Genoegen en verdriet zijn in de jeugd meesttijds slechts vluchtige
indrukken, hetzij ze hun bestaan ontleenen aan het bezit of aan het
verlies van wereldsche genietingen, dan wel aan het gevoel van in
ons leven goed of slecht gehandeld te hebben. De opwekking is, hoe
sterk ook, zelden van langen duur: zoo ging het mij. Ik was nog geen
vier dagen aan boord van het linieschip, waarmede ik naar Engeland
terugging, of mijne neerslachtigheid was geheel geweken. De uren van
ernstig nadenken werden eerst bekort en toen geheel afgeschaft. De
algemeene vroolijkheid bij mijne nieuwe makkers bij de gedachte aan
het spoedig weerzien van hun dierbaar vaderland, het vooruitzicht
van de meer of minder passende vermaken, die hen aan wal wachtten,
en dat het gewone onderwerp van gesprek onder de adelborsten was,--dit
alles bracht er toe bij om de godsdienstige gemoedsstemming, waarin ik
van mijn eersten commandant afscheid had genomen, genoegzaam geheel
te verflauwen en het bewustzijn te doen ontwaken van de dwaasheid,
die ik begaan had van een schip te verlaten, waar ik mij zoo op mijn
plaats gevoelde en groote kans op spoedige bevordering had. Ik begon te
meenen, dat ik heel onverstandig had gehandeld, en was in eene stemming
om, in weerwil van de goede voornemens, die ik gehad had, opnieuw
het pad van lichtzinnigheid en velerlei verkeerdheden in te slaan.
Wij kwamen na een overtocht van gemiddelden duur in Engeland aan. Ik
stemde er in toe twee dagen in Portsmouth over te blijven, om met mijne
nieuwe kameraden onze oude uitspanningsplaatsen terug te zien en ons
aan allerlei buitensporigheden over te geven, die slechts hartzeer en
verdriet in het gemoed achterlaten, wanneer het scheidingsuur geslagen
is. Ik behield echter wilskracht genoeg over om tijdig mijn koffer
te pakken, en na een overdadig souper geraakte ik dronken te bed en
pakte mij, des anderen morgens met een van hoofdpijn barstend hoofd,
in de koets naar Londen.
Eene groote gedruktheid volgde op de buitensporige vroolijkheid der
laatste dagen. De eerste uren bracht ik slapende in een hoek van den
wagen door; bij de eerste uitspanning verfrischte ik mij en nam mijne
plaats weder in. Toen wij verder reden, had ik meer tijd en was ook
mijne gemoedsstemming gunstiger om na te denken over al het gebeurde,
sedert ik mijn schip te Gibraltar verlaten had. Zooals gewoonlijk,
leverde mijn zelfonderzoek geen voldoenden uitslag op. Ik moest
erkennen, dat het voorbeeld van slecht gezelschap alle sporen had
uitgewischt van de goede voornemens, die ik had opgevat na het bericht
van den dood mijner moeder. Ik zag met schaamte, dat ik op mijzelf
niet kon rekenen; ik had al mijn goede plannen en de ernstige geloften
van beterschap, die ik mijzelf had opgelegd, vergeten en was bezweken
voor de allereerste verleiding, die mij in den weg was gekomen.
Toen dacht ik aan de treurigheid, waarmede mijn weder te huis komen
gepaard ging--aan de smartelijke leegte aldaar door den dood mijner
moeder achtergelaten--aan het verdriet van mijn vader--aan den
diepen rouw van mijn broeder en mijne zusters; opnieuw stond mijn
eerste vertrek in al zijne bijzonderheden mij voor den geest, toen
zij doodsbedroefd in zwijm in mijns vaders armen viel, terwijl ik
gevoelloos mijn hoofd afwendde om hare droefheid niet te zien. Opnieuw
deed ik geloften van beterschap en vond daarin eenige troost.
