In die drie dagen had ik van het meerendeel der acteurs en actrices
de levensgeschiedenis gehoord, en nog honderden bijzondere voorvallen
uit hunne omzwervingen door geheel Engeland, die mij in de hoogste mate
geboeid hadden en allerlei overdreven denkbeelden van het genot van hun
aan afwisseling rijk leven bij mij hadden opgewekt. Op eerbiedigen toon
beantwoordde ik mijns vaders brief. Hij deelde mij daarop mede, dat
hij er weder ingeslaagd was mijn naam in de rol van het wachtschip ter
reede van Spithead te doen inschrijven, waarop ik hem, alleen om tijd
te winnen, dien ik bij mijne nieuwe vrienden zou kunnen doorbrengen,
vergunning vroeg om rechtstreeks naar boord te mogen gaan, te meer,
schreef ik, omdat het voor mij ook veel aangenamer was om eerst later,
als het gebeurde geheel vergeten zou zijn, weer onder zijne oogen te
komen. In zijn antwoord keurde hij dit goed en sloot eene goede som
geld er bij in. Dezelfde post bracht mij eene dringende uitnoodiging
van Mr. Sommerville om thans naar ..... Hall te komen.
Daar het tooneelgezelschap nu na twee dagen de plaats verlaten zou,
met bestemming naar eene plaats dicht bij Portsmouth, en zij de reis
derwaarts niet binnen de veertien dagen zouden volbrengen om onder weg
eenige voorstellingen te kunnen geven, besloot ik van de ontvangene
uitnoodiging gebruik te maken.
Ik bracht bij de familie Sommerville, waar ik door vader en dochter
met de meeste hartelijkheid ontvangen werd, eenige zeer aangename
dagen door. In dien tijd werd ik het met Emilia eens, dat wij elkaar
wederkeerig liefhadden. Bij mijn vertrek schonk zij mij een lok haar,
die ik met heiligen eerbied bewaarde.
Toch was ik verre van oprecht tegenover dat meisje geweest. Toen ik
haar geschenk aannam, na zoovele plechtige betuigingen van mijnen
kant, was eigenlijk mijn hart verdeeld tusschen haar en de bekoorlijke
actrice, waarmede ik den eersten avond van mijn verblijf in de herberg
had kennis gemaakt. Deze laatste toch was de groote aanleiding, dat ik
mij bij dat gezelschap zoo te huis had gevoeld en daarvan noode was
gescheiden, met het stellige voornemen de kennismaking te Portsmouth
te hernieuwen. Doch van hoeveel valschheid eene dergelijke handeling
ook getuigenis aflegt, tot mijne verontschuldiging kan ik aanvoeren,
dat in alle daden van mijn volgend leven de gedachte aan Emilia steeds,
als aan eene heilige, mij voor den geest zweefde, en mocht haar beeld
al niet van voldoenden invloed geweest zijn om mij steeds tijdig van
het kwade terug te houden, althans was het de herinnering aan haar,
die mij voor geheelen ondergang beschut heeft.
Ik reisde naar Portsmouth, meldde mij pro forma aan boord en verzocht
dadelijk aan den eersten officier een verlof, dat hij mij gereedelijk
toestond, doordien hij een oude kennis van mij was, mij voor den dienst
niet direct noodig had en mijn vertrek als eene opruiming beschouwde.
Van de verkregen vergunning gebruik makende, haastte ik mij om mijn
tooneelgezelschap weer op te zoeken, waarin ik zeer spoedig slaagde.
