Ik herinner mij haast geen dag zoo vol van verwachting als die,
waarin ik te Plymouth mij voor het eerst in uniform zou kleeden,
om mij aan boord te gaan melden. Ik stelde mij niet minder voor dan
een pas ontloken vlinder te zijn, waaraan ieder bewondering schuldig
was. Mijne trotschheid en inbeelding waren grenzenloos. Ik stond,
zoo meende ik, aan den aanvang van een bestaan van louter vrijheid
en genot. Reeds ver achter mij waren, in gedachte, de school- en
kinderjaren; aan die geleden ellende mocht ik nu als man, zoo vond
ik, niet meer denken. Doch helaas, ook de zaligheid van dezen morgen
bleef niet onvermengd.
Ik had mij dan, voor den spiegel staande, netjes aangekleed, had
mijn ponjaard op zijde, een onmogelijk grooten steek op het hoofd;
ik was meer dan voldaan over mijzelven en het kwam mij voor, dat ik
een dergelijk genot ook aan anderen moest gunnen. Onder voorwendsel van
orders te geven voor het opknappen mijner kamer, maar in werkelijkheid
om door haar bekeken en dus bewonderd te worden, schelde ik het
kamermeisje. Zij was slim genoeg mijne bedoeling te raden en sloeg
bij het binnenkomen der kamer de handen ineen van verbazing over zoo'n
schitterende verschijning. Edelmoedig stopte ik haar eene fooi in de
handen en gaf haar zelfs onder den indruk, dat ik nu een volslagen
Heer was, een fermen kus. In hare dankbaarheid voor het eerste was zij
gauw een der knechts gaan waarschuwen, die nu ook zijne opwachting
kwam maken en met een diepe buiging mede een compliment afstak. Op
den kus na, beloonde ik hem even vrijgevig. Als de schoenpoetser in
de buurt was geweest, zouden zij hem zeker op mij afgezonden hebben
en zou ook hij zijn fooi niet zijn misgeloopen, want ik was dwaas
genoeg die vleierij voor goede munt op te nemen. Voor de aanvallen
van nog meer haaien werd ik gevrijwaard, doordien het intusschen tijd
was geworden mij bij mijn commandant en op mijn schip te gaan melden.
Nauwelijks was ik de trappen van het hotel afgestegen en op straat
gekomen, of mijne ijdelheid kreeg nieuw voedsel, toen ik een blijkbaar
pas aangeworven schepeling ontmoette, die voor mij de hand aan zijne
muts bracht. Ik nam dat saluut zeer ernstig op, raakte mijn steek
aan en wandelde vol zelfbehagen door. Het verdroot mij echter, dat
de inwoners zoo weinig acht op mij sloegen en niet half zooveel in
mij vonden, als ik zelf deed; ik zag geheel over het hoofd, dat er
in Plymouth haast evenveel adelborsten rondliepen als negerjongens
in Port Royal, ofschoon de laatsten voor hun meesters heel wat meer
waarde hadden dan de eerstgenoemden. Spot en plagerij van de vrouwen,
die ik passeerde, nam ik alles voor waardeering van mijn mannelijk
voorkomen op. In het volle gevoel van mijne eigene gewichtigheid
droeg ik het hoofd fier in den nek. Een goed eind voor mij uit zag
ik eindelijk een troepje officieren in volle uniform, waarschijnlijk
uit een krijgsraad, in mijne richting aankomen.
»Aha!" zeide ik, »daar heb je eenigen van ons soort volkje." Ik nam,
evenals zij hunne sabels droegen, mijn ponjaard in de linkerhand en
stak deftig mijn rechterhand in de borst, zooals een paar hunner dit
hadden. Verder poogde ik even fier en rechtop te loopen en stak mijn
neus in den wind zooals een big zulks in een storm doet, overtuigd
dat ik heel indrukwekkend was. Wij liepen aan verschillende kanten
van den weg en waren elkaar even gepasseerd, toen een, zeker in Zijner
Majesteits dienst rauw geworden stem, achter mij aan riep: »Hei daar,
jonker, kom eens over!"
