ELFDE HOOFDSTUK.

Voor dezen nieuwen tocht was in Portsmouth en in Spithead alles

druk in de weer. Het krioelde aan den wal van soldaten en in de

havens van transportvaartuigen. Ons fregat zou vooruitzeilen; doch

onze dappere en beminde commandant werd tot ons leedwezen door een

ander vervangen. In het laatst van Juli zeilden wij uit, met twee

kanonneerbooten op sleeptouw, die wijzelf moesten bemannen. Van eene

daarvan vroeg en verkreeg ik het commando, ten volle zeker dat ik op

die wijze meer te doen en een vroolijker leven zou hebben, dan indien

ik aan boord van het fregat bleef. Wij konvooieerden een veertig of

vijftig transportbooten, die de cavalerie aan boord hadden en brachten

deze veilig ter hoogte van Cadzand ten anker.

Het weer was prachtig en de zee kalm; geen oogenblik liet men verloren

gaan voor het ontschepen van troepen en paarden; het was een aardig

gezicht. Eerst werden de ruiters den wal opgebracht met hunne zadels

en tuigen; toen gingen de paarden overboord, geheschen in matten,

die men dadelijk kon laten slippen, als zij te water waren; als

zij zich vrij gevoelden, zwommen zij naar het strand, waar zij luid

hinnekende aankwamen. Over den afstand van eene kwart mijl hadden

wij te gelijk drie à vier honderd paarden, naar den wal zwemmmende,

alwaar hunne ruiters hen ongeduldig stonden op te wachten. Nooit zag

ik iets zoo schilderachtigs.

De dienst op de kanonneerboot viel mij niet erg mede. Wij moesten,

onder voortdurend alarm, bij Bath station houden. Toen later Vlissingen

zich overgaf, kregen wij de handen wat ruimer en besteedden toen onzen

tijd aan de zorg voor onze tafel, welke reeds lang aan verschillende

voorname zaken gebrek had gehad. Ons meeste geld hadden wij belegd

in champagne en rooden wijn, waarmede wij niet zuinig omsprongen;

wij konden bij gevolg maar weinige guldens missen voor den aankoop

van hoenders en rundvleesch. Bovendien waren deze artikelen voor

geld niet eens te krijgen; wij konden er alleen aan komen langs

denzelfden weg, waardoor het geheele eiland Walcheren in ons bezit

was geraakt, n.l. door kruit en lood. Het boerenvolk was zeer ruw

en vrekkig en niet eens tot ruilhandel genegen; daar wij trouwens

ook niets in ruil te geven hadden, bespaarden wij ons de moeite

van te onderhandelen. Door eene ongelukkige kortzichtigheid, die

ons overviel, zagen wij dikwijls kalkoenen voor fazanten, kippen en

hanen voor patrijzen, eenden en ganzen voor hunne wilde stamverwanten

aan. Ons geweten had ons verzoend met de vergunning, die wij namen om

op dat wild te jagen; onze weitasschen waren ruim als ons geweten,--de

nauwkeurigheid van ons schot geëvenredigd aan onzen eetlust.

De boeren gingen er spoedig toe over hun pluimgedierte in de hokken

te houden en ons in verschillende talen te verwenschen. Het werd nu

zeer moeielijk en soms gevaarlijk om uit fourageeren te gaan. Eens met

een troepje aan den wal zijnde, had ik bij ongeluk een kogel op mijn

jachtroer geladen en schoot evenzeer bij ongeluk een kalf van vier

maanden, dat ik voor een hert had aangezien. Dit was eene vergissing,

die den beste had kunnen overkomen. Het beest was te zwaar om het zoo

mede naar boord te nemen; ergo hakten wij het door midden, niet in

de lengte van voren naar achteren, zooals onze stomme slagers doen,

maar dwars over de ribben, wat wel zoo gemakkelijk is en het dragen

vereenvoudigt. De voorste helft, met kop en al, stopten wij onder

den grond voor den volgenden avond, de achterhelft namen wij mede.

Onze handeling werd gezien en zoo goed mogelijk nagegaan op eene andere

kanonneerboot, waarvan de bemanning alle reden had om even hongerig

te zijn als wij; zij wisten een mijner matrozen te pakken te krijgen,

die dwaas genoeg was, om ter wille van een pint grog de kat uit den zak

te laten. De kerel vertelde waar wij de andere helft gestopt hadden, en

die oneerlijke schavuiten gingen er op uit met bedoeling om deze voor

zichzelf in te rekenen; maar zij waren niet slim genoeg en liepen er,

zeer verdiend voor hunne inhaligheid, leelijk in. De boer, aan wien

het kalf toebehoorde, was gewaarschuwd geworden. Hij begreep, dat wij

het begraven halve beest zouden komen weghalen en had op die hoogte

eenige soldaten in hinderlaag gelegd; dientengevolge werd het volk van

de andere boot, die na donker er op uitgingen om den buit te halen,

bij het opgraven overvallen, in arrest genomen en met achterlating

van het kalfsvleesch, naar het Engelsche hoofdkwartier overgebracht.

