ACHTSTE HOOFDSTUK.

Tijdens ik aan boord van het vlaggeschip diende, ondergingen er twee

man voor muiterij de doodstraf. Dit schouwspel was voor mij meer

treffend, dan ik er ooit een bijgewoond had. Wanneer wij aan wal van

een doodvonnis hooren spreken, dan brengen wij dit onwillekeurig in

verband met een gepleegde vreeselijke misdaad. Bij den dienst ter zee

is dit echter geheel anders; wat de krijgswetten een ernstig misdrijf

noemen, is vaak niet veel anders dan eene handeling in de eerste

opwelling van drift en meestal zeer ondoordacht gepleegd, en hoogst

onbeduidend; daden, in één woord, die dikwijls niet gepleegd zouden

zijn bij tijdige fermiteit en menschkundig toezicht van de meerderen.

De schepen hadden maanden en maanden op zee gekruist, en er bestond

evenmin vooruitzicht tot behoorlijk werk, als tot terugkeer in eene

haven. Inderdaad kan niets op den duur vervelender en eentoniger zijn,

dan het al kruisende blokkeeren eener kust, dat is, wanneer alle

schepen gebruikt worden tot het sluiten der havens en het bewaken

van den vijand. Van de blokkeerende zeemacht zijn de fregatten nog

het beste af: lichter, kleiner, handiger in hunne bewegingen, worden

zij, ook om hun minderen diepgang, meer voor kleine schermutselingen

en soms ook aanvallenderwijze gebezigd. Op die fregatten is het leven

dan ook veel meer afwisselend dan aan boord van de linieschepen. Nadat

het een tijdlang gesmeuld had, sloeg op het vlaggeschip, waarvan ik

hierboven gesproken heb, eene ernstige misnoegdheid onder de mindere

schepelingen tot oproer over. Natuurlijk was men dit spoedig meester;

de belhamels werden voor den zeekrijgsraad gebracht, en twee hunner

veroordeeld om aan de nokken eener ra van hun eigen schip opgehangen

te worden, totdat de dood er op volgde. Twee dagen nadat het vonnis

was uitgesproken, zoude het worden uitgevoerd.

Bij ons werden die krijgsraden altijd met de grootste plechtigheid

gehouden en werden alle vormen stiptelijk in acht genomen om

van de hoogsten in rang tot de minsten toe, een diepen indruk

te maken. Te acht uren des morgens valt van het schip, waar een

krijgsraad vergadert, een kanonschot en is de krijgsraadvlag aan

den bezaansmast geheschen. Bij gunstig weder is het schip dan in

zeer netten staat gebracht; de dekken zijn sneeuwwit geschuurd en

vertoonen geen vlekje; de kooien zijn met zorg in de verschansingen

gestuwd; het tuig is vierkant gebrast en het touwwerk stijfgehaald,

zoodat nergens een los eind of eene bocht daartusschenin zichtbaar

is; de kanonnen staan volkomen gericht tegen boord, en aan dek staat

eene wacht van mariniers onder bevel van een luitenant gereed, om

elk lid van den krijgsraad bij zijn komen aan boord, met de noodige,

aan zijn rang verbonden eerbewijzingen te ontvangen. Vóór negen

uren is de vergadering voltallig vereenigd in de kerk of in eene der

kajuiten, waar in het midden eene lange met een groen kleed bedekte

tafel gereed is. Voor elk der leden ligt papier, pen en inkt en de

reglementen en de wetboeken liggen onder hun bereik. Nadat nog een

schot gevallen en daarvan den voorzitter kennis is gegeven, opent

deze de zitting. Aannemende, dat nu alle onderzoek vooraf heeft plaats

gevonden, leest de secretaris de verschillende verhooren voor, en wordt

den leden één voor één afgevraagd, of naar hunne meening voldoende

licht over de zaak is verspreid, dan of zij het wenschelijk achten

nog meer getuigen in verhoor te nemen. Wanneer op de eerste vraag een

algemeen bevestigend, op de tweede een ontkennend antwoord gevolgd

is, worden de beschuldigden, tusschen mariniers, door den provoost

binnengeleid en aan de linkerzijde van den fiskaal, die aan het einde

van de tafel gezeten is, geplaatst. Het hof wordt daarop herinnerd

aan den te voren afgelegden eed: om onpartijdig recht te spreken en

geene der mogelijk bestaande verzachtende omstandigheden uit het oog

te verliezen. Na deze toespraak nemen de leden weder plaats.

