NEGENDE HOOFDSTUK.

Genoegen en verdriet zijn in de jeugd meesttijds slechts vluchtige

indrukken, hetzij ze hun bestaan ontleenen aan het bezit of aan het

verlies van wereldsche genietingen, dan wel aan het gevoel van in

ons leven goed of slecht gehandeld te hebben. De opwekking is, hoe

sterk ook, zelden van langen duur: zoo ging het mij. Ik was nog geen

vier dagen aan boord van het linieschip, waarmede ik naar Engeland

terugging, of mijne neerslachtigheid was geheel geweken. De uren van

ernstig nadenken werden eerst bekort en toen geheel afgeschaft. De

algemeene vroolijkheid bij mijne nieuwe makkers bij de gedachte aan

het spoedig weerzien van hun dierbaar vaderland, het vooruitzicht

van de meer of minder passende vermaken, die hen aan wal wachtten,

en dat het gewone onderwerp van gesprek onder de adelborsten was,--dit

alles bracht er toe bij om de godsdienstige gemoedsstemming, waarin ik

van mijn eersten commandant afscheid had genomen, genoegzaam geheel

te verflauwen en het bewustzijn te doen ontwaken van de dwaasheid,

die ik begaan had van een schip te verlaten, waar ik mij zoo op mijn

plaats gevoelde en groote kans op spoedige bevordering had. Ik begon te

meenen, dat ik heel onverstandig had gehandeld, en was in eene stemming

om, in weerwil van de goede voornemens, die ik gehad had, opnieuw

het pad van lichtzinnigheid en velerlei verkeerdheden in te slaan.

Wij kwamen na een overtocht van gemiddelden duur in Engeland aan. Ik

stemde er in toe twee dagen in Portsmouth over te blijven, om met mijne

nieuwe kameraden onze oude uitspanningsplaatsen terug te zien en ons

aan allerlei buitensporigheden over te geven, die slechts hartzeer en

verdriet in het gemoed achterlaten, wanneer het scheidingsuur geslagen

is. Ik behield echter wilskracht genoeg over om tijdig mijn koffer

te pakken, en na een overdadig souper geraakte ik dronken te bed en

pakte mij, des anderen morgens met een van hoofdpijn barstend hoofd,

in de koets naar Londen.

Eene groote gedruktheid volgde op de buitensporige vroolijkheid der

laatste dagen. De eerste uren bracht ik slapende in een hoek van den

wagen door; bij de eerste uitspanning verfrischte ik mij en nam mijne

plaats weder in. Toen wij verder reden, had ik meer tijd en was ook

mijne gemoedsstemming gunstiger om na te denken over al het gebeurde,

sedert ik mijn schip te Gibraltar verlaten had. Zooals gewoonlijk,

leverde mijn zelfonderzoek geen voldoenden uitslag op. Ik moest

erkennen, dat het voorbeeld van slecht gezelschap alle sporen had

uitgewischt van de goede voornemens, die ik had opgevat na het bericht

van den dood mijner moeder. Ik zag met schaamte, dat ik op mijzelf

niet kon rekenen; ik had al mijn goede plannen en de ernstige geloften

van beterschap, die ik mijzelf had opgelegd, vergeten en was bezweken

voor de allereerste verleiding, die mij in den weg was gekomen.

Toen dacht ik aan de treurigheid, waarmede mijn weder te huis komen

gepaard ging--aan de smartelijke leegte aldaar door den dood mijner

moeder achtergelaten--aan het verdriet van mijn vader--aan den

diepen rouw van mijn broeder en mijne zusters; opnieuw stond mijn

eerste vertrek in al zijne bijzonderheden mij voor den geest, toen

zij doodsbedroefd in zwijm in mijns vaders armen viel, terwijl ik

gevoelloos mijn hoofd afwendde om hare droefheid niet te zien. Opnieuw

deed ik geloften van beterschap en vond daarin eenige troost.