Terwijl de gevangengenomenen onder beschuldiging van rooverij, waarvan

later de waarheid bewezen werd, naar boord van het vlaggeschip werden

gezonden, namen wij ons halve kalf zonder stoornis in bezit. Toen bij

het onderzoek aan het licht kwam, dat wij eigenlijk de hoofdschuldigen

waren, baatte hun dit slechts weinig. Alleen werd toen ook onze

boot geïnspecteerd, wat wij voorzien hadden. Tijdig hadden wij het

vleesch in een zeildoekschen zak met een lijn er aan overboord in drie

vademen water laten zinken; daar bleef het liggen tot het nazoeken was

afgeloopen, werd toen opgevischt en maakte, smakelijk toebereid, den

hoofdschotel van een flink middagmaal uit, waarbij wij op den voorspoed

van 's konings wapenen te land en ter zee menig glas ledigden.

Niet lang daarna werd ik door de Zeeuwsche koortsen aangetast en

met een der linieschepen naar huis teruggezonden. Misschien was

die ontknooping maar de gelukkigste voor mij, want daar ik mijne

oude streken niet zoo gemakkelijk kon afwennen, zou ik mogelijk tot

groot verdriet van mijne vrienden en tot teleurstelling van den lezer

dezer gedenkschriften, nog vóórdat het tweede meer boeiende gedeelte

daarvan beginnen kon, een plotseling einde aan mijn schitterende

loopbaan hebben zien maken, door een krijgsraadsvonnis, dat mij naar

de galg verwees voor het stroopen op het erf van een Walcherschen

boer. Bovendien bleken die Hollanders de vrijheid niet waardig te

zijn,--daar zij ons zelfs eenige kippen en een stuk kalfsvleesch

misgunden! aan ons, die speciaal waren overgekomen om hen van het

juk van den overweldiger vrij te maken! Van Zeeland nam ik niet

vele schoone indrukken met mij mede: laag moerassig land, onmogelijk

drinkwater, zware mist en nattigheid, alles misschien zeer geschikt

voor het volk, dat er woont, maar minder bruikbaar voor een Engelsch

gentleman, als er geene Franschen dood te schieten waren, of de

vrije jacht gesloten was, wat spoedig plaats vond na de overgave

van Vlissingen.

Ik keerde thans weer naar mijns vaders huis terug, ten einde door

mijne zuster opgepast te worden en de buren verbaasd te doen staan

bij het verhaal onzer verwonderlijke heldendaden.

Mijn verblijf aldaar duurde echter niet langer dan noodig was om

weer op krachten te komen van den ernstigen koortsaanval, waarmede

ik aangekomen was. Hoewel mijn vader mij vriendelijk ontving, bleek

het mij toch, dat hij het vroeger gebeurde niet geheel en al had

kunnen vergeten. Er bleef altijd een soort van wantrouwen bij hem

bestaan, dat de innigheid, die onzen omgang had behooren te kenmerken,

voortdurend verstoorde.

Toen dan ook de dag naderde, waarop ik weer geplaatst was aan boord

van een fregat, dat in de Noord-Amerikaansche wateren gestationneerd

zou worden, waren beide partijen tevreden.

Mijn nieuwe schip werd gecommandeerd door een edelman; en daar te dier

tijde de hoogere standen in den zeedienst slecht vertegenwoordigd

waren, werd mijne benoeming als een buitenkansje beschouwd. Naar

mijne nieuwe bestemming verkreeg ik, met nog een dertigtal andere

adelborsten, passage aan boord van een naar de Bermudas bestemd

linieschip. Aan ons, die in de bovenrol geplaatst waren, werd de

konstabelskamer tot verblijf aangewezen, terwijl de adelborsten van het

schip hun eigene voorlongroom met twee aangrenzende hutten behielden.

Onder zooveel jongelieden, uiteenloopend van afkomst en bestemming

en op verschillende tijdstippen aan boord gekomen, bleek het hoogst

moeielijk een goed geordende tafel samen te houden. Spoedig na

mijn aankomst vertrokken wij, en zoolang de reis duurde, moesten

wij meerendeels van het scheepsrantsoen leven. Het heeft mij altijd

verwonderd, hoe aan een bak van tien, twaalf matrozen of mariniers

het rantsoen voldoende werd bevonden voor den tijd, dien het duren

moest. Met adelborsten, in gelijken getale, kwam dit nooit behoorlijk

uit, en hoe talrijker hun tafel was, des te meer was er te kort. Nooit

hadden zij genoeg, nooit waren zij tevreden, en had de administrateur

er niet een stopper opgezet, dan zouden zij bij den bottelier altijd

voor meel, vleesch, spek en drank in het krijt gestaan hebben. Zoo

iets is alleen aan groote zorgeloosheid en wanbeheer van de tafel

toe te schrijven en bij ons bestond dit in zeer hooge mate. Onze

huiselijke regeering was zeer democratisch; doch somtijds had de

gamelle-chef weer de grootste macht, die hij òf misbruikte, òf vermoed

werd te misbruiken, waarna hij afgezet werd, of wel met tegenzin zijne

betrekking zelf nederlegde, als hij die pas een paar dagen had bekleed.

