EERSTE HOOFDSTUK.

De volgende bladzijden hebben ten doel de voornaamste lotgevallen

uit mijn leven aan boord van de Engelsche oorlogsschepen in het

begin der 19de eeuw te schetsen. De rol die ik daarbij persoonlijk

vervulde, stond in een te nauw verband met mijn karakter en mijne

familieomstandigheden, dan dat ik zou mogen verzuimen vooraf een kort

overzicht van mijne kinder- en schooljaren te geven.

Mijne ouders behoorden tot den gegoeden stand. Ik was een zwak,

ziekelijk kind, werd daarom boven mijne broeders en zusters

vóórgetrokken en niet weinig bedorven. Reeds vroeg trok ik de aandacht

door slimheid en onbeschaamdheid: eigenschappen, die mij nog lang na

mijne kindsheid zijn bijgebleven.

Heb ik later meermalen gelegenheid gehad mij in den dienst door

vermetelheid te onderscheiden;--wezenlijke moed behoorde niet tot

mijne eigenschappen. De aanleg tot durven had ik, en het geluk heeft

mij later meestal gediend. Veel van mijne handelingen, veel in mijn

wedervaren vindt hierin zijne verklaring.

Toen ik het ouderlijk huis verliet en naar eene kostschool werd

gezonden, had de moederlijke zorg de eerste beginselen van deugd

in mijn ontvankelijk gemoed gezaaid. Helaas! die teedere plant

werd onvoldoende beschermd en was maar al te veel aan den invloed

eener slechte omgeving blootgesteld. Veel van het goede verstikte of

ontkiemde eerst veel later; distels en onkruid groeiden er voor in

plaats. Jaren lang was ik geen stichtelijk voorbeeld voor anderen.

Het hoofddoel van mijn schoolgaan was Latijn en Grieksch te

leeren. Mijn meester had een eigenaardigen slag om dit in te

pompen. Hij vulde onze hersenen met geleerdheid, alsof hij met

werk en pik de naden van een vaartuig te breeuwen had. Bij onze

hardhoofdigheid was voor die methode dikwijls kracht noodig. Als

werktuig voor krachtigen aandrang diende een knoestige stok. Ondanks

die barbaarschheid, maakten wij vrij snelle vorderingen in de klassieke

talen, en had ik mij in 't algemeen over mijn meester weinig, over

zijne wederhelft daarentegen zeer veel te beklagen.

Op haar toch rustte de niet onbelangrijke taak, om voor onze verdere

ontwikkeling en veredeling van hart en gemoed het voetspoor onzer

moeders te volgen. En hoe nam zij dien duren plicht op zich? Met

de grootst mogelijke onverschilligheid, alsof wij haar bijzonder

eigendom, hare slaven waren. Elk onzer moest tijd en bekwaamheden aan

haren dienst wijden, in haar beurs voordeel brengen. Dat schepsel,

het zij met gepasten eerbied aldus over haar gesproken, was gierig

en achterdochtig, karaktertrekken zeer duidelijk in haar gelaat

afgeteekend door scherpe, grauwe dicht bijeengeplaatste oogen en een

sterk vooruitspringenden neus. Zij scheen nog geen harer voorouders

of familieleden aan het liegen verloren te hebben, althans in die

kunst had zij het zeer ver gebracht, waarom zij dan ook nooit van

een ander gelooven wilde, dat hij waarheid sprak. De uitwerking van

al die beminnelijkheden op ons jongens bleef niet uit. Daar wij

toch niet vertrouwd werden was het ons volkomen onverschillig om

geloofd te worden of vertrouwen te verdienen; ons grootste genoegen

was haar te bedriegen. Dit laatste kwam door hare inhaligheid zeer

dikwijls voor. Wij moesten immers om beurten voor haar als tuinman

en pluimgraaf dienst doen, appelen en peren oprapen en opzamelen

en de kippen achternaloopen, die door haar gekakel te kennen

gaven, dat zij ernstig aan de eierfabricage dachten. Was het van

ons jongens te verwonderen, dat wij naar evenredigheid van onzen

honger, diefachtig waren, vooral omdat wij toch verdacht werden een

en ander achtergehouden te hebben? Op allerlei loopjes werden wij

dus genoeg geoefend, in allerlei listen volleerd, in allerlei kleine

schurkenstreken doortrapt. Ofschoon onze schooljuffrouw zich waarlijk

niet ruïneerde in de zorg om ons goed te voeden, ontwikkelden wij

door al die lichaamsoefeningen in kracht en behendigheid minstens even

voldoende als in Latijn en Grieksch, hoewel ik mij kan voorstellen dat

menig paar onzer ouders vreemd opgekeken zou hebben bij de ontdekking,

op welke wijze het schoolgeld van 80 pond sterling per jaar door dit

waardige echtpaar aan ons verdiend werd, of juist had kunnen opmerken,

welke jaarlijksche aanwinst in menschelijkheid hun zoons voor deze

uitgaaf mede thuis brachten.

