dat gij onmiddellijk naar aanleiding van dezen brief naar Messina gaat,
want ik maak uit het stelen van den brief en uit den dolksteek, welke
voor u bestemd was, de gevolgtrekking, dat uw leven wordt bedreigd en
dat men ook uw verhouding tot gravin Marietta bespionneert. Kent gij
misschien uw vijanden en weet gij, hoever hun macht strekt?”
„Niet in het minst! Ik begrijp niet eens, hoe mijn vader en ik vijanden
kunnen hebben!”
„Dan zal ik het u uitleggen!
„Het is mij gelukt, er achter te komen. De vijand, welke u en uwe
familie vervolgt, is—” Lister fluisterde hem in het oor: „de Maffia!”
De markies viel bleek en bevend in zijn stoel neer. Sprakeloos keek hij
naar Lister en met moeite stamelde hij: „De Maffia? De Maffia?”
„Moed, markies! Zooals eenmaal uwe voorvaderen hebben gevochten als
helden tegen de Franschen en Saracenen en den hoogsten roem behaalden,
zoo willen ook wij den strijd aanvaarden tegen de verraderlijke pest
van uw heerlijk vaderland!”
„Het is een wanhopig geval, evenals een strijd tegen de pest! Laat mij
over aan mijn noodlot, edelmoedige vriend! Als gij gelijk hebt, dan ben
ik verloren, evenals mijn vader! Waarom zal ik u mede in het verderf
sleuren?”
„Onzin, Finori! Wees niet moedeloos! Ik heb al een kleine zege
behaald!”
En op fluisterenden toon vertelde hij de bijzonderheden van zijn
avontuur. Het toeval was hem te hulp gekomen. Hij had tegenover een
medelid van de Maffia het overeengekomen woord gebruikt. De man hield
hem voor een der voornaamste leiders van het geheime genootschap en
stond nu in zijn dienst. Met behulp van den Italiaan zou het hem
gelukken, de geheimen van den gevaarlijken bond te onthullen en het
geluk der familie Finori weer te herstellen, het verdwijnen van den
ouden markies op te helderen en, zoo mogelijk, het hun afhandig
gemaakte vermogen terug te verkrijgen.
Finori schudde droevig het hoofd.
„Gij waagt onmogelijke dingen! Gij kent de macht der Maffia niet,
waarvoor zelfs rechters en overheidspersonen het hoofd buigen.
Heimelijk en zonder medelijden gaat zij op haar doel af en wie haar
vijand is, is verloren!”
„Best!” antwoordde Lister, „laat mij mijn gang maar gaan! Ik heb uw
hulp op het oogenblik ook in ’t geheel niet noodig! Men zou u kunnen
herkennen! Ik ga vooruit om het terrein te verkennen! Gij blijft met
Charly hier tot ik een telegram zend. Gij schetst en teekent, alsof
alles hier nieuw voor u was en Charly maakt kiekjes als een echte
amateur-photograaf.
„Ik zal mijn telegram hierheen zenden aan het adres van Mr. Shaw
Junior. Denk er dus om, telkens te vragen of het al is aangekomen of
een adres op te geven, als het nagezonden moet worden. De „Meteor” zend
ik dadelijk na mijn aankomst te Messina weer terug, zoodat die hier tot
uw beschikking blijft! En nu adieu en amuseert u zoo goed mogelijk in
het heerlijke Napels!
„Maar wacht eens, markies! Ik zou gaarne een groet willen overbrengen
aan uw gravin en nadere bijzonderheden omtrent haar vernemen, teneinde
mijn plan te kunnen opmaken!”
„Als gij niet anders wilt, beste vriend! Ik zie wel, dat gij u niet
laat weerhouden. De kerk Madonna della Grotta ligt in het visschersdorp
Pace, op een afstand van vijf kilometer van Messina verwijderd, aan den
prachtigen straatweg naar Kaap Peloro en den vuurtoren!”
De vrienden waren opgestaan. Lister schudde hun de hand tot afscheid.
„A rivederci!”
VIJFDE HOOFDSTUK.
MESSINA.