De meeste mijner kameraden waren jongelieden, ouder dan ik in dienst,

die hun examen reeds achter den rug hadden en naar Amerika medegingen

om, aldaar aangekomen, promotie te maken. Hoe het komt, weet ik

niet,--misschien omdat de meesten er tengerder dan ik uitzagen, of

dat het bleek, dat ik een beter dienstdoener was,--maar de eerste

officier maakte mij, met voorbijgang van anderen, den tweeden persoon

op eene wacht, waardoor zij onder mijne bevelen kwamen.

In de konstabelskamer werd dikwijls de vrede verstoord, en dit

voornamelijk omdat er eten tekort kwam. Soms werden hierover hevige

gevechten gehouden, waarin ik mij nooit mengde, doch die mij de

overtuiging schonken dat, als het op boksen moest uitdraaien, ik voor

geen hunner zou behoeven onder te doen.

Het baantje van gamelle-chef was onbezoldigd en volstrekt toch geen

eerepost, het werd vrijwillig aanvaard en met onverschilligheid weder

neergelegd bij de minste kleinigheid. Met het scheepsrantsoen toe te

komen, dat zou de beste niet hebben kunnen ten uitvoer brengen. De

verdeeling van het vleesch en spek naar het aantal monden liep

altijd vast uit op aanmerkingen, standjes en slagen. Ik, die daar

geene ruzie voor overhad, nam altijd genoegen met mijn aandeel;

maar ik begon nu ook te bemerken dat men misbruik ging maken van

mijne inschikkelijkheid en mijne portie dagelijks kleiner werd. Toen

nu reeds de dertiende chef zijne betrekking had neergelegd, bood ik

mij daartoe aan en werd met blijdschap aangenomen.

De gevaren en moeielijkheden van het baantje kennende, was ik er op

voorbereid. Op den eersten dag, dat ik de provisiën verdeelde, droeg ik

uitstekende zorg voor no. 1, en werd, zooals te verwachten was, door

twee of drie anderen aangevallen over het leeuwenaandeel, dat ik van

den buit had genomen. Hierop hield ik eene korte aanspraak, bewerende

dat, als zij meenden, dat ik de moeite van het gamelle-chefschap

voor niets op mij genomen had, zij het geheel mis hadden; dat het

kleine verschil, dat er bestond tusschen mijn aandeel en dat van

elk hunner, over den geheelen troep verdeeld, niet eens voldoende

zou zijn om er eene holle kies mede te vullen; en dat ik, nadat het

mijne er afgenomen was, al de rest zoude verdeelen met de striktste

onpartijdigheid en billijkheid.

Deze zeer redelijke toespraak was niet voldoende. Ik werd uitgedaagd

om het geschil door een bokspartij te doen uitmaken; twee liefhebbers

deden zich op. Ik stelde voor om er om op te gooien, wie de eerste zou

zijn; spoedig den winner verslagen hebbende, gaf ik hem in overweging

naar zijne plaats terug te keeren. De tweede stapte nu vooruit, er

op rekenende, dat hij, nu ik reeds een gevecht achter den rug had,

gemakkelijk met mij klaar zou komen; maar dat was mis; hij kreeg

nog beter pak dan zijn voorganger. Den volgenden dag nam ik zitting,

geheel klaar voor den strijd met jas, vest en halsdoek af. Ik merkte

op, dat ik van plan was om evenzoo te doen als vroeger; maar er werd

niet meer geklaagd, en ik bleef gamelle-chef tot op den dag dat ik

van boord ging, en wel op tweederlei grond: ten eerste bij keuze,

en ten tweede volgens het recht van den sterkste.

Nog niet lang waren wij in zee, toen wij ontdekten, dat onze eerste

officier een vreeselijke tiran, een ruwe kerel, een dronkaard en

veelvraat was met een langen rooden neus en een ontzagwekkenden buik;

hij zag er niets in om de groote adelborsten bij het half dozijn te

gelijk naar de bramzaling te zenden. Ik nam mij voor dien man uit het

schip te werken, deelde dit plan mijne kameraden mede en verzekerde

hen van den goeden uitslag, indien zij trouw met mij medewerkten. Zij

lachten mij uit; doch ik hield vol en beloofde het hem te zullen

leveren, als zij maar zorgden elken dag eene lichte bestraffing of

vermaning van »Neusje" op te loopen. Dit beloofden zij, en zoo ging

er dan ook geen dag voorbij, of zij werden trouw het tuig ingezonden

of op strafwacht gezet.

Zij brachten verslag hiervan uit en vroegen mij, wat nu verder te

doen viel. »Beklaag u bij den commandant," zeide ik. Dit deden zij,

doch kregen ten antwoord, dat de eerste officier overeenkomstig zijn

plicht had gehandeld. Dezelfde aanleiding gaf dagelijks dezelfde

gevolgen; wanneer de adelborsten hun beklag indienden, werden zij in

het ongelijk gesteld. Ten laatste merkten zij op mijne aanwijzing

bij den commandant op: »Het helpt ons toch niet, als wij klagen,

kolonel; u trekt toch altijd partij voor Mr. Clewline." Inderdaad

gaf de commandant, uit een gevoel van behoorlijkheid, steeds, wanneer

zulks mogelijk was, de superieuren gelijk, wetende dat negen van de

tien keeren de jonkers de schuld hadden.