Toen ik aan mijn ouderlijk huis aangeklopt had, wenschte de bediende
die mij inliet, mij luid en hartelijk welkom. Ik liep door naar het
salon, waar mijn broeder en zusters een groote partij kinderen bij
zich hadden. Zij dansten op de muziek eener piano, door mijne tante
bespeeld, terwijl mijn vader blijkbaar in vroolijke stemming daarnaar,
in een gemakkelijken stoel gezeten, keek.
Dit was een heel ander schouwspel, dan ik mij had voorgesteld. Ik
was bereid op eene ernstig gestemde, hartelijke doch aandoenlijke
ontmoeting en in eene daartoe geschikte gemoedsstemming verkeerde ik
geheel en al. Oordeel dus over den plotselingen omkeer in mijn gevoel,
toen ik dartele vroolijkheid aantrof, waar ik tranen en klaagliederen
verwacht had. Ik had niet bedacht, dat de dood van mijne moeder, die
mij nog pas korten tijd bekend was, inderdaad hier reeds zes maanden
geleden was voorgevallen; en dat door den tijd ook de smart over
dat verlies was verzacht. Ik stond verbaasd over hunne schijnbare
gevoelloosheid; en zij zagen met evenveel verwondering naar mijn
bedrukt gelaat en naar de teekens van rouw aan mijne kleederen.
Met eenige verrassing heette mijn vader mij welkom, vroeg waar mijn
schip was, en om welke reden het terug was gekomen. Ik had namelijk
bij mijn plotseling opgekomen besluit om naar Engeland terug te keeren,
verzuimd om daarvan kennis te geven; en zelfs al had ik dit gedaan, dan
zou ik in persoon even spoedig aangekomen zijn als mijn brief, tenzij
ik (wat eigenlijk mijn plicht was geweest) bij aankomst te Portsmouth
had geschreven, in plaats van dáár mijn tijd te verbrassen en te
verknoeien. Aangezien ik, in tegenwoordigheid van zooveel getuigen,
het geheele geval niet zoo dadelijk kon vertellen, maakte ik daardoor
op mijn vader reeds een slechten indruk. Natuurlijk dacht hij, dat eene
of andere laakbare handeling, door mij gepleegd, aanleiding tot mijne
onverwachte opzending had gegeven. Zijn voorhoofd rimpelde zich met
saamgetrokken wenkbrauwen en hij scheen diep in gedachten verzonken.
Deze houding van mijn vader, te gelijk met het ergerlijke rumoer,
dat mijn broeder en zusters maakten, hinderden mij zeer. Ik gevoelde
haast, dat ik mij het treurige nieuws van den dood mijner moeder te
zwaar had aangetrokken, en besefte de opoffering van mijn verlaten
van het schip. Toen ik later, met mijn vader alleen zijnde, hem
de beweegredenen voor mijn gedrag verklaarde, was ik daarin ook
niet gelukkig. Hij kon niet aannemen, dat de dood mijner moeder de
eenige reden voor mijne terugkomst naar Engeland was. Ik moest een
weinig zachtzinnig verhoor ondergaan omtrent het nut, dat zou kunnen
voortvloeien uit mijn ontslag van het schip. Bij het lezen van het,
door mij medegebrachte, schoone getuigschrift maakte hij zich nog
meer boos. Tevergeefs voerde ik mijne groote droefheid aan. Hij
antwoordde daarop met eene opmerking,--die ik erkennen moet als
onwederlegbaar--dat ik mijn schip verlaten had, toen ik daar in
blakende gunst was en op den weg tot fortuin. »En wat", vroeg hij,
»moet er van den zeedienst en van het vaderland terechtkomen, als
ieder officier maar dadelijk naar huis komt, bij het eerste bericht,
dat er een van zijne familiebetrekkingen dood is?"