Spoedig had het grijze jacht, dat als een trotsche zwaan de golven der
zee doorkliefde, de landtong van Kaap Peloro met zijn hoogen vuurtoren
bereikt.
Duidelijk verhieven zich links de Liparische eilanden en langs de
schilderachtige kust van Calabrië, vanwaar duidelijk hondengeblaf en
hanengekraai kon worden vernomen, werden, naarmate de „Meteor” de hier
slechts drie en een halven kilometer breede Straat van Messina verder
instoomde, de witte huizen van Scilla, Cannitello en Villa San Giovanni
steeds duidelijker zichtbaar.
Aan de Siciliaansche kust verscheen het visschersdorp Pace, de plek,
die als ontmoetingsplaats was bedoeld door de gravin, de bruid van den
markies. De ronde koepel van de kerk Madonna della Grotta, een
vroegeren Artemistempel, stak boven de huizen uit.
Hoe meer het jacht Messina naderde, des te meer prachtige tuinen
ontwaarde het oog, tuinen, waarin citroenen, sinaasappelen, olijfen en
druiven welig groeiden.
En reeds werd de prachtige stad Messina zichtbaar, zoo schilderachtig
gelegen aan de lichtgroene zee, met een woud van masten in de van het
Oosten naar het Noorden loopende halfronde haven.
Het jacht nam zijn koers nu weer naar het zuidwesten, langs de
wonderschoone havenstraat: Corso Vittorio Emanuele, waar de „Meteor”
tegenover het gedeeltelijk in Dorischen stijl opgetrokken stadhuis zijn
anker liet vallen.
Daar het intusschen namiddag was geworden, besloot Lord Lister eerst
den volgenden dag met zijn eigenlijk onderzoekingswerk te beginnen.
Omdat hij toch in de buurt van het stadhuis was, begaf hij zich, echter
dadelijk naar den Syndaco, terwijl de manschappen van de „Meteor” de
bagage naar het beste hotel van Messina brachten, het Duitsche hotel
„Vittoria”, aan de Via Garibaldi, een lange straat, die evenwijdig
loopt met de Corso Vittorio Emanuele.
De Syndaco ontving den wereldberoemden Amerikaanschen Croesus, mr.
Shaw, uiterst vriendelijk in zijn particulier vertrek en was zeer
verheugd, hem welkom te mogen heeten binnen de muren van het oude
Messina. Hij stelde zich volkomen ter beschikking van den voornamen
vreemdeling, maar omtrent den dood of de verdwijning van het hoofd der
grafelijke familie Finori wist hij niets meer dan wat Lister reeds
bekend was. De graaf was op een zeiltocht naar Catania verongelukt,
maar zijn lijk tot heden niet gevonden.
De Lord nam afscheid.
Hij had er de voorkeur aan gegeven om geen gebruik meer te maken van
den gummibuik, die nog niet weer hersteld was, en alleen met behulp van
pruik, baard en schmink, had hij het uiterlijk van den beroemden
Amerikaanschen milliardair nagebootst.
Zoodoende was zijn gestalte slank gebleven en wie hem op een afstand
zag, kon zich gemakkelijk vergissen in zijn leeftijd, vooral omdat hij
af en toe vergat om, wat vlugheid en veerkrachtigheid zijner bewegingen
betrof, zijn rol van bejaard heer geheel vol te houden. Om kort te
gaan, wie niet goed uit zijn oogen keek, zou hem, zooal niet voor Lord
Lister zelf, dan toch voor den jongen graaf Finori houden, daar deze
twee merkwaardig veel op elkaar geleken.
Tamelijk onbevredigd was de jonge Lord juist van plan, uit het
voorportaal van het stadhuis de prachtige Piazza te betreden, om het
hotel „Vittoria”, in de via Garibaldi op te zoeken. Plotseling voelde
hij een hand op zijn schouder leggen, en een kleine man met een
vossengezicht en scherpe, maar kalme en eerlijke oogen stond, met zijn
vinger op den mond gedrukt, tegenover hem.
„Wat wenscht gij, Signore?” vroeg Lister, tamelijk kortaf.
„Niet hier! Gij woont in het hotel „Vittoria?”
„Weet gij dat?”