Met al ons liegen evenwel konden wij niet beletten, dat nu en dan

onze stukjes uitkwamen en eene meer of min ernstige straf ons deel

werd. Ik had het na een zekeren tijd vrij ver in allerlei misdrijf

gebracht en was met een mijner vrienden, Tom Crauford genaamd,

de belhamel der school. Veel onoordeelkundige straffen maakten ons

hoe langer hoe schaamteloozer. Op het laatst gaven wij letterlijk om

niemand of niets meer, verhard door de »zegeningen", die de meester

op onze meest schuldige hoofden deed nederdalen.

Kort vóórdat Tom en ik ons op den voorgrond hadden weten te

plaatsen, was een groote, uit de Oost-Indiën gekomen jongen,

die zich door bijzondere lichaamskrachten doch tevens door groote

domheid en onverschilligheid onderscheidde, met een der secondanten

slaags geweest, daardoor op school onmogelijk geworden en om zijne

onhandelbaarheid door zijne ouders naar zee gezonden.

Dit voorbeeld van emancipatie bleef mij steeds voor oogen en was

een spoorslag voor mijne verdere gedragingen. Daar ik het zeer

weinig op de juffrouw voorzien had, was het mij een waar genoegen

haren beschermeling, den Franschen dansmeester, eens een kool te

stoven. Monsieur Aristide Maugrebleu was een klein dik ventje van

tusschen de vijfenveertig en vijftig jaren, maar ijdel en fatterig

zonder voorbeeld. Wetende, dat ik met een zwarte kool aangeteekend

stond, was hij steeds onaangenaam tegen mij. Ik vond, dat hier

een sprekend voorbeeld gesteld diende te worden en wist hem, toen

hij ons een ouwerwetschen »pas seul" voorhuppelde, een beentje te

lichten en tot groot vermaak van alle jongens een dol figuur, met

zijn puntbuikje op den grond draaiende, te doen slaan. Ongelukkig

echter had hij daarbij een voet verstuikt; ik was de oorzaak geweest

en werd dienovereenkomstig op de noodige kastijding onthaald.

Ik vond dit zoo onbillijk, dat ik wegliep. Tom had mij bij die

gelegenheid een zetje over den muur gegeven. Ik was al een heel eind

de weide ingeloopen en juist bezig een aanspraak samen te stellen,

waarmede ik te huis komende mijn vader het verder onhoudbare van mijn

toestand op school eens duidelijk aan het verstand zoude brengen,

toen ik door een secondant in gezelschap van de oudste leerlingen

achternagezeten en ontdekt werd. Tom was met zijn schijnheilig

gezicht een der voorsten om mij vast te grijpen en uitbundig met

verwijten te overladen omtrent mijne ondankbaarheid om mij zóó te

willen onttrekken aan de zorgen van den besten der meesters en de

liefderijkste, teederste der schoolmoeders.

Ik was gevangen en moest mede terug. Oogenschijnlijk nam ik met

mijn lot genoegen, maar in stilte beraamde ik een plan om mij te

wreken. Onze weg voerde langs een vijver, waarvan ik met loodsmans

bekwaamheid de ondiepten en modderkuilen kende. Na Tom een oogje

gegeven te hebben, sprong ik, in weerwil van het gure Novemberweer,

vrij ver van den drassigen oever in het koude water en riep van

daar den meester toe, dat hij zich vergist had, toen hij meende

mij reeds in zijne macht te hebben: hij kon mij van daar opnieuw in

ontvangst nemen, zoo hij wilde. Hij kon moeielijk met leege handen

thuis komen, maar liefhebbers om mij er uit te halen deden zich

niet op. Goede raad was duur. Hij moest er zelf op af. Langzaam werd

schoen voor schoen, kous voor kous uitgetrokken, onder smeekingen en

bedreigingen tegen mij, steeds in de hoop, dat de koude van het bad

mijne onverzettelijkheid zou bedwingen. Alles vergeefs. Ik waadde

dieper in en stelde mij op achter een diepe kuil, waar ik bedaard

mijn vervolger afwachtte. Rillend van de koude, voetje voor voetje

maar met verwoedde gebaren, naderde hij, stak de hand uit om mij

te grijpen en--zakte tot ieders verwondering, behalve de mijne,

eensklaps voor het grootste deel in de diepte weg. Onder den schijn

van hem te willen redden, sprong ik boven op zijne schouders, liet hem

eens duchtig drinken van het modderige nat en was, vóór hij de oogen

had uitgewreven, op het droge terug, in 't midden mijner makkers met

zijn mal figuur den spot drijvende.

