Mijn jeugd en gebrek aan ervaring en de geringheid der overtreding,
waaraan ik mij had schuldig gemaakt, in aanmerking nemende, zal de
strengste tuchtmeester moeten toegeven, dat ditmaal de eerste officier
mij onrechtvaardig hard behandelde. Blijkbaar hadden mijne vijanden
invloed op hem gehad. De tweede officier en Murphy deden niet eens
moeite om te verbergen, hoeveel genoegen hun mijn ongenade deed.
Ons schip kreeg last om naar Portsmouth te zeilen, alwaar de
commandant, die met verlof was, aanboord zou komen. Wij zagen hem dan
ook spoedig na aankomst opdagen, en toen had de eerste officier aan hem
te rapporteeren over hetgene in zijne afwezigheid was voorgevallen. Ik
had nu tien dagen achtereen dienst in den voortop gedaan, en het was
de bedoeling van Mr. Handstone geweest, dat ik nog bovendien aan een
der stukken lichamelijk afgestraft zou worden voor het laten wegloopen
van mijn volk. Hoewel aanvankelijk de kolonel daar wel ooren naar had,
bleef toch dit gedeelte mijner straf achterwege. Voor het overige was
ik nog steeds uit de voorlongroom gebannen en at, hoewel lid van de
algemeene tafel gebleven, steeds mijn maal eenzaam op mijn kist. Mijn
jongste kameraads spraken alleen tersluiks met mij, uit vrees voor
de ouderen, die mij zoo goed als doodverklaard hadden.
De straf van dienst doen in den voortop had niet veel te beduiden. Ik
ging als »alle hens op" was naar boven, zoo ook gedurende den tijd,
dien ik anders de wacht zou hebben, en troostte mij met een boek,
zoolang ik niet zelf nu en dan de handen uit de mouw moest steken. De
matrozen beschouwden mij eenigszins als martelaar in hunne zaak en
beijverden zich om strijd, mij voort te helpen in het leeren splitsen
en knoopen, reven, vastmaken der zeilen enz.; eerlijk moet ik bekennen,
dat het de beste uren van mijn scheepsleven waren, die ik met die
eerlijke pikbroeken sleet.
Of dit nu door mijne vijanden opgemerkt werd, weet ik niet; maar kort
na zijne aankomst werd ik bij den commandant in de kajuit geroepen,
en ontving daar een lesje over mijn wangedrag, zoowel wat betrof
mijn overgevoelig en twistziek karakter, als het wegloopen van mijn
manschappen. »Ware het niet," zoo vervolgde hij, »om uw overigens
goed gedrag, dan zoude uwe straf veel zwaarder geweest zijn; ik wil
nu niet betwijfelen, dat deze kleine correctie er toe zal bijdragen,
dat gij u in 't vervolg beter in acht neemt. Wij zullen het nu hierbij
laten blijven; gij kunt weer uwe gewone diensten hervatten."
De tranen, die eene harde behandeling mij niet had kunnen afpersen,
kwamen mij nu in de oogen, en het duurde eenige oogenblikken
vóór ik genoegzaam bedaard was om voor de ondervonden goedheid
te bedanken en een uitlegging te geven van de oorzaken mijner
ongenade. Ik vertelde nu, hoe ik sedert mijn komst aan boord als
een hond behandeld was geworden, en dat ik nu voor het eerst eens
menschelijk was toegesproken. Ik gaf een overzicht van al mijn lijden,
aanvangende met dat noodlottige glas wijn, waarvan ik de bedoeling
niet dadelijk had begrepen. Ik verzweeg niet, dat ik Murphy's kooi had
afgesneden en hem een koperen kandelaar naar het hoofd had geworpen,
en gaf daarbij de verzekering, dat ik nooit de eerste aanleiding gaf
en nooit mijn vuist oplichtte vóór ik zelf geslagen was. Ik zeide
bovendien, dat ik niet voornemens was ooit een slag te ontvangen, of
mij een onbehoorlijken naam te hooren toevoegen, zonder dit kwalijk
te nemen. Dat was nu eenmaal mijn aard, en al zoude dit mij het
leven kosten, ik kon het niet veranderen. »Sedert ik aan boord ben,"
vervolgde ik, »zijn er dikwijls matrozen van sloepen weggeloopen,
en de betrokken officieren of adelborsten kwamen er altijd met een
berisping af, terwijl ik, nog zoo goed als vreemd aan boord, met de
grootste en vernederendste gestrengheid behandeld ben geworden."
