TWAALFDE HOOFDSTUK.

De Bermudas hebben iets zoo bijzonder schoons, dat men die

eilandengroep voor eene verblijfplaats van nimfen zou aanzien. Zij

bestaan uit rotsen, door een koraalrif omgeven, en heeten in aantal

overeen te komen met de dagen des jaars. Zij zijn bedekt met laag groen

en donkere ceders, waartusschen lage witte huizen, met een vroolijk en

bevallig aanzien; de ankerplaatsen zijn talrijk, doch hebben weinig

diepte, en mogen er al veel vaarwaters tusschen de eilanden zijn, er

is slechts een voor groote schepen dat naar de voornaamste haven leidt.

Talrijke grotten, waarvan het gewelf schittert van prachtig druipsteen,

in allerlei grillige vormen neerhangende, zijn op vele van de eilanden

aanwezig. Weer elders treft men fonteinen en bronnen aan van het

helderste en koelste water. De zeelieden hebben het bijgeloof, dat

deze eilanden op de zee drijven en dat de onderkorst zoo broos is,

dat men weinig inspanning noodig heeft om er door te breken. Een

matroos, die wegens wangedrag en dronkenschap in de wacht was gezet,

stampte op den grond en schreeuwde de soldaten bij elkaar. »Laat mij

er uit, of voor den d..... ik stoot een gat in den bodem, laat je

eiland zinken en stuur jelui allemaal de hel in." Overal tusschen de

eilanden vindt men klippen en riffen, doch het menigvuldigst komen

zij voor aan de Noord- en Westzijde. Bij de inlandsche loodsen zijn

ze alle bekend en doen dienst als een versperrend bolwerk tegen

verrassing en nachtelijken overval.

Groot is de verscheidenheid aan visch in deze wateren, schoon voor

het oog en heerlijk van smaak; de roode klipvisch is van deze het

beste. Wanneer men op een kalmen, zonnigen dag, in een bootje tusschen

deze bekoorlijke eilanden drijft, is het alsof men vaart boven een

onderzeeschen tuin, vol bloemen van velerlei kleur; boomstammen,

varens, struiken, reusachtige bloemkolen schijnen daar in rechte

verwarring tusschen zandpaden ingeplant te zijn. Het is inderdaad

eene prachtvolle schilderij, waarnaar men uren lang kan blijven staren.

Mijn voornaamste bezigheid was altijd op het water, en natuurlijk trok

dit mij te meer aan, naarmate het gevaar er aan verbonden grooter

was. Hierdoor zag ik dan ook met verlangen naar de walvischvangst

uit, waarvoor de tijd thans naderde. De woestheid van dezen visch,

op zulke zuidelijke breedte, schijnt vermeerderd te zijn door de

warmte van het klimaat en de zorg voor de jongen; om deze redenen is

zeker het gevaar bij de vangst grooter dan in de poolzeeën.

Naar hetgeen ik heb kunnen te weten komen van de natuurlijke historie

van den walvisch, brengt deze zijne jongen, zelden meer dan een te

gelijk, in de noordelijke streken ter wereld. Daarna zoekt de moeder,

met het jong naast zich, een zachter klimaat op, om het groot te

brengen. Gewoonlijk bereiken zij de Bermudas tegen medio Maart; blijven

daar enkele weken, bezoeken dan de West-Indische eilanden om dan weder

zuidwaarts te trekken en om Kaap Hoorn door de Beringstraat weer naar

de Noordelijke IJszee, die zij den daaropvolgenden zomer bereiken,

terug te keeren. De jonge walvisch, die in de warmte krachtig en

groot is geworden, kan in het noorden zijne vijanden staan en paart

daar weder. Uit eigen ervaring en onderzoek, ben ik vrij zeker, dat

dit eene juiste omschrijving is van de zwerftochten van deze beesten

en dat de wijfjes met hare jongen jaarlijks de reis maken rondom de

beide grooten deelen van Amerika.

