hing, gesteld.
„Gij vergist u, dierbare vader! Ik ben wel knap op het gebied der
mechaniek, maar deze doodsklok heb ik niet uitgevonden, ik heb haar
slechts hersteld. Dit prachtige toestel is uitgevonden door de heilige
Vaders, de menschlievende leden van de Inquisitie, om de verstokte
ongeloovigen te straffen en een driedubbelen dood te doen sterven.
„Reeds menig ander heeft op de plaats gelegen, waar gij nu ligt;
ongeloovigen en geloovigen, schuldigen en onschuldigen, welke zich niet
konden verdedigen en die dikwijls alleen de misdaad op hun geweten
hadden, rijk te zijn en de hebzucht der heilige Vaders te hebben
opgewekt.
„Misschien waren zij minder verstokt dan gij, dien ik haat— — —!”
„Het is nu het jaar onzes Heeren 1908, als ik mij niet vergis—!”
„Zeker, zeker, markies, onnatuurlijke vader, hoogmoedige edelman! En al
zoudt gij ontkomen aan dit mes, wat niet denkbaar is, dan zullen de
muren boven uw hoofd instorten en als gij daardoor niet verpletterd
wordt, dan zal de grond onder uw voeten uit elkaar vallen en gij zult
in den onderaardschen arm van de Torrente di San Francesco di Paola
storten, die onder dezen bodem door zijn weg neemt naar zee!”
„Dank—dank!” antwoordde de grijze gevangene hoonend. „Een gedeelte van
dit alles is reeds meer dan voldoende! Maar jij, schurk, wees gevloekt!
Als ooit de vloek van een vader is uitgekomen, dan zal hij zeker jou
treffen! Vaar naar de hel, vervloekte, waar jij, duivel, behoort!”
Ondanks al zijn gewetenloosheid beefde de gemaskerde innerlijk. Maar,
om niets te laten merken, lachte hij luid.
„Verouderde opvattingen, dierbare vader! En als het u misschien
eenigszins kan troosten, zoo weet, dat gij spoedig vereenigd zult zijn
met uw geliefden Luigi! Maar ik zal dan toch, ondanks uw weigering om
te onderteekenen, uw erfgenaam zijn! Dit is—mijn afscheidsgroet!”
„De Heiligen zullen mijn beminden zoon beschermen!—Ga heen, onmensch,
laat mij sterven! Maar bevrijd mij eerst van je gehate aanwezigheid!”
De schurk lachte.
„Dus vadertje, laat de tijd u niet al te lang vallen. Gij hebt nog tien
minuten te leven! Kijk naar den wijzer! Als die de twaalf bereikt, zal
het mes zoo laag zijn gekomen, dat het zich langzaam, maar zeker in uw
hart boort! Dat zal de voltooiing mijner wraak zijn! Veel genoegen,
oude stijfkop! Deze tien minuten zullen uw trots breken—Addio!”
„Stumper! Ik bevind mij in de hoede van God! Maar jij, ongelukkige,
bent voor eeuwig des duivels. Ga heen, plaag mij niet langer! Een
Siciliaansch edelman weet te sterven!”
„Wat? Durft gij mij nog trotseeren?” riep de ontaardde zoon vol woede
en teleurstelling. „Dat is sterk! Geen God zal u kunnen redden, dwaas,
en geen gebed zal uw noodlot kunnen veranderen!”
„Wie weet het?”
Hoonlachend verwijderde zich de schurk en dreunend viel de deur achter
hem dicht. Eenzaam en verlaten, niet in staat om zich te bewegen, bleef
de grijsaard op de houten brits liggen.
Als hij zijn oor drukte tegen het hout, waarop hij lag, vernam hij diep
onder zich werkelijk het ruischen van het water der Torrente. Maar
onweerstaanbaar werd zijn blik getrokken naar het uurwerk boven hem—nog
acht minuten!