De zaak marcheerde naar wensch; de adelborsten gingen voort

zich te misdragen,--beklaagden zich en verklaarden, dat de eerste

officier onwaarheid vertelde. Een tijdlang geraakten eenigen hunner

uit de gunst van den commandant; maar ik moedigde hen aan dit te

verdragen, evenzeer als de toenemende gramschap van »Neusje." Eens

begonnen twee adelborsten, volgens afspraak, op de lijloopplank te

vechten. In die dagen was dit al haast een misdrijf om voor gehangen

te worden; zij werden drie uren lang met zitten op de bramzaling

gestraft. Omlaaggekomen, vroegen zij mij weder wat nu te doen. »Ga

u weer beklagen," zeide ik. »Als de eerste officier er bij komt om

te zeggen, dat ge aan 't vechten waart, zeg dan aan den commandant,

dat gij alleen toonen wildet, hoe de eerste officier gisteren bij

het ophijschen der marszeilen, het volk liet mishandelen, en hoe

hij dien marinier bij het afloopen van de kuiltrap op zijn hoofd

sloeg." Woordelijk werd dit opgevolgd. De adelborsten kregen eene

nieuwe vermaning; maar de commandant begon toch te denken, dat er

van die herhaalde en met den dag sterker wordende klachten wel een

en ander waar kon zijn.

Eindelijk waren wij in de gelegenheid hem den coup de grace te

geven. Een ongeluk van een jongen aan boord, die voor zijne vuilheid

al dikwijls slaag, over een kanon vastgebonden, had gekregen, was zoo

verhard, dat hij niets meer gaf om de slagen, die de eerste officier

hem met het eind touw door den bootsman liet toedienen. »Ik zal het je

bij dit en dat laten voelen!" riep de eerste officier in zijn woede;

daarop liet hij eene puts met zeewater brengen en, na elken slag,

den jongen op de geraakte plek daarmede besprenkelen. Deze verfijnde

wreedheid, het karakter van een officier en gentleman zoo onwaardig,

hinderde ons allen, en gezamelijk naar de konstabelkamer gaande, gaven

wij in koor drie luide jammerkreten. Dit klonk hoogst zonderling;

het werd in de longroom gehoord, en de eerste officier zond eene

boodschap om te verzoeken, dat wij stil zouden zijn. Tot antwoord

gaven wij drie nieuwe schreeuwen, zoodat hij in groote woede naar het

halfdek vloog, waar wij allen verschijnen moesten en de reden van het

leven, dat wij maakten, moesten opgeven. Tot op dat oogenblik had ik

mij steeds op den achtergrond gehouden, zeer tevreden de poppen zoo

goed aan het dansen gebracht te hebben. Ik had altijd juist bijzonder

goed mijn dienst gedaan en geene aanleiding tot klachten gegeven;

toen ik dus bij deze gelegenheid vooruittrad, maakte dit een schoon

tooneeleffect en was van groote beteekenis.

Ik vertelde den eersten officier, dat wij jammerden over den armen

jongen, die bepekeld en mishandeld was geworden. Dit vermeerderde

niet weinig zijne woede en hij gelastte mij om naar de bramzaling te

gaan. Ik weigerde hieraan te voldoen, vóór ik den commandant gesproken

had, die juist op dat oogenblik aan dek verscheen. Onmiddellijk liep

ik op dezen toe, vertelde de geheele geschiedenis, niet verzuimende

daarbij de herhaalde tirannieke handelingen van den eersten officier

tegen ons in het helderst daglicht te stellen. Ik zag dadelijk,

dat wij ons doel bereikt hadden. De commandant had de strengste

bevelen gegeven, dat er, zonder zijn uitdrukkelijken last, geene

lijfstraffen mochten uitgedeeld worden. Dit bevel had de eerste

officier niet opgevolgd; hierom en doordien hij algemeen gehaat

werd, was zijn lot beslist. De commandant ging de kajuit weder in

en vertelde des anderen daags aan den eersten officier, dat hij bij

aankomst in de eerste haven te kiezen had tusschen van boord gaan of

voor een krijgsraad getrokken worden, wel wetende, dat hij zich aan

het laatste niet zou durven wagen.

Ik heb verzuimd mijnen lezers mede te deelen, dat onze instructie

luidde: het Oost-Indische konvooi tot op tien graden Noorderbreedte

te geleiden en eerst dán naar de Bermudas te stevenen. Dit was op

zichzelf een aangename kruistocht en leverde kans op met den vijand

samen te treffen of den een of anderen prijs te hernemen. Schepen,

die niet voornemens zijn de linie te passeeren, geven gewoonlijk een

feest aan de bemanning bij het voorbijgaan van den Noorderkeerkring;

het is de bedoeling, daarmede den goeden geest levendig te houden

en eenige afwisseling te geven in de eentonigheid van kruistocht of

reis, waar anders de dagen elkander zoo volkomen gelijk opvolgen,

dat men den tijd uit het oog zou verliezen. Onze commandant, nog

jong en vroolijk van aard, die graag zijn volk genoegen gunde, voor

zooverre dit met de tucht en de veiligheid van het schip bestaanbaar

was, stond toe, dat het Neptunusfeest gevierd zou worden, omdat wij

veilig in het hartje van den passaatwind voeren en er geen kans op

weersverandering of buien bestond.