Naarmate mijns vaders bewijsgronden meer overtuigend werden,
vernietigden zij tegelijkertijd den goeden indruk, dien de laatste
aanbevelingen mijner moeders op mij hadden gemaakt. Was inderdaad
haar dood zoo'n gewone zaak, dan waren ook hare laatste woorden van
weinig gewicht; en van dat oogenblik af, dacht ik minder en minder aan
haar. Mijn vader behandelde mij geheel anders dan gedurende moeders
leven. Wat ik verzocht, werd mij gewoonlijk op een onaangenamen toon
geweigerd, en ik werd eigenlijk behandeld als een kind en geenszins
als een jongeling van achttien jaren, die reeds zooveel van de
wereld gezien had. Koelheid van zijnen kant, bevorderde verzet van
den mijnen. Daarbij kwam mijn oude trots weer boven. Eens kregen
wij een ernstig verschil van meening, aan het eind waarvan ik hem
te verstaan gaf, dat, als ik niet rustig onder zijn dak kon leven,
ik naar elders zou gaan. Koeltjes gaf hij mij den raad dit maar te
doen. Weinig vermoedende, dat ik daaraan gevolg zou geven, zag hij mij
de kamer verlaten, waarvan ik hard de deur achter mij dichtsloeg. Ik
pakte een kleinen voorraad linnengoed bijeen en vertrok onbemerkt met
mijn pakje over den schouder en ongeveer zestien shillings in den zak.
Dit was eene verkeerde handelwijze van mijn vader maar een nog veel
verkeerder van mijnen kant. Hij verlangde mij weer te zien varen, en
ik wilde niets liever dan dat; maar zijn ongeduld en mijne trotschheid
bedierven alles. Wel kwam ik spoedig tot nadenken, maar toen was het
reeds te laat. De duisternis viel in, ik had geen dak boven bet hoofd,
en mijne financiën waren in een treurigen toestand. Ongeveer zes mijlen
had ik te voet afgelegd en ik begon vermoeid te worden. Terwijl het
geheel donker werd, had ik nog geen plan beraamd. Een rijtuig kwam
mij voorbij, ik sprong er achterop en had ongeveer nog vier mijlen
zóó afgelegd, toen, daar het langzaam eene hoogte opging, de personen
die in het rijtuig zaten, mij ontdekten en den inmiddels afgestegen
postiljon hiervan kennis gaven. Deze haalde een paar malen de zweep
over mij heen, bewerende dat ik niet alleen nutteloos was, maar
buitengewoon erg hinderlijk in den weg zat en best gemist kon worden.
De lezers hebben reeds uit mijne vroegere levensgeschiedenis kunnen
opmaken, dat ik nooit wraakneming verzuimde; ik wachtte nu geduldig af
tot de drijver weer opgestegen was en de top van den heuvel bereikt
had, waarop ik hem behendig een steen naar het hoofd slingerde,
waardoor hij van zijn paard tuimelde en dit en de andere te gelijk aan
het hollen sloegen, den heuvel af. De postiljon sukkelde weer overeind
en paarden en wagen achterna, geen tijd kunnende missen om den dader
te zoeken. Ik stapte haastig den anderen kant uit, maar gunde mij ook
volstrekt geen tijd, om eens na te denken over het lot der reizigers,
wiens zweepslagen ik nog gevoelde.
»Dwazen en vlegels," mompelde ik, toen ik hen achter den heuvel
zag verdwijnen in een schrikwekkende vaart, »gij hebt uw verdiende
loon. Ik had mij tegenover u een vrijheid veroorloofd, dat is waar,
maar een beleefd verzoek van uwe zijde zou voldoende zijn geweest,
om mij te doen afstijgen; maar mij te slaan....!" Het bloed kookte
mij opnieuw bij de herinnering en haastig liep ik voort.
