Cesare keek haar met scherpen blik aan. Hij begon argwaan te krijgen.

Hoe? Zou de gehate man, dien hij voor eeuwig in de Theems waande, gered

zijn? Had zij hiervan bericht gekregen? Was hij het misschien zelf

geweest, die zooeven met haar sprak? En plotseling meende hij het zeker

te weten, als hij zich de gestalte van den man herinnerde, wiens

gesprek met de gravin hij had bespied.

„Welnu, meisje, je wilt mij dus niet zeggen, met wien je hebt

gesproken? Maar ik—ik vermoed het! En al is hij dan ook aan mijn wraak

ontsnapt, jouw dierbare Luigi, verheug je niet te snel! Tevergeefs

wacht je op je trotschen bruidegom! Ook hij zal vallen! Maar jij zult

de mijne worden! Geen tegenspartelen, helpt je, want ik, Cesare

Ginozzi, de bastaard der Finori’s—ik ben het hoofd der Siciliaansche

Maffia!”

Cesare zette een zilveren fluitje aan zijn mond en drie mannen met

slappe hoeden en in het zwart gekleed sprongen uit de struiken te

voorschijn en grepen op een wenk van den capo de gravin vast.

Een gillende kreet om hulp klonk uit den mond van bet ontstelde meisje,

daarop drukte Cesare Ginozzi haar een prop in den welgevormden mond en

zijn helpers bonden met touwen haar armen en beenen.

Een bewusteloosheid maakte zich van haar meester, zoodat zij zich het

vreeselijke van den toestand gelukkig niet bewust was.

„Naar de auto! Zoo snel mogelijk!” fluisterde Cesare op heeschen toon

en de vier mannen haastten zich met hun bekoorlijken last naar de kerk

della Madonna, om de auto te bereiken, die op den straatweg stond te

wachten.

Op dit oogenblik klonk hun een donderend: „Halt, schurken!” in de

ooren.

Lister had duidelijk het fluiten en den kreet om hulp gehoord en was

uit de kerk naar buiten gesneld om te zien, wat er voorviel.

In elke hand een zijner kleine revolvers houdende, versperde hij den

bandieten den weg, die van de kerk naar den straatweg voerde, waar de

chauffeur, een vierde lid der Maffia, bij den motorwagen stond.

„Halt!” klonk het ook rechts van Lister en even bevelend „Halt!” aan de

linkerzijde.

„Maledetto!” riep de Capo woedend, terwijl hij zijn revolver op Lord

Lister afschoot.

„Vlucht en laat het meisje achter!” riep hij daarna op bevelenden toon,

en maar al te gaarne gehoorzaamden de mannen.

Doch daar knalde een der revolvers van Lord Lister en de Capo, die in

den rechterarm getroffen was, liet zijn wapen vallen.

Hij bukte zich echter en nam de revolver in zijn linkerhand. Maar hij

schoot met deze hand mis, hoewel de kogel rakelings langs Listers hoofd

vloog.

Daar weerklonken twee schoten, die uit de struiken ter rechter- en

linkerzijde kwamen en een der mannen stortte naast de bewustelooze

Marietta neer met den kreet: „Jezus Maria!”

Als gemzen klauterden de anderen langs de helling omlaag naar den

straatweg, hun gewond opperhoofd volgend. Lister zond hun nog een paar

kogels na, maar zij waren reeds te ver en toen hij zich over de

bewustelooze gravin neerboog, hoorde hij de auto in razend tempo

wegrijden.

Op dit oogenblik kwam een kleine man met een vossengezicht uit de

struiken te voorschijn en riep vol geestdrift:

„Bravo, bravissimo! signore Shaw! Gij hebt uzelf overtroffen! Alle

achting!”

Lister keek niet al te vriendelijk op.

„Dank u, signore Sarpi, voor uw welwillende hulp, maar gij hebt dezen

keer al te goed geraakt!”

„Ja, dat is waar! De kerel kan ons geen inlichtingen meer verstrekken.

Maar gij hebt den aanvoerder flink gebrandmerkt! Dat is voldoende! Maar

waar is de derde in onzen bond?”