De kleine man boog glimlachend.
„Wacht mij daar, als het u belieft! Ik volg u!”
Bij die woorden overhandigde hij Lister zijn visitekaartje en snel was
hij tusschen de zuilen van het stadhuis verdwenen.
„Duivelsch!” riep de Lord. „Dat treft prachtig!” Hij las op het
kaartje:
+----------------------------------+
| CARLO SARPI, |
| Detettivo. |
| |
| Serrizio Civico. Messina. |
+----------------------------------+
Nauwelijks had de jonge Lord in zijn mooie hotelkamer plaats genomen en
een cigarette aangestoken, of Giannettino, die intusschen tot
kamerdienaar was bevorderd, diende een bezoeker aan, terwijl hij
fluisterde: „Pas op, Signore, politie!”
Reeds trad de kleine man met het spitse gelaat onhoorbaar en
glimlachend binnen. Toen hij de deur achter zich had gesloten, liep hij
met uitgestoken handen en een blijden glimlach naar Lister toe.
„Wees duizendmaal, welkom, signor markies, in uw vaderstad, waar men u
met verlangen verwacht!”
„Gij vergist u, Signor Sarpi!
„Ik ben niet de markies Finori, dien gij waarschijnlijk bedoelt! Ik ben
Shaw,—een bekende naam—uit Chicago en zooeven met mijn jacht uit
New-York hier aangekomen!”
De kleine man vertrok zijn gelaat tot een vriendelijken grijns,
waardoor hij op een lachend vogeltje geleek en antwoordde:
„Dat gaat u goed af, markies Luigi! Uw vermomming is uitstekend
geslaagd! Gij hebt trouwens groot gelijk! Maar tegenover mij, een oud
vriend, die u vanaf uw kinderjaren kent, behoeft gij niet verstoppertje
te spelen!”
„Ik dank u voor het compliment, signor Sarpi! Maar gij vergist u
werkelijk! Markies Finori, dien ik in Londen heb leeren kennen, gelijkt
zoo sprekend op mij, dat men ons voor broers hield! Als gij echter op
mijn stem let, dan moet het verschil u opvallen!”
„Ja, dat is waar!” stemde de detective aarzelend toe. „Uw stem is
dieper en voller! Waar had ik mijn ooren? Maar dan—” hij wilde opstaan,
maar Lister was hem voor.
„Neen, Signor Sarpi, blijf! Gij komt als geroepen! Ik zou eenige vragen
tot u willen richten. Ik ben hier als Luigi’s vriend en zou gaarne het
geheim omtrent den dood van zijn vader willen ophelderen, voordat hij
zelf op het tooneel verschijnt!”
„Een gevaarlijke onderneming, mr. Shaw!”
„Dat weet ik!” antwoordde Lister kalm. „Dat prikkelt mij juist. Want ik
kan u gerust toevertrouwen, dat het het werk is van de Maffia”.
De kleine man sprong op en staarde den jongen Lord vol eerbiedige
bewondering aan.
„Weet gij, dat dit woord u het leven kan kosten?”
„Natuurlijk! Ik ben immers—als vertegenwoordiger van den
markies—tweemaal ternauwernood aan hun sluipmoorden ontkomen!”
„Hoe? Aan de Maffia?”
„Ja. Of misschien moest ik ook als het persoonlijke slachtoffer vallen
van het opperhoofd. Trouwens, ik ken den Capo!”
„Zijn naam, mr. Shaw? Kent gij den naam van den tegenwoordigen chef der
Maffia, den naam van den Capo, die zoo streng geheim gehouden wordt?
Gij komt uit een ander werelddeel naar dit eiland en kunt ons, die
jarenlang tevergeefs hebben gezocht, dien naam opgeven?”
„Nu, om u de waarheid te zeggen, kom ik rechtstreeks uit Londen, om
handelend op te treden in het belang van mijn vriend Finori. In Londen
heb ik bij de waarzegster van Messina bijna het leven verloren!”
Hij vertelde in korte woorden zijn avontuur.
Sarpi greep zijn hand en schudde die.
„Noem mij den naam, noem mij den naam!”
