Zonder die hatelijkheid te vatten, antwoordde ik: »Neen."

»O, ik dacht soms," zeide zij, »omdat ge tegen iedereen zoo bijzonder

beleefd waart."

Zonder dien vriendelijken wenk, had ik zeker den achter haar

aankomenden tamboer met mijn steek gegroet.

Ik kwam eindelijk aan het hôtel, waar mijn bevelhebber zijn intrek

had genomen, en overhandigde dezen mijns vaders brief. Hij nam mij

van top tot teen op en noodigde mij uit om 's avonds te zes uren bij

hem te komen eten.

»Intusschen kunt gij, daar het nu pas elf uren is, naar boord gaan,

en u bij den eersten officier, mijnheer Handstone, aanmelden. Deze

zal u in de rol laten inschrijven en permissie geven om naar den wal

terug te gaan voor uw diner."

Ik boog en vertrok. Onder weg naar de landingsplaats werd ik

nog door deze en genen begroet met de namen van »kadetje," of

»beschuitknabbelaar," doch de ware bedoeling daarvan niet vattende,

bleef ik er koel onder. Toen ik aan de trap gekomen was, kwamen een

paar vrouwen op mij af, die aan mijn gezicht zagen, dat ik een bootje

verlangde en uit mijn spiksplinter nieuwe uniform mijne onhandigheid

afleidden. »Naar welk schip verkiest UWelEdelGestrenge gebracht te

worden?" was hare vraag. Ik noemde den naam.

»O, die ligt onder den obelisk," zeide de oudste van het paar, op het

oog een veertig jaren oud; »voor een shilling zullen we Uwe Edelheid

daarheen roeien."

Ik nam het aanbod aan. De oudste was zeer ervaren in het roeien,

en ging met de riemen zoo behendig om alsof het breinaalden waren;

maar de jongste, hare dochter, zooals mij bleek Sally gedoopt, was

daarin erg onervaren. Zij zag er echter wel aardig en net gekleed

uit en had een mooi voetje, waarmede ik echter een poosje later zeer

onzacht kennis zou maken.

»Pas op, Sally," zeide hare moeder, »houd slag met mij, of je zult

een bruinvisch vangen."

»Maak je niet ongerust, moeder," zeide Sally, vol vertrouwen; maar

alsof nu juist die waarschuwing er de oorzaak van was, zij stak

het blad van haren riem te ondiep in het water; de riem ondervond

niet den verwachten wederstand, kwam met het handvat op hare borst

terug, en de rampzalige Sally draaide om haar zitvlak achterover,

met het hoofd omlaag in de boot, de beenen daarentegen in de lucht,

waarbij ik met haren schoen een knip tegen den neus ontving, die mij

verplichtte met beide handen mijn steek te grijpen.

»Daar heb je het nu, Sally," zeide de moeder boos, »ik heb je nog

zóó gewaarschuwd!"

Sally scharrelde weer op haar plaats, kleurde een beetje en hervatte

het werk. »Dat noemen ze bij ons een bruinvisch vangen," zeide de

vrouw. Ik antwoordde, dat ik dat wel aardig vond, en vroeg aan Sally

om er nog eens een te vangen; maar hierin had zij weinig zin, en wij

kwamen nu spoedig langs zijde van het fregat.

Nadat ik aan mijne roeisters den afgesproken shilling geofferd

had, greep ik den valreep en klom aan boord. Boven gekomen werd ik

aangesproken door een adelborst; deze was gekleed in buis en broek;

het witte hemd, dat hij droeg, was van twijfelachtige zindelijkheid,

en een zwartzijden doek was los om zijn hals geknoopt.

»Wat verlangt mijnheer?" vroeg hij.

»Ik zou gaarne Mr. Handstone, den eersten officier willen spreken,"

zeide ik, en ontving daarop tot antwoord dat de eerste officier omlaag

was om brieven te frankeeren, doch dat hem, als hij op dek kwam,

van mijne komst bericht zou worden gegeven.

Na deze samenspraak werd ik aan bakboordszijde op het halfdek aan

mijn lot overgelaten. Het schip was in eene groote wanorde, onder

behandeling van het werfpersoneel. De caronaden van het bovendek waren

alle uit de geschutpoorten gehaald en hier en daar langscheeps uit den

weg gezet, de dekken vol pik, over de pas gebreeuwde naden gegoten,

elders de kalfaters op hun gereedschapskisten gezeten in afwachting

van het einde van het schaftuur. Aan stuurboordszijde stonden eenige

adelborsten mij aan te gapen en op te nemen, misschien wel gissende

naar de mogelijkheid of ik aan boord geplaatst was, en wat voor soort

van kerel of ik wezen zou. Hun twijfel werd spoedig opgelost.

De eerste officier kwam op dek, de jonker van de wacht stelde mij voor,

ik gaf mijn naam op en deed de boodschap van den commandant.

»Het is in orde, sir," zeide Mr. Handstone. »Hier, mijnheer Flyblock,

neem dit jongmensch mede naar omlaag, breng hem in de voorlongroom

en wijs hem, waar zijn hangmat moet hangen."

