TWEEDE HOOFDSTUK.

Ik herinner mij haast geen dag zoo vol van verwachting als die,

waarin ik te Plymouth mij voor het eerst in uniform zou kleeden,

om mij aan boord te gaan melden. Ik stelde mij niet minder voor dan

een pas ontloken vlinder te zijn, waaraan ieder bewondering schuldig

was. Mijne trotschheid en inbeelding waren grenzenloos. Ik stond,

zoo meende ik, aan den aanvang van een bestaan van louter vrijheid

en genot. Reeds ver achter mij waren, in gedachte, de school- en

kinderjaren; aan die geleden ellende mocht ik nu als man, zoo vond

ik, niet meer denken. Doch helaas, ook de zaligheid van dezen morgen

bleef niet onvermengd.

Ik had mij dan, voor den spiegel staande, netjes aangekleed, had

mijn ponjaard op zijde, een onmogelijk grooten steek op het hoofd;

ik was meer dan voldaan over mijzelven en het kwam mij voor, dat ik

een dergelijk genot ook aan anderen moest gunnen. Onder voorwendsel van

orders te geven voor het opknappen mijner kamer, maar in werkelijkheid

om door haar bekeken en dus bewonderd te worden, schelde ik het

kamermeisje. Zij was slim genoeg mijne bedoeling te raden en sloeg

bij het binnenkomen der kamer de handen ineen van verbazing over zoo'n

schitterende verschijning. Edelmoedig stopte ik haar eene fooi in de

handen en gaf haar zelfs onder den indruk, dat ik nu een volslagen

Heer was, een fermen kus. In hare dankbaarheid voor het eerste was zij

gauw een der knechts gaan waarschuwen, die nu ook zijne opwachting

kwam maken en met een diepe buiging mede een compliment afstak. Op

den kus na, beloonde ik hem even vrijgevig. Als de schoenpoetser in

de buurt was geweest, zouden zij hem zeker op mij afgezonden hebben

en zou ook hij zijn fooi niet zijn misgeloopen, want ik was dwaas

genoeg die vleierij voor goede munt op te nemen. Voor de aanvallen

van nog meer haaien werd ik gevrijwaard, doordien het intusschen tijd

was geworden mij bij mijn commandant en op mijn schip te gaan melden.

Nauwelijks was ik de trappen van het hotel afgestegen en op straat

gekomen, of mijne ijdelheid kreeg nieuw voedsel, toen ik een blijkbaar

pas aangeworven schepeling ontmoette, die voor mij de hand aan zijne

muts bracht. Ik nam dat saluut zeer ernstig op, raakte mijn steek

aan en wandelde vol zelfbehagen door. Het verdroot mij echter, dat

de inwoners zoo weinig acht op mij sloegen en niet half zooveel in

mij vonden, als ik zelf deed; ik zag geheel over het hoofd, dat er

in Plymouth haast evenveel adelborsten rondliepen als negerjongens

in Port Royal, ofschoon de laatsten voor hun meesters heel wat meer

waarde hadden dan de eerstgenoemden. Spot en plagerij van de vrouwen,

die ik passeerde, nam ik alles voor waardeering van mijn mannelijk

voorkomen op. In het volle gevoel van mijne eigene gewichtigheid

droeg ik het hoofd fier in den nek. Een goed eind voor mij uit zag

ik eindelijk een troepje officieren in volle uniform, waarschijnlijk

uit een krijgsraad, in mijne richting aankomen.

»Aha!" zeide ik, »daar heb je eenigen van ons soort volkje." Ik nam,

evenals zij hunne sabels droegen, mijn ponjaard in de linkerhand en

stak deftig mijn rechterhand in de borst, zooals een paar hunner dit

hadden. Verder poogde ik even fier en rechtop te loopen en stak mijn

neus in den wind zooals een big zulks in een storm doet, overtuigd

dat ik heel indrukwekkend was. Wij liepen aan verschillende kanten

van den weg en waren elkaar even gepasseerd, toen een, zeker in Zijner

Majesteits dienst rauw geworden stem, achter mij aan riep: »Hei daar,

jonker, kom eens over!"