Toen ik aan mijn ouderlijk huis aangeklopt had, wenschte de bediende

die mij inliet, mij luid en hartelijk welkom. Ik liep door naar het

salon, waar mijn broeder en zusters een groote partij kinderen bij

zich hadden. Zij dansten op de muziek eener piano, door mijne tante

bespeeld, terwijl mijn vader blijkbaar in vroolijke stemming daarnaar,

in een gemakkelijken stoel gezeten, keek.

Dit was een heel ander schouwspel, dan ik mij had voorgesteld. Ik

was bereid op eene ernstig gestemde, hartelijke doch aandoenlijke

ontmoeting en in eene daartoe geschikte gemoedsstemming verkeerde ik

geheel en al. Oordeel dus over den plotselingen omkeer in mijn gevoel,

toen ik dartele vroolijkheid aantrof, waar ik tranen en klaagliederen

verwacht had. Ik had niet bedacht, dat de dood van mijne moeder, die

mij nog pas korten tijd bekend was, inderdaad hier reeds zes maanden

geleden was voorgevallen; en dat door den tijd ook de smart over

dat verlies was verzacht. Ik stond verbaasd over hunne schijnbare

gevoelloosheid; en zij zagen met evenveel verwondering naar mijn

bedrukt gelaat en naar de teekens van rouw aan mijne kleederen.

Met eenige verrassing heette mijn vader mij welkom, vroeg waar mijn

schip was, en om welke reden het terug was gekomen. Ik had namelijk

bij mijn plotseling opgekomen besluit om naar Engeland terug te keeren,

verzuimd om daarvan kennis te geven; en zelfs al had ik dit gedaan, dan

zou ik in persoon even spoedig aangekomen zijn als mijn brief, tenzij

ik (wat eigenlijk mijn plicht was geweest) bij aankomst te Portsmouth

had geschreven, in plaats van dáár mijn tijd te verbrassen en te

verknoeien. Aangezien ik, in tegenwoordigheid van zooveel getuigen,

het geheele geval niet zoo dadelijk kon vertellen, maakte ik daardoor

op mijn vader reeds een slechten indruk. Natuurlijk dacht hij, dat eene

of andere laakbare handeling, door mij gepleegd, aanleiding tot mijne

onverwachte opzending had gegeven. Zijn voorhoofd rimpelde zich met

saamgetrokken wenkbrauwen en hij scheen diep in gedachten verzonken.

Deze houding van mijn vader, te gelijk met het ergerlijke rumoer,

dat mijn broeder en zusters maakten, hinderden mij zeer. Ik gevoelde

haast, dat ik mij het treurige nieuws van den dood mijner moeder te

zwaar had aangetrokken, en besefte de opoffering van mijn verlaten

van het schip. Toen ik later, met mijn vader alleen zijnde, hem

de beweegredenen voor mijn gedrag verklaarde, was ik daarin ook

niet gelukkig. Hij kon niet aannemen, dat de dood mijner moeder de

eenige reden voor mijne terugkomst naar Engeland was. Ik moest een

weinig zachtzinnig verhoor ondergaan omtrent het nut, dat zou kunnen

voortvloeien uit mijn ontslag van het schip. Bij het lezen van het,

door mij medegebrachte, schoone getuigschrift maakte hij zich nog

meer boos. Tevergeefs voerde ik mijne groote droefheid aan. Hij

antwoordde daarop met eene opmerking,--die ik erkennen moet als

onwederlegbaar--dat ik mijn schip verlaten had, toen ik daar in

blakende gunst was en op den weg tot fortuin. »En wat", vroeg hij,

»moet er van den zeedienst en van het vaderland terechtkomen, als

ieder officier maar dadelijk naar huis komt, bij het eerste bericht,

dat er een van zijne familiebetrekkingen dood is?"