Langzaam maar zeker liep het door en het mes, dat aan een stang was
bevestigd en flikkerde in het licht van een door Cesare achtergelaten
fakkel, naderde al meer en meer, telkens met een schokje kwam het
nader—zeven minuten!
Hij wilde de oogen sluiten, maar onwillekeurig richtten zij zich weer
op het uurwerk en zijn oor luisterde naar het onheilspellende tikken.
—Zes minuten nog!—
De stoomboot van de maatschappij Florio-Rubaltino was juist aan de
Scala dit Marmo te Messina aangekomen.
Onder de talrijke personen, die aan de kade hunne uit Napels komende
vrienden of bloedverwanten verwachtten, bevonden zich ook een kleine
man en een slank, elegant gekleed meisje, wier gelaat door een sluier
bedekt was.
„Ik ben bang, dat hij weer niet komt, Signore Sarpi!” sprak het jonge
meisje tot den detective.
Daar naderden twee jonge mannen, met vlugge stappen van den steiger,
met veerkrachtigen tred de trappen der kade bestijgend.
De een, naar zijn uiterlijk een artist, had nauwelijks de wachtenden
gezien, of hij groette met een handbeweging en snelde naar de slanke
jonge dame toe.
„Marietta mia!”
„O, Luigi, Luigi!”
Het meisje had haar verloofde ondanks zijn vermomming aan stem en
gestalte herkend en viel, lachend en weenend tegelijk, in zijn armen.
De detective had intusschen Charly, of liever Mr. Robert Bentinck-Shaw
uit Chicago, op levendigen toon begroet en hem medegedeeld, dat zijn
oom—dat wil zeggen Lord Lister—hem had opgedragen, Mr. Robert en den
jongen markies hier aan de kade af te halen.
Zijn oom was zelf verhinderd door gewichtige zaken, die waarschijnlijk
betrekking hadden op de misdaad in de familie Finori.
Toen de bagage vooruit was gezonden naar het hotel Vittoria en men
bijeen zat in het echt Italiaansche restaurant van het Venetiaansch
Hotel in de Oca Neve, werd het gesprek zeer levendig.
Spoedig echter stond de detective op.
„Het is tijd! Mijn lieden wachten op de afgesproken plaats. Als gij
blijft bij uw moedige voornemens, heeren— —?—Het is niet meer of minder
dan een tocht in de onderwereld—het is nu tijd om de misdadigers te
overvallen!”
„O, neem mij ook mee! Luigi, kan je meenen, dat ik je nu alleen in het
gevaar zou laten gaan, om zelf achter te blijven?—Ik weet, wat het plan
is van Signore Sarpi!”
„Neen, neen, gravin!” riep deze uit. „Ik bid u, blijf hier! Men kan
niet weten, welke strijd daar gestreden zal worden! En gij vermoedt
niet, naar welk afschuwelijk oord ik de heeren zal moeten brengen!”
„Al ging het rechtstreeks naar de hel, waar die vreeselijke man thuis
behoort, ik verlaat mijn Luigi niet meer, ik zou uit angst om hem
sterven! Kijk, Signore Sarpi en jij Luigi, ik ben gewapend; ik heb
moed! Niet tevergeefs ben ik een dochter der Torresani’s!”
De schoone Marietta haalde met schitterende oogen een sierlijk
revolvertje en een prachtigen kleinen dolk te voorschijn, wat den
heeren een glimlach ontlokte.
„Goed dan, signora,” antwoordde de detective, op vriendelijken toon,
„dan zal ik u vertellen, waarheen wij gaan. Naar het onderaardsche
kanaal der Torrente, dat in verbinding staat met de zee, een weg, die
niemand anders kent dan wij en de Maffia—en die voert naar de
overblijfselen der catacomben.”
„De—catacomben—?” herhaalde het meisje rillend van afschuw. „Om het
even, waarheen Luigi gaat, ga ook ik! Al zou het dood en verderf zijn,
met hem wil ik liever ondergaan in den eeuwigen nacht dan te moeten
leven in weelde en licht zonder hem!”— —
„Benijdenswaardige markies!” mompelde de kleine man, ondanks zichzelf
ontroerd door de offervaardigheid van het jonge meisje.