Alle stukken en verklaringen worden dan opnieuw den beschuldigden

voorgehouden en hun afgevraagd, of zij tegen het getuigde of tegen de

getuigen ook bezwaren hebben. Zij verhalen van hunne zijde opnieuw het

gebeurde. Brengen zij iets bij tot hunne eigene bezwaring, dan maakt

het hof hen hierop opmerkzaam, onder de vriendelijke mededeeling:

»wij verlangen van u geen getuigenis tegen uzelf, maar behandelen

alleen wat anderen u ten laste kunnen leggen." Den arrestant wordt

alle mogelijke hulp aangeboden. Is zijne verdediging afgeloopen, dan

wordt hij in arrest teruggebracht en maakt zijne verklaring opnieuw

een punt van beraadslaging uit, in verband met de getuigenverhooren en

de vertrouwbaarheid der gehoorde getuigen. Wanneer dit afgeloopen is,

geeft de fiskaal de wetsartikelen op, waartegen in dit geval gezondigd

is geworden, en wordt in omvraag gebracht, bij het jongste lid van

den krijgsraad te beginnen, ten eerste: »Zijn deze artikelen op het

gepleegde feit toepasselijk?" en ten tweede: »Is het bewezen of niet

bewezen, dat de arrestant schuldig is?"

Wanneer allen hunne stem hebben uitgebracht, is de meerderheid van

slechts ééne voldoende voor het »schuldig" of »niet schuldig". De

volgende vraag behelst: (nl. bij muiterij, desertie of andere kapitale

misdaad) »Zal de straf zijn: laarzen, of de dood?" Weer vindt de

stemming op dezelfde wijze plaats.

Stemt de meerderheid voor de straffe des doods, dan wordt daartoe

door den fiskaal het vonnis geslagen en dit stuk door alle leden

geteekend. Thans worden alle deuren geopend, de beschuldigde opnieuw

binnengeleid; eene akelige stilte heerscht door het geheele schip,

de krijgsraadsleden dekken het hoofd en zitten neder. Luid en

indrukwekkend klinkt de stem van den fiskaal, die het vonnis leest;

de gevangene wordt aan den provoost-geweldiger overgegeven, en deze

bewaakt hem verder tot aan de executie.

Tegen drie uren in den namiddag ontving ik een verzoek van een der

op dien morgen bij ons veroordeelden om bij hem te komen, daar hij

mij wenschte te spreken. Ik volgde den korporaal naar het vertrek,

waarin de beide mannen, met ijzeren boeistangen aan de voeten,

waren opgesloten. Zij waren op ledige granaatkisten gezeten, en hun

middagmaal stond nog onaangeroerd voor hen; een van beiden weende

bitterlijk; de ander, Strange geheeten, was zichzelf meer meester,

ofschoon zeker niet minder aangedaan. Deze man scheen in zijn jeugd

eene zeer goede opvoeding genoten te hebben, doch, daar hij nog al

onstuimig van aard was, had hij eene verkeerde richting ingeslagen,

en was, om van eene ernstige bestraffing vrij te komen, zijnen vrienden

ontloopen en later op een oorlogsschip verdwaald. In dezen toestand had

hij aan boord nog veel tijd kunnen vinden om na te denken en boeken

te lezen; dit had zijne stemming niet verbeterd, hij had zich van

zijne makkers meer en meer teruggetrokken en zat, wanneer anderen

vroolijk waren, alleen te mokken; niet onwaarschijnlijk had zijne

ontevreden stemming hem medegesleept in het komplot van muiterij,

waarvoor hij nu op het punt stond zijne straf te ondergaan.