De lezer vergunne mij hier om een kort tijdperk uit mijn leven,
waarover ik mij thans, na zooveel jaren tijdsverloop, nog schamen
en bedroeven moet, slechts met een paar woorden te vermelden, om
daardoor aan den samenhang van mijn verhaal niet te schaden. Mijne
levenswijze in gezelschap met de tooneelspelers was in de hoogste mate
losbandig en strekte slechts tot bederf van mijn karakter, met den
nasleep van berouw over mijne in dien tijd bedreven handelingen. Het
viel zoozeer in mijnen smaak, dat ik mij reeds voorgenomen had den
zeedienst te verlaten en acteur te worden, waartoe een groote aanleg
bij mij bestond. Nu en dan vervulde ik reeds rollen in de verschillende
opvoeringen, waarbij ik zeer veel toejuichingen inoogstte. Zooals ik
tot nu toe steeds in mijne ondernemingen gelukkig geslaagd was, ging
het mij ook op de planken. Op een avond zou ik als Apollo optreden en
was er op de affiches bijzondere melding van mij, onder een anderen
naam, gemaakt, toen de voorstelling door een hoogst bijzonder toeval
door mijn vader werd bijgewoond. Deze, die niet anders dacht, dan
dat ik aan boord was, bracht een bezoek bij een ouden vriend in de
omstreken, en laatstbedoelde had hem naar den schouwburg medegenomen.
Juist op het oogenblik, dat ik een air zou gaan zingen, ontmoetten
mijne oogen die van mijnen gevreesden bloedverwant. Ik was verstomd,
vergat mijn rol, liep van het tooneel en liet aan den orchestmeester
de zorg over om de zaak terecht te brengen. Mijn vader, die eerst
zijne oogen niet gelooven kon, geraakte uit de onzekerheid, toen hij
mijne verwarring zag. Ik was de kleedkamer ingeloopen, en voor ik
nog tijd had gehad de kroon en tunica van Apollo af te leggen, werd
ik door hem, in een staat van niet geringe gramschap, aangesproken.
Mijn vader vroeg mij kort af: hoe lang ik reeds in deze eervolle
betrekking was. Dit was eene vraag, die ik had kunnen vooruitzien
en daarom zeer gereedelijk beantwoordde. »Pas twee of drie dagen,"
zeide ik en voegde er bij, dat ik Portsmouth verlaten had voor wat
wij noemden een »slipper" en dat ik het zeer jolig vond.
»Ja stellig zeer jolig," zeide mijn vader. »En zeg eens, als ik vragen
mag zonder kans te loopen om een leugen tot antwoord te krijgen,
hoe lang zal die »slipper", zooals gij dat noemt, nog duren?"
»O, morgen," zeide ik, »is mijn verlof om, en dan moet ik weer naar
boord terug."
»Dan zal ik de eer hebben, u derwaarts gezelschap te houden," zeide
mijn vader, »en zal ik tevens den commandant verzoeken eenige grenzen
te stellen aan den duur en den afstand uwer uitstapjes."
Hierop zijne stem verheffende, vervolgde hij: »Ik schaam mij over u,
mijnheer; de zoon van een gentleman heeft geen groote kans om veel
nuttigs te leeren bij zoo'n gezelschap van rondreizende vagebonden. Ik
had reden om volgens uw laatste brieven uit Portsmouth te verwachten,
dat gij heel anders bezig zoudt zijn."
Op deze vaderlijke vermaning antwoordde ik door een hoogst onnoozel
gezicht te zetten (want reeds spoedig had ik mijne tegenwoordigheid
van geest teruggekregen) en te verklaren, dat ik niet wist dat er in
mijne handeling eenig kwaad stak, daar de meeste zeeofficieren wel
eens zoo deden, en dat het alleen diende om wat practijk op te doen,
omdat wij aan boord zoo dikwijls comedie moesten spelen.
»Oefen u dan met uws gelijken," zeide mijn vader, »en niet in
gezelschap van vagebonden en straatslijpers."
Daar de oude heer toch niet uit zijn kwade humeur te praten was en
ik wist geheel in het ongelijk te zijn, liet ik hem maar doorvuren,
zonder een schot terug te doen. Hij eindigde met mij last te geven,
den volgenden morgen bij hem te verschijnen, en liet mij daarna tijd om
van kleederen te verwisselen. Ik behoef hier niet bij te voegen, dat ik
dien avond niet naar het tooneel terugkeerde en aan de directie de zorg
overliet om het publiek met de plaats gevonden verstoring te verzoenen.