„Komaan dan, heeren, naar den onderaardschen weg, waar de boot met mijn
lieden op ons wacht! Op ten strijd tegen de—Maffia!”
NEGENDE HOOFDSTUK.
GEVECHT GEDURENDE DE AARDBEVING.
Luide klonk het tikken van het uurwerk in het onderaardsche verblijf,
steeds op en neer, maar merkbaar dalende, bewoog zich de dolk,
flonkerend bij het licht van den fakkel.
De wijzer wees nu vijf minuten vóór twaalf en de oude markies kon zijn
blikken niet van de helsche machine afwenden.
Ondanks zijn moed rilde hij bij de gedachte aan hetgeen hem nu te
wachten stond. Onafwendbaar naderde het ontzettende. Geboeid en
verlaten door iedereen, diep onder de aarde, gedoemd tot
onbeweeglijkheid, zag hij het staal nader sluipen en het flikkerende
mes, dat steeds dichterbij kwam, leek hem het begeerig vonkelende oog
van een roofdier.
Zonder dat hij het wist, liepen groote zweetdroppels langs zijn
voorhoofd, zijn haren rezen te berge van angst en ontzetting. Wanhopig
greep hij met de rechterhand naar zijn voorhoofd.
Eerst op dit oogenblik dacht hij er aan, dat zijn misdadige zoon in
zijn groote opgewondenheid en haat had vergeten om opnieuw de
rechterhand van zijn slachtoffer, die hij had los gemaakt voor de
handteekening, te binden.
De wijzer gaf hem nog vier minuten, toen de grijze markies bevend met
de rechterhand trachtte zijn touwen los te maken. Weer was een minuut
verstreken en in zijn zenuwachtige haast mislukte de eerste poging. De
touwen op zijn borst schenen niet los te krijgen te zijn.
De markies dwong zichzelf met bovenmenschelijke kracht tot kalmte en
overleg. Eindelijk gelukte het hem, met zijn eene vrije hand het eind
van het touw te vinden en den knoop los te maken. Slechts nog twee
minuten restten hem.
Met moeite haalde hij het eind van het touw door de knoopen en toen de
wijzer op 1 minuut vóór het laatste cijfer stond, viel het touw, dat
hem aan de brits vasthield, aan weerszijden naar beneden.
Men had den markies in zijn bibliotheek overvallen en gebonden. De
schurken hadden niet de moeite genomen om de zakken van zijn fluweelen
huisjasje te doorzoeken. Wat beteekenden de kleinigheden, die daarin te
vinden mochten zijn, tegenover de millioenen in de brandkast!
En de Capo had op grooten spoed aangedrongen. Zoo had men hem ijlings
geboeid en door de kast, een weg, die slechts de Capo kende, naar de
oude catacomben gedragen.
Het was een groote dwaasheid van den markies geweest, om in vroegere
jaren deze geheimen te verraden aan zijn geliefde, de schoone Chlia
Ginozzi, teneinde haar heimelijk bij zich te kunnen ontvangen. Na hun
scheiding had zij dit alles toevertrouwd aan haar zoon Cesare, maar nu
tot geheel andere doeleinden.
Misschien was het zelfs de schuld van den markies, dat hij, Cesare, in
het bezit van deze gevaarlijke geheimen, zijn heerschersplaats
veroverde in het geheime genootschap en zoodoende een misdadiger werd.
Terwijl al deze gedachten bliksemsnel door zijn brein schoten, haalde
hij zijn zakmes te voorschijn. In een oogwenk sneed hij ook de andere
touwen, die zijn linkerarm, beenen en voeten samensnoerden, door en
snel sprong hij van de houten brits af, die zijn onmenschelijke zoon
hem als doodsbaar had toegedacht.
De wijzer stond op twaalf.