Naarmate mijns vaders bewijsgronden meer overtuigend werden,

vernietigden zij tegelijkertijd den goeden indruk, dien de laatste

aanbevelingen mijner moeders op mij hadden gemaakt. Was inderdaad

haar dood zoo'n gewone zaak, dan waren ook hare laatste woorden van

weinig gewicht; en van dat oogenblik af, dacht ik minder en minder aan

haar. Mijn vader behandelde mij geheel anders dan gedurende moeders

leven. Wat ik verzocht, werd mij gewoonlijk op een onaangenamen toon

geweigerd, en ik werd eigenlijk behandeld als een kind en geenszins

als een jongeling van achttien jaren, die reeds zooveel van de

wereld gezien had. Koelheid van zijnen kant, bevorderde verzet van

den mijnen. Daarbij kwam mijn oude trots weer boven. Eens kregen

wij een ernstig verschil van meening, aan het eind waarvan ik hem

te verstaan gaf, dat, als ik niet rustig onder zijn dak kon leven,

ik naar elders zou gaan. Koeltjes gaf hij mij den raad dit maar te

doen. Weinig vermoedende, dat ik daaraan gevolg zou geven, zag hij mij

de kamer verlaten, waarvan ik hard de deur achter mij dichtsloeg. Ik

pakte een kleinen voorraad linnengoed bijeen en vertrok onbemerkt met

mijn pakje over den schouder en ongeveer zestien shillings in den zak.

Dit was eene verkeerde handelwijze van mijn vader maar een nog veel

verkeerder van mijnen kant. Hij verlangde mij weer te zien varen, en

ik wilde niets liever dan dat; maar zijn ongeduld en mijne trotschheid

bedierven alles. Wel kwam ik spoedig tot nadenken, maar toen was het

reeds te laat. De duisternis viel in, ik had geen dak boven bet hoofd,

en mijne financiën waren in een treurigen toestand. Ongeveer zes mijlen

had ik te voet afgelegd en ik begon vermoeid te worden. Terwijl het

geheel donker werd, had ik nog geen plan beraamd. Een rijtuig kwam

mij voorbij, ik sprong er achterop en had ongeveer nog vier mijlen

zóó afgelegd, toen, daar het langzaam eene hoogte opging, de personen

die in het rijtuig zaten, mij ontdekten en den inmiddels afgestegen

postiljon hiervan kennis gaven. Deze haalde een paar malen de zweep

over mij heen, bewerende dat ik niet alleen nutteloos was, maar

buitengewoon erg hinderlijk in den weg zat en best gemist kon worden.

De lezers hebben reeds uit mijne vroegere levensgeschiedenis kunnen

opmaken, dat ik nooit wraakneming verzuimde; ik wachtte nu geduldig af

tot de drijver weer opgestegen was en de top van den heuvel bereikt

had, waarop ik hem behendig een steen naar het hoofd slingerde,

waardoor hij van zijn paard tuimelde en dit en de andere te gelijk aan

het hollen sloegen, den heuvel af. De postiljon sukkelde weer overeind

en paarden en wagen achterna, geen tijd kunnende missen om den dader

te zoeken. Ik stapte haastig den anderen kant uit, maar gunde mij ook

volstrekt geen tijd, om eens na te denken over het lot der reizigers,

wiens zweepslagen ik nog gevoelde.

»Dwazen en vlegels," mompelde ik, toen ik hen achter den heuvel

zag verdwijnen in een schrikwekkende vaart, »gij hebt uw verdiende

loon. Ik had mij tegenover u een vrijheid veroorloofd, dat is waar,

maar een beleefd verzoek van uwe zijde zou voldoende zijn geweest,

om mij te doen afstijgen; maar mij te slaan....!" Het bloed kookte

mij opnieuw bij de herinnering en haastig liep ik voort.