De kolonel luisterde aandachtig naar mijne verdediging, welke,
naar ik meende, eenigen indruk op hem maakte. Later vernam ik, dat
hij den heer Handstone onder handen had genomen over de bijzondere
gestrengheid, die hij in mijn geval getoond had; hij merkte op,
dat ik òf later een uitstekend officier zou worden, òf dat er niets
van mij zou terechtkomen. Mijzelf was gebleken, dat ik tegenover de
grootere vijandschap van mijn oudste kameraden, door mijn weerstand
bieden aan hun wederrechtelijke handelingen, eenige machtige vrienden
in het schip had gekregen, van welken de commandant een was. Ook enkele
officieren begonnen mij recht te laten wedervaren en bewonderden dien,
voor de gevolgen zoo onverschilligen, geest van verzet in mij. De
omkeer in de algemeene stemming bleek uit de talrijke uitnoodigingen
die ik aan de kajuits- en officierstafel kreeg. De jongste kadets
ontvingen mij nu weer openlijk in hun midden; doch de ouderen bleven
mij met achterdocht behandelen.
Spoedig maakte ik nu met de jongens van mijn leeftijd een geregeld
verbond van onderlinge bescherming, dat een gewichtige rol zou
vervullen in onze toekomstige twisten. Een paar hunner hielden zich
flink aan de gemaakte overeenkomst; de anderen beloofden wel, maar
kwamen op het gewichtige oogenblik niet uit den hoek. Ons contract was
hoogst eenvoudig, slechts uit twee artikelen samengesteld. Het eerste
hield de op elk rustende verplichting in: om het eerste harde of zware
voorwerp, dat men grijpen kon, dengene naar het hoofd te smijten,
die een onzer sloeg, altijd wanneer de aanvaller te sterk scheen te
zijn om hem op de gewone manier te bevechten. Het tweede artikel was
een herinnering aan onze rechten als deelgenoot van de tafel, waaraan
wij allen hetzelfde bedrag betaalden, en bepaalde, dat wij ons door
list zouden zien te verschaffen, wat ons door kracht werd onthouden.
Mijn uitlegging bij art. 1 was, dat wij ons daardoor een behoorlijke,
beleefde behandeling van de anderen zouden verzekeren; want voortaan
zouden zij zich wel wachten om met ons te beginnen, nu het voor hen zoo
gevaarlijk kon afloopen;--bij art. 2, dat wij nu voortaan gelijk zouden
opdeelen en niet langer behoefden aan te zien, dat de oudsten mooi
weer speelden van de smakelijkste aan ons gezamenlijk toebehoorende
provisiën en dranken. Aangezien ik de uitvinder van dit contract was,
kon men mij met recht als de leider van de oppositie beschouwen.
Eindelijk zeilden wij uit, met last om ons te vereenigen met de
vloot, die onder bevel van lord Nelson vóór Cadix kruiste. Ik wil
niet uitvoerig zijn in mijn beschrijving van den overtocht door het
Kanaal en de golf van Biscaye. Ik was meesttijds zoo zeeziek als
een juffrouw die den overtocht maakt in de Dover-packet, maar had
niet zooveel gelegenheid als deze om er mij aan toe te geven, daar
voor mij de dienst boven in het tuig of als wachthebbende aan dek,
onverbiddelijk was. Wij bereikten ons station en kwamen onder de orders
van den onsterfelijken Nelson, slechts weinige uren vóór den zeeslag,
die hem het leven kostte toen hij 's lands eer ophield. De geschiedenis
van dien gedenkwaardigen slag is zoo dikwijls en uitvoerig beschreven,
dat ik er niets meer aan weet toe te voegen. Inderdaad echter verbaast
het mij, dat bij zulk een verwarring en de overeenstemming van alle
zeegevechten, van zulk een treffen nog zooveel bijzonderheden kunnen
gemeld worden. Ik maakte destijds een opmerking, die mij later telkens
met verdubbelde overtuiging weer in de gedachte kwam, en die was:
dat de admiraal, als eenmaal het gevecht aan den gang was, weinig meer
aan het oppercommando kon doen, want hij kon evenmin zien als gezien
worden; hij kon geen partij trekken van 's vijands zwakke punten of
fouten, evenmin als die aan zijne eigene zijde verdedigen of verbergen;
zijn eigen vlaggeschip, de Victory, een onzer schoonste driedekkers,
lag, als 't ware vastgemeerd, langs zijde van een Fransch linieschip
van 80 stukken.