Ik volgde mijn nieuwen vriend langs de trap naar de kuil, waar wij eene

vrouw passeerden, die brood, boter en bokkings aan de matrozen verkocht

en in hare manden allerlei andere waren om zich heen had staan, zooals

tabak, zeep, spiegeltjes en andere toiletbenoodigden; haar bier scheen

echter den grootsten aftrek te hebben. Haar voorbijgaande, daalden

wij nog eene trap af naar het tusschendeks, waar mij, vlak achter den

grooten mast, mijne toekomstige verblijfplaats werd aangewezen,--een

klein hok met den naam van logies bestempeld. Behalve door twee deuren,

die in het volkslogies uitkwamen, en een raam aan den voorkant,

dat eenig schemerlicht uit het groot luik zou toegelaten hebben,

wanneer het niet gesloten werd gehouden, omdat wij anders voor

iedereen der bemanning te kijk waren, ontvingen wij licht en lucht

door een koekoek boven onze hoofden. Die koekoek was een glazen raam,

dat geopend kon worden en zoo ingericht was, dat niet al het water,

dat bij ongeluk langs de daarboven geplaatste trap liep, of dat met

hooge zeeën of bij het schoon-schip maken over den rand van het luik

wipte, op onze tafel of op onze hoofden kon neerkomen. Het licht,

dat die koekoek doorliet, was op merkwaardige wijze getemperd; het

kwam namelijk door meergenoemde trap heen, wat onbegrijpelijk zou

zijn, als ik er niet bij vertelde, dat de treden niet uit planken,

maar uit roostertjes bestonden. Het grootste deel der ruimte werd

ingenomen door een tafel, gedekt met een onzindelijk laken, vol wijn-

en mosterdvlekken. Een negerbediende was bezig om eten op te dragen,

en eene zitplaats werd mij aangewezen. »Goede hemel!" dacht ik, toen

ik mij na veel moeite in die plaats gewrongen had; »en dat is nu mijne

toekomstige verblijfplaats? Dan had ik het toch nog beter op school:

daar was althans frissche lucht en schoon linnengoed."

Op dat oogenblik was ik wel in eene stemming om aan mijne arme,

zielsbedroefde moeder een berouwvollen brief te schrijven, met

verzoek om als de verloren zoon haar weer in de armen te vliegen. Twee

belangrijke bezwaren weerhielden mij echter van dien stap: ten eerste

mijn trots, ten tweede gebrek aan plaats en schrijfgereedschap. Met een

diepen zucht zocht ik dus slechts heil in philosophische overdenkingen

en herinnerde mij de gedachten van Gil Blas in het roovershol:

»Ziehier den waardigen neef van mijn oom Gil Perez, als een rat in

de val geloopen."

De meesten mijner nieuwe kameraden waren in dienst buiten boord;

het tusschendeks stond vol victualie- en watervaten, kisten, pakken,

opgerolde zeilen en hangmatten, zoodat er geen doorkomen meer was;

buiten boord en boven ons hoofd hadden de breeuwers hun werk hervat;

het heele schip was vervuld met een stank van grog, jenever en bier,

gebakken vleesch, uien en bokkings, daarbij een donkere lucht:--mij

dunkt, meer was er niet noodig, om mijne gemoedstemming te drukken, en

mij de overtuiging te schenken, dat er in de wereld veel ellende is. Ik

was op het punt om mistroostig te worden, toen mij de uitnoodiging

van den commandant te binnen schoot. Toen ik dit Flyblock mededeelde,

zeide hij: »Dat komt heel mooi; Murphy moet ook bij hem dineeren,

dan kunt ge samen gaan; ik ben overtuigd dat hij zeer ingenomen zal

zijn met uw gezelschap."

Het ging niet aan den kolonel op een adelborst te laten wachten;

wij zorgden dus bijtijds te zijn. Het diner was in alle opzichten een

»dienstdiner." De commandant praatte veel, de officieren heel weinig,

de adelborsten in 't geheel niet; maar wat de behandeling van lepel en

vork, en het ledigen der wijnglazen, voor zoover zij althans gevuld

werden, betrof, heerschte de grootste levendigheid in omgekeerde

volgorde. Gasten van ons schip waren er de eerste officier, Murphy

en ik; de overigen waren collega's van onzen bevelhebber en enkele

andere officieren.

Zoodra het dessert was afgenomen, schonk de gastheer mij nog eens in,

en verzocht mij het glas te ledigen en dan te gaan kijken, hoe de

wind was. Den hierin opgesloten wenk vatte ik niet, de lastgeving nam

ik te letterlijk op; buiten de deur zijnde, zat ik er over in, hoe ik

achter de windstreek moest komen, daar mijne kennis van het kompas nog

hoogst onvolledig was. Gelukkig viel mij buiten de windwijzer op den

ouden kerktoren in het oog, die vier letters had, welke ik wist dat

de hoofdstreken aanwezen. De windvaan kwam zoo juist met de letter W

overeen, dat ik haastig naar binnen terugkeerde om, in mijn trots, dat

ik er zoo gauw achter was, mijn kolonel te rapporteeren »dat de wind

West was." Maar wie schetst mijne verwondering, toen ik niet alleen

voor mijne moeite niet bedankt, maar door het gezelschap uitgelachen

werd; de eerste officier schudde het hoofd en zeide: »Dat is me een

baar!" De commandant echter herstelde de fout op scheepsmanier. »Hier

jonker," zeide hij, »hier is nog een glas wijn, drink dat en dan zal

Murphy u wel eens wijzen, wat ik bedoel." Murphy voldeed aan den last,

dronk met een minder vroolijk gezicht zijn wijn ledig, zette erg flink

zijn glas op tafel en verliet, onder eene buiging met mij het vertrek.