In korten tijd bereikte ik het kleine stadje X, waarvan ik de lichten
reeds bespeurd had, toen de paarden aan den hol gingen. De eerste de
beste herberg binnentredende, vond ik het groote benedenvertrek bezet
door een troep rondreizende tooneelspelers, die juist binnengekomen
waren van eene goedgeslaagde voorstelling van de »Romeo en Julia." Uit
hunne opgewonden stemming kon ik opmaken, dat zij vooraf ook wel op de
toejuichingen hadden gerekend. Zij waren veertien in getal, en zetten
zich om een tafel, waarop een keurig souper was aangericht; daar zij
hunne tooneelkleeding nog niet verwisseld hadden en de wijnflesch
rustig de ronde deed, had het geheel een zeer romantisch aanzien,
bijzonder geschikt om op het gemoed te werken van een gedachteloozen
adelborst.
Door mijn tocht zeer hongering geworden, besloot ik mede te soupeeren,
waartegen geen bezwaar bestond, omdat de tafel publiek was. Eene
van de actrices, een aardig lief persoontje, met groote, gitzwarte
oogen, werd, zonder dat zij dit op prijs scheen te stellen, door een
aantal boersche jonge pachters uit de buurt het hof gemaakt. Zij trok
vooral mijne aandacht, doordien zij eenigszins zwaarmoedig vóór zich
uitkeek, hoogst zeldzaam glimlachte, doch dan een bekoorlijk mondje
met hagelwitte tanden liet zien. Het kwam mij voor, dat zij tot
een beteren stand behoorde, en ondanks haarzelve in dit gezelschap
verkeerde. Degeen, die zich naast haar had neergezet, ging heen,
toen hij zag, dat zijne oplettendheden niet in den smaak vielen. Ik
nam dadelijk die plaats in en begon op zeer eerbiedigen toon een
gesprek met de jonge dame.
Het scheen, dat zij zich daardoor gevleid en meer op haar gemak
gevoelde. Misschien wel omdat zij in mijn praten meer behagen schepte,
dan in de wijze, waarop men gewoonlijk met haar omging, begon zij
hoe langer hoe vertrouwelijker in hare antwoorden te worden en toonde
zeer beschaafd te zijn. Ons gesprek had reeds een tijdlang geduurd,
toen het verstoord werd door een voor de deur stilhoudenden wagen en
het geroep van »help! help!" Ik vloog onmiddellijk naar buiten.
Het was een heer, die eene jonge dame, die bewusteloos scheen, in zijne
armen uit een rijtuig droeg. Met mijne hulp werd zij binnen en naar
eene slaapkamer gebracht. Er werd om een chirurgijn gezonden, doch de
eenige, die in de stad gepatenteerd was, scheen ongelukkig naar buiten
geroepen te zijn en werd niet zoo gauw terugverwacht. Maar er was
geen tijd te verliezen; ik begreep, dat er dadelijk eene aderlating
noodig was. De paarden waren namelijk op hol geraakt en het rijtuig
was bij een draai van den weg omgeslagen; toen was de jonge dame
van den schrik bezwijmd. In den dienst, door aan boord veeltijds de
operatiën van den dokter bij te wonen en dikwijls een kijkje in den
ziekenboeg te nemen, was ik aan het zien van bloed gewoon geraakt en
had ik wel eenige heelkundige kennis opgedaan. Ik gaf dus aan wat ik
meende dat noodig was, en bood mijne hulp aan; dankbaar werd deze door
den vader van het meisje (zooals hij bleek te zijn) aangenomen. Met
een scherp pennemes opende ik een ader in den schoonen blanken arm en
had de voldoening spoedig bloed te zien, kort daarop een krachtiger
polsslag te voelen en eindelijk de patiënte hare groote blauwe oogen
te zien openen, die mij de grootste bewondering afdwongen.