De moederlijke zorg van de walvisch maakt haar eene gevaarlijke

tegenpartij, en ernstige ongelukken komen bij de vangst veelvuldig

voor. Eens had ik het voldoen aan mijne nieuwsgierigheid bijna met

mijn leven moeten boeten.

Ik maakte een tocht in een der walvischbooten mede. De boot werd

geroeid door kleurlingen, inwoners van het eiland, die zeer ondernemend

en bekwaam in de vangst zijn. Wij zagen een walvisch, die met haar jong

rondom de koraalklippen speelde; het was werkelijk aandoenlijk om te

zien, hoeveel oplettendheid zij haar jong schonk en hoe zij zorgde om

het voor gevaren te waarschuwen. Zij geleidde het weg van de booten,

zwom er omheen, deed soms als wilde zij het met de vinnen omvatten

en rolde er mede rond in de golven. Wij slaagden er in eene gunstige

standplaats in te nemen, door aan de zeezijde van haar te komen, en

haar zoo tusschen de rotsen in ondiep water te drijven. Ten laatste

kwamen wij zoo dicht bij het jong, dat de harpoenier zijn wapen reeds

richtte, wetende dat als het kind eenmaal getroffen was, de moeder,

die het nooit verlaten zou, in onze macht zou zijn. Het dreigende

gevaar, waarin haar onervaren afstammeling verkeerde, bemerkende,

zwom zij er snel rondom heen, in steeds kleiner kringen, daarbij den

grootsten angst aan den dag leggende; doch de ouderlijke vermaningen

waren vruchteloos, en het jonge dier ontging zijn noodlot niet.

De boot wist den kleinen visch nabij te komen en de harpoenier wierp

hem zijn vreeselijk wapen tusschen de ribben, diep in het vleesch. Zich

gewond voelende, ontvluchtte ons het arme dier, een honderd vadem

lijn achter zich medetrekkende; doch een jonge visch, die eens goed

geraakt is, legt het spoedig af. Dit bleek ook hier; niet zoodra was

de lijn strak gekomen, of hij kwam op de oppervlakte van het water,

draaide zich op den rug en bleek dood te zijn. De bedroefde moeder

wilde het lijk niet verlaten, getrouw door een instinct dat sterker

was dan de rede.

Wij haalden de lijn in en kwamen daarop dicht bij onze prooi,

juist toen van eene andere boot de harpoen den grooten visch had

getroffen. De staart van het woedende dier kwam met zulk eene

onweerstaanbare kracht op het midden van onze boot terecht, dat

deze door midden brak en twee man doodgeslagen werden; wij overigen

zwommen naar alle richtingen om ons leven te redden. De walvisch

zwom nu op de derde boot aan; doch werd in hare vaart gestuit door

de lijn van den harpoen; zij sleepte daaraan de tweede boot met eene

10 mijls vaart door het water; en had zij zich in de diepte bevonden,

dan zoude zij deze mede naar beneden getrokken hebben, tenzij men er

tijdig de lijn afsneed.

Beide booten hadden het zoo druk met zichzelf, dat zij een tijdlang

niet ter onzer hulp konden komen; wij waren dus langer, dan ik

aangenaam vond, aan onze eigene krachten overgelaten. Ik was op het

punt om naar den jongen walvisch te zwemmen, toen een der roeiers

mij daartegen waarschuwde, zeggende dat er wel zooveel haaien in

den omtrek zouden zwerven als men rechtsgeleerden om Westminster

Hall telt, en dat ik er stellig bij zou zijn als ik ze te na kwam;

tot mijne geruststelling voegde hij er bij: »Die duivels zullen

zelden een mensch pakken, als zij iets anders kunnen krijgen". Hoe

waar dit ook zijn mocht, moet ik erkennen dat mijne blijdschap groot

was, toen ik eene der booten tot onze redding zag opdagen, terwijl de

moeder-walvisch, verward geraakt in de lijn, nog steeds den harpoen in

het lijf gevoelende, uitgeput door bloedverlies, dat als eene zwarte

fontein opspoot, haar jong naderde en aan zijne zijde stierf, nog tot

het laatste oogenblik toe méer om haar kind dan om zichzelf denkende.