Hij verontschuldigde zich over de vrijheid, die hij genomen had om

mij bij zich te roepen, maar hij zoude mij niet lang ophouden. »Gij

ziet, sir," zeide hij, »dat mijn arme vriend hier geheel ontdaan is

door zijnen afgrijselijken toestand; dit kan u niet verwonderen. Hij

staat toch lang niet gelijk met de verharde misdadigers, die aan den

wal ter dood worden gebracht: wij zijn geen van beiden bevreesd om te

sterven; maar een dood, zooals deze, Mr. Mildmay, om, ten voorbeeld

van de vloot als honden opgehangen te worden en eene schande voor onze

vrienden en betrekkingen te zijn,--dit verscheurt ons het hart! Het

is op grond hiervan, en om het gevoel mijner arme moeder te sparen,

dat ik om u heb gezonden. Ik zag u overboord springen om een armen

kerel van verdrinken te redden: daarom rekende ik, dat uw goed hart

ook voor een anderen ongelukkige in de bres zou willen springen. Ik

heb mijn uitersten wil gemaakt, en u tot uitvoerder benoemd; en

met deze volmacht zult gij al mijne achterstallige gage en mijne

prijsgelden in ontvangst kunnen nemen. Gij zult, hoop ik, een en

ander wel aan mijne dierbare moeder willen doen toekomen; het adres

heb ik hier bij geschreven. Mijn hoofddrijfveer is, dat zij nooit de

geschiedenis van mijnen dood moge vernemen. Gij kunt haar zeggen, dat

ik in 's lands belang ben gestorven, en dat is waar, want ik erken de

rechtvaardigheid van mijn vonnis en de noodzakelijkheid dat er een

streng voorbeeld wordt gesteld. Ik ben nu elf jaren uit Engeland;

dien geheelen tijd heb ik eerlijk en trouw gediend; slechts in dit

ééne geval heb ik mij misdragen. Ik geloof, dat onze goede koning,

als hij mijne treurige geschiedenis kende, wel gratie zou verleenen;

maar Gods wil geschiede! Maar één wensch zoude ik graag vervuld zien,

en die is, dat nog heden nacht 's vijands vloot naar buiten mocht komen

en dat ik dan sterven mocht zooals ik geleefd heb, in de verdediging

mijns vaderlands. Maar master Mildmay, nog eene gewichtige vraag ligt

mij op de lippen:--gelooft gij, dat er een leven hier namaals bestaat?"

»Zeer zeker," zeide ik, »ofschoon velen leven alsof zoo iets niet

bestond. Maar waarom twijfelt gij?"

»Omdat," antwoordde de arme kerel, »eens, toen ik nog officiersbediende

was en achter tafel de wacht had, er gasten waren, onder welken de

commandant van een korvet. Deze, ik weet niet hoe het te pas kwam,

beweerde toen, dat dit alles nonsens was,--dat er geen leven na dit

leven bestond en dat de Bijbel een samenraapsel van leugens was. Van

dien tijd af heb ik mij nooit gelukkig gevoeld." Ik zeide hem, dat

het mij zeer speet te hooren, dat ooit eenig officier dergelijke

uitdrukkingen, en dan vooral in zijn bijzijn, had gebezigd; dat ik

mijzelf niet in staat gevoelde, hem zijne gemoedsrust weer te geven;

maar beloofde hem den geestelijke van boord toe te zenden, die hem wel

zou weten op te wekken en te vertroosten. Hij bedankte mij hiervoor,

en verklaarde nog in zijne laatste oogenblikken, dat hij hierdoor

veel troost had gevonden.