Toen wij samen in de vestibule waren, liet hij tegenover mij zich

niet onbetuigd:--»Wel, voor den d....., hoe kon je zoo terugkomen,

ongare schaapskop? Kon je dien wenk niet begrepen hebben en weggebleven

zijn, zooals de oude bedoelde? Nu heb ik mijn wijn kunnen missen voor

zoo'n misbaksel als jij bent. Ik zal je dat koopje betaald zetten,

vóór wij veel weken ouder zijn."

Die fijnbeschaafde aanspraak hoorde ik met eenig ongeduld maar met

eene groote dosis verontwaardiging aan. »Ik kwam terug," zei ik,

»om den kolonel te vertellen, hoe de wind was."

»Och loop naar de maan," antwoordde Murphy; »denk je, dat de commandant

niet wist, hoe de wind was;--en bovendien, als hij dit werkelijk te

weten had willen komen, zou hij er een zeeman om gestuurd hebben,

zooals mij, en niet zoo'n hulpeloos lam als jij bent."

»Wat de commandant bedoelde," zeide ik, »dat weet ik niet, maar ik

deed slechts wat mij gelast werd.--Maar wat bedoelt gij met mij een

hulpeloos lam te noemen? Ik ben evenmin een lam als gijzelf!"

»O, zoo, ben je dat soms niet?" zeide Murphy, mij op hardhandige

wijze aan een oor naar zich toe trekkende.

Dit nu was niet te dulden; wel was ik pas dertien en hij zeventien

jaren en een opgeschoten kerel; 't ware dus beter geweest, als ik

mij bedaard had gehouden. Maar hij was begonnen: mijn eer stond op

't spel, ik was woedend, en 't verbaast mij nog, dat ik mijn ponjaard

niet trok en daarmede op hem aanviel. Gelukkig echter vergat ik in

mijne drift, dat ik dit wapen aanhad; de beleediging mijne uniform

aangedaan, de bewondering van het kamermeisje, het saluut van den

schildwacht alles kookte in mijn brein dooreen. Ik rekte mij uit als

een vuurpijl, die de lucht ingaat en bracht mijn vuist, een wapen dat

ik nog al wist te hanteeren, in het linkeroog van mijn tegenpartij,

met eene kracht en juistheid die Cribb, den bokser, jaloersch gemaakt

zou hebben. Murphy strompelde onder den aanval terug en ik verbeeldde

mij, dat hij genoeg had.

Maar neen,--ik heb reeds gezegd, dat het een dag van teleurstellingen

was!--hij was alleen achteruitgetrokken voor een aanloop; toen kwam

hij op mij af met een drang, waar die van de gardes bij Waterloo

eene kleinigheid bij was: zijne charge was onweerstaanbaar. Ik werd

neergeworpen, in elkaar gedrukt, op den grond gebonsd, geslagen en

geschopt, dat er bijna een eind aan mij zou gekomen zijn, waren niet

de kellner en een kamermeid tot mijn ontzet komen opdagen. De laatste

bracht vooral hare tong in werkdadige beweging; jammer voor mij, dat

zij geen ander wapen in handen had, anders zou Murphy het niet malsch

gehad hebben. »Schaam u," zeide zij, »voor zoo'n grooten lummel, om

een arm, onschuldig kind als dat, zoo te mishandelen. Wat zou zijne

mama er wel van zeggen, als zij dat zag?"

»Laat zijne mama ophoepelen, en gij er bij," zeide Pat. »Zie mijn

oog eens aan."

»'t Mocht wat, uw oog," zeide de kellner; »'t is jammer, dat hij 't

andere niet juist zoo getracteerd heeft; het is verdiend loon voor

't slaan van een kind; de jongen is flink geweest, en dat is meer

dan van u gezegd kan worden."

Intusschen waren op het leven, dat wij maakten, de kolonel en zijne

gasten en nog anderen komen toeloopen. Ik had eene verdedigende houding

aangenomen en mij niet doen hooren, hoewel mij het bloed uit neus en

mond stroomde, en mijn gelaat de duidelijkste bewijzen vertoonde van

de handigheid van mijn vijand, die als een goed bokser bekend stond

en nooit dat dikke oog zou opgeloopen hebben, als hij eenigszins had

kunnen denken, dat ik hem zou hebben durven aanvallen. De commandant

vroeg, wat er gaande was. Murphy vertelde het gebeurde op zijne manier,

en er was nagenoeg geen woord waarheid bij. Nu, als het een wedstrijd

om het beste liegen had moeten zijn, dan zou ik het daarin zeker van

hem hebben kunnen winnen, maar bij deze gelegenheid diende waarheid

spreken mij beter. Zoodra hij uitgepraat had, gaf ik een onopgesmukt

verhaal van de toedracht, en duidelijk bleek daarbij de kracht van mijn

redenaarstalent boven het zijne. Murphy werd in ongenade weggestuurd,

met scheepsarrest tot zijn oog weer zou genezen zijn.