Dezelfde opmerkingen las ik later in een werk over de zeetactiek,
en zij bevestigden volkomen mijne meening. Er was in het begin van
den slag een oogenblik waarin ik, jong als ik was, een geweldigen
angst gevoelde voor den roem en de eer van mijn vaderland. Het was
toen ik de trotsche leiders onzer beide liniën blootgesteld zag aan
het vereenigd kruisvuur van zoovele schepen. Ik vond, dat Nelson
zich te veel blootgaf, en dat denk ik nu nog. Ondervinding heeft
bewaarheid, wat jeugdige phantaisie zich verbeeldde; 's vijands
centrum had vernield moeten worden door onze zeven driedeksschepen,
waarvan thans sommige, die in de achterhoede behoorden, weinig aandeel
aan den strijd konden nemen. Behalve om den indruk, dien zij maakten,
hadden zij zeer geschikt op de reede van Spithead kunnen blijven. Het
is geenszins mijn bedoeling om hier een aanmerking te maken op de
bevelhebbers dier schepen: neen, alleen toevallige omstandigheden,
zwakke koelte en de plicht aan elk opgelegd om zijn standplaats in de
linie te behouden, veroorzaakten, dat zij het grootste deel van den
dag nolens volens werkeloos op den achtergrond moesten blijven. Andere
schepen daarentegen hadden benijdenswaardige positiën, doch maakten,
zooals ik later van enkele daarop dienende officieren vernam,
niet al het gebruik, dat zij daarvan konden. Deze fout aan onzen
kant werd echter ruim opgewogen door dergelijke, op gelijke wijze
veroorzaakte misslagen bij den vijand, en zoo is toch stellig de
overwinning door ons behaald. De Britsche vloot had een hooge waarde;
en wij moeten erkennen dat op dien dag »toen Engeland verwachtte,
dat ieder zijn plicht zou doen", slechts weinigen de hoop van hun
vaderland teleurstelden.
Ik zal nimmer de electrieke schok vergeten, die het ophijschen van het
sein tot het gevecht op de geheele vloot teweegbracht. Bij niets is
het beter te vergelijken dan bij een lange, in brand gestoken loop
buskruit. Aannemende, dat alle Engelschen in hoofdkaraktertrekken
overeenstemmen, was hetzelfde gevoel, dezelfde geestdrift op elk
schip te bespeuren; menigen verharden zeebonk rolden de tranen langs
de wangen, toen de woorden, die het sein inhield, hardop herhaald
werden. Zij brachten elk vroeger roemrijk feit in herinnering,
en vervulden den geest met nieuwe, stoute verwachtingen, die voor
zoovelen, helaas! echter nooit werden verwezenlijkt. Zonder de
minste verwarring nam elk zijn plaats in de batterij of elders voor
het gevecht in, en van dat oogenblik af lag op ieders gelaat kalme,
besliste vastberadenheid te lezen.