Mijn vader was verstandig genoeg den volgenden dag niet veel over
het gebeurde meer te spreken. Toen ik daarover nog mijn leedwezen had
te kennen gegeven, verbond hij zich, op mijn verzoek, om die laatste
dwaasheid voor den heer Sommerville en zijne dochter te verzwijgen.
Te zamen gingen wij naar Portsmouth, waar mijn vader mij in een
hotel liet, terwijl hij zijnen ouden kennis, den haven-admiraal,
ging bezoeken. Met dezen onderhield hij zich een geruimen tijd,
waarvan het gevolg was, dat hem voor mij eene spoedige plaatsing werd
toegezegd op een naar zee bestemd schip, onder een strengen kapitein.
Er lag juist een schip gereed om naar de Golf van Biscaye te zeilen;
en door toedoen van den admiraal, werd ik aldaar in de bovenrol
geplaatst. Mijn vader, die mij nu zoo'n beetje had leeren kennen,
bracht mij zelf aan boord; en zich toen vleiende mij in goede bewaking
achter te laten, nam hij afscheid en keerde naar den wal terug. Spoedig
bemerkte ik in een soort van arrest gehouden te worden, althans er
was geene quaestie van, dat ik vergunning kon krijgen om naar den
wal te gaan. In zekeren zin was ik daarop voorbereid, maar reeds zóó
dikwijls had ik bezwaren te overwinnen gehad, dat deze kleinigheid
mij al zeer weinig hinderlijk was.
Hoewel mijn vader een gewelddadig einde aan mijne tooneelcarrière
had gemaakt, waren mijne betrekkingen met den troep van te innigen
aard geweest, dan dat onze scheiding reeds voor goed kon zijn. Zoodra
ik mij dus aan boord ingericht had, schreef ik een brief aan mijne
vriendin, haar verzoekende in Portsmouth te komen en in een hotel,
aan den waterkant, haar intrek te nemen, mij voorstellende haar zoo
spoedig mogelijk te bezoeken.
De moeielijkheid was nu, hoe van boord te komen. Ik begreep, dat de
grootste welsprekendheid bij den eersten officier, die als een Cerberus
de wacht over mij hield, vruchteloos zou zijn. Ik nam echter de proef
en smeekte dringend om vergunning om aan den wal te gaan, ten einde
eenige zaken aan te koopen, die ik voor de aanstaande zeereis hoog
noodig had.
»Neen, neen," zeide mr. Talbot, »ik ben een veel te oude rot om in
die val te loopen. Ik heb strenge orders en zou mijn eigen vader aan
boord houden, als de commandant mij dit gelast had; en ik zeg u met
de meeste gemoedelijkheid, dat gij geen voet buiten dit schip zult
zetten, tenzij gij het zwemmende mocht willen beproeven, wat ik niet
licht gelooven zal dat gij durft doen. Hier," vervolgde hij, »is het
briefje door den commandant geschreven; gij kunt daar uit zien, dat
het niet voor mijne eigene liefhebberij is, dat ik u niet laat gaan."
De nota was kort, liefelijk en wat mij betrof complimenteus. Zij
hield slechts in:
»Houd dien d.....schen schavuit van een Mildmay aan boord!"
»Vergun mij dan," vroeg ik onder het teruggeven van het briefje, »onder
de hoede van den sergeant van de mariniers naar den wal te gaan."
»Daardoor," zeide hij, »zou ik evenzeer buiten mijn boekje gaan,
als door u alleen vergunning te geven. Gij gaat niet naar den wal,
mijnheer!"
Deze laatste woorden sprak hij zeer kortaf, en het dek verlatende,
liet hij mij aan mijne eigene overdenkingen over.
Ik had afgesproken om 's avonds te negen uren aan den wal te komen. Het
was nu zonsondergang; de sloepen waren alle geheschen; geen enkel
bootje was er in den omtrek van het schip. Het eenige middel om
den overtocht te maken was à la nage, een middel door mr. Talbot
zelf aangegeven, doch alleen om er tevens bij op te merken, dat het
onuitvoerbaar was; maar hij kende mij op dat oogenblik nog niet zooals
hij dit later leerde.