Toen de zieke weer tot volledig bewustzijn was teruggekeerd, raadde
ik nog eenige koppen thee aan en verder een spoedige rust in een
warm bed. Eenigen tijd later kwam de werkelijke geneesheer, die
dadelijk naar de ongesteldheid onderzoek deed en uit de ziekenkamer
terugkeerende, zijne bijzondere goedkeuring over de behandeling gaf,
er bij opmerkende, dat deze hoogstwaarschijnlijk het leven van de
lijderes had gered. »Maar veroorloof mij te vragen," zeide de dokter
zich tot den vader wendende, »hoe het geval zich heeft toegedragen?" De
toedracht van het gebeurde werd nu naar waarheid medegedeeld. Voor mij
was er geen nieuws bij, omdat ik de aanleiding tot het op hol gaan
van de paarden was geweest, in welke hoedanigheid ik mij wijselijk
niet kenbaar maakte. Ik moest dus, zonder dat ik er iets tegen in kon
brengen, vernemen, dat ik een grooten »schurkenstreek" had uitgehaald,
en toen ik er over nadacht, moest ik de waarheid van die beschuldiging
erkennen. Ik schaamde mij nu halfdood over mijne handeling, waardoor
bijna zoo'n kostbaar menschenleven was verloren gegaan. Doch daar
alles nog goed terecht was gekomen en niemand de minste achterdocht
op mij had gekregen, troostte ik mij spoedig en nam de loftuitingen,
die mij zoowel door den vader als door den geneeskundige toegezwaaid
waren, met gepasten ernst in ontvangst.
Toen ik mij 's avonds ter rust begaf, begon mijn geweten opnieuw
zijne stem te doen hooren: »dit dan mijnheer, is de weg van berouw en
beterschap die gij zijt ingeslagen. Gij beleedigt uw vader; verlaat
zijn huis; springt als een landlooper achter op een rijtuig; wordt er
afgeranseld, breekt een armen man, die eerlijk voor vrouw en kinderen
de kost verdient, de ribben, veroorzaakte het omslaan van den wagen en
daardoor bijna den dood van een beminnelijk meisje! En al dit kwaad
weet gij binnen den tijd van zes uren ten uitvoer te brengen! Waar
moet dit heen?"
Het antwoord, dat ik zelf op die gewetensvraag moest geven, was
weinig bevredigend, te meer daar mij op dat oogenblik mijn ledige
geldbeurs in het oog viel: »de galg, want tenzij er een wonder met
mij gebeurt, zal ik nog een straatroover moeten worden ook." Onder
dergelijke overdenkingen, raakte ik in slaap. Reeds vroeg in den
morgen ontwaakte ik door het vroolijke vogelgetjilp bij mijn venster,
en was mijne eerste gedachte dadelijk aan een nieuw bezwaar, dat
zich op deed. Wat moest ik wel van mijzelf zeggen, wanneer, wat
hoogst waarschijnlijk gebeuren zou, de vader van de jonge dame nader
kennis met mij verlangde te maken. Zou ik de waarheid spreken of er
om liegen? Uit kracht der gewoonte, helde ik tot het laatste over;
doch nam geene beslissing hierin, vertrouwende dat de loop van het
gesprek mij wel raad zou geven. Mijne overdenkingen werden gestoord
door de kamermeid die klopte en namens »den heer van die jonge dame
van gisteren," kwam zeggen, dat hij mij aan het ontbijt zoude wachten,
als ik hem die eer wilde aandoen.
Toen ik aan die uitnoodiging voldeed, maakte reeds spoedig na mijn
binnentreden, mijn gastheer zich kenbaar als: Sommerville van----
Ik herinnerde mij flauw dien naam meer te hebben gehoord, en wel
door mijn vader, en deed moeite mij te binnen te brengen bij welke
gelegenheid dit was geweest, toen de heer Sommerville mij zeide, dat
hij thans ook hoopte de eer te zullen hebben den naam te vernemen
van den redder zijner dochter. Daar ik thans geene gelegenheid had
zoo spoedig een andere te verzinnen, antwoordde ik: Mildmay te heeten.
