze redding zag opdagen, terwijl de
moeder-walvisch, verward geraakt in de lijn, nog steeds den harpoen in
het lijf gevoelende, uitgeput door bloedverlies, dat als eene zwarte
fontein opspoot, haar jong naderde en aan zijne zijde stierf, nog tot
het laatste oogenblik toe méer om haar kind dan om zichzelf denkende.
Zoodra zij zich op haren rug wentelde, zag ik, dat ik reden had om
dankbaar te zijn voor de ontvangen raadgeving; de beide doode visschen
waren omringd van wel dertig of veertig haaien, die trouw volgden,
toen wij hen naar binnen sleepten. Toen wij hen in ondiep water,
dicht bij het strand, zoover mogelijk opgetrokken hadden, werd
het spek afgesneden; daarna werd het vleesch aan de inboorlingen
overgelaten, die in grooten getale toegestroomd, met hunne messen
daarvan groote reepen afhaalden. Met dezelfde vrijgevigheid hielpen
zich de haaien met hunne tanden; maar het was opmerkelijk hoe
straffeloos de zwarten dikwijls tusschen hen en de walvisch konden
komen; nooit werden zij aangevallen. Vreemd was het schouwspel die
zwarten, met het schitterend wit hunner oogen en hunne witte tanden,
juichende, lachende, schreeuwende, te midden van tallooze haaien,--de
meest verslindende der zeemonsters,--als 't ware levende in een soort
van wapenstilstand, slechts noodzakelijk gedurende de tegenwoordigheid
van een derde voorwerp.
Ziende dat er voor mij op den duur noch eer, noch voordeel te behalen
was in dit soort van afwisseling, gaf ik de walvischvangst op en nam
passage naar Halifax op een schoener. Dit soort van vaartuigen werd
plaatselijk aangebouwd, naar het model van de Virginia loodsbooten;
doch geleek, evenals de meeste onzer navolgingen, bijna evenveel op
het oorspronkelijke vaartuig als een os op een haas gelijkt, ook
dezelfde verhouding bewarende op het punt van snelzeilendheid. En
alsof men nu opzettelijk de Engelsche vlag wilde onteeren, werd het
bevel over dergelijke vaartuigen opgedragen aan officieren, die geen
commandant meer konden krijgen om onder te dienen, door wangedrag
overbekend geraakt, en die nu, zeer onverstandig, op kleine scheepjes
werden gezet, waar zij hun eigen meester waren en zich veelvuldig en
ongestraft aan den drank te buiten gingen. Ook mijn commandant bevond
zich van ons vertrek af tot aan de komst te Halifax in voortdurenden
staat van dronkenschap. Het voorbeeld van den luitenant werd gevolgd
door zijn ranggenoot en door drie der adelborsten; de bemanning,
uit vijf-en-twintig koppen bestaande, werd nuchter gehouden, door
hen niet meer dan hun rantsoen te verstrekken; ik voor mij zag de
toekomst vol vertrouwen(?) in.
Gelukkig behoorde drinken niet tot mijne ondeugden. Ik kon »wel
eens een waar aanhebben" zooals wij dit noemen, wanneer ik in goed
gezelschap was en opgewekt door geest en vroolijkheid; maar nooit
kwam het tot »dronkenschap"; en naarmate ik ouder werd, maakten
trotschheid en eigenbelang mij in dat opzicht nog omzichtiger. Ik
zag het groote voordeel in, dat matigheid over een dronkaard geeft,
en verzuimde niet om daarvan gebruik te maken.
Bijna al den tijd, dien onze overtocht duurde, 's nachts zoowel als
over dag, bleef ik aan dek een oog houden over den gestuurden koers
en den stand der zeilen, zonder ooit den commandeerenden officier, die
steeds »buiten westen" in de kajuit lag, daaromtrent te raadplegen. 's
Avonds liepen wij het licht van Sambro' (aan den ingang der haven
van Halifax) in het zicht, en een der adelborsten, die slechts half
dronken was, verklaarde dat hij goed met het vaarwater bekend was; zijn
aanbod om het vaartuig binnen te loodsen, werd aangenomen. Aangezien
ik hier nimmer te voren was geweest, kon ik niet van nut zijn; maar
zeer sterk twijfelende aan de bekwaamheid van onzen loods, sloeg ik
met achterdocht zijne handelingen gade.