Het schip lag twee mijlen van de strandlijn, de wind kwam van het
Zuidwesten en het tij liep Oostwaarts; daar beide in mijn voordeel
waren, rekende ik Southsea Castle te kunnen bereiken. Toen het donker
was, verborg ik mij in de fokkerust. Het was den twintigsten Maart
en zeer koud weder.
Ik ontkleedde mij, bond mijn goed in een pakje boven het hoofd en liet
mij zachtkens te water om als een tweede Leander naar wal te zwemmen.
Nog geen twintig el was ik van het schip af, toen ik door den
schildwacht werd opgemerkt, die mij voor een der gepreste matrozen
aanziende, die deserteeren wilde, toeriep terug te keeren. Daar
hieraan geen gevolg werd gegeven, kreeg hij van den officier der
wacht last om te vuren. De kogel stoof mij over het hoofd en ging
tusschen mijne handen door. Hij werd door een dozijn andere gevolgd,
die alle vrij goed gemikt waren; maar ik zwom voort, en de vriendelijke
nachtschaduw, geholpen door den toenemenden afstand van het schip,
brachten mij spoedig buiten gevaar. Een vletroeier, die het vuur gezien
en de schoten gehoord had, begreep dat daar wel wat te verdienen kon
zijn. Hij roeide op mij af, en toen ik hem aanriep, stak hij mij de
handen toe. Ik was op dat oogenblik nog geen achtste mijl ver gekomen.
»Het is zeer te bezien, of gij in die richting ooit den wal zoudt
gehaald hebben, jong mensch," zeide de oude man. »Gij zijt twee uren
te vroeg van boord gestoken; vóór de haven zoudt gij eene zware eb
tegen gekregen hebben; en, aangenomen dat gij uw hoofd boven water
hadt weten te houden, zoudt gij het eerst op de Owers zijn aangeland."
Terwijl de oude man onder het roeien zat door te praten, kleedde
ik mij al rillende aan, zonder te antwoorden; maar verzocht hem
mij af te zetten op het eerste punt, dat hij van Southsea Baai kon
bereiken. Hieraan voldeed hij, en ik schonk hem een guinje, waarna ik
zoo snel mogelijk het afgesproken rendez-vous opzocht. Bij een goed
vuur kwam ik daar weer spoedig op mijn verhaal. Noodzakelijk was dit
koude uitstapje geenszins geweest, doch ik werd tot het ondernemen van
den tocht geprikkeld juist door de strenge maatregelen, die men genomen
had om mij aan boord te houden. Het gevaar, dat ik daardoor geloopen
had, werd dan ook geenszins opgewogen door de genoegens van den
wal. Alleen smaakte ik het genot mij een korten tijd vrij te gevoelen.
Den volgenden morgen liet ik mij weer met een bootje aan boord
zetten. Toen ik den valreep opkwam, liep de eerste officier aan dek.
»Ik geloof, dat wij van nacht op u geschoten hebben?" vroeg hij
glimlachende.
»Ja, mijnheer, dat is zoo," zeide ik; »het was allerdringendst
noodzakelijk voor mij om aan wal te zijn, en daarom ging ik op deze
minder gebruikelijke wijze."
»O, wat dat betreft," zeide de eerste officier, »als ik geweten had,
dat gij het waart, zou ik u stil hebben laten gaan; ik dacht, dat
het een gewone deserteur was en daarom liet ik er door de mariniers
op schieten."
»De deserteurs zullen u wel zeer verplicht zijn," dacht ik.
»Vondt gij het niet verduiveld koud?" vervolgde hij op vroolijken toon,
door mijn antwoord daartoe aangemoedigd.
»O, zeker," antwoordde ik.
»En de soldaatjes schoten redelijk goed, is het niet?"
»Ja, dat deden zij, sir; jammer, dat zij geen voornamer schijf hadden."
»Ik vat uwe bedoeling," zeide de eerste officier, »maar daar gij uwe
dienstjaren nog niet hebt, zoude de vacature u niets gegeven hebben. Ik
moet den commandant er over rapporteeren, doch dit zal wel losloopen,
want die is zelf zoo ondernemend, dat hij dit ook gaarne van anderen
ziet. Wij hopen echter u spoedig ernstiger aan het werk te zullen
kunnen zetten."