Zoodra zij zich op haren rug wentelde, zag ik, dat ik reden had om

dankbaar te zijn voor de ontvangen raadgeving; de beide doode visschen

waren omringd van wel dertig of veertig haaien, die trouw volgden,

toen wij hen naar binnen sleepten. Toen wij hen in ondiep water,

dicht bij het strand, zoover mogelijk opgetrokken hadden, werd

het spek afgesneden; daarna werd het vleesch aan de inboorlingen

overgelaten, die in grooten getale toegestroomd, met hunne messen

daarvan groote reepen afhaalden. Met dezelfde vrijgevigheid hielpen

zich de haaien met hunne tanden; maar het was opmerkelijk hoe

straffeloos de zwarten dikwijls tusschen hen en de walvisch konden

komen; nooit werden zij aangevallen. Vreemd was het schouwspel die

zwarten, met het schitterend wit hunner oogen en hunne witte tanden,

juichende, lachende, schreeuwende, te midden van tallooze haaien,--de

meest verslindende der zeemonsters,--als 't ware levende in een soort

van wapenstilstand, slechts noodzakelijk gedurende de tegenwoordigheid

van een derde voorwerp.

Ziende dat er voor mij op den duur noch eer, noch voordeel te behalen

was in dit soort van afwisseling, gaf ik de walvischvangst op en nam

passage naar Halifax op een schoener. Dit soort van vaartuigen werd

plaatselijk aangebouwd, naar het model van de Virginia loodsbooten;

doch geleek, evenals de meeste onzer navolgingen, bijna evenveel op

het oorspronkelijke vaartuig als een os op een haas gelijkt, ook

dezelfde verhouding bewarende op het punt van snelzeilendheid. En

alsof men nu opzettelijk de Engelsche vlag wilde onteeren, werd het

bevel over dergelijke vaartuigen opgedragen aan officieren, die geen

commandant meer konden krijgen om onder te dienen, door wangedrag

overbekend geraakt, en die nu, zeer onverstandig, op kleine scheepjes

werden gezet, waar zij hun eigen meester waren en zich veelvuldig en

ongestraft aan den drank te buiten gingen. Ook mijn commandant bevond

zich van ons vertrek af tot aan de komst te Halifax in voortdurenden

staat van dronkenschap. Het voorbeeld van den luitenant werd gevolgd

door zijn ranggenoot en door drie der adelborsten; de bemanning,

uit vijf-en-twintig koppen bestaande, werd nuchter gehouden, door

hen niet meer dan hun rantsoen te verstrekken; ik voor mij zag de

toekomst vol vertrouwen(?) in.

Gelukkig behoorde drinken niet tot mijne ondeugden. Ik kon »wel

eens een waar aanhebben" zooals wij dit noemen, wanneer ik in goed

gezelschap was en opgewekt door geest en vroolijkheid; maar nooit

kwam het tot »dronkenschap"; en naarmate ik ouder werd, maakten

trotschheid en eigenbelang mij in dat opzicht nog omzichtiger. Ik

zag het groote voordeel in, dat matigheid over een dronkaard geeft,

en verzuimde niet om daarvan gebruik te maken.

Bijna al den tijd, dien onze overtocht duurde, 's nachts zoowel als

over dag, bleef ik aan dek een oog houden over den gestuurden koers

en den stand der zeilen, zonder ooit den commandeerenden officier, die

steeds »buiten westen" in de kajuit lag, daaromtrent te raadplegen. 's

Avonds liepen wij het licht van Sambro' (aan den ingang der haven

van Halifax) in het zicht, en een der adelborsten, die slechts half

dronken was, verklaarde dat hij goed met het vaarwater bekend was; zijn

aanbod om het vaartuig binnen te loodsen, werd aangenomen. Aangezien

ik hier nimmer te voren was geweest, kon ik niet van nut zijn; maar

zeer sterk twijfelende aan de bekwaamheid van onzen loods, sloeg ik

met achterdocht zijne handelingen gade.