„Ik ken alleen den voornaam! Hij is de zoon eener waarzegster, hij heet
Cesare—!”
„O, mijn Hemel!” riep de detective plotseling uit. „Daar gaat mij een
licht op! Afschuwelijk! Nu worden mij de dingen duidelijk. Goede God!
Hoe dankbaar ben ik u! Gij zijt op het goede spoor! Ik moet echter
achter de coulissen blijven, want men let overal op mij! Ik zal echter
alles voorbereiden, om u op het juiste oogenblik te kunnen helpen. Laat
het mij tijdig weten, als het tot een uitbarsting komt, dan zal ik
present zijn!”
„Uitstekend! Ik wil zelf ook liever alleen en onafhankelijk optreden”.
De detective stond op.
„En wat denkt gij het eerst te doen? Ik vraag dit alleen om u in
gevaren te kunnen bijstaan.”
„O, er is geen gevaar aan verbonden! Vol enthousiasme voor
antiquiteiten en kunstvoorwerpen ga ik een bezoek brengen aan het
paleis der Finori’s, dat een waar museum moet zijn. Dan ga ik daarna
naar La Pace, om daar een briefje af te geven. Verder—en dat is het
voornaamste—denk ik zelf lid te worden van het geheime genootschap,
teneinde alles nauwkeurig te kunnen onderzoeken.”
„Ik raad u een dergelijke overmoedigheid ten sterkste af, Mr. Shaw! De
koelbloedigheid, waarmee gij mij dit vertelt, dwingt mij tot
bewondering, maar gij zult, als zoo menigeen, dit waagstuk met den dood
bekoopen.”
Lister haalde de schouders op.
„Ik moet weten, wat er met den ouden markies is gebeurd en waar de
erfenis van mijn vriend Luigi is gebleven. En nu, laat ons gescheiden
werken, maar te zamen slagen. Vóór alles moeten wij elkaar op de hoogte
houden van gewichtige gebeurtenissen. Wilt gij dat?”
De kleine man keek Lord Lister aan met zijn groote, kalme oogen en
reikte hem de hand.
Beiden wisten zij, dat zij elkaar nog niet alles hadden medegedeeld,
omdat ieder van hen gaarne het leeuwendeel wilde hebben aan het werk,
maar zij begrepen ook, dat zij elkaar ten volle konden vertrouwen.
ZESDE HOOFDSTUK.
TWEE GEHEIMZINNIGE BESPIEDERS.
Lord Lister had den volgenden morgen op de prachtige kade, die
misschien op de geheele wereld haar weerga niet heeft, het uitwendige
van het paleis Finori bekeken.
In een halven cirkel liggen hier de paleizen in Renaissance-stijl, het
een al grootscher dan het andere, aan zee gebouwd. Maar ten gevolge der
vreeselijke aardbeving van 1783 bevatten zij niet meer dan twee
verdiepingen. Op de zware zuilen en boven de tweede etage van de
oorspronkelijk veel hoogere gebouwen bevindt zich het dak.
Daardoor gelijkt deze lange straat gedeeltelijk op een verbazend groot
paleis, dat door Jonische zuilen en pilaren in verschillende
afdeelingen is gescheiden. Het middenste gedeelte wordt ingenomen door
het stadhuis, een overweldigend grootsch gebouw, waarnaar de straat de
„Palazzata”—paleisstraat—heet.
Hier lag, aan den noordkant der straat, het oude paleis Finori, welks
fundamenten afkomstig waren uit den tijd der Noormannen. Terwijl echter
de andere Palazzi nog twee verdiepingen bevatten, had dit paleis nog
meer geleden van de aardbevingen en zijn toenmalige eigenaar had zich
tevreden gesteld met de beneden-etage, waarop hij onmiddellijk het dak
had laten aanbrengen.
Ook had hij, om voor verdere aardbevingen beveiligd te zijn, de muren
laten versterken met zeer zware ijzeren staven.
Men vertelde dan ook, dat zelfs de sterkste aardbevingen tot dusverre
niet de minste schade aan het paleis hadden aangebracht.