»En nu mijnheer," zeide hij, »laat ik u nog een raad geven. Wanneer

gij eens commandant zijt geworden, drijf dan niet, uit overdreven zorg

voor een net en goed geoefend schip, uwe bemanning tot wanhoop,--tot

muiterij. Zindelijkheid en goede orde worden door alle schepelingen op

prijs gesteld; maar dat eeuwige schrobben, blank schrabben en poetsen

van ijzeren nagels en ringbouten, staat op den duur een matroos meer

tegen dan een dozijn slagen, hem op den bak toegediend. Als met het

reven van de marszeilen uw schip eens eene enkele maal eene minuut

achteraan komt, geef daar niet om, zoolang uwe zeilen goed gereefd

zijn en een harden windstoot kunnen verdragen. Menig zeil scheurt,

wanneer er slecht gereefd is, menig goed zeeman is het slachtoffer

geworden van die laakbare overhaasting, die bij de marine zooveel kwaad

heeft gedaan. Wat kan wreeder en onrechtvaardiger zijn dan dat de man,

die het laatst van de ra inlegt, met slaag gestraft wordt? Hij toch is

uit den aard der zaak de meest waakzame en kan gewoonlijk niet vlugger

zijn, als hij zijn nek te lief heeft om die te breken; maar bovendien

altijd toch moet er een de laatste zijn. Wees verzekerd mijnheer,

»dat, wat haastig verricht wordt, zelden goed wordt gedaan." Maar ik

heb u reeds te lang opgehouden. God zegene u, mijnheer, denk aan mijne

arme moeder, en morgen ziet gij mij nog éénmaal vóór op den bak terug."

De noodlottige morgen brak aan. Het was acht uren. Het schot viel,--het

sein van de strafoefening woei van top. De arme veroordeelden gaven een

diepen zucht, en riepen uit: »De Heer zij ons genadig!--onze aardsche

werkkring en zorgen zijn bijna ten eind!" De provoost kwam binnen,

opende het slot van de boeistang, schoof de voetboeien af en gelastte

aan de daarvoor gereedstaande mariniers de gevangenen op het halfdek

te brengen.

Hier was een tooneel, waarvan ik het haast niet waag de plechtigheid

te beschrijven. Het weer was helder, de lucht zonder wolken; aan

boord van alle schepen waren de bramraas gekruist; de vlaggen waren

geheschen; overal was de bemanning in het Zondagsch tenue gekleed en

stond, aan de naar ons schip toegekeerde zijde, opeengepakt in het

want; eene wacht, van mariniers onder de wapens, stond overal aan

weerszijden op de loopplank; bij ons aan boord echter waren zij op

het halfdek aangetreden. Van elk schip lagen langs onze zijde twee

sloepen op de riemen, met eene luitenants- en korporaalswacht met de

bajonetten op. De schrille fluitjes van den bootsman en zijne maats

deden zich boven elk luik hooren en riepen »alle hens op" tot het

bijwonen der executie.

Men hoorde het vlugge getrappel der voeten van het volk, dat zich naar

boven spoedde, doch geen woord werd er gesproken. De veroordeelden

stonden midden op het halfdek, terwijl de commandant het vonnis van

den krijgsraad en het fiat tot de tenuitvoerlegging voorlas. Toen de

toepasselijke gebeden en psalmen, met veel gevoel door den geestelijke

waren voorgedragen, werd den armen gevangenen afgevraagd, of zij gereed

waren; beiden antwoordden bevestigend, doch verzochten een glas wijn,

dat hun onmiddellijk gebracht werd. Onder eene eerbiedige buiging

voor den commandant en de officieren ledigden zij dit.

De admiraal kwam niet te voorschijn, daar dit zoo bepaald is; de

gevangenen verzochten echter hem hunne dankbare en eerbiedige groeten

over te brengen; daarna verzochten zij den commandant en de officieren

de hand te mogen drukken en toen om de equipage eenige woorden toe te

spreken. Op last van den commandant kwam daartoe de bemanning »voor

den boeg." De grootste stilte heerschte en aller oogen waren vochtig.