Plotseling weerklonk een luid geratel en dicht bij hem drong met groote
kracht het vlijmscherpe mes in het hout, juist op de plek, waar zich
een enkele minuut eerder zijn hart had bevonden.
„God zij geprezen! Nog in het laatste oogenblik heeft Hij mij gered!”
fluisterde de grijze markies.
Plotseling doofde de uitgebrande fakkel, die tot nu toe het gewelf had
verlicht, geheel uit.
Een ondoordringbare duisternis omgaf hem. Hij voelde in zijn zak en
vond een doosje waslucifers. Toen hij een ervan had aangestoken, keek
hij verschrikt naar boven.
Wat was dat voor een luchtstroom, die van boven kwam en waarschijnlijk
ook de fakkel had uitgedoofd? Bij het flikkerende licht ontdekte hij
boven zich een spleet, die steeds breeder scheen te worden.
De dubbele zoldering gaapte en de beide gedeelten schenen zich steeds
sneller te bewegen.
Een enkele blik overtuigde hem ervan, dat alleen in het midden, op de
brits, een veilig plekje was, als hij niet verpletterd wilde worden
door de neervallende steenen.
Zijn waslucifer was uitgebrand.
Hij ontstak een nieuwe.
Met donderend geraas vielen plotseling de beide gedeelten van de
zoldering neer. En alsof door dien val een nieuw mechaniek in beweging
was gebracht, begon nu onder den markies, zooals eens in het Londensche
huis onder de voeten van Lord Lister, de vloer te bewegen.
Misschien had Cesare deze oeroude inrichting, welke was uitgedacht door
vernuftige monniken, als voorbeeld genomen voor de kamer in het huis
van zijn moeder, de misdadige waarzegster.
De grijsaard rilde, het koude zweet brak hem uit, toen hij voelde, hoe
de vloer onder hem wankelde en scheen weg te glijden.
Opeens echter luisterde hij scherp.
Wat was dat?
Wilder en luider dan de krakende machinerie, die door menschen was
gemaakt, weerklonk, als uit de diepten der aarde komend, een rollen,
donderen en bruischen, dat overging in fluiten en huilen, kraken en
gieren, alsof alle duivelen der hel in het binnenste der aarde waren
losgelaten en met hun krijschende, woeste legerscharen al nader en
nader kwamen.
Plotseling scheen alles een golvende beweging te hebben aangenomen, de
muren bogen zich tot elkaar en door merg en been dringende geluiden
werden vernomen.
„God beware ons! Ook dat nog!” fluisterde de markies vol ontzetting:
„Een aardbeving!”
De vreeselijke, alles verwoestende aardbeving had een aanvang genomen.
In de onderaardsche vergaderzaal der Maffia waren de monden van twaalf
revolvers op Lord Lister en zijn trouwen Giannettino gericht. Om hun
Capo te beschermen was het elftal met de wapens in de hand op de
zitplaatsen geklommen, waar zij slechts op een nader bevel van hun
meester wachtten.
Giannettino was lijkbleek geworden. Hij kende zijn vroegere makkers
maar al te goed en wist, dat van hen geen medelijden te wachten was.
Lord Lister dacht met koortsachtige spanning na, op welke wijze hij het
dreigende gevaar zou kunnen afwenden.
Zijn fonkelende oogen verrieden niet de minste vrees, toen hij met
strakken blik de schaar zijner tegenstanders monsterde.
Hoewel in Lister’s hand geen wapen te zien was—hij had zijn beide
kleine revolvers in de zakken van zijn jas tot onmiddellijke
zelfverdediging gereed—hadden eenige der Sicilianen onder den
magnetischen blik van zijn oogen hun revolvers laten zinken. Bevend
riepen zij hun makkers toe:
„Hij heeft een boozen blik, deze vreemdeling! Laat ons vluchten!”
Met hun bijgeloovige vrees begon de een den ander aan te steken. Er
bestaat misschien geen enkele Zuid-Italiaan, die niet doodelijk
bevreesd was voor „den boozen blik.”