In korten tijd bereikte ik het kleine stadje X, waarvan ik de lichten

reeds bespeurd had, toen de paarden aan den hol gingen. De eerste de

beste herberg binnentredende, vond ik het groote benedenvertrek bezet

door een troep rondreizende tooneelspelers, die juist binnengekomen

waren van eene goedgeslaagde voorstelling van de »Romeo en Julia." Uit

hunne opgewonden stemming kon ik opmaken, dat zij vooraf ook wel op de

toejuichingen hadden gerekend. Zij waren veertien in getal, en zetten

zich om een tafel, waarop een keurig souper was aangericht; daar zij

hunne tooneelkleeding nog niet verwisseld hadden en de wijnflesch

rustig de ronde deed, had het geheel een zeer romantisch aanzien,

bijzonder geschikt om op het gemoed te werken van een gedachteloozen

adelborst.

Door mijn tocht zeer hongering geworden, besloot ik mede te soupeeren,

waartegen geen bezwaar bestond, omdat de tafel publiek was. Eene

van de actrices, een aardig lief persoontje, met groote, gitzwarte

oogen, werd, zonder dat zij dit op prijs scheen te stellen, door een

aantal boersche jonge pachters uit de buurt het hof gemaakt. Zij trok

vooral mijne aandacht, doordien zij eenigszins zwaarmoedig vóór zich

uitkeek, hoogst zeldzaam glimlachte, doch dan een bekoorlijk mondje

met hagelwitte tanden liet zien. Het kwam mij voor, dat zij tot

een beteren stand behoorde, en ondanks haarzelve in dit gezelschap

verkeerde. Degeen, die zich naast haar had neergezet, ging heen,

toen hij zag, dat zijne oplettendheden niet in den smaak vielen. Ik

nam dadelijk die plaats in en begon op zeer eerbiedigen toon een

gesprek met de jonge dame.

Het scheen, dat zij zich daardoor gevleid en meer op haar gemak

gevoelde. Misschien wel omdat zij in mijn praten meer behagen schepte,

dan in de wijze, waarop men gewoonlijk met haar omging, begon zij

hoe langer hoe vertrouwelijker in hare antwoorden te worden en toonde

zeer beschaafd te zijn. Ons gesprek had reeds een tijdlang geduurd,

toen het verstoord werd door een voor de deur stilhoudenden wagen en

het geroep van »help! help!" Ik vloog onmiddellijk naar buiten.

Het was een heer, die eene jonge dame, die bewusteloos scheen, in zijne

armen uit een rijtuig droeg. Met mijne hulp werd zij binnen en naar

eene slaapkamer gebracht. Er werd om een chirurgijn gezonden, doch de

eenige, die in de stad gepatenteerd was, scheen ongelukkig naar buiten

geroepen te zijn en werd niet zoo gauw terugverwacht. Maar er was

geen tijd te verliezen; ik begreep, dat er dadelijk eene aderlating

noodig was. De paarden waren namelijk op hol geraakt en het rijtuig

was bij een draai van den weg omgeslagen; toen was de jonge dame

van den schrik bezwijmd. In den dienst, door aan boord veeltijds de

operatiën van den dokter bij te wonen en dikwijls een kijkje in den

ziekenboeg te nemen, was ik aan het zien van bloed gewoon geraakt en

had ik wel eenige heelkundige kennis opgedaan. Ik gaf dus aan wat ik

meende dat noodig was, en bood mijne hulp aan; dankbaar werd deze door

den vader van het meisje (zooals hij bleek te zijn) aangenomen. Met

een scherp pennemes opende ik een ader in den schoonen blanken arm en

had de voldoening spoedig bloed te zien, kort daarop een krachtiger

polsslag te voelen en eindelijk de patiënte hare groote blauwe oogen

te zien openen, die mij de grootste bewondering afdwongen.