„Wat, jij, Giannettino?” vroeg Lister, verbaasd over de trouw van den

jongen man, die juist eerbiedig en bescheiden uit het struikgewas te

voorschijn kwam.

„Ja, Signore! Ik kon niet thuis blijven, nu ik u in gevaar wist. Maar

Signore is alleen opgewassen tegen Capo en de geheele Maffia! Dit is

voor het eerst, dat Capo gewond is!”

De detective spitste de ooren.

„Wat zeg je, man?—Die gewonde, Signore Cesare Ginozzi, de Capo, het

opperhoofd— —?”

„Noemde ik u niet reeds gisteren den voornaam, Signor Sarpi? Gij ziet,

dat ik gelijk had! Maar nu, Giannettino, sleep het lijk in de struiken,

opdat de gravin het niet dadelijk ziet, als zij tot bewustzijn komt.”

Ook Sarpi bood hulp. Beide mannen droegen den doode in het kreupelhout.

Lister echter haalde in zijn hoed water uit de fontein bij de kerk en

bevochtigde het gelaat van het bleeke meisje.

Een lange zucht werd hoorbaar en gravin Marietta opende angstig haar

groote, donkere oogen.

„Cesare—het opperhoofd! Cesare, de Capo! O, redt Luigi! De Capo heeft

hem den dood toegezworen!”

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE CATACOMBEN VAN MESSINA.

Het had eenige moeite en twee blanke goudstukken gekost om toegang te

verkrijgen tot het paleis Finori. Eindelijk echter was het gelukt, den

grijzen huisbewaarder te overtuigen van de onschuldige liefde tot

antiquiteiten van den dikken Amerikaanschen heer, diens kamerdienaar en

Italiaanschen gids.

Lord Lister had heden, naar aanleiding van de ontmoeting met de leden

der Maffia en den zoon der waagzegster, een nieuwe vermomming gekozen

met behulp van den weer herstelden gummibuik.

Vergezeld door Giannettino in zijn gewone kleeding, bevonden zij zich

eindelijk in de groote hall van het voorname huis, die een interessante

galerij vormde van de beroemdste schilders van Messina, vanaf Antonello

en Caldara da Caravaggio tot Menniti en Scilla.

Mr. Shaw uitte zijn verrukking op luiden toon en maakte voortdurend

aanteekeningen. Maar reeds na een half uur wendde de huisbewaarder,

wien het geld in den zak brandde, eenige dringende boodschappen voor en

liet hij de kunstminnende bezoekers alleen.

Begrijpende, dat de bewaker zoo spoedig niet terug zou komen, liet

Lister de kunstwerken aan zichzelf over om met behulp van zijn

vernuftig ingerichten sleutel, tot groote verbazing van Giannettino,

van de eene kamer naar de andere te loopen om eenig spoor te ontdekken

van liet geheimzinnige verdwijnen van den ouden markies.

Maar het scheen, alsof deze moeite tevergeefs zou zijn. Niet de minste

kleinigheid deed denken aan de een of andere misdaad, noch in de

ouderwetsche vertrekken met hun meubelen van groote kunstwaarde, noch

in de eetzaal, die in echten renaissancestijl was gehouden, evenmin het

kleine ontvangsalon met zijn behangsel van zachtgroene zijde, witte

deuren en rococo-meubelen.

Giannettino volgde den Amerikaan in een gezellige bibliotheek, waar de

gevulde boekenkasten aan weerszijden der boogramen en de drie

schrijftafels bewezen, dat de heeren uit het huis Finori meer dan

gewone belangstelling hadden betoond in wetenschappelijke studiën.

Terwijl Lister nog in de deur van het salon staande, waaruit hij juist

was gekomen, den prachtigen renaissance-schoorsteen met de bekoorlijke

zetels ervoor, de ronde tafel en een eiken boekenkast in

renaissancestijl bewonderde, terwijl hij zijn blikken langs de rijen

boeken en de vensters liet gaan, was Giannettino plotseling lijkbleek

geworden. Bevend had hij de handen gevouwen en in de kamer rondgekeken,

terwijl hij roerloos bleef staan.