In het denkbeeld verkeerende, dat ik geroepen werd om gecomplimenteerd

te worden, of om opgave te doen welke kleermaker zoo'n nette jas voor

mij geleverd had, of waar ik die mooien steek was machtig geworden,

of althans verwachtende, dat er nu een twist zou volgen over de vraag

aan wien de eer te beurt zou vallen mij onder zijne bevelen te krijgen,

werd ik in de hoogste mate verbaasd, toen de oudste van die heeren,

op een zeer nijdigen toon, mij aldus toesprak:

»Wel, heerschap, op welk schip hoort gij thuis?"

»Mijnheer," antwoordde ik trotsch, »ik behoor tot Zr. Ms. fregat Le--;"

het was een Fransche naam, dien ik zeer geaffecteerd uitsprak.

»O, ei zoo! doet gij?" zeide de oude heer op een voornamen toon. »Wees

dan zoo goed rechtsomkeert te maken, naar de landingsplaats te

marcheeren, een boot te nemen en als een Engelsch weerlicht naar boord

van Zr. Ms. Le--," (hier bauwde hij mij na,) »te varen. En zeg dan aan

den eersten officier, namens mij, dat hij u aan boord moet houden,

zoolang het schip in de haven ligt; ik zal uw commandant verzoeken

zijne officieren te leeren om nooit den haven-admiraal voorbij te

gaan zonder hem behoorlijk te groeten."

Onder die aanspraak was ik het middelpunt van een cirkel geworden,

waarvan de admiraal en de hem vergezellende hoofdofficieren den omtrek

vormden. Zóó opgedrongen, en zóó toegesproken, begon ik mij werkelijk

gedrukt te voelen.

»Nu, mijnheer, gij verstaat mij?--Gij kunt gaan."

»Jawel, ik versta het heel goed," dacht ik bij mijzelf, »maar hoe

kan ik in 's hemels naam hier uitkomen?" Die hooge heeren hielden

mij volkomen ingesloten, zoodat ik vóór- noch achterwaarts kon.

Die blokkade, die hen scheen te vermaken, was intusschen mijne

uitkomst. Ik kreeg daardoor tijd om te bedenken wat ik zeggen zou,

zette een doodonschuldig gezicht en betuigde, dat ik voor het eerst

in uniform was, mijn commandant nog niet kende en nog nooit aan

boord van een schip was geweest. Bij deze uitlegging verwrong zich

het gezicht van den admiraal tot een soort van glimlach, terwijl de

kolonels het uitproestten.

»Zoo, jongmensch," zei de admiraal, die inderdaad een heel beste

man was--»zoo, jongmensch, nu ik hoor, dat gij nog nooit op zee zijt

geweest, is het te excuseeren, dat ge geen betere manieren kent. Die

boodschap aan den eersten officier vervalt, doch ik zou u aanraden

om toch maar eens naar boord te gaan."

Daar ik nu mijn welverdiende portie beethad, maakten de hoofdofficieren

een doorgang voor mij open. Bij het heengaan, hoorde ik een hunner

zeggen: »Ik sta er voor in, dat het lesje hem bijblijven zal." Ik

kon daarop het antwoord, zonder schade voor mijzelf, best voor mij

houden en gevoelde mij wel een voet kleiner dan vóór de kennismaking

met die hooge autoriteiten. Onder den indruk daarvan volgde ik het

eerste bevel, dat ik in dienst ontving, sneller op dan menig ander

in later tijden.

Het verdere gedeelte van mijne wandeling liep zonder stoornis

af; voorzichtig geworden, salueerde ik iedereen die ik ontmoette,

onverschillig of het een adelborst, een onderofficier, of zelfs een

korporaal van de mariniers was. Mijne overdrijving aan den anderen

kant werd mij op eens op nette wijze duidelijk gemaakt door eene

als dame gekleede jonge vrouw, die meer dan ik van de marine scheen

af te weten en mij vroeg, of ik mij soms populair maakte om in het

parlement gekozen te worden.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 13 / 38 题