Cesare, de Capo, had deze woorden wel verstaan en begreep, welke
uitwerking zij op de mannen zouden hebben.
„Lafaards!” schuimbekte hij, „laat gij u door twee kerels, als die
beiden daar, door dien bierbuik en dien verrader, overdonderen? Dappere
mannen kennen geen „boozen blik”. Schiet en gij zult zien, of de macht
van hun blik bestand is tegen onze revolvers!”
Reeds werden de neergezonken wapens opnieuw opgeheven. In het volgende
oogenblik zou het waarschijnlijk met de beide dappere indringers gedaan
zijn geweest, als niet plotseling een ander aanhanger der Maffia de
vergaderzaal was binnengestormd met de woorden:
„De politie! De politie! Zij komen langs den waterweg met een boot! De
uitgang, langs het water is ons afgesneden. Ik ben de eenige van de
wacht, die nog leeft! Giosue en Manfredo zijn doodgeschoten door de
vervloekte kerels, die hun electrische lichten in onze oogen lieten
schijnen om ons te verblinden!”
„Een duivelsch complot!” riep de Capo tandenknarsend, „dat is een
complot tegen de heilige Maffia. Dit mag niet ongewroken blijven!
Niemand anders is daaraan schuld dan deze vreemdeling, de dief onzer
schatten. En weet gij, wien ik in hem meen te hebben herkend, ondanks
zijn veranderde gestalte? Het is de jonge markies Finori, die ons den
dood heeft toegezworen! Door hem, dat zweer ik u, zijn onze beide
getrouwen in het uitoefenen van hun plicht gevallen! Welke straf komt
hem toe, heeren?”— —
„De dood— —de dood!” krijschte als uit één mond het elftal en weer
hieven de Capo en zijn makkers hun revolvers op.
Dit oogenblik had Lister afgewacht. Met een halfluid „Voorwaarts!” had
hij zich met een enkelen sprong, die slechts mogelijk was voor
geoefende Engelsche sportslui en met zijn stalen spieren, over tien der
treden van de rotstrap naar boven geslingerd, waar hij den Capo de
dreigende revolver uit de hand sloeg, zoodat het eerste schot met
krakend geluid in den steenen wand van het hooge gewelf terecht kwam.
Voordat Cesare begreep wat er gebeurde, omklemde Lister’s rechterhand
met ijzeren greep de keel van den verbaasden misdadiger, die, zonder
zich te kunnen verdedigen, op de steenen trap neerzonk.
Ook Giannettino was vooruit gesneld en niemand der bandieten durfde het
drietal mannen op de rotstrap schieten, uit vrees, hun Capo te treffen!
„Komt hier, vrienden!” hijgde deze met groote moeite. „Helpt uw Capo,
dierbare broeders!”
Maar zijn stem werd onder Lister’s onmeedoogenden greep al zwakker en
zwakker.
De beide vijanden worstelden in elkaars armen en wel wetende, dat zijn
leven op het spel stond, spaarde de bandiet ook zijn gewonden
rechterarm niet. Met den moed der wanhoop verdedigde hij zich tegen
Lister.
Het was ook hem gelukt, den Engelschman bij de keel te grijpen en
ondanks de vreeselijke pijnen, of misschien ook daardoor nog woedender
geworden, omklemde hij hem als met een ijzeren tang. Tegelijkertijd had
hij Lister’s linkerbeen met zijn rechter omvat en zoodoende dwong hij
den jongen Lord, ondanks diens worstelkunst, bij hem op de treden der
trap te blijven, waar hij trachtte door allerlei bewegingen den
Engelschman, die veel last had van zijn gummibuik, langs de trap neer
te werpen in het vertrek, waar de bondgenooten zich bevonden.
Maar het was hem onmogelijk, zich zoo snel van zijn tegenstander los te
werken.
Nu had echter ook deze al zijn krachten en energie ingespannen en met
een ruk zich van het lichaam van zijn vijand losgerukt. Plotseling
greep hij den Capo bij keel en borst.