William Strange, de man, die om mij gezonden had, sprak toen met eene

duidelijke stem:--»Kameraden, luistert naar de laatste woorden van

iemand, die gaat sterven. Wij zijn hier gebracht door het aanstoken

van eenigen, die nu hier veilig onder de menigte staan. Zij hebben

ons bedrogen, en wij zullen de slachtoffers zijn van de gerechte wraak

der wet. Indien gij geslaagd waart in het schandelijke, door u gesmede

complot, wat zouden dan wel de gevolgen zijn geweest? Ondergang voor

uzelf en voor uwe familiebetrekkingen; eene schande voor uw vaderland;

en de verachting van diezelfde vreemdelingen, aan wie gij voornemens

waart het schip over te leveren. Dankt God! het is u niet gelukt. Laat

ons lot u ter waarschuwing zijn, en tracht door uwe verdere daden uw

berouw te toonen voor uwe vroegere handelingen. En nu, sir," voegde

hij er, zich tot den commandant wendende, bij, »wij zijn gereed."

Deze schoone aanspraak, uit den mond van een gewoon matroos, zal

ongetwijfeld den lezer evenzeer verwonderen, als hij dit destijds

den commandant en de officieren van het schip deed. Maar Strange was,

zooals ik hierboven reeds vermeldde, geen alledaagsche man; hij had

alle voordeelen eener goede opvoeding genoten, en zooals verscheidenen

der belhamels van de muiterij op de Nore, was hij gebracht tot de

dwaling om gehoorzaamheid te weigeren, uit inbeelding van geboren te

zijn tot bevelen.

Toen alles gereed was, gaf de commandant, door met een witten doek te

wuiven, een sein en binnen weinige oogenblikken hadden de ongelukkigen

opgehouden te leven. Na een uur werden hunne lijken gekist en aan

den wal ter aarde besteld.

Bij mijne aankomst in Engeland, negen maanden later, vervulde ik

mijne belofte en betaalde aan de moeder van William Strange meer dan

vijftig pond aan gage en prijsgeld uit. Ik verhaalde aan de arme vrouw,

dat haar zoon als een Christen gestorven was en voor het welzijn van

zijn land het leven liet. Toen ik dit gezegd had, nam ik een haastig

afscheid, bevreesd, dat zij mij uitvragen zou.

Maar laat mij nu tot een vroolijke tafreel overgaan. Ter eere van de

Engelschen, werd op Minorca een groote carnaval-maskerade gegeven. Ik

had een zotskap opgezet en mij verder onkenbaar gemaakt en ontmoette

daar verscheidenen mijner medeofficieren. Het was een zonderling

gezicht al die dwaas uitgedoste groepen zoo dooreen te zien dwalen. De

admiraal, de schout-bij-nacht, de meeste hoofd- en andere officieren

van de vloot waren aanwezig. De plaats van samenkomst was ongeveer

eene mijl buiten de stad gelegen.

Daar ik eene zotskleeding gehuurd had, besteeg ik ook den daarbij

passenden viervoeter--een ezel, en reed af onder het gejuich van

wel duizend havelooze straatslijpers. Bij mijne aankomst maakte ik

allerlei dwaze sprongen, die er zoo bij behooren en verzon allerlei

grappen. De wijze, waarop ik mijne rol speelde, bezorgde mij spoedig

eenige omstanders. Ik sprak nooit den admiraal of eenig hoofdofficier

aan, dan wanneer hij het eerst iets tegen mij gezegd had, en dan

verkocht ik eenige toepasselijke hatelijkheid, welke mij niet zeer

moeielijk viel, omdat ik de meeste karakters kende en wist wat er alzoo

op de verschillende schepen omging. Eén vroeg mij, of ik niet op zijn

schip dienst wilde nemen. »Neen", antwoordde ik, »gij zoudt mij al te

gauw drie dozijn laten toedienen, omdat ik mijn kooi niet behoorlijk

gesjord had." »Ga maar met mij mede," zeide een ander. »Dank je," was

mijn antwoord, »bij u is het schellekoord te kort;--gij kunt er niet

bijkomen om nog een flesch wijn te bestellen, vóór al de officieren

van tafel opgestaan zijn." Weer een ander beloofde mij eene minzame

behandeling en overvloed van wijn. »Ik moet er niets van hebben,"