»Toch niet Mildmay van ----?" vroeg hij, »en een zoon van mijn ouden
vriend? Dat kan haast niet, want die had twee zoons, een die studeerde
en een ander, die bij de marine diende en een aardige jongen moet
zijn, die nu bij het eskader in de Middellandsche zee is; doch gij
behoort zeker tot zijne familie?"
Vóór ik deze rechtstreeksche vraag kon beantwoorden, werd de
deur van een aangrenzend vertrek geopend en trad miss Sommerville
binnen. Geheel van den schrik van gisteren hersteld, had zij thans
den blos van gezondheid op hare wangen, was, in zijn geheel genomen,
eene allerliefelijkste verschijning, vooral door den vriendelijke
glimlach die uit hare oogen straalde, toen zij mij minzaam de hand
toestak en ook haren dank betuigde voor het aandeel dat ik in hare
zoo spoedige beterschap had gehad.
Ik verloor bij die aanspraak het hoofd, wist van verlegenheid niets
te zeggen, stamelde een paar woorden, die ik mij niet meer weet te
binnen te brengen of zij in het Engelsch of in het Fransch waren,
en gaf daardoor--zeer ten onrecht--den indruk van een zeer zedig jong
mensch te zijn.
Daar het mij in mijne schooljaren zoo dikwijls overkomen was om
gestraft te worden voor misdaden, die ik niet had gepleegd, had ik
mij toen reeds aangewend om, toevallig in mijne richting gedwaalde,
loftuitingen, belooningen of goedkeuringen, zelfs wanneer zij het
allerminst verdiend waren, als eerlijk mij toekomende, in ontvangst
te nemen. Zoo deed ik ook thans met de gunstige beoordeeling die mij
ten deel viel, zette mij tusschen vader en dochter neder, en deed
alle eer aan het zeer gezellige ontbijt. Miss Sommerville zou een
paar uren later met haren vader de reis voortzetten.
Toen de tafel afgeloopen was, verwijderde zich de heer Sommerville
om daartoe de noodige toebereidselen te maken, en bleef ik eenige
oogenblikken met de jonge dame alleen. In dien tusschentijd vernam ik,
dat zij de eenige dochter en hare moeder overleden was; zij sprak
ook weer over mijne familienaam, en ik hoorde, dat, vóór mevrouw
Sommerville's dood, mijn vader zeer intiem met hare ouders was
geweest. Ik was op de vraag van den heer Sommerville het antwoord
schuldig gebleven. Zij vroeg mij hetzelfde en nam mij zoo scherp in
het verhoor, dat ik niet in staat was een leugen te vertellen. Het
zou eene schandelijke vergrooting van mijn misdrijf zijn geweest,
en daarom bekende ik eerlijk de zoon te zijn van haars vaders vriend,
den heer Mildmay.
»Wel, goede hemel!" zeide zij, »waarom hebt gij dit niet aan mijn
vader verteld?"
»Omdat ik er dan eene heele verklaring bij had moeten geven,"
vervolgde ik, haar in mijn vertrouwen nemende; »ik ben de adelborst,
die mijnheer Sommerville meent, dat in de Middellandsche Zee is,
en ik ben gisterenavond uit mijns vaders huis weggeloopen."
Hoewel ik zoo kort mogelijk in mijn verhaal was, had ik nog niet
geheel uitgesproken, toen mijnheer Sommerville weer in de kamer kwam.
»O, papa!" riep zijne dochter uit, »mijnheer is toch Frank Mildmay."
Ik wierp haar een zacht verwijtenden blik toe, omdat zij mij verraden
had; haar vader keek verbaasd op. Er bleef mij nu niets over dan eene
gulle, volledige bekentenis; ik zorgde daarbij echter van het werpen
van den steen niet te reppen. Mr. Sommerville laakte mijn gedrag
ten zeerste, wat ik eene wel wat groote vrijpostigheid vond, doch
verzachtte dit weer door er bij te voegen: »Als gij wist, hoe na de
belangen uwer familie mij ter harte gaan, zoudt gij niet verwonderd
zijn, mij als een eigen bloedverwant van u te hooren spreken." Ik
zag Emilia aan en slikte het standje.