Kort daarop kwam de commandant van den wal terug en berustte geheel in
mijn zonder verlof van boord gaan; hij maakte echter eene opmerking,
terwijl hij van ter zijde een blik op mij sloeg, en deze was, zooals
ik later bemerkt heb, nog al vleiend voor mij. Binnen enkele dagen
gingen wij onder zeil en bereikten spoedig de Baai bij Rochefort. De
Fransche schepen lagen in linie, dwars van Isle d'Aix; de Engelsche
vloot was daar buiten geankerd. Het schip, waartoe ik behoorde,
nam een werkzaam aandeel in hetgeen er plaats greep, en de meesten
onzer zagen meer, dan wij durven vertellen; maar wijl er bij deze
gelegenheid veel kwaad bloed werd gezet, en twee hoogst onaangename
krijgsraden het gevolg er van waren, zal ik trachten mij tot het
verhalen mijner eigene lotgevallen te bepalen en vermijden, wat aan
anderen aanstoot zou kunnen geven. Eenigen tijd werd er gevorderd
om de branders in gereedheid te brengen; en toen des nachts van den
11en April 1809 alles klaar was voor de poging om het vijandelijk
eskader te vernielen, begon de aanval. Een stouter stuk werd nooit
ondernomen; en, zoo de onderneming al voor een deel mislukte, was
dit geenszins op rekening te stellen van de aanvoerders; zij deden
al wat menschelijkerwijze mogelijk was.
De nacht was zeer donker en er woei een stijve bries recht op
's vijands vloot, vóór Isle d' Aix aan. Twee onzer fregatten waren
vooraf zóó geplaatst, dat zij als bakens konden dienen in de koerslijn
der branders. Elk had eene heldere lantaarn op; de branders moesten
tusschen hen doorvaren; verder was tot aan de versperring, die de
ankerplaats afsloot, de koers vrij en kon er geene vergissing zijn.
Ik vroeg en verkreeg vergunning om mede te gaan met een der
ontploffingsvaartuigen, die vóór de branders uit moesten gaan. Zij
waren volgestuwd met lagen van granaten en kruitzakken, op elkaar
gestapeld; elk vaartuig had daarvan eene groote hoeveelheid in. Een
van de officieren, nog drie matrozen en ik waren er alleen aan
boord. Ten einde daarmede tijdig te kunnen ontsnappen; hadden wij
ter onzer beschikking eene vier-riems giek, een lang, smal ding,
door de matrozen gewoonlijk »doodkist" bijgenaamd.
Geheel en al gereed, staken wij af. Het was een ernstig oogenblik; de
wind nam toe en floot door ons tuig en de nacht was zoo donker, dat wij
onzen eigen boegspriet niet konden zien. Wij hadden alleen een vóórzeil
bij; maar met een zwaren vloed en den wind van achteren, schoten wij
als eene pijl uit den boog tusschen de buitenste fregatten door. Het
was in mijne gedachte alsof de ruimte daartusschen de poort van de
hel was, die wij binnengingen. Toen wij met snelheid voortvlogen, en
onze schepen achter ons in de dikke duisternis uit 't zicht verloren,
dacht ik aan Dante's beschrijving van het voorportaal:--»Die hier
binnentreedt, late alle hoop varen!"
Onze lastgeving hield in, het vaartuig aan te brengen tegen de
versperring, die de Franschen buiten de ankers hunner linieschepen
hadden aangelegd. Weinige minuten, nadat wij de fregatten voorbij
waren, kwamen wij er dicht bij; onze giek sleepten wij achteraan,
met drie man er in--een bij de vanglijn, klaar om die los te gooien,
een om te sturen, en de derde om het water uit te hoozen, dat er door
de snelle vaart al te willig instroomde. De officier hield op het
vaartuig den helmstok, en ik was belast met de lont. Met een zwaar
gekraak kwamen wij tegen de versperring aan; ons roer werd aan boord
gelegd, zoodat wij dwars kwamen. De kracht van het getij op den romp,
en van den wind op het vóórzeil, gaven het zulk eene sterke helling,
dat ik mij haast niet op de been kon houden; op dit oogenblik was de
giek in groot gevaar van vol te loopen.