Lister keek verbaasd naar de vreemde houding van het gewezen lid der

Maffia.

„Wat is er, Giannettino?” vroeg hij vol belangstelling. „Zie je

spoken?”

Een diepe zucht kwam uit de borst van den Siciliaan.

„Ja, Signore”, antwoordde hij op ernstigen toon. „Dit is de kamer, die

ik droomend en wakend zag, die ik nimmer meer kon vergeten, sinds de

voorname grijsaard ons vloekte!”

Listers oogen glinsterden. Dit was een spoor—en zoo dichtbij! Hij had

willen glimlachen, maar met ernstig gelaat vroeg hij:

„Op bevel van de Maffia, van den Capo?”

„Ja, Signore”, fluisterde de Siciliaan. „Ik zeg geen kwaad van de

Maffia, die ook de misdaden der hooggeplaatsten wreekt! Maar ik

vertrouw den Capo, het opperhoofd Cesare, niet. Hij gaf bevel tot deze

daad! En nog heden ril ik bij de gedachte aan den blik en de stem van

den ouden man, toen hij, op den Capo wijzend, een vreeselijken vloek

uitsprak.

„Daarna echter liet hij zich, zonder een woord te spreken, handen en

voeten binden, zich blinddoeken, en zich door den capo zelf een prop in

den mond duwen.

„Sinds dat uur heb ik het gevloekt, lid te zijn geworden van de Maffia.

Sinds dat oogenblik deed ik met weerzin, wat Capo Cesare mij beval,

want ik heb geen rust meer, sinds ik dien eerwaardigen grijsaard mee in

het verderf moest storten!”

„Wat je daar vertelt, Giannettino, strekt je tot eer!” sprak Lord

Lister op plechtigen toon. „Welnu, ik wil je heden toevertrouwen dat ik

ben gezonden om de misdaad op te sporen, waarvan Capo Cesare

beschuldigd wordt! Als je mij wilt helpen, als je mij ter zijde staat

om dien ouden heer, dood of levend, op te sporen, dan beloof ik je, dat

je niet langer tot de Maffia zult behooren, maar dat je, bevrijd van

alle zorgen, als een geacht man met een klein vermogen zult leven daar

waar je zelf het liefst wilt!”

„O, Signore, als dat eens mogelijk was! Dat zou voor Giannettino een

Hemel op aarde zijn!”

„Een bescheiden opvatting van het Hemelsche geluk!” antwoordde Lister

glimlachend. „Maar nu verder, Giannettino! Wat is er met den gevangene

gebeurd? Waar hebt gij hem gebracht?”

De Siciliaan wenkte Lister en liep naar de eikenhouten kast.

„Neem uw tooversleutel, heer, die alle deuren opent en ontsluit deze!”

Hij keek om zich heen.

Op den schoorsteenmantel stonden een paar tweearmige Byzantijnsche

kandelaars met groote kaarsen. Hij nam ze er af en gaf Lord Lister een

ervan.

„Ik heb iets beters, dat niet uitgaat door den tocht, noch sporen van

druipend vet achterlaat”.

Hij haalde zijn electrische lantaarn te voorschijn en wees ze aan

Giannettino.

„Maar neem jij de kaarsen, het kan geen kwaad!”

De deuren van de reusachtige kast, die schuin in een hoek stond,

sprongen open en, toen Lister zijn licht er in liet schijnen, zag hij

het begin van een massieve steenen trap.

Giannettino had een der kaarsen aangestoken en, nadat Lister de

kastdeuren achter hen had gesloten, begonnen de mannen vastberaden de

donkere steenen trap, die naar het binnenste der aarde scheen te

voeren, af te dalen.

Een koele windstroom kwam hun tegemoet en Giannettino moest zijn

flikkerende kaars met de hand beschermen, maar Listers electrische

lantaarn verlichtte de steeds verder naar beneden voerende trap

daghelder.

Een duffe, bedorven lucht ademden zij in, toen zij langs een lange,

smalle gang, waar zij achter elkaar moesten gaan, doorliepen. Vandaar

bereikten zij een groote ruimte, waar breede nissen in de muren waren,

waarin vermolmde, verrotte doodkisten en talrijke geraamten, schedels

en beenderen bij het schijnsel van het electrische licht zichtbaar

werden.