Mijn commandant was, ofschoon ons schip in geene der liniën behoorde,
volstrekt niet bang voor de schoten, en hoewel wij niet in het
vuur behoefden te komen, vóór wij daartoe sein ontvingen, achtte
hij het toch plichtmatig zoo dicht mogelijk in de nabijheid onzer
in den strijd gewikkelde schepen te blijven, om waar het noodig
was, hulp te kunnen bieden. Ik was geplaatst bij de allervoorste
stukken van onze kuilbatterij, toen ook voor ons de order kwam om
slagvaardig te zijn. Ofschoon op een betrekkelijk kleine schaal,
ken ik weinig tooneelen, die zulk een indruk maken als een schip
bij »alarm". Het sein daartoe wordt op last van den bevelhebber
door den tamboer gegeven en benedendeks herhaald. Onmiddellijk
worden alle loopende werkzaamheden gestaakt, en moet ieder man
aan boord de hem alleen voor die gelegenheden opgedragen bezigheid
vervullen. Slechts kort duurt de schijnbare verwarring, die hiervan
het gevolg is. Aan dek worden de minst handige zeilen geborgen,
op de onderra's de enterdreggen uitgebracht, in de marsen en in
de rusten de valreepen van het steng- en onderwant met de gesjorde
hangmatten beveiligd, de pompen en brandspuit gereedgemaakt om water
te geven. In de batterijen wordt de noodige voorraad scherp opgehaald,
worden de kanonnen ontsjord, gewischt en geladen, en eindelijk door
elk schepeling het hem aangewezen wapen, hetzij geweer, pistool,
piek of enterbijl ter hand genomen. Het einde der manoeuvre is, dat
elk zijn plaats bij de kanonnen weer inneemt. Hiermede treedt een
volledige stilte in, waarbij slechts de bevelen gehoord mogen worden,
voorzoover dit onder eene kanonade van zoovele schepen mogelijk
kan zijn. Trotsch is het gezicht op de lange rijen vuurmonden, elk
met een tiental matrozen en mariniers bemand. Achter elk stuk staat
de commandant met het richten en afvuren belast, in het midscheeps
worden de lonten brandende gehouden. Over een zeker aantal stukken
beveelt een der officieren. Aan dek is de commandant, meer dan ooit de
groote man, de ziel van het schip. Hij heeft naast zich den eersten
officier, achter zich een paar jonkers om bevelen naar voren of naar
omlaag over te brengen. Onder het groote luik in het tusschendeks is
het slagverband klaargemaakt, en zijn de dokters in afwachting der
gekwetsten, die hun toegezonden zullen worden: messen, zagen, tangen,
sponzen, kommen met azijn en water, deden op de verbandtafel liggende
of gereedgezet, aan allerlei pijnlijke operatiën denken; deze dingen
althans benemen alle poëzie aan een zeegevecht. Vóór op den bak is de
schipper of opperbootsman geplaatst; en in de ware beteekenis van het
woord »overal" de baas timmerman met zijn helper. Waar toch door een
kogel schade in den romp of in de rondhouten wordt teweeggebracht, is
hij de man om het te herstellen. Het gezicht op de ambulance werkte,
zooals ik zeg, alleen wat ontnuchterend op mijn gevoel. »Wie weet,"
dacht ik, »hoe spoedig ik, verminkt en bloedende en bewusteloos naar
hier wordt gebracht, om met al die snijwerktuigen kennis te maken!" Ik
wendde mij af, en deed mijn best aan die mogelijkheid niet te denken.
Zoodra de vloot op kwam zeilen, om den vijand aan te tasten, deden wij
hetzelfde, zoo na mogelijk bij het vlaggeschip houdende, waarvan wij
bevel kregen de seinen te herhalen. De handige wijze, waarop dit plaats
vond, verbaasde mij. Het was onbegrijpelijk, hoe bijna gelijktijdig
van onzen top dezelfde seinvlaggen woeien, die bij den admiraal waren
opgeheschen. Die vlaggen gingen nog wel ineengerold naar boven, dáár
werden zij eerst losgetrokken. Er was dus veel handigheid aan boord
van den repetiteur noodig om ze zoo snel op een afstand te herkennen.
Het zal niet overbodig zijn hier mede te deelen, dat het in die
tijden een soort van stilzwijgende overeenkomst bij het vechten was,
dat een linieschip nooit een fregat aantastte of dit moest zelf met
den aanval begonnen zijn, of wel zich tusschen de strijdende partijen
in begeven hebben. Iets soortgelijks had bij den zeeslag van Aboukir
plaats gevonden, waar onze Orion, met ééne volle laag het Fransche
fregat l'Artemise, tot straf voor zijne vermetelheid, had in den grond
geboord. Op grond hiervan zouden wij zeker schotvrij gebleven zijn,
ware het niet, dat menige verdwaalde kogel, voor een ander schip
bestemd, ons ongelukkigerwijze onder weg ontmoet had. Sommige hiervan
richtten onder onze bemanning nog heel wat schade aan.