Toen de zieke weer tot volledig bewustzijn was teruggekeerd, raadde

ik nog eenige koppen thee aan en verder een spoedige rust in een

warm bed. Eenigen tijd later kwam de werkelijke geneesheer, die

dadelijk naar de ongesteldheid onderzoek deed en uit de ziekenkamer

terugkeerende, zijne bijzondere goedkeuring over de behandeling gaf,

er bij opmerkende, dat deze hoogstwaarschijnlijk het leven van de

lijderes had gered. »Maar veroorloof mij te vragen," zeide de dokter

zich tot den vader wendende, »hoe het geval zich heeft toegedragen?" De

toedracht van het gebeurde werd nu naar waarheid medegedeeld. Voor mij

was er geen nieuws bij, omdat ik de aanleiding tot het op hol gaan

van de paarden was geweest, in welke hoedanigheid ik mij wijselijk

niet kenbaar maakte. Ik moest dus, zonder dat ik er iets tegen in kon

brengen, vernemen, dat ik een grooten »schurkenstreek" had uitgehaald,

en toen ik er over nadacht, moest ik de waarheid van die beschuldiging

erkennen. Ik schaamde mij nu halfdood over mijne handeling, waardoor

bijna zoo'n kostbaar menschenleven was verloren gegaan. Doch daar

alles nog goed terecht was gekomen en niemand de minste achterdocht

op mij had gekregen, troostte ik mij spoedig en nam de loftuitingen,

die mij zoowel door den vader als door den geneeskundige toegezwaaid

waren, met gepasten ernst in ontvangst.

Toen ik mij 's avonds ter rust begaf, begon mijn geweten opnieuw

zijne stem te doen hooren: »dit dan mijnheer, is de weg van berouw en

beterschap die gij zijt ingeslagen. Gij beleedigt uw vader; verlaat

zijn huis; springt als een landlooper achter op een rijtuig; wordt er

afgeranseld, breekt een armen man, die eerlijk voor vrouw en kinderen

de kost verdient, de ribben, veroorzaakte het omslaan van den wagen en

daardoor bijna den dood van een beminnelijk meisje! En al dit kwaad

weet gij binnen den tijd van zes uren ten uitvoer te brengen! Waar

moet dit heen?"

Het antwoord, dat ik zelf op die gewetensvraag moest geven, was

weinig bevredigend, te meer daar mij op dat oogenblik mijn ledige

geldbeurs in het oog viel: »de galg, want tenzij er een wonder met

mij gebeurt, zal ik nog een straatroover moeten worden ook." Onder

dergelijke overdenkingen, raakte ik in slaap. Reeds vroeg in den

morgen ontwaakte ik door het vroolijke vogelgetjilp bij mijn venster,

en was mijne eerste gedachte dadelijk aan een nieuw bezwaar, dat

zich op deed. Wat moest ik wel van mijzelf zeggen, wanneer, wat

hoogst waarschijnlijk gebeuren zou, de vader van de jonge dame nader

kennis met mij verlangde te maken. Zou ik de waarheid spreken of er

om liegen? Uit kracht der gewoonte, helde ik tot het laatste over;

doch nam geene beslissing hierin, vertrouwende dat de loop van het

gesprek mij wel raad zou geven. Mijne overdenkingen werden gestoord

door de kamermeid die klopte en namens »den heer van die jonge dame

van gisteren," kwam zeggen, dat hij mij aan het ontbijt zoude wachten,

als ik hem die eer wilde aandoen.

Toen ik aan die uitnoodiging voldeed, maakte reeds spoedig na mijn

binnentreden, mijn gastheer zich kenbaar als: Sommerville van----

Ik herinnerde mij flauw dien naam meer te hebben gehoord, en wel

door mijn vader, en deed moeite mij te binnen te brengen bij welke

gelegenheid dit was geweest, toen de heer Sommerville mij zeide, dat

hij thans ook hoopte de eer te zullen hebben den naam te vernemen

van den redder zijner dochter. Daar ik thans geene gelegenheid had

zoo spoedig een andere te verzinnen, antwoordde ik: Mildmay te heeten.