Maar Lord Lister was volstrekt niet van plan om zijn geheelen morgen te
besteden met het bezichtigen van de kunstschatten en antiquiteiten, die
het paleis bevatte. Het was hem onaangenaam, min of meer in bescherming
te worden genomen door Signore Sarpi en diens lieden, te moeten denken,
dat zijn doen en laten gecontroleerd zou worden.
Hij wist van Finori, dat Marietta tusschen negen en tien uur van het
hooger gelegen landhuis van haar vader naar beneden placht te komen, om
in den ouden Artemistempel, de tegenwoordige kerk Madonna della Grotta,
de mis te hooren of te bidden.
Lister, die Giannettino, zijn nieuwen bediende, thuis had gelaten,
richtte zich, nadat hij het paleis en zijn omgeving vluchtig had
bezichtigd, in noordoostelijke richting naar het strand om het op
eenige kilometers verwijderde Pace op te zoeken.
Wie Lister’s weg was gevolgd, dien zou het zeer zeker zijn opgevallen,
dat een andere man, zich zorgvuldig verborgen houdend, hem nasloop.
Het was Giannettino, die zich reeds sterk aan Lister had gehecht. Hij
kon het niet uithouden in het hotel, hij vreesde voor het leven van
zijn nieuwen meester, die zich langs den eenzamen landweg begaf met
zijn heerlijk uitzicht op de zee, de kust van Calabrië en op het
schoone Messina, dat als een witte boog aan de blauwgroene zee tegen de
bergen lag.
Achter hem kwam weer, even voorzichtig en verborgen, een kleine man met
een vossengezicht, wien het gevaarlijke plan van Lister ongerust maakte
en den bediende, welke zijn meester nasloop, niet vertrouwde.
Maar hij deed in dit geval den braven Giannettino groot onrecht, want
het was dezen alleen te doen om de veiligheid van zijn nieuwen patroon.
Lister had spoedig het pad bereikt, dat van de zeestraat voert naar de
mooie ronde kerk met koepel en zuilengang.
Hij verdween in de kerk, maar kwam spoedig weer naar buiten, daar hij
gezien had, dat zich daar binnen geen dame bevond. Lister leunde tegen
een der zuilen en keek, betooverd door zooveel schoons, naar het
heerlijke panorama beneden zich.
Hij was zoo verzonken in den onvergetelijken aanblik der zee en der
prachtige getinte heuvelen van de Calabrische kust, dat hij de lichte
schreden van een sierlijk voetje niet hoorde.
Plotseling echter ontwaakte hij uit zijn gedroom, want een
helderklinkende stem riep vroolijk:
„O, daar is mijn Luigi! Hoe heerlijk, dat je gekomen bent, Luigi!”
Zij nam met haar beide handjes Lister’s rechterhand en toen zij haar
groote, zwarte oogen, die in het zachtblozende, fijnbesneden gezichtje
glansden, naar hem opsloeg, blonken twee groote tranen aan haar lange,
donkere wimpers.
„O, Signora!” antwoordde de gewaande Finori, „het is helaas mijn vriend
Finori nog niet in eigen persoon! Maar ik ben gekomen om u zijn
hartelijkste groeten te brengen en u een briefje van uw bruidegom te
overhandigen”.
Toen het mooie meisje de vreemde stem hoorde, liet zij verlegen
Lister’s hand los en ging teleurgesteld een paar stappen achteruit.
„Vergeving, Signor! Maar ik verwachtte mijn verloofde stellig. En gij
lijkt zooveel op Luigi! Ik dacht niet anders, of gij moest het zijn. Nu
zie ik het verschil en uw stem deed mij dadelijk mijn dwaling inzien.
„Maar komt gij van hem? Is hij gezond en welvarend en—is hij over zijn
groot verdriet heen?”
„Hier is het briefje, gravin, dat hij mij medegaf. Dat zal u van alles
beter op de hoogte brengen dan ik het kan!”
Begeerig nam het meisje den brief aan en spoedig had zij den inhoud
ervan gelezen.
„O, Signor Shaw, hoe kan ik u danken! Gij hebt hem tweemaal het leven
gered en gij wilt ook verder over hem waken en voor hem arbeiden!”