»Dat is een straf, eigenlijk van uw tegenstander uitgegaan," betoogde

de commandant; »dat heeft de jongen mij uit de handen genomen: gij

kunt natuurlijk met dat blauwe oog niet naar den wal gaan."

Zoodra hij afgetrokken was, kreeg ik eene waarschuwing tot meerdere

behoedzaamheid in het vervolg.

»Gij gelijkt wel op een jongen beer," merkte de commandant op. »Ge gaat

een verdrietigen tijd te gemoet. Als ge van plan zijt dadelijk uwe

handen te gebruiken voor elk minder aangenaam woord, dat men u zegt,

dan kan ik u wel voorspellen, hoe het u in den dienst gaan zal: als ge

zwak zijt, zult ge een verschoppeling worden,--en als gij sterk zijt,

zult ge u veel vijanden maken. Een twistzieke aard zal u gehaat maken

in elken rang, dien gij bekleedt; men zal u altijd blijven wantrouwen,

wel wetende, dat de geest van onbeschaamdheid en heerschzucht door

u in de voor-longroom getoond, u zal bijblijven tot in de kajuit,

met u op zal gaan in den dienst. Ik breng u dit in uw eigen belang

onder het oog; het is geen bemoeizucht, ik weet dat iedereen en

alles aan boord zijn eigen tegenwicht vindt; ik raad u alleen aan,

wel te onderscheiden tusschen verzet tegen onderdrukking, dat ik ten

zeerste goedkeur, en het op den voorgrond willen staan uit ijdelheid,

heerschzucht en bandeloosheid, waarmede ik niets opheb. Ga nu uw

gezicht afwasschen en keer dan naar boord terug. Doe uw best om met

uwe overige kameraden op een goeden voet te komen; de eerste indruk

is alles, en reken er op, dat Murphy niet veel goeds van u zeggen zal."

De raad, mij zoo even gegeven, was op zichzelf uitstekend, doch kwam in

dit geval een half uur te laat. Mijn gevecht was door eene onhandigheid

van den commandant ontstaan en had zijn dieperen oorsprong in de

toenmalige zeden en gebruiken aan boord der schepen. De tafelgesprekken

bij de officieren en hoogeren, behalve wanneer er dames tegenwoordig

waren, liepen het liefst over allerlei onderwerpen en werden gevoerd in

een toon, die voor zoo'n knaap minder geschikt waren te hooren. Om die

reden had men mij een wenk gegeven om maar weg te gaan. Het ware beter

geweest, als mijn kapitein dit in een meer duidelijken vorm gedaan had.

Tegen acht uren ongeveer, kwam ik aan boord terug, waar Murphy

mij intusschen vóór was geweest en eene allesbehalve hartelijke

verwelkoming had bereid. Ik werd zoo koel ontvangen, dat ik mijn

troost op het halfdek ging zoeken, aldaar op en neer bleef loopen,

tot ik vermoeid was en toen tegen een stuk geschut aanleunde. In die

houding werd ik opgeschrikt door het barsche bevel: »Blijf van dat

stuk af; er wordt niet geleund op 't halfdek!" Ik bracht de hand aan

mijn pet en vervolgde mijn eenzame wandeling, van tijd tot tijd een

schuinschen blik werpende op den officier der wacht, die mij zoo grof

gewaarschuwd had. Mijn stemming was zeer neerslachtig; ik gevoelde

mij hoogst ongelukkig. Nog geen verzuim had ik kunnen plegen en toch

leed ik als onder een begane misdaad. Men had mij gegriefd, en zoo

goed ik kon had ik mij verweerd. Waren het dan allen duivels, waar

ik mede te maken had? Mijne gedachten keerden naar huis terug. Het

beeld mijner bedroefde moeder, snikkende in mijns vaders armen,

stond mij helder voor den geest. Mijn ongevoelig hart snakte naar

liefderijkheid. Tranen kwamen op en zouden, had ik een eenzaam hoekje

gevonden, willig gevloten hebben. Mijn trots was voor 't oogenblik

geknakt. Ik gevoelde alle ellende der afhankelijkheid en had gaarne

alle schoone vooruitzichten willen verruilen voor mijne plaats terug

in de ouderlijke woning.

Niet lang daarna kwam de eerste officier aan boord terug. Ik hoorde hem

het met mij gebeurde aan den luitenant van de wacht vertellen. Dit deed

het getij in mijn voordeel kenteren. Ik moest in de officiers-longroom

komen, en toen ik daar alle vragen voldoende had kunnen beantwoorden,

werd Flyblock geroepen, en ik opnieuw onder zijne hoede gesteld. Ik

hoopte nu maar, dat de bescherming van den eersten officier mij een

tijdlang beleefde behandeling zou waarborgen.