»Toch niet Mildmay van ----?" vroeg hij, »en een zoon van mijn ouden

vriend? Dat kan haast niet, want die had twee zoons, een die studeerde

en een ander, die bij de marine diende en een aardige jongen moet

zijn, die nu bij het eskader in de Middellandsche zee is; doch gij

behoort zeker tot zijne familie?"

Vóór ik deze rechtstreeksche vraag kon beantwoorden, werd de

deur van een aangrenzend vertrek geopend en trad miss Sommerville

binnen. Geheel van den schrik van gisteren hersteld, had zij thans

den blos van gezondheid op hare wangen, was, in zijn geheel genomen,

eene allerliefelijkste verschijning, vooral door den vriendelijke

glimlach die uit hare oogen straalde, toen zij mij minzaam de hand

toestak en ook haren dank betuigde voor het aandeel dat ik in hare

zoo spoedige beterschap had gehad.

Ik verloor bij die aanspraak het hoofd, wist van verlegenheid niets

te zeggen, stamelde een paar woorden, die ik mij niet meer weet te

binnen te brengen of zij in het Engelsch of in het Fransch waren,

en gaf daardoor--zeer ten onrecht--den indruk van een zeer zedig jong

mensch te zijn.

Daar het mij in mijne schooljaren zoo dikwijls overkomen was om

gestraft te worden voor misdaden, die ik niet had gepleegd, had ik

mij toen reeds aangewend om, toevallig in mijne richting gedwaalde,

loftuitingen, belooningen of goedkeuringen, zelfs wanneer zij het

allerminst verdiend waren, als eerlijk mij toekomende, in ontvangst

te nemen. Zoo deed ik ook thans met de gunstige beoordeeling die mij

ten deel viel, zette mij tusschen vader en dochter neder, en deed

alle eer aan het zeer gezellige ontbijt. Miss Sommerville zou een

paar uren later met haren vader de reis voortzetten.

Toen de tafel afgeloopen was, verwijderde zich de heer Sommerville

om daartoe de noodige toebereidselen te maken, en bleef ik eenige

oogenblikken met de jonge dame alleen. In dien tusschentijd vernam ik,

dat zij de eenige dochter en hare moeder overleden was; zij sprak

ook weer over mijne familienaam, en ik hoorde, dat, vóór mevrouw

Sommerville's dood, mijn vader zeer intiem met hare ouders was

geweest. Ik was op de vraag van den heer Sommerville het antwoord

schuldig gebleven. Zij vroeg mij hetzelfde en nam mij zoo scherp in

het verhoor, dat ik niet in staat was een leugen te vertellen. Het

zou eene schandelijke vergrooting van mijn misdrijf zijn geweest,

en daarom bekende ik eerlijk de zoon te zijn van haars vaders vriend,

den heer Mildmay.

»Wel, goede hemel!" zeide zij, »waarom hebt gij dit niet aan mijn

vader verteld?"

»Omdat ik er dan eene heele verklaring bij had moeten geven,"

vervolgde ik, haar in mijn vertrouwen nemende; »ik ben de adelborst,

die mijnheer Sommerville meent, dat in de Middellandsche Zee is,

en ik ben gisterenavond uit mijns vaders huis weggeloopen."

Hoewel ik zoo kort mogelijk in mijn verhaal was, had ik nog niet

geheel uitgesproken, toen mijnheer Sommerville weer in de kamer kwam.

»O, papa!" riep zijne dochter uit, »mijnheer is toch Frank Mildmay."

Ik wierp haar een zacht verwijtenden blik toe, omdat zij mij verraden

had; haar vader keek verbaasd op. Er bleef mij nu niets over dan eene

gulle, volledige bekentenis; ik zorgde daarbij echter van het werpen

van den steen niet te reppen. Mr. Sommerville laakte mijn gedrag

ten zeerste, wat ik eene wel wat groote vrijpostigheid vond, doch

verzachtte dit weer door er bij te voegen: »Als gij wist, hoe na de

belangen uwer familie mij ter harte gaan, zoudt gij niet verwonderd

zijn, mij als een eigen bloedverwant van u te hooren spreken." Ik

zag Emilia aan en slikte het standje.