Trotsch zeilden de twee Britsche liniën, evenwijdig aan elkander, bijna
loodrecht in op de gebogen slagorde van de vereenigde vijandelijke
vloten. De voorhoede was nauwelijks binnen kanonschots afstand, of
de Royal Sovereign en de Victory ontvingen een hevig vuur; maar toen
eerstgenoemde opstak achter den spiegel van de Spaansche Santa Anna,
en de laatste de Fransche Redoutable aan boord klampte, waren beide
vloten door een dikke rookkolom van kruitdamp omhuld en viel er weinig
meer te zien dan het overboord gaan van masten, of het hier en daar
afdrijven van eenig geheel onttakeld schip.
Het bleek, dat een dezer een Engelsch schip was, en onze commandant
ziende, dat het tusschen twee vijandelijke vaartuigen in zou geraken,
zeilde er op af, om het op sleeptouw te nemen; juist echter openden
twee der linieschepen, in wier vuurlijn wij kwamen, een hevig vuur
op elkander en werden wij het doelwit hunner misschoten. Ik lag
juist uit een der boegpoorten te kijken, toen ons op die hoogte,
tusschen wind en water, een kogel trof. Voor het eerst zag ik van
zoo nabij de uitwerking van een zwaar schot: het maakte een grooten
plas, daarbij een voor mij zeer vreemd geluid en overstelpte mij met
water. Onwillekeurig sprong ik achteruit, wat ik meen dat menigen
dapperen kerel zou overkomen zijn, doch ik werd daarvoor uitgelachen
door een paar der aan mijne stukken geplaatste matrozen. Hierdoor
beschaamd, nam ik mij voor, niet andermaal dergelijke zwakheid te
laten blijken.
Dit schot werd spoedig door meerdere gevolgd, die niet zoo onschuldig
waren; een kwam dezelfde boegpoort in en doodde toevallig de twee man,
die getuigen van mijne wankeling waren geweest. Ik moet tot mijne
schande erkennen, dat hun verlies mij alleen ongevoelig liet, omdat
zij nu niets meer van mij konden navertellen. Overigens zouden mijne
gewaarwordingen bij deze gelegenheid, moeielijk zijn weer te geven. Het
was nog geen zes weken geleden, dat ik allerlei streken op de school
uithaalde en den ondermeester in den vijver liet duikelen,--en nu,
in eens als 't ware, zonder de minste voorbereiding, was ik in het
midden van een bloedigen strijd, zelf een medespeler in de gewichtige
gebeurtenissen, die voor het lot der beschaafde wereld zoo gewichtig
waren.
Een versnelde bloedsomloop, een soort van vrees voor den dood, een
nog grooter vrees voor schande, dwongen mij dikwijls van plaats
te veranderen; en er werd eenige tijd toe gevorderd en vooral
redeneerkracht om mij daarover heen te brengen en mij zoo veilig te
doen gevoelen als in de haven. Eindelijk kwam ik daartoe, en toen
was ik verlegen over de zenuwachtige stemming, waarin ik verkeerd had
vóór het vuren begon. Het is waar, ik bad in stilte: maar mijn gebed
was niet gegrond op geloof, op vertrouwen of op hoop--ik bad alleen om
uitredding uit mijn oogenblikkelijk gevaarlijken toestand; mijn woorden
waren slechts korte, vrome ontboezemingen, zonder de minste gedachte of
berouw over vroeger gedrag of voornemen tot beterschap in de toekomst.
Toen echter eenmaal het gevecht in vollen gang was, ging dit gevoel
ook over, en bleef ik even onverschillig bij het gezicht van een armen
kerel, die middendoor geschoten was, alsof ik voorbij een slagerswinkel
ging. Ik weet niet of dit voor een bewijs mag gelden, dat ik ongevoelig
van aard was; maar zeker weet ik, dat meer mijne nieuwsgierigheid
voldaan, dan mijn hart gepijnigd was, toen een kartetsschot van den
vijand bij ons zeven man doodde en nog drie bovendien verwondde. Het
speet mij voor degenen die het trof, en voor niets ter wereld zou ik
hun kwaad toegewenscht hebben, doch in mijn soort was ik een wijsgeer:
gaarne bracht ik oorzaak en gevolg in verband; en in 't geheim was
ik voldaan het effect van een kartetsschot met eigen oogen gezien
te hebben.