In het denkbeeld verkeerende, dat ik geroepen werd om gecomplimenteerd
te worden, of om opgave te doen welke kleermaker zoo'n nette jas voor
mij geleverd had, of waar ik die mooien steek was machtig geworden,
of althans verwachtende, dat er nu een twist zou volgen over de vraag
aan wien de eer te beurt zou vallen mij onder zijne bevelen te krijgen,
werd ik in de hoogste mate verbaasd, toen de oudste van die heeren,
op een zeer nijdigen toon, mij aldus toesprak:
»Wel, heerschap, op welk schip hoort gij thuis?"
»Mijnheer," antwoordde ik trotsch, »ik behoor tot Zr. Ms. fregat Le--;"
het was een Fransche naam, dien ik zeer geaffecteerd uitsprak.
»O, ei zoo! doet gij?" zeide de oude heer op een voornamen toon. »Wees
dan zoo goed rechtsomkeert te maken, naar de landingsplaats te
marcheeren, een boot te nemen en als een Engelsch weerlicht naar boord
van Zr. Ms. Le--," (hier bauwde hij mij na,) »te varen. En zeg dan aan
den eersten officier, namens mij, dat hij u aan boord moet houden,
zoolang het schip in de haven ligt; ik zal uw commandant verzoeken
zijne officieren te leeren om nooit den haven-admiraal voorbij te
gaan zonder hem behoorlijk te groeten."
Onder die aanspraak was ik het middelpunt van een cirkel geworden,
waarvan de admiraal en de hem vergezellende hoofdofficieren den omtrek
vormden. Zóó opgedrongen, en zóó toegesproken, begon ik mij werkelijk
gedrukt te voelen.
»Nu, mijnheer, gij verstaat mij?--Gij kunt gaan."
»Jawel, ik versta het heel goed," dacht ik bij mijzelf, »maar hoe
kan ik in 's hemels naam hier uitkomen?" Die hooge heeren hielden
mij volkomen ingesloten, zoodat ik vóór- noch achterwaarts kon.
Die blokkade, die hen scheen te vermaken, was intusschen mijne
uitkomst. Ik kreeg daardoor tijd om te bedenken wat ik zeggen zou,
zette een doodonschuldig gezicht en betuigde, dat ik voor het eerst
in uniform was, mijn commandant nog niet kende en nog nooit aan
boord van een schip was geweest. Bij deze uitlegging verwrong zich
het gezicht van den admiraal tot een soort van glimlach, terwijl de
kolonels het uitproestten.
»Zoo, jongmensch," zei de admiraal, die inderdaad een heel beste
man was--»zoo, jongmensch, nu ik hoor, dat gij nog nooit op zee zijt
geweest, is het te excuseeren, dat ge geen betere manieren kent. Die
boodschap aan den eersten officier vervalt, doch ik zou u aanraden
om toch maar eens naar boord te gaan."
Daar ik nu mijn welverdiende portie beethad, maakten de hoofdofficieren
een doorgang voor mij open. Bij het heengaan, hoorde ik een hunner
zeggen: »Ik sta er voor in, dat het lesje hem bijblijven zal." Ik
kon daarop het antwoord, zonder schade voor mijzelf, best voor mij
houden en gevoelde mij wel een voet kleiner dan vóór de kennismaking
met die hooge autoriteiten. Onder den indruk daarvan volgde ik het
eerste bevel, dat ik in dienst ontving, sneller op dan menig ander
in later tijden.
Het verdere gedeelte van mijne wandeling liep zonder stoornis
af; voorzichtig geworden, salueerde ik iedereen die ik ontmoette,
onverschillig of het een adelborst, een onderofficier, of zelfs een
korporaal van de mariniers was. Mijne overdrijving aan den anderen
kant werd mij op eens op nette wijze duidelijk gemaakt door eene
als dame gekleede jonge vrouw, die meer dan ik van de marine scheen
af te weten en mij vroeg, of ik mij soms populair maakte om in het
parlement gekozen te worden.