Ditmaal had ik betere gelegenheid mijn nieuw verblijf en mijne

kameraden, die thans aan boord terug en in hun logies bijeen waren,

op te nemen. Zij waren rond de tafel gezeten op kisten, die zoowel voor

bank als bergplaats dienst deden; om zijne zitplaats te bereiken moest

men over al de anderen heenklimmen. Zoo dicht opeengepakt te zijn,

is zelfs onder de beste vrienden niet aangenaam; er behoeft niet eens

warmte, bedompte lucht, gebrek aan linnengoed bij te komen. Nergens

anders was een dergelijke toestand denkbaar, dan in het ruim van

een slavenhaler. De adelborsten waren acht in getal, vier ouderen

en vier nieuwelingen, zooals ik. Zij zaten in hun hemdsmouwen. Het

maal op de tafel bestond uit licht bier in een groote pul, en harde

scheepsbeschuit in een Japansche broodmand. Om den grooten eenvoud

der gerechten niet te verstoren, of wel de onoogelijke vette tafel te

verbergen, lag er een groot groen kleed met gele randen overheen, vol

thee- en azijnvlekken. Ergens in een hoek stond een zak aardappelen;

boven onze hoofden, tegen het dek aan, tegen boord, overal waren

planken en kastjes getimmerd, waar in beminnelijke verwarring elkaar

gezelschap hielden: borden en glazen met octantdoozen, messen, vorken

en suikerbrooden, vuile hemden en kousen met nog fraaier tafellakens;

waar kleer- en schoenborstels naast kammen en tandenschuiers te

vinden waren, evenals steken en ponjaards naast zeelaarzen, en

de boterprovisie tusschen een paar schrijfcassettes. Een enkele

brandende vetkaars verlichtte dit soort van moordhol, waarin men

zelfs met gesloten oogen kon genieten, door goed den neus op te halen.

Na mijne intrede gevoelde ik mij hier geenszins op mijn gemak. Dicht

bij de deur stond onze zwarte bediende, die zelf al niet aan een

parfumeriewinkel deed denken, op orders te wachten, met een handdoek

voor het schoonvegen van borden en glazen, die mij reeds dadelijk

onpasselijk maakte; ik viel half ziek op den eersten zetel neer. Na

eenige oogenblikken kwam ik wat bij, spande mijne oogen zoo goed

mogelijk in en waagde het in 't rond te zien. Het eerst viel mijn blik

op mijn vijand van 's middags; hij droeg de sporen onzer ontmoeting in

een met bruin papier onder een vuil zijden zakdoek verbonden linkeroog,

met het andere staarde hij mij aan en op een woesten en brutalen toon

zwoer hij wraak over mijne handeling te zullen nemen. Hierin werd

hij gesteund door een ander, die naast hem zat en een onaangenaam

gezicht had, door een paar groote bakkebaarden niet mooier gemaakt.

Onnoodig is het verder uit te wijden over al wat mij naar het hoofd

geworpen werd; ik kan volstaan met de verklaring, dat de grooteren

allen tegen mij en de jongeren onzijdig waren. Van de eerste partij

ging eene soort van lastgeving uit, dat de andere helft eens wat

ruimte zoude maken en naar boven zoude opkrassen." »En jij, mijnheer

van Vuistenburg," zeide er een, »ruk maar op met de rest en laat je

leelijke tronie zoo weinig mogelijk hier zien."

De knapen gehoorzaamden in stilte en ikzelf had geen bezwaar hen te

volgen. Bij het heengaan voegde Murphy mij toe: »Zoo moordenaar, ik

zie, dat je weet te gehoorzamen, en dat is maar goed ook, want ik had

al een beschuit klaar, om je naar den kop te smijten." Die beleediging

moest ik nog slikken, maar maakte het mij niet duidelijker wat de

admiraal toch bedoeld kon hebben met zijn gezegde, van die »goede

manieren", die ik aan boord te leeren had.

Ik sloot mij nu meer aan bij de jongere adelborsten, en wij begaven

ons voor een ongestoord onderhoud naar voren op den bak. Na langdurig

overleg, werd ik, ofschoon het mijn eerste avond aan boord was, met

algemeene stemmen als hun leider verkozen. Die eerepost had ik te

danken aan mijn kloekmoedig optreden tegen de tirannie der oudsten

en inzonderheid aan mijn aanval tegen Murphy. Door hen vernam ik

nu veel van de wijze, waarop het bij ons toeging; hoe wij door den

commandant, met het oog op de oefeningen en vermeerdering van kennis,

ingedeeld waren en onder toezicht stonden; hoe wij voornamelijk,

en het beste, in het vloeken werden opgeleid; hoe goed wij nagegaan

werden; hoe wij wel ten volle aan de tafel mochten bijbetalen,--maar

om de beste provisiën door anderen te zien opeten. Mijn bloed kookte

bij die verhalen van hunne onderdrukking, en plechtig verklaarde ik

liever te zullen sterven, dan zulk eene behandeling te gedoogen.