Tegen vier uren des namiddags begon het gevecht te verflauwen,
klaarde de lucht op en werd de kalme zeespiegel door een aanwakkerend
koeltje gerimpeld. De twee vijandelijke vloten konden elkaars
verliezen in oogenschouw nemen. Wij telden nog negentien of twintig
linieschepen. Sommige van 's vijands schepen zagen wij in de richting
van Cadix vluchten; vier andere ontsnapten ons te loefwaarts. Toen er
een sloep van ons naar een ander nabijzijnd schip ging, sprong ik er
in, en vernam toen den dood van lord Nelson. Toen ik dit bericht bij
onzen kolonel overbracht, bracht hij hulde aan de nagedachtenis van
dien held en liet daarna zijn oog met welgevallen op mij rusten. Ik
was de eenige jonker, die bijzonder veel activiteit had aan den
dag gelegd, en werd op grond daarvan onmiddellijk met een boodschap
naar een nabij liggend vaartuig gezonden. De eerste officier gaf in
overweging om een officier van eenigen meerderen diensttijd weg te
zenden. »Neen," zeide de commandant, »laat hem gaan; de jongen is
daar zeer geschikt voor!" Ik stak van boord, niet weinig verheugd
over het in mij gestelde vertrouwen.
Toen ik bij het avondeten mijne kameraads in de voorlongroom
ontmoette, deed het mij leed weer het onaangename gelaat van Murphy
te aanschouwen. Ik had mij zoo gevleid, dat een of andere gelukkige
kogel mij van zijn gehate persoonlijkheid voor goed zou verlost hebben;
maar zijn tijd scheen nog niet gekomen te zijn.
»De duivel heeft een mooie vangst gehad vandaag," zeide een aan onze
tafel deelnemende oude masters-assistent, terwijl hij zijn glas grog
aan den mond bracht.
»Jammer genoeg, dat gij en een paar anderen, die ik niet noemen zal,
dien dans zijt ontsprongen," dacht ik bij mijzelve.
»Als er dan toch veel dooden moeten zijn," zeide een ander, »dan voor
mijn part maar wat luitenants, dat geeft nog bevordering!"
Bij het aan boord gehouden appèl, bleken er van onze equipage negen
man gedood en dertien gekwetst te zijn. Dit betrekkelijk groot aantal
was voor sommigen een soort van voldoening en volstrekt geen reden
tot spijt. Hunne ijdelheid was er door gestreeld, dat er onder de
linieschepen voorkwamen, waar de slachting zooveel geringer was
geweest.
Wanneer ik daartoe gelegenheid kon vinden, was ik in de ziekenboeg
tegenwoordig bij de verpleging onzer gewonden en getuige van het
afzetten van armen en beenen, zonder dat zulks mij bijzonder aandeed;
menigeen, die zich in het gevecht met de grootste koelbloedigheid
had gedragen, werd weekhartig bij dit lijden. Tot mijn schande moet
ik erkennen, dat ik, uit louter zucht om achter de tot nu toe voor
mij verborgen zaken te komen, met belangstelling de werkzaamheden der
chirurgijns naging en de pijn van de arme lijders in het geheel niet
telde. Was ik dan werkelijk zoo verhard van gemoed, dat ik er alles
voor overhad om een goed inzicht te krijgen in de samenstelling van
het menschelijke lichaam?
Kort na den slag bij Trafalgar werd ons schip naar Portsmouth
gezonden, om duplicaat-brieven over te brengen. Op een morgen, dat
wij het onder ons over de aanstaande tehuiskomst hadden, hoorde ik
een van de adelborsten zeggen, dat »hij zijn ouden vader voor eene
nieuwe uitrusting zou laten opdokken." Ik vroeg, wat hij daarmede
bedoelde, werd uitgemaakt voor een »baar," omdat ik dit niet wist,
en toen ingelicht. »Weet ge niet," zeide mijn leermeester, »dat na elk
zeegevecht, in het schippersboek veel meer zeildoek, touwwerk en verf
wordt afgeschreven dan door den vijand weggeschoten of beschadigd is?"