Reeds binnen het half uur zaten wij vast op de kust van
Cornwallis-Eiland, zooals ik later vernam dat het heette, en braken
de zeeën geducht over ons heen. Dit ontnuchterde den commandant en
zijne officieren; en daar het water zakkende was, kwamen wij spoedig
hoog en droog te zitten. Het schip viel over zij, en ik wandelde het
strand op, vast besloten mij nooit weder toe te vertrouwen aan zulk
eene ordelooze bende. Toen de dag aanbrak, kwamen de noodige sloepen
van de werf ter assistentie en brachten mij en eenige anderen, die mijn
voorbeeld gevolgd hadden, met pak en zak naar het vlaggeschip. Na twee
dagen hard werken, kreeg men den schoener vlot en binnen. De admiraal
werd op de hoogte gebracht van de wijze, waarop wij gestrand waren,
en een der hoofdofficieren raadde hem aan den luitenant voor den
krijgsraad te trekken, of allerminst zijn bevel te ontnemen en naar
huis te zenden. Ongelukkigerwijze volgde hij dien raad niet op, maar
zond hem weer in zee om brieven over te brengen. Het werd bekend,
dat thans iedereen, ook het volk, dronken was bij het verlaten van
de haven; even buiten, werd het vaartuig op de Gezusters, een stel
klippen, aangestuurd, stootte zwaar lek en zonk in de nabijheid,
waarbij niemand gered werd. Den volgenden morgen zag men niets dan
de toppen der masten boven water.
Spoedig na mijne aankomst te Halifax, kwam het fregat, waar ik aan
boord hoorde, de haven in. Het speet mij wel, dat dit zoo spoedig
gebeurde, want ik had het mij in de plaats zeer genoegelijk weten
te maken. Ik had aanbevelingsbrieven voor de voornaamste familiën
medegebracht. De stad is bekend om hare gastvrijheid; de jonge
dames waren er allerliefst, en haar omgang werkte hoogst beschavend
op mijne aan boord aangenomen ruwe en vrije manieren. Toen ik mij
op mijn schip bij den commandant aanmeldde, die zooals ik hierboven
reeds heb medegedeeld een edelman was, verwachtte ik een verwijfden
jongen man te zullen aantreffen, veel te fijn van manieren om zijn
vak te kennen; doch ik vond mij bedrogen. Lord Edward was op-en-top
zeeman, hij kende een schip door en door, begreep de geaardheid van de
matrozen en wist hun vertrouwen in te boezemen. Bovendien was hij een
goed werktuigkundige--timmerman, touwslager, zeilmaker en kuiper. Hij
wist al het matrozenwerk te verrichten, reven, sturen, looden, splitsen
en knoopen; alleen was hij geen redenaar,--hij las weinig en sprak
nog minder. Hij was een man van weinig uiterlijke vertooning, maar
goed gehumeurd, eerlijk en recht door zee, voorzien van een grooten
voorraad gezond verstand. Met de officieren ging hij vrij en zeer
aangenaam om; als men hem boos maakte, kon hij heftig zijn, doch
bedaarde weer spoedig; nooit kon men bemerken, dat hij zich iets op
zijn adeldom liet voorstaan. Met mijne practische zeemanschap scheen
hij zeer ingenomen te zijn, en reeds vóór wij de haven verlieten,
was ik zeer bij hem in gunst gekomen. Ik deed mijn best op dien voet
met hem te blijven, daar ik hem genegen was, zoowel om zijn persoon,
als om zijne goede eigenschappen, afgescheiden nog van het voordeel
bij zijn commandant gezien te zijn.
Niet lang was het ons vergund te vertoeven in dit zeemans eldorado;
wij kregen last tot een spoedig vertrek naar Quebec.