zeide ik. »Op uw schip zou ik zoo te veel zijn als de steenkolen bij

Newcastle; bovendien is bij u de koffie te slap; uw hofmeester zet

van één ons zes kopjes."

Al die zetten gaven veel vroolijkheid onder de omstanders, en zelfs

de admiraal verwaardigde zich mij glimlachend toe te knikken. Ik

boog eerbiedig voor zijne lordschap, die daarop zeide: »Wel zot,

wat verlangt gij wel van mij?" »O niemendal, mylord," antwoordde ik;

»ja, ik heb toch een kleine gunst van U te vragen." »Spreek op," zeide

de admiraal. »Alleen maar om mij kolonel, commandant van een schip,

te maken, mylord." »Neen, neen," was het antwoord, »wij maken nooit

gekken tot commandant." »Niet!" zei ik weer, op eene onbeschaamde

wijze mijne armen over de borst kruisende, »dat is dan zeker eene

geheel nieuwe bepaling. Van wanneer dateert die?"

De goedaardige oude chef lachte hartelijk om dit staaltje van

brutaliteit; maar de commandant van mijn vorig schip gevoelde zich er

door beleedigd. Hij wist mij uit te vinden en klaagde mij bij mijn

eigen bevelhebber aan; maar deze lachte hem uit, zeide, dat hij het

een aardige grap vond, en noodigde mij bij zich te dineeren.

Ons schip kreeg last om naar Gibraltar te stevenen, dat wij spoedig

bereikten; daar vonden wij een post van Engeland en ontving ik brieven

van huis, waarvan een den dood mijner dierbare moeder behelsde. O,

hoe kwam mij bij die tijding al het verdriet voor den geest, dat ik

haar al zoo had aangedaan; welke gewetenswroegingen over al mijne

slechte streken bestormden mij toen; hoe duidelijk stond mij het

laatste oogenblik, dat ik haar gezien had, voor oogen! Nooit had ik

kunnen denken, dat ik haar verlies zoo diep zou gevoelen. Mijn vader

schreef, dat zij in hare laatste oogenblikken nog het grootste belang

in mijn welvaren had gesteld. Zij had hare vrees te kennen gegeven,

dat de betrekking mijner keus niet bevorderlijk kon wezen aan het heil

mijner ziel, hoe veelbelovend die ook zijn mocht voor mijn tijdelijk

voordeel. Hare laatste aanbeveling aan mij, op haar sterfbed geuit,

was, nooit de zedelijke en godsdienstige beginselen, waarin zij mij

opgevoed had, te vergeten; met hare laatste zegening smeekte zij mij

trouw mijn Bijbel te lezen en dien als mijn richtsnoer door het leven

te beschouwen.

Mijns vaders brief was ook een ernstig beroep op mij, waarin eene

groote genegenheid doorstraalde; nooit in mijn verdere leven is zoo

met gunstigen uitslag als toen op mijn gevoel gewerkt geworden. Ik

zonderde mij af met een hoofd dat haast barstte, een hart dat bijkans

gebroken was. Een terugblik op mijn voorbijgegaan leven gaf mij geene

kalmte. De talrijke daden van slechtheid of trots, van wraakneming of

misleiding, waaraan ik mij meermalen bezondigd had, ruischten door mijn

gemoed, als de stormwind door het tuig, en wekten de droefgeestigste

en ernstigste overdenkingen in mij op. Hoe menigmaal had ik reeds in

het grootste levensgevaar verkeerd! Hoe zou het met mij gevaren zijn,

als ik niet altijd goed daar doorheen was gekomen? Ik sidderde bij

die gedachte, want sinds ik aan de moederlijke zorg onttrokken was,

kon ik mij geen enkele deugdzame daad, uit een zuivere bron ontsproten,

te binnen brengen.