De ontstelde misdadiger voelde, hoe hij met geweldige kracht werd
opgetild en bijna verlamd van schrik staarde hij naar beneden in de
diepte, waarboven Listers gespierde arm hem liet zweven.
Maar het elftal schoot nu blindelings, teneinde den Capo hulp te
verleenen. Om den beiden brutalen indringers den weg te versperren,
waren op de schouders van twee der sterkste Italianen anderen van de
bende geklommen en bijna was het hun gelukt, hooger dan de beide
worstelaars de trap te bereiken en hier den uitweg te bewaken.
Tegelijkertijd drongen ook zij, die beneden stonden, meer naar voren.
„Let op, signore!” riep Giannettino op waarschuwende toon. Maar het
scheen alsof de beide dapperen nu het onderspit zouden moeten delven.
Wel gelukte het Giannettino om den eerste van hen, die boven aan de
trap kwamen, met een ferme houw naar beneden te doen tuimelen en de
geheele pyramide der misdadigers aan het wankelen te brengen, maar
reeds verscheen weer een ander aan het boveneind der trap.
Als de leden der Maffia zonder erbarmen gebruik wilden maken van hun
revolvers, kon, ondanks de duisternis, de einduitslag niet
twijfelachtig zijn. Geen oogenblik echter dacht Giannettino eraan, zijn
nieuwen meester te verlaten en gebruik te maken van den uitweg naar
boven.
Een rochelend geluid drong uit de door Lister dichtgeknepen keel van
Cesare, en het begon hem zwart te worden voor zijn oogen, die uit hun
kassen traden.
Lister spande al zijn krachten in, maar plotseling liet hij den hals
van den misdadiger los en duwde den Capo, die reeds dacht, dat zijn
laatste oogenblik was gekomen, onwillekeurig een eind van zich af om
ingespannen te luisteren.
Want dat waren geen menschelijke geluiden, welke nu vernomen werden,
zij schenen zelfs niet van deze wereld afkomstig.
Uit de diepste diepten en kloven van onze moeder-aarde scheen een
reusachtig monster huilend en brullend en alles vernietigend naderbij
te komen.
Nimmer had Lister, had waarschijnlijk geen enkel levend wezen,
dergelijke geluiden vernomen!
Fluitend en gillend, met donderend, krakend geraas kwam het nader,
steeds sterker wordend totdat het een onverdraaglijk lawaai was
geworden, waarbij alle menschelijke, aardsche geluiden, al waren het
duizenden kanonschoten of de mokerslagen van reusachtige stoomhamers,
kinderspel geleken.
En steeds kwam het ontzettende nader, altijd sterker werd het geluid.
„Een aardbeving! Redt u!” schreeuwden de misdadigers en allen haastten
zich naar den dichtstbijzijnden uitgang.
Toen voor een oogenblik het onzichtbare monster in het binnenste der
aarde zweeg en slechts een verwijderd gebrom werd vernomen, als van een
roofdier, dat zich bukt om den sprong te doen, schreeuwde de Capo op
wanhopigen toon:
„Helpt, broeders! Redt den Capo!”
Eenige der mannen vervolgden zonder te luisteren hun weg. De anderen
echter hieven nog eenmaal hun revolvers op. Met den laatsten moed der
wanhoop echter scheurde Cesare zich plotseling los en in een paar
sprongen had hij, zonder dat Lister het hem had kunnen beletten, de
catacomben bereikt.
Daar liet zich opnieuw het afschuwelijke gerommel hooren. Was het eerst
meer een huilen, gillen en fluiten geweest, alsof alle duivels der hel
waren losgelaten, nu waren de geluiden nog ontzettender voor het
menschelijk oor. Knarsend, krakend en alles vernielend kwam het nader.
En nu geleek het plotseling op den onverhoedschen sprong van een
reuzentijger, die in den nacht de menschen aanvalt.