Zij hadden haar weer achteraan weten te krijgen, en dáár was zij bijna
door het tij over de versperring heen geslagen; met groote moeite werd
zij geklaard en lag »op de riemen," in een kokenden, korten golfslag,
waarin zij het nauwelijks houden kon. Onze aanvoerder stapte er nu vast
in en droeg mij op de lont aan te steken en hem dan ijlings te volgen.
Als ik ooit in angst gezeten heb, dan was dit na het aansteken
van de lont, die uitgebrand zijnde, den kruitloop vuur moest doen
vatten. Totdat ik goed en wel in de giek zat en buiten bereik van de
ontploffing was, die niet kon uitblijven en plotseling had kunnen zijn,
was het een vreeselijk gevoel. Ik stond letterlijk boven op eene mijn;
een kleine fout in de lont, die wel eens voorkomt, enkele korrels
buskruit, die op het dek konden gestort zijn, zouden de ontploffing
hebben kunnen verhaasten; had mijne hand bij het aansteken gebeefd,
wat ik met trotschheid zeggen kan dat niet het geval was, dan had
hetzelfde kunnen gebeuren. De lont kon niet langer dan anderhalve
minuut doorbranden; ik had derhalve geen oogenblik te verliezen. Zoodra
zij aan was, legde ik haar doodbedaard neder en sprong de giek in
met eene vlugheid, die bij de gelegenheid paste. Dadelijk staken wij
daarmede af; ik roeide mede, en nooit van mijn leven met een ijver
als toen. Nog geen twee honderd el waren wij ver, toen de ontploffing
plaats vond.
Een schooner en vreeselijker schouwspel is niet te bedenken; wij
konden het echter niet genoegzaam op ons gemak genieten. De granaten
vlogen wonderlijk hoog de lucht in, sommige uiteenspringende onder het
opstijgen, andere bij het neervallen; de stukken vlogen om ons heen,
zonder iemand te raken. Met stroom en wind tegen gingen wij nu slechts
langzaam door het water en hadden het genoegen tusschen al de branders
door te moeten, die ontstoken waren en van achter tot voren in brand
op ons kwamen aanzetten. Hun want hing vol Congrevische vuurpijlen,
die bij het vlam vatten in alle richtingen losbarstten en onder een
oorverdoovend leven aan vurige slangen deden denken.
Wij kwamen behouden aan boord en meldden ons bij den commandant,
die boven op de verschansing de branders nakeek. Een daarvan was
te spoedig aangestoken, het roer was niet behoorlijk vastgezet, en
daardoor was hij uit zijn koers geraakt en dicht in onze nabijheid
gekomen. Ik had, wat mij betrof, dien avond al avontuur genoeg gehad,
maar toch was ik er nog niet af.
»Jonker Mildmay," zeide de commandant, »gij schijnt nog al van een
buitenkansje te houden; spring nog eens even in de giek, neem vier
versche matrozen mede (ik dacht, een versche jonker zou er ook geen
kwaad bij doen!) en roei naar boord van dien brander, om hem weer in
zijn koers te brengen."
Om de waarheid te bekennen, had ik er niet erg veel liefhebberij in:
het vaartuig was van het kluifhout tot den gaffel één vuur al vuur, en
liever was ik thans op mijn lauweren gaan rusten, dan weer op nieuwe,
en vooral zulke onzekere, uit te gaan; doch niet gewoon om zwarigheden
te maken, wilde ik dit ook dezen keer niet doen. Ik bracht de hand
aan mijn hoed, riep vier vrijwilligers op en had dadelijk voor het
kiezen uit een vijftigtal, dat zich aanbood. Met de vier besten stak
ik in de giek van boord.