Reeds binnen het half uur zaten wij vast op de kust van

Cornwallis-Eiland, zooals ik later vernam dat het heette, en braken

de zeeën geducht over ons heen. Dit ontnuchterde den commandant en

zijne officieren; en daar het water zakkende was, kwamen wij spoedig

hoog en droog te zitten. Het schip viel over zij, en ik wandelde het

strand op, vast besloten mij nooit weder toe te vertrouwen aan zulk

eene ordelooze bende. Toen de dag aanbrak, kwamen de noodige sloepen

van de werf ter assistentie en brachten mij en eenige anderen, die mijn

voorbeeld gevolgd hadden, met pak en zak naar het vlaggeschip. Na twee

dagen hard werken, kreeg men den schoener vlot en binnen. De admiraal

werd op de hoogte gebracht van de wijze, waarop wij gestrand waren,

en een der hoofdofficieren raadde hem aan den luitenant voor den

krijgsraad te trekken, of allerminst zijn bevel te ontnemen en naar

huis te zenden. Ongelukkigerwijze volgde hij dien raad niet op, maar

zond hem weer in zee om brieven over te brengen. Het werd bekend,

dat thans iedereen, ook het volk, dronken was bij het verlaten van

de haven; even buiten, werd het vaartuig op de Gezusters, een stel

klippen, aangestuurd, stootte zwaar lek en zonk in de nabijheid,

waarbij niemand gered werd. Den volgenden morgen zag men niets dan

de toppen der masten boven water.

Spoedig na mijne aankomst te Halifax, kwam het fregat, waar ik aan

boord hoorde, de haven in. Het speet mij wel, dat dit zoo spoedig

gebeurde, want ik had het mij in de plaats zeer genoegelijk weten

te maken. Ik had aanbevelingsbrieven voor de voornaamste familiën

medegebracht. De stad is bekend om hare gastvrijheid; de jonge

dames waren er allerliefst, en haar omgang werkte hoogst beschavend

op mijne aan boord aangenomen ruwe en vrije manieren. Toen ik mij

op mijn schip bij den commandant aanmeldde, die zooals ik hierboven

reeds heb medegedeeld een edelman was, verwachtte ik een verwijfden

jongen man te zullen aantreffen, veel te fijn van manieren om zijn

vak te kennen; doch ik vond mij bedrogen. Lord Edward was op-en-top

zeeman, hij kende een schip door en door, begreep de geaardheid van de

matrozen en wist hun vertrouwen in te boezemen. Bovendien was hij een

goed werktuigkundige--timmerman, touwslager, zeilmaker en kuiper. Hij

wist al het matrozenwerk te verrichten, reven, sturen, looden, splitsen

en knoopen; alleen was hij geen redenaar,--hij las weinig en sprak

nog minder. Hij was een man van weinig uiterlijke vertooning, maar

goed gehumeurd, eerlijk en recht door zee, voorzien van een grooten

voorraad gezond verstand. Met de officieren ging hij vrij en zeer

aangenaam om; als men hem boos maakte, kon hij heftig zijn, doch

bedaarde weer spoedig; nooit kon men bemerken, dat hij zich iets op

zijn adeldom liet voorstaan. Met mijne practische zeemanschap scheen

hij zeer ingenomen te zijn, en reeds vóór wij de haven verlieten,

was ik zeer bij hem in gunst gekomen. Ik deed mijn best op dien voet

met hem te blijven, daar ik hem genegen was, zoowel om zijn persoon,

als om zijne goede eigenschappen, afgescheiden nog van het voordeel

bij zijn commandant gezien te zijn.

Niet lang was het ons vergund te vertoeven in dit zeemans eldorado;

wij kregen last tot een spoedig vertrek naar Quebec.