Ik nam dit op het gezag van den spreker aan, niet wetende of het waar
of onwaar was, waarop hij voortging: »Waar zouden witte verschans-
en sloepskleeden, bovenbramstengen, vergulde wapenborden en andere
versierselen op een schip vandaan moeten komen, als het niet heette,
dat al die zaken in het gevecht verloren of overboord gevallen
waren? De schadelijst wordt aan den admiraal ingediend, hij teekent
de aanvragen, en de magazijnmeester moet, of hij wil of niet, met
de behoeften op de proppen komen. Ik diende eens op een korvet,
toen een zwaar fregat van vierenveertig stukken, ons zoo netjes
aanzeilde dat ons kluifhout medeging en zijn groote (mooiweers-)
kluiver over onze fokkera kwam te hangen. Hij was van fijn Russisch
linnen gemaakt en werd bij ons versneden voor verschansingkleeden,
terwijl ieder van de matrozen er nog een broek uit kreeg. Welnu,
op dezelfde wijze, waarop wij oom George (hiermede bedoelde hij ons
geëerbiedigd hoofd van den Staat) voor onzen inventaris beetnemen,
zoo ben ik voornemens mijn ouden heer voor een nieuw stel kleeren in
den nek te zien. Daarvoor heet nu mijn heele kist overboord te gaan
met al wat ik heb, en dan kom ik bij mijne oudjes thuis, precies
klaar om naar de laatste mode weer opgetuigd te worden."
»En wilt ge nu werkelijk uwe ouders op die manier oplichten?" vroeg
ik op schijnbaar hoogst onschuldigen toon.
»Wel zeker, goedaardige domoor. Hoe kan ik op den duur fatsoenlijk
voor den dag komen, als ik niet een goed gebruik weet te maken van
een zeeslag, zooals nu door ons bijgewoond werd?"
De ontvangen wenk stemde mij tot nadenken. Het kwam niet eens in mij
op, dat, als ik op een redelijke wijze mijnen ouders aan het verstand
had gebracht, dat mijne uitrusting onvoldoende was, om altijd netjes
gekleed op het halfdek te verschijnen, zij met alle liefde nog van
alles voor mij aangekocht zouden hebben. Maar het zat nu eenmaal in mij
om onoprecht te zijn, met streken om te gaan. Waar het in mijn eigen
belang was, wist ik op zijn tijd evengoed de waarheid te vertellen
als een leugen; maar hier verbeeldde ik mij, dat bedriegerij een
flink stuk van verdienste was, en daarom besloot ik die in practijk
te brengen, al was het alleen om daarmede opgang te maken bij mijne
onwaardige makkers. Wat ik langs eervollen weg zou gedaan gekregen
hebben, wilde ik nu, louter uit zucht om te bedriegen, uit genoegen
om mijn vader om den tuin te leiden, langs slinkschen weg verwerven.
Aan het schip waren eenige herstellingen te doen, en door de
goedheid van den commandant, die nog al met mij ingenomen was,
kreeg ik verlof,--ik, die juist zoo noodig had gehad om aan boord
te blijven en tegenwoordig te zijn bij het af- en weder optuigen,
ledighalen, verstuwen van den ballast en het dokken, om uit een en
ander de noodige leering te trekken. Dat verlof vroeg ik minder uit
verlangen om mijn ouders eens weer te zien, dan wel om, thuis komende,
den noodigen ophef te kunnen maken, zoowel van den belangrijken
zeeslag, als van al het andere, wat ik in dien korten tijd van drie
maanden had bijgewoond. Het was mij een behoefte om effect te maken,
en daarom wist ik (door briefwisseling met een mijner zusters op de
hoogte daarvan) voor het oogenblik van mijne thuiskomst een dag te
kiezen, waarop mijne ouders een groot gezelschap ontvingen, en een uur,
waarop zij juist aan tafel waren gezeten.