Verbaasd bleef Lord Lister staan.

„Maar dit zijn de oude catacomben!” riep hij uit.

„Zeker, Signore! Wij zijn hier in het overblijfsel der reeds meer dan

honderd jaren geleden door de aardbeving verwoeste catacomben.”

„Nu wordt mij alles duidelijk!” riep Lister met gedempte stem. „Hier is

de plaats van bijeenkomst der Maffia van Messina!”

„Gij hebt het geraden, heer, zooals gij alles raadt! Nu, in den

namiddag is nog geen gevaar te vreezen. Maar wat moeten wij doen, als

men ons verrast of als wij iemand van de leden aantreffen?”

Lister knikte en dacht even na.

„Luister naar mijn plan! Als wij iemand treffen, maak je dan bekend als

lid van den bond. Deel hem, wie hij ook zij, mede, dat wij hier zijn

gekomen, omdat je mij, Umberto Grilli uit Venetië, wilt voorstellen als

nieuw lid van het genootschap. Ik ben lang in Venetië geweest, kan het

dialect vrij goed spreken en zal er mij wel uitredden. Als wij niemand

ontmoeten, dan is het des te beter! Alleen in den uitersten nood

gebruik maken van geweld!”

Giannettino vond het uitstekend. Het plan vond zijn volkomen

instemming.

De weg ging nu weer naar beneden. Het waren lange gangen, zonder licht,

bijna niet begaanbaar, die eenmaal hadden gediend om de lijken te

bergen en waarin aan weerszijden nissen waren uitgehouwen in de

steenharde rotsen. De bovenste nissen waren verder in de rotsen

uitgehouwen dan de onderste, zoodat de gewelven der Catacomben naar

boven wijder werden.

„Wij zijn op de plek, Signore!” sprak Giannettino, toen zij een

kleinere zaal, die nog dieper lag, hadden bereikt.

„Hierheen hebt gij den ouden heer gebracht?”

„Ja, Signore, slechts tot hier! Dit is de vergaderzaal der Maffia en

van den Raad van Elf, de voornaamsten van den bond, welke niemand kent.

Of men hem verder heeft weggebracht, wat met hem is gebeurd, of hij

hier is veroordeeld, ik weet het niet. Wij werden hier alle langs een

anderen weg weer heengezonden”.

Lister maakte een wanhopige handbeweging.

„Maar dat helpt ons niets verder, Giannettino! Hoe zullen wij den ouden

heer dan vinden?”

De Siciliaan haalde gedrukt de schouders op.

Zij gingen verder door het vertrek, dat al spoedig van uiterlijk

veranderde.

Lister keek om zich heen.

De ruimte had veel van een kerk, of van een theater. Op antieke wijze

bevonden zich de steenen rijen van zitplaatsen, al hooger en hooger, in

een halven cirkel om de halfrond uitgehouwen zaal.

Op een rechthoekig podium stond een zwart bekleede langwerpige tafel

met een verhoogden zetel in het midden en aan weerszijden vijf

eenvoudige houten zitplaatsen daarnaast.

Aan een der smalle kanten van de tafel stond de elfde stoel voor een

der leden van het gevreesde Elftal, die een bijzonder ambt scheen te

hebben. Was hij de secretaris, de penningmeester, of misschien de beul

van de vereeniging?

Met een rilling zag Giannettino, hoe zijn nieuwe meester zonder eenige

ontroering deze plaats der verschrikking betrad en alles nauwkeurig

bekeek.

Sidderend, bijna zonder het zelf te willen, keek hij om zich heen en

snelde naar alle toegangen om te zien of er ook iemand was verborgen of

nader kwam.

Intusschen had Lister alles nauwkeurig onderzocht. Maar de ruw

getimmerde tafel verborg geen enkel geheim. Aan een der rotsmuren was

een zwart laken met een reusachtig doodshoofd aangebracht, een symbool,

dat hier, te midden der geraamten en doodsbeenderen in de catacomben,

geheel overbodig scheen.