Nog niet lang waren wij in zee, toen wij een Iersch vaartuig van

Belfast praaiden, landverhuizers ten getale van zeventien families

voor de Vereenigde Staten aan boord hebbende. In dien tijd stonden

landverhuizers met contrabande gelijk; wij mochten hen hunne bestemming

niet laten bereiken. Onze commandant bezat echter twintigduizend morgen

land op St. John's, of zooals het later heette, Prins Edward's Eiland,

eene gift, die een zijner voorouders gekregen had, nu op hem was

overgegaan, maar die tot nog toe nog geene shilling aan rente had

opgebracht, om de doodeenvoudige reden, dat er geene handen waren

om het land te bebouwen. Het kwam onzen adellijken commandant voor,

dat dit nu juist een kolfje naar zijne hand was en dat deze Ieren

uitstekende bewerkers van zijne gronden zouden wezen en zijn landgoed

productief zouden maken. Hij deed hun het voorstel, en daar zij nu

toch geene kans zagen om de Vereenigde Staten te bereiken, het hen

slechts te doen was om voor zich en hunne gezinnen het levensonderhoud

te vinden en eigenlijk onverschillig waar zij zouden koloniseeren,

werd het aangenomen. De commandant wist het met zijne zeilorders

overeen te brengen hen naar het genoemde eiland over te voeren en

aldaar onder dak en aan het werk te brengen. In zekeren zin kon niets

voor beide partijen voordeeliger zijn: de schrale bevolking van onze

eigene nederzetting werd er door aangevuld, in plaats dat het aantal

onzer vijanden er door vermeerderde.

Wij kwamen, na eene voorspoedige reis, in eene kleine haven van het

eiland ten anker, niet ver van de bezitting, alwaar wij het landhuis

bewoond vonden door een man met zijne familie, die zich den opzichter

noemde. Voor zoover ik kon opmerken bij mijn verblijf van drie weken,

kwam hij mij voor schurkachtig genoeg te zijn voor de waarneming van

elke mogelijke opzichters- of rentmeestersbetrekking op eenig adellijk

landgoed in Engeland zelf.

De commandant trok naar den wal en nam mij, als zijn adjudant,

mede. Voor zijn lordschap werd een bed in het huis van den

opzichter gereedgemaakt, doch hij verkoos op het hooi in de schuur

te slapen. Zooals ik reeds met een enkel woord gezegd heb, was de

edele lord iemand, wiens gedachtengang slechts zelden zijn tong en

lippen in beweging bracht; hij hoorde veel liever een ander spreken,

dan dat hij het zelf deed; en wie ook bij hem was, deze moest altijd

het gesprek gaande houden. Verder was de gewone manier van praten

tegen hem niet voldoende om zich begrijpelijk te maken; men moest

hetgeen men te zeggen had, op drie verschillende wijzen inkleeden,

en voor elke daarvan had hij eene bijzonderen uitroep. Deze laatste

waren: »Wat?" »he?" en »ah zoo." De eerste gaf aan, dat hij oplette,

de tweede dat hij gedeeltelijk begreep, de derde dat hij geheel op

de hoogte was of goedkeurde, waarbij tot meerdere duidelijkheid de

laatste lettergreep sterk en lang werd uitgehaald en van een soort

glimlach vergezeld ging.

Ik zal een voorbeeld geven van onze genoegelijke wijze van

converseeren. Zijn lordschap ving het gesprek aan, toen wij onze

nachtkwartieren op het zachte droge hooi betrokken hadden:

»Zeg eens,"--er volgde eene pauze.

»Mylord?"

»Wat zouden zij in Engeland wel zeggen, als zij ons hier zagen liggen?"

»Ik denk mylord, dat zij wat mij betreft er niets in vinden zouden,

maar voor u zouden zij het eene al te eenvoudige slaapkamer voor een

edelman vinden."

»Wat?"

Dit wist ik, dat het sein was om het op eene andere wijze nog eens

over te zeggen. »Ik merkte op, mylord, dat het onder uwe vrienden

in Engeland veel bevreemding zoude wekken, dat iemand van zoo hooge

afkomst als u, zijn leger in eene schuur, ging opslaan.

»He?" zeide zijne lordschap.