Het werd tijd om onze nachtkwartieren te gaan betrekken. Onder het

halfdek, in 't gezicht van den schildwacht bij de kerkdeur hing mijne

hangmat. Men wees mij, hoe ik daarin moest klimmen, en lachte mij uit,

toen ik er aan de andere zijde even vlug weer uitgleed. Ik moest mij

hier het zedelijk overwicht van die kereltjes, alleen omdat zij reeds

ettelijke weken aan boord waren, wel laten welgevallen en voor goede

munt opnemen, dat zij mij voor een »baar" uitmaakten. Die plagerijen

waren echter nog al goedaardig, en na nogmaals den lachlust mijner

kameraden te hebben gaande gemaakt, slaagde ik er eindelijk in het ware

evenwichtspunt in mijn slingerend bed te vinden en viel spoedig in een

diepe rust. Doch tegen ongeveer vier uren in den morgen werd daaraan

een gewelddadig einde gemaakt, want op dat oogenblik kwam met een ruk

het hoofdeneinde van mijn hangmat naar beneden, en ik viel met mijn

hoofd op het dek, terwijl mijne beenen nog in de lucht bleken hangen,

evenals van de arme Sally, toen zij in het bootje een bruinvisch

ving. Ontdaan door den schok en niet zeer spoedig tot een helder

inzicht van de zaken gebracht doordien mijn bloed naar de beenen steeg

en ik daardoor niet vatte hoe die kanonnen tegen den zolder aangeplakt

waren, had ik eenigen tijd noodig, vóór ik mij kon oprichten.

De schildwacht voor de kerk, die de toedracht der zaak gezien had en

den dader had opgemerkt, kwam medelijdend ter mijner hulp. Hij knoopte

de gebroken lijn aaneen en hing mijne hangmat weder op, maar kon mij

niet overhalen mij andermaal in dat verraderlijke bed te wagen, want

ik dacht niet dadelijk, dat dit touw met opzet doorgesneden was. Te

bang voor eene nieuwe tuimeling, wikkelde ik mij in mijne dekens en

legde mij neer op eene kist, van waar ik een wakend oog kon houden

op de plek, waar ik neergebonsd was.

En gelukkig was die inval van mij, want nog maar weinig minuten later

kwam Murphy, van de hondewacht afgelost, naar omlaag, zag mijne hangmat

weer hangen, meende dat ik er inlag, nam zijn mes en sneed de lijn aan

het boveneinde weer door. »Zoo," zeide ik in mijzelf, »waart gij dat,

die mij de eerste maal ook hebt laten vallen, op het gevaar af mij

een hersenschudding te bezorgen, en het nu weer beproeft!" Ik deed

eene gelofte van wraak en vervulde die spoedig. Als een struikroover,

kroop ik ineen opdat hij mij niet zou gewaarworden en loerde, tot

ik hem in zijn eigene hangmat had zien kruipen en zijn solo in het

snurken kon waarnemen. Zachtjes schoof ik een paar schrootbossen

onder zijn hoofdeinde, zoodat hij in zijn val op de scherpe randen

zou neerkomen, (al had hij zich te pletter gevallen, 't kon mij niets

schelen, ik dorstte immers naar wraak) en stil, maar met één ruk,

sneed ik zijn touw door. Hij viel op de wijze, die ik voorzien had,

gaf een diepen snik en bleef liggen. Ik had weer haastig mijn kist en

mijn deken opgezocht en hield mij slapende, terwijl de schildwacht,

die gelukkig gezien had, hoe Murphy mij het eerst had afgesneden,

met een lantaarn nader-bij kwam, de schrootbossen weer naar hun plaats

terugschoof, en hem bewusteloos ziende, den sergeant van de mariniers

waarschuwde en verzocht den ziekenoppasser mede te brengen.

Toen de sergeant naar voren was gegaan, fluisterde hij mij toe: »Blijf

stilliggen; ik heb alles gezien, maar als zij er achterkwamen, zoudt ge

een leelijke pijp rooken." Murphy had weinig vrienden, zoo het scheen:

iedereen verheugde zich in het voorgevallene. Ik bleef stil in mijn

deken gewikkeld, terwijl de ziekenvader de belangrijke wond verbond

en na geruimen tijd er eerst in slaagde hem bij te brengen. Doch

wel veertien dagen moest mijn vijand zijn bed houden. Het vermoeden

viel niet op mij, of zoo er soms al over gedacht mocht zijn, begreep

men zeer goed, dat ik niet de aanvaller was. Het geheim bleef goed

bewaard, ik gaf den marinier een guinje present en verhief hem tot

mijn oppasser.

Een enkel woord tot mijne verontschuldiging zal hier niet misplaatst

te achten zijn. Ik gaf hierboven een staaltje van mijne hardheid

en onverzoenlijkheid. Hartstochten als deze behoorden zeker

op mijn leeftijd nog sluimerende te blijven, maar juist door de

onmenschkundige handelingen van diegenen, waaraan men mij als kind

had toevertrouwd, waren zij reeds vroeg ontkiemd. Dit waren nu de

vruchten mijner slechte opvoeding. En in welk eene omgeving was ik

nu, op een leeftijd voor diepe indrukken zoo vatbaar, geraakt? Op

een schip moest ik samenleven met een driehonderdtal mannen uit den

laagsten stand der maatschappij. Met vloeken werd elk gesprek gekruid;

de eenige zondagviering bestond in verwisseling van kleederen en meer

vrijen tijd tot ongebondenheid.