Toen de Lord het ophief, ontdekte hij, dat het niet alleen als

versiering diende, maar dat het ten doel had, een groote kast, die in

een der nissen was geplaatst, te bedekken.

Bliksemsnel begreep Lister: dit was de geheime bergplaats van de

schatten der Maffia!

Met koortsachtige haast ging hij met zijn onverbeterlijken steeksleutel

aan het werk. De beide deuren sprongen open en bijna had Lister,

ondanks zijn gewone zelfbeheersching, luide geschreeuwd bij den

overweldigenden aanblik. Alle geopende vakken van de zeer eenvoudige

kast waren, behalve een enkel, dat alleen papieren bevatte, gevuld met

glinsterende kleinoodiën en blinkende goudstukken, terwijl zich in de

grootere, onderste vakken zakjes bevonden voorzien van de getallen

20,000.

Elk bevatte dus duizend goudstukken en Lister telde er in de haast

minstens een honderdtal.

Op den onderdrukten kreet van zijn meester was Giannettino haastig

toegesneld. Toen hij echter een blik in de kast had geworpen, deinsde

hij terug en bedekte zijn oogen met zijn handen.

„Mijn Hemel!” riep hij, „de schatten van de Maffia.”

Lister had zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen.

„Ken je een schuilplaats, vanwaar wij den schat veilig in het huis van

den ouden heer kunnen brengen? Denk snel na, Giannettino, het zal je

eigen belang ook zijn!”

„Heer, durft gij het wagen?”

„Snel, snel, Giannettino! Geen tijd verliezen, hij is te kostbaar! Hier

rusten de schatten van de duivelsche vereeniging! Wij moeten gebruik

maken van het oogenblik!”

De Siciliaan dacht na.

„Ik heb het gevonden, heer! Daar boven, verder naar boven! Misschien

hebt gij het ook opgemerkt, daar is het graf van een der voornamen van

de kerk, van een bisschop, geloof ik. Dat is leeg. Misschien wegens de

kostbaarheden bestolen en leeggehaald. Wij kunnen samen het marmeren

deksel oplichten. Daar moeten wij den schat verbergen! Niemand zal hem

daar zoeken, als de deksel er weer op ligt met het kruis erop.”

Zij hadden bijna twee uur hard gewerkt en ontelbare malen de gangen op

en neer geloopen, om alle schatten in de diepe doodkist te bergen. Maar

nog kostbaarder dan alle kleinoodiën, juweelen en het goud waren de

vele papieren en effecten, die Lister, welke zich hier weer volkomen de

geroutineerde meesterdief Raffles voelde, in een der meest verborgen

vakken had gevonden. Alle waren op naam van markies Finori. Hierdoor

had Lister, de handige Raffles, de erfenis van den jongen markies Luigi

teruggevonden en dus was zijn tocht naar Messina in elk geval niet

tevergeefsch geweest.

Toen de beide mannen het marmeren deksel met het kruis weer op de

graftombe hadden gelegd, en hijgend en bezweet een oogenblik rust

namen, lag voor een waarde van tien millioen lire in het oude graf.

„Voor heden genoeg, Giannettino. Laten wij nu teruggaan! Het is beter,

in de morgenuren de schatten af te halen.”

De Siciliaan knikte toestemmend en zij begonnen de trappen weer te

beklimmen.

Op dit oogenblik klonk van boven een heesche stem:

„Halt! Wie daar? Blijft staan of ik schiet!”

„Licht uitdooven, heer?” vroeg Giannettino fluisterend.

„Onnoodig,” antwoordde Lister op denzelfden toon. „Men heeft ons

opgemerkt en men komt van boven naar ons toe. Antwoord, Giannettino.”

„Wie daar?” klonk het voor den tweeden keer.

„Een der broeders!” antwoordde Giannettino luid.

„Geef het wachtwoord!” klonk de stem uit het donker. Lister had hieraan

niet gedacht en reeds een van zijn revolvers gegrepen. Maar de

Siciliaan antwoordde kalm:

„Hertog van Ossuna!”