Reeds dikwijls is de plechtigheid van het passeeren van de linie

beschreven; maar er is verschil in de wijze, waarop het gevierd en

verteld wordt; ons feest had zijne eigenaardigheden en eindigde,

het spijt mij het te moeten zeggen, in een treurspel, dat ik nimmer

kan vergeten.

Des avonds vóór het feest hoorde men door eene vreemde stem, die als

van buiten het schip scheen te komen, praaien: »Schip O hoy!" De

officier van de wacht liet den commandant met deftigen ernst van

die omstandigheid kennis geven. Deze kwam met den scheepsroeper

gewapend naar boven en antwoordde, als gold het een vreemd vaartuig:

»Ai Ai."--»Wat schip is dat?" klonk het weder van uit de fokkerust,

en nu had van voren naar achteren een samenspraak plaats, waarvan het

gevolg was, dat Neptunus, die het schip had aangeroepen, vergunning

kreeg des anderen daags aan boord te komen, ten einde de »baren" op

zijn gebied in te wijden. Neptunus nam voorloopig weer afscheid en

verdween in de groote schelp, waarin hij bij het schip was gekomen,

voorgesteld door een brandende teerton, die nog lang daarna in het

kielwater zichtbaar bleef.

De volgende morgen brak, zooals te verwachten was, met het schoonste

weder aan. Het dagelijksch morgenwerk werd met spoed afgedaan en de

bemanning kleedde zich in het wit en zoo luchtig mogelijk. Toen alles

gereed was, terwijl een groot zeil, dwars over het dek gespannen,

allerlei geheimzinnigheden bleef verbergen, werd de plechtigheid

van het aanpraaien van het schip nog even herhaald, om Neptunus aan

boord te doen komen. De onderzeilen werden daarvoor geborgen en het

groottuig tegengebrast, om de vaart van het schip te verminderen.

Zoodra wij bijgedraaid lagen, trad een in zwarten rok gekleed

jongmensch (een der matrozen) met gepoederde pruik en driekanten hoed

op het hoofd, het halfdek op en maakte een zeer beleefde buiging voor

den commandant, mededeelende dat hij de opperste lijf-geheimsecretaris

van Zijne Majesteit Neptunus was, zijnen meester vooruitging en voor

dezen vergunning verzocht zich met zijnen staf te vertoonen.

Het zeil opende zich en de volgende zonderlinge stoet kwam in optocht

het halfdek op:

De kar van den Zeegod, bestaande in eene groote badkuip op het

onderstel van een rolpaard geplaatst, getrokken door zes zwartgemaakte

mannen, zeepaarden voorstellende, ging voorop. Het waren de flinkst

gespierden uit onze matrozen; hun haar en de helft van het gelaat

was onder zeewier verborgen; hunne kleeding bestond uit een zeer

onkostbare korte katoenen broek; overigens waren zij volkomen naakt;

hun huid was met roode en witte verf bespikkeld en aan de armen droegen

zij zeeschelpen, die tegen elkander een zonderling kleppend geluid

maakten. Neptunus zelf was met de meeste hoofdpersonen uit zijn gevolg

gemaskerd. Geen van de officieren wist eigenlijk, wie van het volk

voor den zeegod speelde, doch in die rol was deze bij uitnemendheid

op zijne plaats. Hij droeg eene zeekroon (door den baas smid van

scheepsblik vervaardigd), in de rechterhand hield hij een drietand,

waarop een dolfijn was gestoken, volgens zijne bewering dien morgen

gevangen; zijn hoofd was getooid met een groote pruik van geplozen werk

en een zwaren baard, die hem tot op het middel hing, van dezelfde stof;

zijn naakt lichaam was bedekt met een laag verf en poeder.

De god was omringd door een prachtige hofhouding: zijn

staatssecretaris, met het hoofd volgestoken met de slagpennen van

zeevogels; zijn lijfarts met lancet, pillendoos en ruikflesch;

zijn barbier met een scheermes van wel drie voet lengte, uit een

ijzeren hoepel van een spekvat gesneden; en de barbiersknecht, die

eene kleine tobbe voor inzeepbak droeg. De soort van zeep kon ik niet

zien, doch de geur, die er uit opsteeg, overtuigde mij, dat zij niet

uit de fabriek van Rimmels voorgangers afkomstig was.

Amphitrite volgde nu in een kar, aan die van haren echtgenoot

gelijk, getrokken door zes witte mannen, overeenkomstig het vorige

zesspan uitgedost. Deze godin werd vertegenwoordigd door een zwaren,

vierkanten kerel, die door de pokken geschonden was, doch vóór dien

tijd al leelijk moet geweest zijn; hij was als vrouw gekleed, met eene

groote floddermuts op het hoofd en versierd met knoppen van zeegras. De

godin droeg een harpoen met een haring er op en had op haren schoot den

kleinsten der scheepsjongens als zuigeling gekleed, met lange kleeren

en een kindermuts op; deze hield een marlpriem in de hand, aan een eind

lijn om den hals vastgemaakt;--dit diende als een hulpmiddel om het

doorkomen van de tanden te bespoedigen, zooals men aan wal de kinderen

op een stuk ivoor laat bijten. Zijne baker volgde hem met een pot vol

brij, waaruit zij hem met den grooten kokslepel voeding aanbood. Twee

of drie zware kerels waren als zeenimfen verkleed, behoorende tot de

hofhouding der godin: zij droegen een toiletspiegel, eenige boenders

voor haar- en tandenborstels, en een pot menie voor blanketsel.