Welk voorbeeld de officieren aan hun jeugdiger scheepsmakkers gaven,

heb ik hierboven reeds met een enkel voorbeeld aangetoond. Wat de

adelborsten onderling aanging, hiervan viel mede weinig goeds te

zeggen. Taal en manieren waren niet beter dan die van het volk;

hunne levenswijze was misschien iets meer verfijnd. Hun eenig

genoegen aan den wal bestond in dronkenschap en liederlijkheid,

hunne gesprekken aan boord liepen over weinig anders en zij waren

trotsch op die feiten. Wel mocht de commandant mij opgemerkt hebben,

dat op een oorlogsschip alles zijn tegenwicht vond; maar in het

adelborstenverblijf was zulks dan overeenkomstig de zeden der wilden,

voor wie lichaamskracht het hoogste is en beslist of men tiran dan wel

slachtoffer zal wezen. De schooltucht was nog heilig bij de tirannie

in een adelborsten-longroom in het jaar 1803.

Tiranniseeren werkt altijd hoogst nadeelig. Niemand wordt er beter

door. Ik geef gaarne toe, dat jongelieden uit de hoogere standen eenige

partij kunnen trekken uit den omgang met minderen, en dat het een

jong aristocraat geen schade doet, eens een pak slaag op te loopen

van een burgermanszoon. Maar hij, die als slaaf wordt opgebracht,

eindigt met tiran te zijn, wanneer hij zelf de macht in handen

krijgt. Onze aard brengt er ons toe om anderen te doen ondervinden,

waar wijzelven in geleden hebben. De moed en geestkracht van een

flinken jongen zullen door eene slechte behandeling, waartegen hij

niet is opgewassen, gebroken worden, om dikwijls plaats te maken

voor lijdelijke onderwerping met een onbevredigd gevoel naar wraak,

dat hem levenslang bijblijft.

Ik had aanleg voor dit laatste. Het zal uit sommige mijner verdere

lotgevallen nog meermalen blijken, dat het slechte zaad, zoo vroeg en

zoo mild in mij gezaaid, zeer welig opschoot. Toen ik pas aan boord

kwam, schrikte ik terug van al de ruwheid, die ik zag. Langzamerhand

gewende ik aan den omgang met al wat slecht was. In weinige maanden

was ik juist als de anderen. Misschien ware ik langer bestand gebleven

tegen den invloed der slechte voorbeelden, als zij mij met geweld

waren opgedrongen; maar bij bespotting mijner levensopvatting legde

ik spoediger de wapenen neer. Mijn jonge kameraads, die mij hoogstens

zes maanden in dienst vooruit waren, waren reeds oud in verdorvenheid;

zij lachten om mijne onschuld en heetten mij »papkind" of »schoolmiss",

doch brachten mij spoedig op gelijke hoogte. Den leeftijd voor volkomen

loszinnigheid hadden wij noch niet bereikt, maar de aanleg was bij

ons allen aanwezig.

Ik was nog geen twee dagen aan boord, toen mijne makkers er op

aandrongen, dat ik eens den grooten top zou inklimmen. In vol

vertrouwen enterde ik het want in als een geoefend klimmer, maar was

nog niet zeer hoog, toen ik ingehaald werd door een marsgast en een

zijner maats, die mij zonder plichtplegingen elk bij een arm pakten

en behoorlijk aan een paar hoofdtouwen vastbonden. Zij lachten om

mijne tegenwerpingen. Ik vroeg, wat dit te beduiden had, waarop de

marsgast, heel beleefd de hand aan zijne muts brengende, antwoordde,

dat dit de manier was, waarop alle heeren behandeld werden, den

eersten keer dat zij het tuig inkwamen, en dat het slechts aan mij

stond mij los te koopen. Ik keek om hulp omlaag naar het halfdek,

doch daar stond iedereen mij uit te lachen, en niet het minst die

kleine apen van jonkers, die mij derwaarts verlokt hadden en veel pret

in hun grap hadden. Geen uitweg ziende, vroeg ik, wat ik te betalen

had. De marsgast zeide, dat zeven shillings een fatsoenlijk losgeld

was. Ik beloofde die som te zullen geven, werd losgemaakt en voldeed,

op het dek teruggekomen, mijne schatting.

Dit kleine voorval nu niet eens medegerekend, had ik aan boord nog

niet veel anders dan wreedheid en onderdrukking te lijden gehad;

dit versterkte mijn diep leedwezen ooit den voet op een schip

gezet te hebben. Alleen wanneer ik Murphy met zijn verbonden hoofd

in zijne kooi zag liggen, gevoelde ik eene aangename voldoening,

die mij verder drong om te zijner tijd met iedereen af te rekenen,

die mij iets schuldig was gebleven.

Toen ik drie weken aan boord was, werd het schip zeeklaar

gerapporteerd. Bij den eersten officier was ik nog al in gunst geraakt,

door met ijver de mij opgedragen diensten te vervullen. Ik was bij

eene wacht ingedeeld, in de voormars geplaatst en aangewezen bij de

divisie voorste kanonnen in de kuilbatterij. Van de adelborsten had

ik gehoord, dat de eerste officier een hard, onaangenaam man was,

vooral lastig tegen degenen, die het eenmaal bij hem verkorven hadden;

maar ik moet eerlijk zeggen, dat ik die meening niet kon deelen en

hem altijd als een echt gentleman achting heb toegedragen. Met den

tweeden officier was ik op lang zoo'n goeden voet niet. Ik had dezen

eens dienst geweigerd, omdat ik meende, dat hij daarin buiten zijn

macht ging, en dit vergaf hij mij nimmer.