Te twaalf uren dien nacht, vóór het mij gelukt was een oog te

luiken, werd ik voor de hondenwacht (van twaalf tot vier uren)

gewekt. Daags te voren hadden wij een kwartiermeester, Quid bijgenaamd,

begraven. Quid had zich doodgedronken, wat in den zeedienst nog al

eens voorvalt. Iemand die sterft, ten gevolge van onmatigheid, heeft

gewoonlijk reeds een verwoest lichaam; zijn lijk gaat, vooral in een

warm klimaat, snel tot ontbinding over. Kort na den dood van Quid

bleek de noodzakelijkheid tot eene spoedige begrafenis. Zijn lichaam

werd in een hangmat genaaid; en daar het schip in diep water ten anker

lag en er een flinke stroom de baai rondliep, terwijl bovendien de

meeste sloepen van boord naar de werf waren, liet de eerste officier

een paar kogels aan het voeteneinde vastmaken en, na het voorlezen

van den lijkdienst, het lijk bij den valreep overboord zetten.

Na het overnemen der wacht liep ik in een gedrukte gemoedsstemming

het halfdek op en neer, ernstig nadenkende over allerlei teksten

uit den Bijbel, dien ik zeker in geen twee jaren ingekeken had,

toen mij in eens de dood van Quid te binnen schoot, en de schoonheid

van den lijkdienst, dien ik over hem had hooren voorlezen--»ik ben

de opstanding en het leven." De maan, die eenigen tijd geschuild

had, brak eensklaps door de wolken en te gelijk hoorde ik een

angstkreet van den uitkijk op stuurboordsloopplank. Ik ging naar de

reden daarvan onderzoek doen on vond den man in zulk een staat van

zenuwachtige ontroering, dat hij niet anders kon uitbrengen dan:

»Quid! Quid!" daarbij overboord wijzende.

Ik keek in die richting en daar zag ik inderdaad het lichaam van Quid

terug, in zijn kooi gepakt, rechtstandig, met hoofd en schouders er

buiten, zachtkens in het water op en neer gaande, bewogen door een

lichte uit zee opgekomen deining, die mede het hoofd scheen in beweging

te brengen; het maanlicht bescheen zelfs het onder water stekende

gedeelte van het lichaam. Eenige oogenblikken lang gevoelde ik mij

onder den indruk van een onbeschrijfelijken afschuw en aanschouwde

in angstig stilzwijgen het voorwerp; mijn bloed was ijskoud en ik

verbeeldde mij, dat de schrik mijne haren overeind gejaagd had. Het

verschijnsel had mij geheel verrast, en ik dacht een oogenblik,

dat het lichaam weer opgestaan was als eene waarschuwing voor mij;

spoedig kwam ik weer tot bezinning en werd mij de oorzaak van de

wederverschijning van het lijk duidelijk. Ik liet de barkas op zijde

komen en er in gaan, en ging onderwijl zelf omlaag om den eersten

officier het gebeurde mede te deelen. Hij lachte en zeide: »Ik houd

het er voor, dat de oude jongen het zoute water niet zoo smakelijk

vindt als den grog. Maak nog wat meer ballast aan zijn voeten vast en

laat hem naar zijn oude peilingen terugkeeren. Zeg hem, dat hij daar

zijn anker maar laat vallen en niet meer tegen ons aanzwaait." Dit

gezegd hebbende draaide hij zich om en viel weder in slaap.