Zoodra de optocht zich reeds van verre aankondigde, kwam de commandant,

gevolgd door den hofmeester met een flesch madera en een blad met

glazen, uit de kajuit en werden de karren der zeegoden op het halfdek

uitgespannen. Neptunus boog zijn drietand voorover en bood zijn dolfijn

den commandant ten geschenke aan, zooals Amphitrite haren haring deed,

ten teeken van onderwerping en hulde aan den Vertegenwoordiger van

den koning van Groot-Brittanje.

»Ik ben hier gekomen," zeide de god, »om u welkom te heeten in mijn

gebied en u mijne vrouw en mijn kind voor te stellen." De commandant

maakte eene buiging. »Vergun mij te vragen naar de gezondheid van

mijnen broeder en wettigen souverein, den goeden, ouden Koning George."

»Hij is niet zoo wel," zeide de commandant, »als ik en al zijne

onderdanen wel zouden wenschen."

»Dat is erg jammer," vervolgde Neptunus. »En hoe vaart de Prins

van Wales?"

»De Prins is gezond," antwoordde de commandant, »en regeert op dit

oogenblik als regent in naam van zijn koninklijken vader."

»En hoe maakt hij het met zijne vrouw?" vroeg de uitvorschende god.

»Dat mocht wel beter," zeide de commandant; »zij kunnen samen over weg,

als een walvisch met een hooivork."

»Zoo! dat dacht ik wel half en half," sprak de god van de zee. »Zijne

koninklijke hoogheid moest eens een kijkje bij mij nemen; dáár is

het nooit twijfelachtig wie de commandeerende officier is."

»En wat is wel Uwer Majesteits huismiddel om een lastige vrouw mak

te krijgen?" vroeg de commandant.

»Drie voet van de contra-bas elken morgen vóór het ontbijt, een

kwartier lang, maar 's zondags een half uur."

»Hé, waarom 's zondags meer dan door de week?" zeide de commandant.

»Waarom?" herhaalde Neptunus. »Wel, omdat zij dan zeker zaterdagavond

gehouden heeft, en ook omdat zij met den zondag minder te doen heeft,

en dus meer tijd om over hare zonden na te denken en die te boeten."

»Maar gij zoudt toch niet verlangen, dat een Prins een dame sloeg?"

»Zou ik niet? Neen, niet als zij zich heel netjes gedroeg als een

dame; maar als zij veel praats had en niet nuchter wilde blijven,

dan zou ik haar dienen zooals ik Amphi doe.--Is 't niet waar, Amphi,"

vervolgde hij, de godin bij de kin vattende, »op den bodem der zee

hebben wij geene boosaardige vrouwen?--En daarom, als gij ze ginds

niet in orde weet te houden, zend ze dan maar hierheen."

»Maar Uwer Majesteits geneesmiddel is nog al kras; wij zouden in

Engeland een opstand krijgen, als de koning zijn gemalin ging slaan."

»Laat de lords kamerheeren het dan doen," zeide de onvermurwbare

god; »en als die te lui zijn, wat ik wel geloof dat het geval is,

stuur dan om een bootsmansmaat van de Royal Billy. Ik verzeker u,

die zou haar bedienen, en die zou voor een halve kan rum er bij de

gardes op den koop toe er horlepijp bij leeren dansen."

»Ik zal niet verzuimen zijne koninklijk hoogheid uw advies mede

te deelen, mijnheer Neptunus, doch ik durf niet verzekeren, dat

het opgevolgd wordt. Wat zegt gij er van om eens te drinken op de

gezondheid van zijne vorstelijke hoogheid?"

»Van ganscher harte, sir; ik ben altijd trouw aan mijn koning geweest,

en steeds bereid op zijn welzijn te drinken, en voor hem te vechten."

De commandant bood daarop god en godin elk een glas madera aan.

»Op de gezondheid en het lange leven van onzen genadigen koning en

de geheele koninklijke familie. De wegen zijn buitengewoon stoffig,

en wij hebben droge lippen, sedert wij van morgen St. Thomas, onder

de linie, verlaten hebben. Maar wij hebben geen tijd te verliezen,

commandant," zei de zeegod; »ik zie hier een boel nieuwe gezichten,

die alle gewasschen en geschoren moeten worden; en als wij ze wat

laten bloeden en medecineeren, zullen zij er te beter om zijn."