Bij den brander gekomen, bespeurde ik nergens een plekje, dat nog vrij
van het vuur was, waarvan de hitte op twintig à dertig voet afstands,
zelfs in dien kouden nacht, hoogst onaangenaam was. Aan den loefkant
was het nog het beste om te naderen, hoewel ook dáár de vlammen met
kracht de kajuitsramen uitsloegen. Met veel inspanning gelukte het
mij op het dek te komen en werd ik door een der matrozen gevolgd. De
groote mast brandde en de lappen verschroeid zeildoek van het brikzeil
vlogen om ons heen, alsof het een sneeuwstorm moest voorstellen; het
einde van den helmstok was reeds verkoold, doch nog juist kon ik om
het middengedeelte een eind touw heen krijgen, en daarmede draaide
ik door mijn man geholpen het roer om, zoodat het vaartuig weer vóór
den wind kwam te liggen.
Onder deze werkzaamheid waren wij bijna van den vuurgloed en den
rook gestikt. Haastig klommen wij weer overboord, en voort dreef
de brander met den wind verder. »Ik maak de reis ditmaal niet met
u mede," zeide ik. »J'y ai été" zooals de Franschman antwoordde bij
eene uitnoodiging om nog eens een vossenjacht mede te maken.
Zwart als een neger en met een brandenden dorst, kwam ik aan boord
terug. »Goed afgebracht, Mildmay," zeide de commandant. »Hebt ge het
warm gehad?" Ik wees naar mijn mond, want die was zoo droog, dat ik
geen woord kon uitbrengen, en liep naar den waterstander, dien ik
half leegdronk. Mijne eerste woorden, toen ik weer spreken kon, waren:
»Die verduivelde brander, en de stommeling, die hem aangestoken heeft!"
Den volgenden morgen zagen wij het Fransche eskader in een wanhopigen
toestand; de schepen hadden hunne ankerkabels laten slippen en waren
in allerlei richting het strand opgeloopen, met uitzondering van de
vlaggeschepen van den admiraal en van den schout-bij-nacht, die te
grooten diepgang hadden en tot hoog water ten anker moesten blijven
liggen; het was toen pas 't begin van den vloed en zij hadden nog
vijf uren den tijd. Voor het overige verwijs ik mijn lezers, die
de geschiedenis naar waarheid verlangen te weten, naar het verslag
van den krijgsraad, die later is gehouden geworden; het gebeurde
is door verschillende schrijvers uit dien tijd van alle kanten
beschreven. Alleen wil ik opmerken dat, als men de commandanten
onzer schepen naar eigen goeddunken had laten handelen, nog veel meer
uitgevoerd zou zijn geworden,--met welken uitslag moet ik echter in
het midden laten.
Mijn commandant ging, zoodra het hem licht genoeg was, onder zeil
naar binnen en kwam in een vuurgevecht met de batterijen aan den
wal, terwijl hij tevens ook zijne stukken liet richten op 's vijands
schepen, die omgeslagen op het strand zaten. Isle d'Aix gaf ons eene
warme ontvangst. Ik stond op den bak, terwijl van een der ankergasten
het hoofd door een kanonskogel glad afgeschoten werd; de commandant,
die juist daar op aan kwam, zeide alleen: »Arme drommel! Zet hem maar
overboord, wij hebben nu geen tijd om naar de oorzaak van zijn dood
een onderzoek in te stellen." Geruimen tijd hadden wij het alleen
vrij zwaar te verantwoorden met de batterijen en dicht daarbij zijnde
schepen, vóór er van onzen kant eenige hulp kwam opdagen.
Enkele van de schepen, die ons in zulk een vuurgevecht gewikkeld zagen,
kwamen zich bij ons voegen. Een onzer linieschepen mengde zich in den
strijd zoo netjes in orde, dat het prachtig was om aan te zien. Het was
een zeer mooi schip, in keurigen staat; het scheen een levend voorwerp,
zichzelf bewust van zijn overmacht over zijne tegenstanders, waarvan
het de schoten, die dicht in de rondte vielen, bleek te verachten,
terwijl het langzaam een bewonderenswaardige stelling voor het gevecht
innam. Nadat het de zeilen vastgemaakt en de raas vierkant gebrast had,
alsof het juist ter reede van Spithead ankerde, kwam het volk uit het
tuig af, begaf zich naar de stukken en opende zulk een hevig vuur op
's vijands schepen en versterkingen, dat de groote Nelson zelf, als
hij er bij tegenwoordig had mogen wezen, in verrukking gebracht zou
zijn. De gevolgen van deze expeditie zijn wel bekend en vorderen geene
herhaling; het was een der gedenkwaardigste feiten uit den ganschen
oorlog. De Franschen, traag in het erkennen hunner minderheid ter zee,
onderwierpen zich thans stilzwijgend. Onze zeemacht had zijne taak
volbracht; en van dit oogenblik af had voornamelijk het landleger
alleen den oorlog voort te zetten.