»En Frank," ging hij voort, »wanneer ik u vertel, dat ik steeds met het
meeste genoegen uwe carrière ter zee gevolgd heb, dan zult gij wel een
goeden raad van mij willen aannemen en naar huis terugkeeren. Bespaar
mij het leed te moeten ondervinden, dat iemand, aan wien ik zulke
verplichtingen heb, te trotsch zou zijn om schuld te bekennen. Ik
eerbiedig fiere zelfstandigheid in eene goede zaak; maar tegenover
zijne ouders behoort men die niet zoo spoedig te toonen. Misschien
ziet gij er tegen op, maar ik wil het u gemakkelijker maken door
aan uwen vader te schrijven; blijf gij dan hier, tot ge eerst van
mij gehoord hebt. Gaarne zou ik u eenigen tijd te ..... Hall te
logeeren willen hebben, maar eerst moet gij naar uw vader terug. Nu,
denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb. En laat ik u dit geven"
(hierbij overhandigde hij mij een bankje van 10 £) »want ik vrees, dat
gij schraal bij kas zult zijn." Dit had hij zeer goed geraden; zijne
gift werd dus met meer dankbaarheid aangenomen dan zijn goede raad.
Hij verliet de kamer, onder voorwendsel van de rekening te gaan
betalen, maar, ik geloof, eigenlijk om mij eenige oogenblikken met
zijne dochter alleen te laten en te beproeven, wat deze op mijne
hardnekkigheid kon uitwerken. Die korte tijd met haar had meer effect,
dan wanneer ik met ons beider vaders was opgesloten geweest. Het
denkbeeld, dat ik haar niet kon terugzien, vóór ik weer in mijn
eigen huis was geweest, was voldoende om de belofte af te leggen,
dat ik mij onderwerpen zou aan billijke, mij van mijns vaders kant
op te geven voorwaarden.
Toen dit overeengekomen was, bracht de heer S. bericht, dat het rijtuig
vóór was; na een hartelijken handdruk voerde hij zijne bekoorlijke
dochter weg, wier laatste, vriendelijk mij toegeworpen blik mij
bevestigde in mijne goede voornemens.
Lezer! wat uw gevoelen ook moge zijn over de verschillende kleine
voorvallen van den laatsten dag, gij zult opmerken dat zij voor
mijn verder leven van zeer grooten invloed waren. Trots verleidde
mij tot verlaten van mijns vaders huis; wraakzucht bracht mij voor
het eerst in kennis met de heldin van dit verhaal. Maar van achteren
gezien, hoe onverstandig was het van den heer Sommerville, mij mijn
eigen meester te laten in de herberg, in het bezit van tien pond,
in plaats van mij naar zijn eigen huis mede te nemen, tot er bericht
van mijn vader zou gekomen zijn! De wijste menschen dwalen dikwijls
in kleinigheden, die daardoor soms ver reikende gevolgen hebben.
Aan mijzelven overgelaten, dacht ik eenigen tijd over al het gebeurde
na; toen verduisterde langzamerhand het beeld van de schoone Emilia
Sommerville in mijnen geest en werden mijne herinneringen aan het
vroolijke tooneelgezelschap meer en meer levendig. Wat bleef mij over,
dan juist bij hen mijn troost en eenige tijdpasseering te gaan zoeken?
Na drie dagen ontving ik een brief van den heer Sommerville, met
een van mijnen vader ingesloten. Deze verzocht mij eenvoudig om naar
huis terug te keeren en hem te ontmoeten, alsof er niets onaangenaams
was voorgevallen. Hier had ik wel ooren na, doch het behaagde mij in
mijne nieuwe omgeving te goed om er reeds dadelijk gevolg aan te geven.