Weer nam zij zijn hand, die zij warm en hartelijk drukte.
„Hij heeft zoozeer behoefte aan vrienden! Verschrikkelijke vijanden
bedreigen hem in het verborgene en, evenals zijn vader, zoo willen zij
ook hem ombrengen alleen uit eigenbaat. Het is onbegrijpelijk! En nu
ook nog dit laatste verschrikkelijke! Mijn vader is oud en wij zijn
niet zoo rijk als onze voorouders het waren. Nu heeft een kwaadwillige
hem verteld, dat de millioenen van den ouden markies, Luigis erfenis,
verdwenen zijn. En daarom is hij nu even sterk tegen ons huwelijk, als
hij er vroeger voor was!
„Een rijke, jonge man, die, God weet hoe, een reuzenerfenis uit Amerika
heeft gekregen, heeft om mijn hand gevraagd. Hij heeft mijn ouden vader
allerlei voorgespiegeld over den herbouw van ons kasteel, het
terugkrijgen der landerijen en den vernieuwden glans van onzen naam.
„Mijn vader heeft hem mijn hand toegezegd! En Luigi is weg en ik ben
zoo geheel alleen! Ach, als hij maar terugkwam en mij ervoor behoedde
om de vrouw te worden van Cesare, dien ik veracht!”
Doordringend, keek Lister naar het schoone meisje, dat daar voor hem
stond in de schilderachtige kleeding der Siciliaansche boerinnen. Haar
kleed was echter van fijnere stof en in fijnere tinten dan dat der
gewone boerenmeisjes.
Onder het zwarte keursje, dat met een zilveren koord was dichtgeregen,
welfde de maagdelijke boezem en haar blanke handjes waren, als
smeekend, gevouwen.
„Hij zal spoedig komen, gravin! Reken daarop! Wij zullen over hem waken
en zijn schandelijke vijanden ontmaskeren en onschadelijk maken. Maar
noemdet gij niet den naam: Cesare? Heeft een zekere Cesare om uwe hand
gevraagd? Wat is dat voor een man? Is hij dezelfde persoon, die uw
vader mededeelde, dat Luigi’s erfenis verdwenen is?”
„Dat vermoed ik!” antwoordde Marietta nadenkend. „Ik weet, dat hij
Luigi haat, hoewel hij—”, het meisje bloosde tot achter haar ooren,
„hoewel hij zoo na aan hem verwant is!”
„Gelooft gij, dat deze Cesare uw verloofde van het leven zou willen
berooven?”
„Ach neen, neen, Signor Shaw! Hoe zou dat mogelijk kunnen zijn! Zou
Kaïn nogmaals zijn broeder kunnen vermoorden? Ik kan niet aan zulke
slechtheid gelooven, vooral niet omdat ik weet, welke groote weldaden
hij en zijn moeder steeds van den ouden markies hebben ondervonden!”
„En die Cesare heeft nu veel geld, plotseling veel geld, gravin,
terwijl hij vroeger niets had? Welk een eigenaardig toeval. En haatte
hij den ouden markies?”
„Ik kan het niet denken! Dat zou de grootste zonde zijn! Neen, neen,
dat kan niet! Cesare Ginozzi is misschien jaloersch en wangunstig op
Luigi, omdat hij verstooten is, uitgesloten als—een onwettige uit het
oude, beroemde geslacht der Finori’s, maar een moordenaar—neen, signor
Shaw, dat zou àl te verschrikkelijk wezen?”
„Goede gravin, ik hoop, dat gij gelijk hebt!” antwoordde Lister, „in
elk geval ben ik u zeer dankbaar voor uw interessante mededeelingen! Ik
zal niet in gebreke blijven, den markies, zoodra hij komt, of wanneer
ik hem ontmoet, van alles op de hoogte te brengen!”
„O, ik moet ù danken, Signor Shaw, dat gij om mij hierheen zijt
gekomen! En ik ben gerustgesteld, nu ik weet, dat het hem goed gaat en
dat gij over hem waakt.
„Het is mij een ware troost!
„Daar boven ligt de bescheiden villa van mijn vader. Ik moet nu naar
huis terug, het is meer dan tijd!”