Dit schijnbaar vreemde geval is gemakkelijk te verklaren. Lichamen

in ontbinding geven aanleiding tot de vorming van gassen, waardoor

zij in omvang belangrijk toenemen en in gisting geraken. Het lijk

van dezen man was overboord gezet, toen het ontbindingsproces reeds

begonnen was; voor het oogenblik was de ballast, dien men aan de

voeten had vastgemaakt, voldoende geweest om het te doen zinken,

doch enkele uren later was die niet zwaar genoeg meer om het beneden

te doen blijven. Hierdoor kwam het in de door mij beschreven houding,

rechtstandig weer naar boven. Daar de stroom in de helft van den tijd,

sedert de plechtigheid verloopen, gekenterd en nu zeer zwak was,

dreef het nagenoeg juist op de plek, waar het te water was gelaten.

De sloep stak van boord met nog een paar kogels, om voor meerderen

ballast te dienen en op die wijze het lijk te laten zinken. Toen men

beproefde er met den sloepshaak vat op te krijgen, week het af en

draaide steeds rond, of dook onder water en kwam dan weer naar boven,

alsof het een dartel spelletje was. Maar het toeval bespaarde hier

verdere moeite; de man bij den haak, die door zijne makkers geplaagd

werd, dat hij Quid zelfs na zijn dood nog niet aandurfde, werd boos

en stak met den haak met zooveel kracht naar het lijk, dat hij eene

opening in den buik maakte, waardoor het samengeperste gas met veel

geluid ontsnapte, en het lichaam verder als een baksteen zonk. Over

dit voorval werden nog al grappen verkocht, doch ik was niet in eene

stemming om daarin mede te doen; en vóór de wacht om was, had ik

het stellige plan opgevat om naar huis terug te gaan en den dienst

vaarwel te zeggen, daar ik geene kans zag aan de laatste wenschen

van mijne moeder te voldoen indien ik bleef, waar ik was.

Den volgenden morgen verzocht ik den commandant te mogen spreken

en deelde hem mijn verlangen mede, niet om den dienst te verlaten,

maar om voor dringende familiebelangen naar huis te gaan. Wat de

noodzakelijkheid hiertoe betrof, had ik evengoed kunnen beweren,

dat het dringend voor mij was om een pelgrimstocht naar Jeruzalem te

maken. Het treurige nieuws, dat ik ontvangen had, was den commandant

reeds ter oore gekomen, en na mij te hebben laten uitspreken,

antwoordde hij, dat het hem voor mij het beste toescheen, om aan

boord bij hem te blijven.

»Gij zijt nu hier," zoo sprak hij, »aan mij en aan den gang van zaken

gewend geraakt; gij kent uwe plichten en gij zijt op de hoogte van

uwen dienst; ik ben over u in alle opzichten tevreden en heb gunstig

over u aan de admiraliteit gerapporteerd; maar--gij kent uwe eigene

belangen het beste" (hier vergiste hij zich: hij had om de door mij

aangevoerde redenen, mij niet moeten laten gaan),--»maar ik geef u

in overweging om te blijven."

Ik bedankte hem voor zijne goedgunstigheid,--doch daar ik het er op

gezet had om naar huis te gaan, stond hij mijn verzoek toe en gaf

mij mijn ontslag onder toevoeging van een mooi getuigschrift van goed

gedrag, geheel zelfs buiten den voorgeschreven vorm; hij deelde mij

mede, dat, wanneer ik er nog tijdig toe overging om terug te komen,

hij eene plaats voor mij zou openhouden. Van de officieren, van mijne

kameraden en van de equipage nam ik met leedwezen afscheid. Ik was

langer dan drie jaren aan boord geweest. Na de zoo stormachtige dagen

in het begin, had ik mij eene behoorlijke plaats in de voorlongroom

weten te verwerven; om enkele mijner eigenschappen was ik zelfs

de algemeene gunsteling geworden en ik verliet het schip met de

hartelijkste wenschen voor mijn welzijn van allen. Met de groote sloep

werd ik aan boord van een linieschip gebracht, waarmede men voor mij

passage naar Engeland aangevraagd had.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 20 / 38 题