Opmerkelijk was de bijzonderheid, die den dood van den commandant van
een der vernielde Fransche schepen vergezelde. Deze hoofdofficier
was van boord afgehaald door een der sloepen van ons fregat, doch
zich herinnerende, dat hij op zijn schip zee-instrumenten van groote
waarde had achtergelaten, verzocht hij onzen bevelhebber met hem
in de giek te gaan, om ze weg te halen vóór het vaartuig geheel
uitbrandde. Dit gebeurde; daar de giek in gewone omstandigheden,
slechts voor één persoon plaats aanbood, zaten de beide officieren,
dicht tegen elkaar aan op een plankje van twee voet lang, dat
over het achterboord voor hen was neergelegd. Toen zij een van de
in brand staande Fransche schepen voorbijvoeren, gingen daar aan
boord, achtereenvolgens naarmate zij door het vuur bereikt werden,
de kanonnen af; door een groot toeval nam een dier kogels de plank
onder de beide kapiteins weg; de Engelsche kreeg geen letsel, doch
de Franschman werd door de splinters, die hem in 't lijf drongen,
gedood. Later op den avond werden de op het strand zittende Fransche
linieschepen mede in brand gestoken en gaven een schitterende, doch
zeer kostbare verlichting. Wij lagen er dicht genoeg bij, om de
splinters, die er van af vlogen, op ons dek te krijgen.
Onder onze gesneuvelden was een Hollander, bootsmansmaat van beroep,
wien vergund was zijne vrouw bij zich aan boord te hebben; met
die wederhelft had hij nog al dikwijls overhoop gelegen, zoodat
zij een eigenaardig soort van eerbied had gekregen voor den stok,
dien haar man in zijne kwaliteit verplicht was altijd te dragen; met
allen eerbied voor de schoone sekse, moet ik verklaren, dat de meeste
kastijdingen, die zij op die wijze ontving, wel verdiend waren. Toen
een kanonskogel haren wettigen beschermer het leven had benomen, zat
zij diep bedroefd naast zijne verminkte overblijfselen en deed zeer
vele totaal vruchtelooze pogingen om te weenen; een traan uit het
eene oog biggelde langs hare wang en verloor zich weder in den mond,
een traan uit het andere oog nam tegelijkertijd eene evenwijdige
route, doch was niet lijvig genoeg om het zoover te brengen, stopte
halverwege, vermengde zich met den rook en kruitdamp, die ons omringde,
vormde een klein zwart eiland op haar gelaat en schonk daardoor haar
heldhaftige smart een echten rouwtraan. Van dit bewijs harer echtelijke
genegenheid wilde zij zich eerst den volgenden dag ontdoen, toen de
laatste treurige eer aan haar getrouwen Achilles was bewezen geworden;
toen waschte zij zich het gelaat en vond hare oude glimlachjes weder.
Wij kregen in last met brieven naar Spithead te zeilen, en lang vóór
wij aldaar aankwamen, had zij reeds den sergeant der mariniers tot
den gelukkigsten aller stervelingen gemaakt door de belofte met hem
te zullen trouwen vóór wij op onzen volgenden kruistocht naar zee
zouden gaan, een belofte die eerlijk vervuld werd.
Er was aan boord eene plaats voor adelborst opengekomen, die de
commandant mij aanbood. Vol blijdschap nam ik die aan, te meer daar
ik vernomen had, dat ons fregat deel zoude uitmaken van de op handen
zijnde Schelde-expeditie.