Toen ik meende een goede voldoening gehad te hebben, gaf ik mij aan

den intusschen op het droge gesukkelden vijand, bij gebrek aan beter

te bedingen voorwaarden »op genade of ongenade" over en werd, zooals

te verwachten was, allerminzaamst op school in ontvangst genomen en

op mijn natte kleeding allerhartelijkst afgeklopt. Met een hoofd als

vuur, verwaardigde ik niet bij die afstraffing een kik te geven,

maar had vermoedelijk daaraan te danken, dat ik van dit ontijdige

bad niet doodziek werd, zooals onze arme secondant, die natuurlijk

om dergelijk geneesmiddel niet solliciteerde en veertien dagen lang

met zware koortsen zijn bed moest houden.

Kort na dit voorval, dat de maat van hetgeen men meende van mij te

mogen verduren, deed overloopen, kwam onze vroegere schoolmakker,

de Oosterling, in zijn nette marine-uniform, zijn jongeren broeder

op onze school een bezoek brengen. Hij was natuurlijk het voorwerp

onzer groote belangstelling. Vooral ik had hem tal van vragen over

het leven aan boord te doen.

Ofschoon hij eerlijk daarvan zoowel de voor- als de nadeelen opnoemde,

maakte het toch een diepen indruk op mij, dat de adelborsten zoo

dikwijls vrijaf hadden, en dat er aan boord geen schoolmeester was

om hen te drillen en onrechtvaardig te ranselen, maar dat er aan

elk hunner per dag een pint wijn verstrekt werd. De levenswijs was

wel ruw op een oorlogsschip, zoo zeide hij, maar het was toch een

glorierijk bestaan en gaf met het oog op een oorlog met Frankrijk

mooie vooruitzichten.

Meer had ik niet noodig om mijne keus te bepalen. Door die betrekking

was ik het eerst van de gehate school ontslagen. De vacantie was

nabij. Schriftelijk bereidde ik mijn vader voor op mijn ernstigen

wensch om te gaan varen.

Ik had in de jaren op de school doorgebracht groote veranderingen

ondergaan. Als een lijdzaam, gewillig kind was ik er gekomen; door

strenge, wreede behandeling waren mijne slechtere eigenschappen

ontwikkeld;--ik zou de school verlaten als een woesteling.

Te huis had ik echter mijn pleit nog niet zoo gereedelijk

gewonnen. Mijn vader had weinig met den zeedienst op en had mij voor

eene academische opleiding bestemd. Mijne moeder kreeg het bij het

hooren noemen van een oorlogsschip reeds op de zenuwen. Doch daar ik

bleef aandringen en zoowel voor de bedreigingen van mijn vader als

voor de smeekingen mijner moeder ongevoelig bleef, moest men aan mijn

verlangen toegeven en was het uitgemaakt, dat ik in den zeedienst

zou treden.

Mijn schooltijd was dus voorbij. Menigeen kan aan dat levenstijdperk

met genoegen terugdenken. Ik echter niet. Mijn gansche leven is

stormachtig geweest, maar het ongelukkigste deel daarvan sleet ik op

de school.

Mijn vader had nu eene plaatsing voor mij weten te verkrijgen aan

boord van een te Plymouth liggend fregat, en de korte tijd die mij

overbleef vóór ik mijne bestemming moest opvolgen, werd besteed aan het

gereedmaken mijner uitrusting. Achtereenvolgens werden een groote kist,

benevens mijn uniform, steek, ponjaard en zeelaarzen thuis bezorgd,

elk artikel, gelijk men begrijpen kan, met evenveel ongeduld verbeid.

Toen eenmaal het besluit genomen was, dat ik naar zee zoude gaan,

legde mijn vader er zich kalm bij neder. Ik had toch een ouderen

broeder, die den familietitel en de bezittingen erven moest, te Oxford

studeerde en een grootscheepsche opvoeding genoot, ook in de kunst

om als een gentleman zijn geld te verteren. Met eene jongere editie,

vooral van zoo'n woelig soort als ik, zit men gewoonlijk verlegen. Ik

had mijne keuze gedaan en daarmede uit. De rekeningen werden gewillig

betaald en mijn uitzet was royaal genoeg.

Toen de tijd van mijn vertrek daar was, de kist op den wagen geladen

en ik gereed om de deur uit te gaan, was het voor mijne arme moeder

een treurig oogenblik. Snikkende sloot zij mij in hare armen,

hartverscheurend was hare droefheid. De heete tranen, die zij onder

het kussen langs mijne wangen liet rollen, lieten mij, ongevoelig

als ik was, volkomen koud. Voor niets ter wereld had ik het genot,

van het heengaan naar zee, willen missen. Eerst later, toen ik die

edele ziel door den dood had verloren, stond mijne koelheid bij

dat afscheid mij voor den geest. Zwaar werd ik daarvoor gestraft

in de vele liefdeloosheid, die ik in mijn veelbewogen leven nog te

ondervinden had.

Toen het rijtuig wegrolde, viel zij bewusteloos in mijns vaders armen.

Frank Mildmay, De zeeofficier · 第 12 / 38 题