Murphy was weer hersteld en deed zijn dienst; zijn haat tegen

mij was geenszins verminderd, en nooit had ik rust in zijne

tegenwoordigheid. Eens wierp hij mij met kracht een harde beschuit naar

het hoofd, mij daarbij een onteerenden scheldnaam gevende. In eens

was het met mijne zelfbeheersching gedaan en was al, wat ik reeds

door mijne heftige geaardheid had moeten lijden, glad vergeten;

het bloed kookte mij in het hoofd en droppelde van mijn gewond

voorhoofd. Verblind van woede, greep ik een koperen kandelaar, die,

om zeevast te staan, vol lood was gegoten, en wierp dien met alle

kracht in zijne richting. Als hij niet tijdig gebukt had, zou het

zeker zijne laatste beleediging zijn geweest; nu evenwel kreeg onze

zwarte jongen, die achter hem stond, het voorwerp tegen den schouder;

kermende werd de arme man naar den ziekenboeg gebracht en bleef

verscheidene dagen onder dokters handen.

Murphy vloog op tot onmiddellijke wraakneming, maar werd daarin

teruggehouden door zijn oudste collega's, die beweerden dat mijne

overtreding een meer plechtige strafoefening vorderde. Door een soort

van rechtbank, waar de ontvangen provocatie eenvoudigheidshalve niet in

rekening werd gebracht, werd ik schuldig verklaard aan »insubordinatie

tegen een oudere," en »het geven van een slecht voorbeeld aan de

jongeren," en veroordeeld om afgeranseld te worden met behulp van

een kous met nat zand gevuld. Met het aangezicht op tafel, werd ik

door de vier krachtigsten vastgehouden, terwijl de dokter-assistent,

die ook ons logies deelde, mijn pols vatte om waar te nemen, hoeveel

ik kon verdragen; Murphy trad, op eigen verzoek, als beul op. Bij elk

ander zou ik het bij de onuitstaanbare pijnen, die ik leed, hebben

uitgeschreeuwd; maar nu was het mijn eer te na en zou ik mij eerder

hebben laten doodslaan, dan een kik te geven. Na een uiterst gestreng

pak, gaven het koude zweet en eene flauwte aan, dat ik niet meer kon

verduren. Ik werd losgelaten met het bevel om veertien dagen achtereen

op mijzelf te eten op mijn kist. Nauwelijks was ik overeind en weder

bij adem, of ik verklaarde op de ernstigste manier, dat elke herhaling

van de ondervonden beleediging een herhaling van het feit, waarvoor

ik nu straf had geleden, ten gevolge zoude hebben en dat ik dan bij

den commandant om recht zou vragen. »En," zeide ik, mij bijzonder

tot Murphy wendende, »ik ben het geweest, die laatst uwe hangmat heb

afgesneden, waardoor gij bijna den kop te pletter gevallen hebt. Dat

was voor uw lafhartige daad aan mij; en ik zal het weer doen, al heb

ik er nog zoo onder te lijden; elke daad van dwingelandij, die ge aan

mij begaat, zal zijne wraak vinden. Beproef maar eens, of ik ook woord

houden zal." Hij grijnslachte en werd bleek, maar durfde, als echte

lafaard, niets meer ondernemen. Ik werd de voor-longroom uitgejaagd

en hoorde nog achter mij zeggen: »Nu, dat is een kwaadaardige duivel!"

Dit heftige tooneel had een soort van wapenstilstand ten

gevolge. Murphy begreep, dat hij bij de eerste provocatie den kandelaar

naar zijn hoofd, of een mes in zijne ribben zou krijgen; den vrede,

dien ik niet door zijn medelijden kon verkrijgen, had ik nu aan zijne

vrees te danken. De zaak werd druk op het schip besproken. Daar het bij

de officieren in de longroom verkeerd werd voorgedragen, veroordeelde

men mij. Bij de bemanning, waar men Murphy algemeen haatte, geraakte

ik er door in gunst; mijn flinke weerstand wekte bewondering.

De houding der officieren was zoo koel, dat ik mijn troost maar bij de

mindere schepelingen zocht. Dit was mij in zooverre nuttig dat ik nu

snelle vorderingen maakte in de practijk van mijn vak en veel leerde

uit de verschillende oordeelvellingen over het algemeen gebrek aan

zeemanschap bij de officieren, uit den mond dier oude echte zeelui

opgevangen. Onze goede verstandhouding gaf aanleiding tot de volgende

overeenkomst: zij beloofden mij nooit te zullen wegloopen uit eenige

sloep, waarmede ik in dienst aan den wal zou zijn; ik daarentegen

zou hen altijd veroorloven, om zoo lang mogelijk naar de kroegen

te gaan. Ongelukkig echter ontbraken er, in spijt van ons contract,

toch twee man uit de sloep, waarmede ik daags voor ons vertrek naar

zee was uitgezonden, en omdat ik buiten mijn boekje was gegaan met

hen te vergunnen in een drankwinkel te loopen, werd ik, toen ik aan

boord kwam, van het halfdek ontzet en alleen voor den dienst in den

voortop aangewezen.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 14 / 38 题