De jonge gravin reikte hem met een betooverend, weemoedig glimlachje,
dat haar klassieke trekken nog bekoorlijker maakte, haar sierlijke,
blanke hand. Lord Lister drukte deze vol eerbied aan zijn lippen en
ging met een beleefden groet heen.
Ook de gravin boog met een vriendelijken groet het hoofd. Daarop liep
zij langs de groene oranjeboomen naar boven, waar de eenvoudige villa
van haar vader lag.
Een knarsend geluid deed Lister omkijken.
Beneden op den straatweg naderde snel een automobiel, die door een
bocht van den weg snel aan zijn blikken onttrokken was.
Peinzend liep de jonge man door de overdekte zuilengang, om ook het
inwendige van de eigenaardige, koepelvormige kerk te zien. In het
prachtige, gebouw liep hij met langzame schreden heen en weer. Maar hij
zag niets van de zuilen en gewelven, noch van de vele interessante
beeldhouwwerken en schilderijen der oude Siciliaansche meesters. Zijn
gedachten hielden zich onwillekeurig bezig met de verrassende
mededeelingen, die hij van het beeldschoone meisje had vernomen.
En langzamerhand werd het hem duidelijk, welke geheimen de familie
Finori omgaven, hij begreep nu de verhoudingen en beweegredenen en
tevens wist hij nu, wie de persoon was, die al deze misdaden op zijn
geweten had.
De gravin was intusschen eveneens in gedachten verzonken langs de
groene tuinen naar boven gewandeld.
Daar kwam plotseling uit de schaduw van een groep boomen een goed
gekleede jonge man met een sportpet op het krullende zwarte haar, naar
haar toe, zoodat zij verschrikt terugweek.
„Gij hebt zeker een slecht geweten, gravin!” zeide hij. „Met wien hebt
gij zoo lang staan praten? Ik wil het weten, hoort gij, gravin
Marietta?”
„Wat hebt gij mij te doen schrikken, signor Ginozzi! Wat is dat voor
een manier, om zoo van achter de boomen te voorschijn te springen?”
„Dat is geen antwoord, Marietta, versta je mij? Antwoord mij, wie was
het, door wien liet de kuischte aller jonkvrouwen zich zoo galant het
handje kussen?”
„Wat is dat voor een taal tegenover een dame, signor Ginozzi!
Dergelijke vragen weiger ik te beantwoorden. Ik herhaal u bij dezen nog
eens, wat ik u reeds in tegenwoordigheid van mijn vader zei, dat uw
aanzoek niet alleen een brutaliteit, maar ook slecht is! Gij weet zeer
goed, dat ik, al is het ook nog in stilte, verloofd ben met markies
Luigi Finori! Slechts van hem duld ik dergelijke vragen!”
„Ja, ja, ik weet het, mijn duifje, dat heb je gezegd, toen je vader mij
zijn toestemming gaf!
„Ik heb je beleedigende woorden voor eeuwig in mijn hart gegrift! Maar
je zult toch de mijne worden! Tevergeefs zal je op je trotschen
bruidegom wachten. Voordat ik je opgeef, zal ook hij—”
De heetbloedige Siciliaan beet zich op de lippen en balde zijn vuist.
Waartoe had hij zich bijna laten meeslepen! Maar het meisje had uit
zijn woesten blik en uit zijn veelzeggende handbeweging begrepen, wat
hij nog tijdig had weten te verzwijgen.
Zij sloeg haar groote, donkere oogen naar hem op met een uitdrukking
van afschuw en riep uit:
„Zweer mij, Cesare, dat gij geen schuld hebt aan den dood van den ouden
markies!”
„Ik zweer het, Marietta!”
„Zweer, dat gij niet medeplichtig zijt aan zijn verdwijnen! Zweer het
mij bij de Madonna van de Grot, mijn beschermheilige—!”
Cesare legde beide handen op de borst en breidde ze daarna als
afwerend, uit:
„Van welke ongehoorde schanddaden verdenk je mij, Marietta, dingen,
waaraan ik onschuldig ben!”
„Zijt gij onschuldig? Werkelijk? Welnu, zweer het mij dan— — —!”