Nog niet lang waren wij in zee, toen wij een Iersch vaartuig van
Belfast praaiden, landverhuizers ten getale van zeventien families
voor de Vereenigde Staten aan boord hebbende. In dien tijd stonden
landverhuizers met contrabande gelijk; wij mochten hen hunne bestemming
niet laten bereiken. Onze commandant bezat echter twintigduizend morgen
land op St. John's, of zooals het later heette, Prins Edward's Eiland,
eene gift, die een zijner voorouders gekregen had, nu op hem was
overgegaan, maar die tot nog toe nog geene shilling aan rente had
opgebracht, om de doodeenvoudige reden, dat er geene handen waren
om het land te bebouwen. Het kwam onzen adellijken commandant voor,
dat dit nu juist een kolfje naar zijne hand was en dat deze Ieren
uitstekende bewerkers van zijne gronden zouden wezen en zijn landgoed
productief zouden maken. Hij deed hun het voorstel, en daar zij nu
toch geene kans zagen om de Vereenigde Staten te bereiken, het hen
slechts te doen was om voor zich en hunne gezinnen het levensonderhoud
te vinden en eigenlijk onverschillig waar zij zouden koloniseeren,
werd het aangenomen. De commandant wist het met zijne zeilorders
overeen te brengen hen naar het genoemde eiland over te voeren en
aldaar onder dak en aan het werk te brengen. In zekeren zin kon niets
voor beide partijen voordeeliger zijn: de schrale bevolking van onze
eigene nederzetting werd er door aangevuld, in plaats dat het aantal
onzer vijanden er door vermeerderde.
Wij kwamen, na eene voorspoedige reis, in eene kleine haven van het
eiland ten anker, niet ver van de bezitting, alwaar wij het landhuis
bewoond vonden door een man met zijne familie, die zich den opzichter
noemde. Voor zoover ik kon opmerken bij mijn verblijf van drie weken,
kwam hij mij voor schurkachtig genoeg te zijn voor de waarneming van
elke mogelijke opzichters- of rentmeestersbetrekking op eenig adellijk
landgoed in Engeland zelf.
De commandant trok naar den wal en nam mij, als zijn adjudant,
mede. Voor zijn lordschap werd een bed in het huis van den
opzichter gereedgemaakt, doch hij verkoos op het hooi in de schuur
te slapen. Zooals ik reeds met een enkel woord gezegd heb, was de
edele lord iemand, wiens gedachtengang slechts zelden zijn tong en
lippen in beweging bracht; hij hoorde veel liever een ander spreken,
dan dat hij het zelf deed; en wie ook bij hem was, deze moest altijd
het gesprek gaande houden. Verder was de gewone manier van praten
tegen hem niet voldoende om zich begrijpelijk te maken; men moest
hetgeen men te zeggen had, op drie verschillende wijzen inkleeden,
en voor elke daarvan had hij eene bijzonderen uitroep. Deze laatste
waren: »Wat?" »he?" en »ah zoo." De eerste gaf aan, dat hij oplette,
de tweede dat hij gedeeltelijk begreep, de derde dat hij geheel op
de hoogte was of goedkeurde, waarbij tot meerdere duidelijkheid de
laatste lettergreep sterk en lang werd uitgehaald en van een soort
glimlach vergezeld ging.
Ik zal een voorbeeld geven van onze genoegelijke wijze van
converseeren. Zijn lordschap ving het gesprek aan, toen wij onze
nachtkwartieren op het zachte droge hooi betrokken hadden:
»Zeg eens,"--er volgde eene pauze.
»Mylord?"
»Wat zouden zij in Engeland wel zeggen, als zij ons hier zagen liggen?"
»Ik denk mylord, dat zij wat mij betreft er niets in vinden zouden,
maar voor u zouden zij het eene al te eenvoudige slaapkamer voor een
edelman vinden."
»Wat?"
Dit wist ik, dat het sein was om het op eene andere wijze nog eens
over te zeggen. »Ik merkte op, mylord, dat het onder uwe vrienden
in Engeland veel bevreemding zoude wekken, dat iemand van zoo hooge
afkomst als u, zijn leger in eene schuur, ging opslaan.
»He?" zeide zijne lordschap.