Lister tuimelde en hield zich vast aan de granietrotssteen, waar in het
steenen graf van den heilige de millioenen verborgen lagen.
Beneden doofden de fakkels uit en zelfs ondanks het woeste lawaai der
elementen vernam men menschelijke angstkreten.
Want overal in het rond begonnen de rotsen te wankelen. Als los zand
vielen de gemetselde muren van het gewelf ineen en onder het
hulpgeschreeuw der bandieten stortte de zoldering naar beneden. Steenen
en rotsblokken vulden de ruimte.
Ook de granieten zijwanden, waarin in den loop der eeuwen met veel
moeite graven en trappen waren uitgehouwen, wankelden, maar zij hielden
het uit.
Dichtbij de trap echter, waar het metselwerk begon, opende zich een
breede afgrond. Hierin stortte de aanvoerder der Maffia, Cesare
Ginozzi, de ontaarde zoon van den markies, en de aarde verzwolg hem met
al zijn droomen van rijkdom, grootheid en macht!
TIENDE HOOFDSTUK.
DE VERWOESTING VAN MESSINA.
Nauwelijks had in de oude folterkamer der Inquisitie de markies bij het
begin der aardbeving een kort gebed uitgesproken, of met een krakend
geluid stortte het gewelf ineen.
De bodem maakte golvende bewegingen, een breede kloof ontstond en
tegelijk met de houten brits verdween de markies Finori in het
binnenste der aarde.
Zooals de vluchteling aan den Raad van Elf had meegedeeld, was door den
detective, den jongen Finori en Charly, bijgestaan door eenige beambten
der geheime politie, een verwoede strijd gestreden met de wachtposten
der Maffia.
De gravin had zelfs geen enkelen kreet geslaakt, al was zij ook
doodsbleek en angstig geweest. Zij had echter vergeten, gebruik te
maken van haar sierlijke wapens.
De manschappen van Sarpi hadden fakkels aangestoken, toen men met
zachte roeislagen verder het kanaal binnendrong. Hier en daar liet
Sarpi halt houden om met den loop van zijn revolver tegen de wanden te
kloppen. Hij kon echter den geheimen ingang niet ontdekken.
Op dit oogenblik begon de aardbeving te woeden met haar donderend
gebrul in onderaardsche diepten.
„Een aardbeving! Hoe vreeselijk!” riepen allen door elkaar en met
bedenkelijken blik keek de kleine man met het vossengelaat naar de
gewelven boven hun hoofden.
En ziet, zij wankelden!
Maar dank zij hun reusachtige stevigheid hielden zij stand!
Groote stortzeeën echter kwamen aanrollen van de Calabrische kust, zich
voortspoedend als een reuzenpaard van Neptunus. Zij stroomden ook dit
kanaal der Torrente binnen en hieven de boot op tot dichtbij de
gewelven.
Daar rollen met luid geraas steenblokken van boven neer, niet ver van
de boot verwijderd. Een breede, spleetvormige opening ontstaat en
plotseling stort, tot groote verbazing van de personen in de boot, een
menschelijke gedaante naar beneden. Met een zachten kreet verdwijnt
hij, op korten afstand van het vaartuig, in de golven.
Het ware met hem gedaan geweest, als de jonge markies niet juist zijn
electrisch licht over het water had laten schijnen, zoodat hij het
grijze hoofd, dat boven water verscheen, had opgemerkt. Hij spande al
zijn krachten in en het gelukte hem werkelijk om den arm van den
worstelenden drenkeling te grijpen.
Handig klemde de grijsaard zich aan den rand der boot vast en men trok
hem met behulp van den detective aan boord, terwijl Charly en de
anderen aan de andere zij gingen staan, opdat hun boot haar evenwicht
niet zou verliezen.
Maar zij waren nog lang niet gered. Met groote moeite baanden de mannen
zich een weg terug, in voortdurenden strijd met de woeste golven,
waardoor zij nu eens hoog in de hoogte werden geheven, dan weer diep
naar beneden geslingerd.