Dat gaat niet, dacht ik bij mijzelf: òf uwe lordschap, òf ikzelf,

een van beiden zijn wij erg onbegrijpelijk. Ik zal het nog eens

beproeven, zoo dood van den slaap als ik ben. »Ik zeg, mylord, dat

als het volk in Engeland wist, dat gij in uw hart zoo'n zeeman zijt,

zij bij geene uwer handelingen gek zouden opkijken; maar die u nu niet

zoo goed kennen, zullen het zeer vreemd vinden, dat gij met zulk een

kwartier tevreden zijt."

»Ah, zoo... o... o!" riep zijn lordschap, zegevierend uit.

Welke verdere opmerkingen hij dien avond nog verkoos te maken, weet ik

niet, want ik viel in een diepen slaap en ontwaakte niet vóór geheele

hoenderbenden uit hare nesten opvlogen en een schrikbarend geweld om

hun ontbijt begonnen te maken, toen zijn lordschap opstond, zichzelf

eerst en toen mij, doch dit op eene heel andere wijze, wakker schudde;

het beantwoordde evenwel aan de verwachting om mijn hoofd weer tot

helderheid te brengen, dat door het kippengekakel alleen een weinig

daartoe op weg was geraakt.

»Kom! er uit, gij luie drommel," riep mijn commandant. »Denkt gij den

geheelen dag te blijven slapen? Wij hebben werk genoeg voor den boeg."

»Ja, ja, mylord," zeide ik, vloog overeind en maakte in denzelfden

korten tijd en op dezelfde manier als een Newfoundlandsche hond mijn

toilet, n.l. door mij eens hartelijk te schudden.

Eene groote partij van de equipage kwam onder geleide van den timmerman

aan den wal, de noodige gereedschappen medebrengende voor het omhakken

van boomen en bouwen van ruwe loodsen. Dit werk was noodig om onze

arme landverhuizers onder dak te brengen. Het volk begon eene groote

ruimte schoon te kappen, door tal van pijnboomen, waaruit hier het

meerendeel der bosschen bestond, te vellen. Eene goede plek voor de

woningen gevonden hebbende, plaatsten wij in langwerpig vierkant vier

stammen in den grond, van boven van eene inkeping voorzien, waarop weer

eene dwarspaal kwam te rusten. De ruimte hiertusschen werd weer door

dunnere boomen, goed aaneengesloten, aangevuld, de deuren en vensters

werden uitgespaard, de kleine openingen met klei en mos aangestampt,

eindelijk het dak er op gebracht, bestaande uit de takken, de bladen en

de bast van eene andere boomsoort. Door oefening werd ik langzamerhand

een bekwaam bouwkundige, en zag kans met een dertig man, in eenen dag,

een vrij goed huis samen te stellen.

Door omhakken, branden en ontwortelen maakten wij nu verder zooveel

land schoon, als noodig was om de kleine kolonie een jaar lang te

onderhouden; en na een stuk met koren bezaaid en een ander met

aardappelen bepoot te hebben, lieten wij nog allerlei artikelen

van dagelijks voorkomende behoefte in de nieuwe vestiging achter,

waarna wij onze planters aan hun verder lot overlieten. Tot mijn

groote genoegen keerden wij daarop, overeenkomstig onze instructie,

naar Halifax terug. Bij het binnenloopen aldaar was ik zoo verdiept

in het uitkijken naar de verschillende balcons en ramen, waaruit bij

ons vertrek, witte zakdoeken ons tot vaarwel hadden toegewuifd, dat

ik verzuimde naar de dienstseinen te zien en daarvoor eene ernstige

berisping van den commandant ontving.

Het sein, dat ik niet had opgemerkt, woei van de Ceinturion,

het admiraalsschip, en had een grooten invloed op onze naaste

bestemming. De president van de Vereenigde Staten maakte aanstalten

tot een oorlog tegen Engeland, wat eigenlijk door niemand verwacht

was, en alle schepen in de haven van Halifax werden gereedgemaakt tot

bevechten der Yankees. Het eskader zeilde in September uit, en na een

kort wederzien nam ik nogmaals afscheid van mijne talrijke kennissen.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 24 / 38 题