De commandant knikte toestemmend; en Neptunus met zijn drietand op

het dek stampende, beval attentie en sprak zijn gevolg aldus aan:

»Luistert goed, mijne Tritons, gij zijt hier gekomen om te scheren,

af te spoelen en te genezen, een ieder die zulks noodig heeft; maar

ik verlang, dat gij daarbij zachtzinnig zult te werk gaan. Ik duld

geene misbruiken; als wij een slechten naam krijgen, is het uit met

de klandizie; en de eerste uwer, die aan mijne bevelen ongehoorzaam

is, laat ik binden aan een 10-duims mortier en daarmede tienduizend

vademen diep in den oceaan zakken, waar hij zich honderd jaren lang

vetmesten mag met zeewater en zeegras. En nu aan het werk!" Twaalf

politieagenten, met dikke stokken, posteerden zich onmiddellijk bij

de luiken, joegen allen op, die nog niet gedoopt waren, en hielden

strikt de wacht bij het één voor één aflezen der namen.

Voor het groote bad had men een onderlijzeil, dubbel genomen,

gespannen tusschen eenige spieren aan den voorkant van den grooten

mast. Eenmaal nat, liet dit zeil slechts weinig water door, werd

volgemaakt met putsen en volgehouden door de brandspuit, die tevens

diende om elk die uit de handen van den barbier in het bad kwam, met

een krachtigen waterstraal te geeselen. De meeste officieren kochten

zich vrij van scheren en innemen, door een flesch rum te offeren;

maar niemand liep vrij van het nat gooien met zeewater, waarmede men

dien dag zeer overvloedig omsprong; zelfs de commandant kreeg zijn

aandeel, maar bleef er welgemutst onder en had veel genoegen in de

aardigheid. Bij deze gelegenheid viel duidelijk in het oog, wie bij de

equipage in gunst stonden, namelijk door den graad van gestrengheid,

waarmede zij behandeld werden.

De nieuweling werd, los geblinddoekt, op eene spier van de doopvont

geplaatst; de vraag werd hem gedaan, waar hij geboren was, en op

het oogenblik, waarop hij den mond tot antwoorden opende, kreeg hij

het zeepkwastje van den barbier, eene verfkwast der grootste soort,

besmeerd met een onoogelijk mengsel van koolteer en uitschraapsel

van de veehokken, in den mond, en langs wangen en kin; vrij onzacht

werd dit met het bovenomschreven scheermes afgestreken. De dokter

voelde daarop den pols en schreef eene pil voor, die in de wang

werd gestopt; daarop werd de ruikflesch, waarvan de kurk met korte

naaldenpunten was volgestoken, zoo stevig langs den neus gestreken,

dat hij bloedige sporen achterliet. Als dit afgeloopen was, werd de

baar, door een lichten duw van voren, achterover in het bad gegooid,

waaruit hij maar trachten moest te ontsnappen door een kring van met

stokken gewapende saters en de brandspuit, die hem waarnamen tot de

komst van zijn opvolger.

De konstabelsmaat, een paar van de korporaals der mariniers en de

bottelier werden ongenadig behandeld. De adelborsten, die hun beurt

gehad hadden, lagen op de loer voor den eersten officier, doch deze

hield zich zoo na aangesloten onder de vleugels van den commandant,

dat hij moeielijk te genaken was. Eindelijk was er eenig rumoer in het

benedenschip, waar hij op af moest; dit was eene geschikte gelegenheid;

wij omringden hem, voorzien van den noodigen watervoorraad, en doopten

hem zoo duchtig, dat hij met vaart langs een achtertrap ontsnapte,

op weg naar de longroom. Vóór hij in het benedenportaal beland was,

ontving hij nog eenige ledige brandemmers, die ons, bij ongeluk

natuurlijk, uit de handen geglipt waren, op het hoofd.

De administrateur had zich in zijn hut opgesloten en deze

gebarrikadeerd; met zijn degen en pistolen dreigde hij de indringers;

doch de adelborsten lieten zich door zulk een kleinigheid

niet afschrikken; zij wisten hem er toch uit te krijgen en een

buitengewoon stortbad te geven, onder opmerking: dat dit de straf

was, omdat hij nooit eens wat drank boven ons rantsoen had willen

doen verstrekken. Hij werd daarop met statie naar het bovendek

gebracht, het zwaard boven zijn hoofd gehouden en zijne pistolen,

hoogst onschadelijk, in een puts met water voor hem uit gedragen;

daar werd hij nog eens geschoren, kreeg eene behoorlijke pil in en

onderging den reglementairen doop in het zeil, waarna hij als een

druipend schoothondje mocht aftrekken.

De eerste luitenant van de mariniers stond te boek als een vervelend

mensch; steeds hinderde hij ons door zijn fluitspelen. Zelf geen gehoor

hebbende, had hij niet het minste medelijden met het onze; op zijn

beurt werd hij naar het bad gebracht; boven alle andere uitspanningen

van dien dag, had hij het voorrecht een halve kan zeewater te moeten

uitdrinken, dat wij hem door zijn eigen fluit als een trechter ingaven.