»En Frank," ging hij voort, »wanneer ik u vertel, dat ik steeds met het

meeste genoegen uwe carrière ter zee gevolgd heb, dan zult gij wel een

goeden raad van mij willen aannemen en naar huis terugkeeren. Bespaar

mij het leed te moeten ondervinden, dat iemand, aan wien ik zulke

verplichtingen heb, te trotsch zou zijn om schuld te bekennen. Ik

eerbiedig fiere zelfstandigheid in eene goede zaak; maar tegenover

zijne ouders behoort men die niet zoo spoedig te toonen. Misschien

ziet gij er tegen op, maar ik wil het u gemakkelijker maken door

aan uwen vader te schrijven; blijf gij dan hier, tot ge eerst van

mij gehoord hebt. Gaarne zou ik u eenigen tijd te ..... Hall te

logeeren willen hebben, maar eerst moet gij naar uw vader terug. Nu,

denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb. En laat ik u dit geven"

(hierbij overhandigde hij mij een bankje van 10 £) »want ik vrees, dat

gij schraal bij kas zult zijn." Dit had hij zeer goed geraden; zijne

gift werd dus met meer dankbaarheid aangenomen dan zijn goede raad.

Hij verliet de kamer, onder voorwendsel van de rekening te gaan

betalen, maar, ik geloof, eigenlijk om mij eenige oogenblikken met

zijne dochter alleen te laten en te beproeven, wat deze op mijne

hardnekkigheid kon uitwerken. Die korte tijd met haar had meer effect,

dan wanneer ik met ons beider vaders was opgesloten geweest. Het

denkbeeld, dat ik haar niet kon terugzien, vóór ik weer in mijn

eigen huis was geweest, was voldoende om de belofte af te leggen,

dat ik mij onderwerpen zou aan billijke, mij van mijns vaders kant

op te geven voorwaarden.

Toen dit overeengekomen was, bracht de heer S. bericht, dat het rijtuig

vóór was; na een hartelijken handdruk voerde hij zijne bekoorlijke

dochter weg, wier laatste, vriendelijk mij toegeworpen blik mij

bevestigde in mijne goede voornemens.

Lezer! wat uw gevoelen ook moge zijn over de verschillende kleine

voorvallen van den laatsten dag, gij zult opmerken dat zij voor

mijn verder leven van zeer grooten invloed waren. Trots verleidde

mij tot verlaten van mijns vaders huis; wraakzucht bracht mij voor

het eerst in kennis met de heldin van dit verhaal. Maar van achteren

gezien, hoe onverstandig was het van den heer Sommerville, mij mijn

eigen meester te laten in de herberg, in het bezit van tien pond,

in plaats van mij naar zijn eigen huis mede te nemen, tot er bericht

van mijn vader zou gekomen zijn! De wijste menschen dwalen dikwijls

in kleinigheden, die daardoor soms ver reikende gevolgen hebben.

Aan mijzelven overgelaten, dacht ik eenigen tijd over al het gebeurde

na; toen verduisterde langzamerhand het beeld van de schoone Emilia

Sommerville in mijnen geest en werden mijne herinneringen aan het

vroolijke tooneelgezelschap meer en meer levendig. Wat bleef mij over,

dan juist bij hen mijn troost en eenige tijdpasseering te gaan zoeken?

Na drie dagen ontving ik een brief van den heer Sommerville, met

een van mijnen vader ingesloten. Deze verzocht mij eenvoudig om naar

huis terug te keeren en hem te ontmoeten, alsof er niets onaangenaams

was voorgevallen. Hier had ik wel ooren na, doch het behaagde mij in

mijne nieuwe omgeving te goed om er reeds dadelijk gevolg aan te geven.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 21 / 38 题