Nu werd boven hen een fakkel ontstoken en verscheiden personen daalden

de trap af. Lister had, om er zoo onbezorgd mogelijk uit te zien, een

sigarette aangestoken en boog evenals Giannettino, toen de mannen, elf

in aantal, langs hen schreden.

De laatste der mannen, welke allen zwartzijden halfmaskers droegen,

scheen Giannettino te herkennen.

Hij wenkte hem om naderbij te komen.

„Ik kom mij melden, daar ik terug ben van mijn reis naar Napels,

Signore!” sprak hij.

„Volbracht, Pietri”—dit was de familienaam van Giannettino—„wat je was

opgedragen?”

„Helaas niet, Signore! De brief ligt nog steeds op het postkantoor del

Piliero. Niemand kwam hem afhalen. Ik ben twee dagen gebleven, maar het

was tevergeefs,” loog Giannettino.

„Het is goed, Giannettino! Het is buiten jouw schuld. Maar wien heb je

daar bij je? Waarom breng je dien man hier?”

„Ik dien steeds de Maffia, Signore, en ijver altijd om haar meer leden

te verschaffen. Deze man is een nieuweling, een vriend van mij, de

dappere Umberto Grilli uit Venetië, wiens innigste wensch het is,

opgenomen te worden in onze vereeniging!”

De gemaskerde knikte bevredigd.

„Flink zoo, mijn zoon! Als je in kunt staan voor zijn eerlijkheid en

trouw, dan heb je je verdienstelijk gemaakt jegens de broederschap!—Is

de Capo reeds aanwezig?” wendde hij zich tot de anderen.

„Nog niet gekomen!” antwoordde een der tien mannen, die intusschen de

plaatsen op het podium hadden ingenomen.

„Blijft hier allebei staan!” riep de laatste van het elftal.

„Als de Capo komt, zullen wij u roepen, om te beraadslagen over het

voorstel van jou en dien man.”

Lister rookte werktuigelijk zijn cigarette. Het zou nu het geschikte

oogenblik zijn om te vluchten, daar de doortocht naar boven vrij was.

Op dit oogenblik weerklonk door het onderaardsche gewelf een gil,

waarop een gebrul van woede volgde.

De secretaris van het elftal, die juist het notulenboek uit de kast

wilde nemen, had den diefstal der schatten ontdekt. Men hoorde

duidelijk de woorden:

„Wraak! Dood aan den vermetele! De allergrootste straf!”

„Ontdekt, Signore! Te vroeg ontdekt!” fluisterde bevend de Siciliaan.

„Laat ons vluchten! De weg naar boven schijnt vrij te zijn! Snel!!!”

Daar klonk een donderende stem:

„Wat gebeurt daar beneden? Wat voeren jullie uit? Antwoord

onmiddellijk!”

„Edele Capo!” klonk het terug. „Er is iets vreeselijks gebeurd! De

ergste slag heeft ons getroffen! Onze schatten zijn geroofd! De dief

heeft geen enkel goudstuk overgelaten!”

„Vervloekt!” schreeuwde de Capo tandeknarsend. „Dat is onmogelijk, dat

kan niet!” — — —

Hij snelde zoo vlug mogelijk naar beneden, zijn rechterarm in een

verband, maar bleef ontzet staan, toen hij de beide roerlooze mannen

ontdekte.

„Wie zijt gij? Wat doet gij hier? Gij komt mij verdacht voor!”

„Ik ben het, signor Capo, Giannettino Pietri, pas terug uit Napels, en

deze heer is een vriend van mij en een nieuw lid van den bond.”

Cesare haalde met de linkerhand zijn revolver te voorschijn.

„En zoekt gij nog, dwazen? Hier staan de misdadigers, deze zijn het en

niemand anders! Zou dat een nieuw lid zijn voor ons genootschap? Kom

hier voor mij staan, voor mij, den hoogsten rechter der Maffia! Nu

begrijp ik mijn wantrouwen tegen Pietri! Het is een doorgestoken kaart!

„Laat geen van hen ontsnappen! Haalt de revolvers te voorschijn! Zij

moeten sterven!”