Tot zoover ging alles prettig en vroolijk toe; maar spoedig veranderde

dit. Een van de voortopsgasten viel overboord; dadelijk werd het

alarmsein gegeven en het schip bijgedraaid. Ik vloog naar de kampanje,

en ziende, dat de man niet kon zwemmen, sprong ik te water om hem

te redden. Door de groote hoogte van mijnen sprong, ging ik er zeer

diep in en zag, bovenkomende, een zijner handen. Ik zwom er heen;

maar groote God! wat ontstelde ik, toen ik mij midden in een bloedplas

zag. In een oogwenk begreep ik, dat wij hier met haaien te doen hadden,

en het lot, dat ook mij boven het hoofd hing. Ik was zoo verstijfd

van schrik, dat het mij verwondert toen niet dadelijk gezonken te

zijn van den angst. Het schip, dat voor het opsteken zes à zeven

mijl geloopen had, was nog een heel eind doorgedwaald en zoover af,

dat ik mij verloren waande. Ik had bijna het denkvermogen verloren

door de nabijheid van den dood in zijne vreeselijkste gedaante. Toch

kreeg ik nog een helder oogenblik, waarin mijne daden in de laatste

vijf jaren in ééne minuut mijne herinnering doorliepen. Vurig bad

ik en beloofde beterschap, als God mij het leven mocht sparen. Mijn

gebed werd verhoord. Ik was reeds eene mijl van het schip af, toen

ik opgepikt werd; toen de sloep met mij op zijde van het schip kwam,

zwommen er drie groote haaien onder den spiegel. Deze hadden den armen

matroos verslonden en hadden, gelukkig voor mij, in de hoop van meer

buit, het schip gevolgd en mij dus voorbij gezien.

Toen ik den valreep opkwam, werd ik door den commandant en de

officieren op de meest vleiende wijze verwelkomd; de eerste dankte mij

ten aanhoore van de geheele bemanning voor mijn prijzenswaardig gedrag,

en ik werd door allen aangestaard als een voorwerp van belangstelling

en bewondering; maar terwijl anderen mij zoo beoordeelden, was

ik inwendig niet zóó voldaan. Ik ging naar omlaag, in een niet

te beschrijven stemming van zelfverwijt en eigen minachting, en

gevoelde mij de genade, die mij bewezen was, onwaardig. Mijne vroegere

schandelijke levenswijze stond, met de zwartste kleuren geteekend,

in alle duidelijkheid voor mijnen geest. Ik had de overtuiging een

verhard en onverbeterlijk zondaar te zijn.

Van kleeding verwisseld hebbende, was ik blijde, toen de invallende

nacht mij aan mijne overpeinzingen overliet. Deze werden er echter

niet vroolijker om. Ik zag in, dat ik alleen deugdzaam was, zoolang

de gelegenheid om te zondigen ontbrak. Nog jaren daarna stond mij het

schrikbeeld van een grooten haai voor den geest, met wijdgeopenden

bek, op het punt mij bij het been te vatten, en naar de diepte mee

te sleuren.--Ware ik destijds onder die gunstige indrukken slechts

in goede handen gevallen!

Onze genoegens in de konstabelskamer waren van een zeer ruwe soort

en bestonden grootendeels uit aardigheden onder elkander, waartoe

veel krachtsinspanning noodig was. Menigeen kreeg onder zulk spel een

schop of klap; doch in de vroolijkheid werd daarop minder gelet. Eens

werd ik bij zulk eene gelegenheid hevig aangevallen door een der

oudste adelborsten, die zich bij den konstabel-majoor bedronken had,

daarop bij ons binnenkwam en niet wist wat er gaande was. Daarop

van mij een fikschen stomp tusschen de oogen ontvangende, was hij

achterovergeslagen, midden tusschen het tafelservies, dat op dek

stond in afwachting van weggeborgen te worden. Woedend om het daarop

gevolgd gelach en de pijnlijkheid van den ontvangen slag, pakte hij

eene vleeschvork op, en voordat iemand wist, wat hij in den zin had,

stak hij mij daarmede vier malen. Ik vloog op om hem te straffen,

maar zoodra ik overeind was, gevoelde ik mij te stijf om mij te

bewegen en viel in de armen mijner kameraden.

De dokter onderzocht de wonden, die zeer ernstig waren; twee waren

rakelings aan een slagader. Ik werd naar mijne kooi gebracht, die ik

in geene drie weken kon verlaten. De dader had, toen hij nuchter was,

diep leedwezen over het gebeurde en smeekte mij om vergeving. Uit

mijn aard goedhartig, en ontwapend door zijne onderwerping, schonk

ik hem vergiffenis. De dokter meldde mij ziek aan de koorts, wat

op zichzelf waar was; had de commandant de ware toedracht van zaken

gekend, dan zou onze jonker, wiens promotie al geteekend aan boord was,

om bij onze aankomst op de Bermudas uitgereikt te worden, zeker niet

benoemd zijn. Mijne goedheid wondde hem, geloof ik, meer dan mijne

wraakzucht zou gedaan hebben; hij trok zich het gebeurde sterk aan,

schafte den drank af en toonde zich later zeer aan mij gehecht. Ik

beschouw dit als eene der goede daden van mijn leven en erken, dat

ik er met groot genot aan terugdenk.

Na het konvooi op 10o Noorderbreedte aan zijn lot te

hebben overgelaten, kwamen wij spoedig op de Bermudas aan. De

bovenrols-adelborsten werden allen naar hunne eigen schepen gezonden;

en vóór wij van elkander scheidden, hadden wij het genoegen den eersten

officier met een naar Engeland bestemd schip te zien vertrekken. Met

den goeden uitslag van onze krijgslist wenschten wij elkander geluk.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 23 / 38 题