Dat gaat niet, dacht ik bij mijzelf: òf uwe lordschap, òf ikzelf,
een van beiden zijn wij erg onbegrijpelijk. Ik zal het nog eens
beproeven, zoo dood van den slaap als ik ben. »Ik zeg, mylord, dat
als het volk in Engeland wist, dat gij in uw hart zoo'n zeeman zijt,
zij bij geene uwer handelingen gek zouden opkijken; maar die u nu niet
zoo goed kennen, zullen het zeer vreemd vinden, dat gij met zulk een
kwartier tevreden zijt."
»Ah, zoo... o... o!" riep zijn lordschap, zegevierend uit.
Welke verdere opmerkingen hij dien avond nog verkoos te maken, weet ik
niet, want ik viel in een diepen slaap en ontwaakte niet vóór geheele
hoenderbenden uit hare nesten opvlogen en een schrikbarend geweld om
hun ontbijt begonnen te maken, toen zijn lordschap opstond, zichzelf
eerst en toen mij, doch dit op eene heel andere wijze, wakker schudde;
het beantwoordde evenwel aan de verwachting om mijn hoofd weer tot
helderheid te brengen, dat door het kippengekakel alleen een weinig
daartoe op weg was geraakt.
»Kom! er uit, gij luie drommel," riep mijn commandant. »Denkt gij den
geheelen dag te blijven slapen? Wij hebben werk genoeg voor den boeg."
»Ja, ja, mylord," zeide ik, vloog overeind en maakte in denzelfden
korten tijd en op dezelfde manier als een Newfoundlandsche hond mijn
toilet, n.l. door mij eens hartelijk te schudden.
Eene groote partij van de equipage kwam onder geleide van den timmerman
aan den wal, de noodige gereedschappen medebrengende voor het omhakken
van boomen en bouwen van ruwe loodsen. Dit werk was noodig om onze
arme landverhuizers onder dak te brengen. Het volk begon eene groote
ruimte schoon te kappen, door tal van pijnboomen, waaruit hier het
meerendeel der bosschen bestond, te vellen. Eene goede plek voor de
woningen gevonden hebbende, plaatsten wij in langwerpig vierkant vier
stammen in den grond, van boven van eene inkeping voorzien, waarop weer
eene dwarspaal kwam te rusten. De ruimte hiertusschen werd weer door
dunnere boomen, goed aaneengesloten, aangevuld, de deuren en vensters
werden uitgespaard, de kleine openingen met klei en mos aangestampt,
eindelijk het dak er op gebracht, bestaande uit de takken, de bladen en
de bast van eene andere boomsoort. Door oefening werd ik langzamerhand
een bekwaam bouwkundige, en zag kans met een dertig man, in eenen dag,
een vrij goed huis samen te stellen.
Door omhakken, branden en ontwortelen maakten wij nu verder zooveel
land schoon, als noodig was om de kleine kolonie een jaar lang te
onderhouden; en na een stuk met koren bezaaid en een ander met
aardappelen bepoot te hebben, lieten wij nog allerlei artikelen
van dagelijks voorkomende behoefte in de nieuwe vestiging achter,
waarna wij onze planters aan hun verder lot overlieten. Tot mijn
groote genoegen keerden wij daarop, overeenkomstig onze instructie,
naar Halifax terug. Bij het binnenloopen aldaar was ik zoo verdiept
in het uitkijken naar de verschillende balcons en ramen, waaruit bij
ons vertrek, witte zakdoeken ons tot vaarwel hadden toegewuifd, dat
ik verzuimde naar de dienstseinen te zien en daarvoor eene ernstige
berisping van den commandant ontving.
Het sein, dat ik niet had opgemerkt, woei van de Ceinturion,
het admiraalsschip, en had een grooten invloed op onze naaste
bestemming. De president van de Vereenigde Staten maakte aanstalten
tot een oorlog tegen Engeland, wat eigenlijk door niemand verwacht
was, en alle schepen in de haven van Halifax werden gereedgemaakt tot
bevechten der Yankees. Het eskader zeilde in September uit, en na een
kort wederzien nam ik nogmaals afscheid van mijne talrijke kennissen.