„Ja, dood en verdoemenis aan de roovers!” brulden de elf gemaskerden

vol woede.

De loopen van elf revolvers werden gericht op Lister en Giannettino.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

IN DE FOLTERKAMER DER INQUISITIE.

Het was ongeveer een half uur vóór deze gebeurtenis, dat in een zijgang

van de catacomben, in een afgesloten ruimte, welke in verbinding stond

met de kerk San Francesco di Paola, een zeldzaam tooneel werd

afgespeeld.

Ook deze ruimte was de vroegere grafkelder van een der voornaamste

kerkelijke autoriteiten uit de tijden der eerste Christenen in Messina.

Waar zich vroeger de graftombe had bevonden, stond nu midden in het

vertrek een ruwe houten brits, waarop aan handen en voeten geboeid en

met het lichaam aan de brits vastgebonden, een grijsaard lag met een

edel, maar bleek gelaat en langen, sneeuwwitten baard.

Een kunstig aangebrachte steenen plaat, voorzien van grendels en haken,

scheidde het vertrek, een onderaardsche gevangencel, van de rest der

catacomben en van de overige wereld.

Ondanks zijn groote bleekheid vertoonde deze krachtige Romeinsche kop

met de vurige donkere oogen een onbuigzamen wil en groote

vastberadenheid.

De grijsaard had alleen zijn rechterarm vrij, waarvan zoo juist de

touwen schenen te zijn losgemaakt.

Voor hem stond een man, die onder zijn slappen vilten hoed een

zwartzijden halfmasker droeg en in zijn linkerhand een stuk papier en

vulpen hield, terwijl zijn rechterarm in een zwart verband rustte.

„Markies Finori!” riep hij uit, „onderteeken dit testament, dat mij

benoemt tot erfgenaam van het vermogen en den naam der Finori’s, dan

hebt gij uw vrijheid terug!”

„Neen, neen, mijn lieve zoon”, antwoordde de geboeide met snijdenden

hoon: „Ik ken maar al te goed de geschiedenis der Borgia’s! Als hunne

slachtoffers het verlangde hadden onderteekend en meenden, hun leven te

hebben gered, hadden zij integendeel hun doodvonnis bekrachtigd. Ik zal

mij wel in acht nemen!”

De gemaskerde stampte woedend op den steenen vloer.

„Sterf dan zoo! Ik heb het geld en al kan ik hier niet optreden als de

erfgenaam der Finori’s, dan toch is er aan gene zijde van den oceaan

gelegenheid genoeg om als een Croesus te genieten en te worden geëerd!

„Leef dan wel, goede, beste vader, die zijn eigen zoon uit zijn huis

liet werpen!”

„Ja, bastaard!” antwoordde de gevangene onbevreesd, „dien ik op straat

liet werpen als afperser en schriftvervalscher! Heb ik jullie,

ellendelingen, niet genoeg betaald? Waarom hebt gij het verbrast,

waarom hebt gij er roekeloos mee omgegaan, nietswaardig sujet?”

De gemaskerde beefde van woede, zijn vuist kneep het papier in elkaar.

„Gij zijt in mijn macht! Gij zult duizend dooden sterven, niet één,

vervloekte stijfkop!—Ziet gij dat uurwerk daar boven? Ziet gij het mes,

dat daar hangt?”

Hij liep haastig naar den muur, waarlangs een gewicht en een ketting

afhingen. Met ratelend geluid trok hij met de linkerhand het gewicht in

de hoogte, waarna men het uurwerk hoorde tikken. Het mes bewoog zich nu

in gelijkmatige tusschenpoozen op en neer. Het hing precies boven de

borst van den gevangene.

De geboeide grijsaard keek onverschillig naar boven.

„Ik begreep dadelijk”, sprak hij, „toen ik dat mes daar boven ontdekte,

dat dit wel het een of andere duivelsche werk van mijn zoon zou zijn!

Kijk, kijk—het beweegt en komt vermoedelijk steeds lager! Wat een

schitterende uitvinding!”

Lord Lister No. 0021: Onder de puinhoopen van Messina · 第 3 / 5 段