LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 21 ONDER DE PUINHOOPEN VAN MESSINA.
ONDER DE PUINHOOPEN VAN MESSINA.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN VRIEND IN HET ONGELUK.
Wie de beide mannen had gezien, die tegenover elkaar stonden in de
gezellige studeerkamer van Lord Lister, had hen stellig voor een
tweeling gehouden. Zij hadden bijna dezelfde lange, slanke gestalte en
niet alleen hun gelaatstrekken geleken op elkaar, maar ook het haar en
de snor. Toch was de een een Engelsche Lord, de ander een Siciliaansche
markies uit Messina, de trouwe vriend van den eerste.
Een groot verschil lag echter in hun oogen. Die van den Engelschman
hadden een uitdrukking van fierheid, levenslust en kracht, terwijl het
gelaat van den aristocratischen Zuid-Italiaan sprak van droeve
neerslachtigheid.
„Stel u gerust, mijn Beste markies Finori,” sprak Lord Lister, terwijl
hij den beproefden vriend de hand drukte, „neem plaats en vertel mij
meer over den plotselingen dood van uw hooggeachten vader. Wie had dat
gedacht, toen hij nauwelijks een jaar geleden zoo vol kracht en
gezondheid met ons den Etna besteeg! Ik kan nog bijna niet aan zijn
dood gelooven!”
De jonge markies Finori had plaats genomen en drukte zijn batisten
zakdoek tegen de oogen. Hij bedwong met moeite een luid snikken.
„Ach, Lister, het lijkt mij zelf bijna onmogelijk! Het verschrikkelijke
echter is, dat ik zelf niets nadere omtrent het ongeluk weet dan dat
volgens schrijven van de overheid van Messina mijn goede vader met zijn
zeiljacht op de stormachtige zee is omgekomen.
„Men heeft de hem toebehoorende voorwerpen, zijn jas, verdere
kleedingstukken en pet gevonden en het gehavende jacht werd bij Catania
op het strand geworpen!”
„Wat? En zijn lijk is niet gevonden?” vroeg lord Lister in gespannen
aandacht.
„Tot heden nog niet! Is dat niet verschrikkelijk? En bovendien denk
eens, Lister, in opdracht der Siciliaansche Bank werd mij door den
advocaat Lavici medegedeeld, dat het geld, ten bedrage van een
millioen, dat daar was gedeponeerd, kort voor het ongeluk op een cheque
van mijn vader teruggehaald is.
„De Bank is daardoor niet meer in staat mij mijn maandelijksche wissels
uit te betalen. Nu heb ik kort voor de ontzettende ramp een brief
ontvangen, geschreven met de hand van mijn vader, die mij verwijst naar
een Siciliaansche waarzegster hier in Londen.”
„Verder, dat interesseert mij levendig!” riep Lister uit terwijl hij
een sigarette aanstak en den markies het etui aanbood, wat deze echter
weigerde.
„Ja, daar ik de vrijzinnigheid van mijn vader ken, verraste mij een
dergelijke wensch buitengewoon.”
„En zijt ge daar reeds geweest markies?”
„Neen nog niet, beste vriend!”
„Zooveel te beter! Maar ga voort!”
„Bovendien verzocht mijn vader mij in dien brief, zoo spoedig mogelijk
terug te keeren daar hij gewichtige familiezaken met mij te bespreken
had. Verder is de daarin vermelde wissel van 5000 lire intusschen
aangekomen. Ik zal dus over eenige dagen naar mijn vaderland teruggaan,
maar als een geheel ander mensch! Hoe vreeselijk is dit alles! Dit
verschrikkelijke ongeluk, dat als een bliksemstraal uit helderen hemel
mij heeft getroffen, rooft mij bijna het verstand. Alles is zoo
onwaarschijnlijk en toch valt er niet aan te twijfelen!
„Geef mij raad, help mij Lister! Gij zijt de eenige vriend die mijn
volle vertrouwen geniet! Wat moet ik doen! Hoe moet ik het vreeselijke
raadsel oplossen?!”
De markies wrong de handen, terwijl twee groote tranen langs zijn
bleeke wangen rolden.
Lord Lister blies blauwe wolken uit zijn sigarette en dacht na. Daarop
keek hij zijn vriend die zoo innig bedroefd was, vol medelijden aan en
sprak:
„Alles wat ik kan doen, beste markies, zal ik, al was het alleen uit
hoogachting voor uw edelen vader, in het werk stellen. Maar ik begrijp
nog niet alles. In deze geheimzinnige zaak zijn vooral twee punten, die
nog opgehelderd moeten worden: ten eerste de vreemde wensch van zulk
een verstandigen ouden man als waarvoor ik uw vader heb leeren kennen,
de wensch om bij een waarzegster de toekomst te vragen en ten tweede
het gezamenlijke verdwijnen van—vergeef mij de uitdrukking—uw vader en
het vermogen op de Bank!
„Het kan ook mogelijk zijn, dat de wensch van uw vader om de toekomst
te willen weten zijn oorzaak vond in een voorgevoel, dat de oude heer
had van het naderend ongeluk. Mag ik den brief misschien zien?”
De markies was kalmer geworden. Reeds het bewustzijn, een vriend aan
zijn zijde te hebben, had hem getroost. Hij haalde den brief uit zijn
zak te voorschijn en gaf hem aan Lister.
De jonge Lord las hem aandachtig door. Een oogenblik schitterden zijn
oogen.
„Wat een prachtig, regelmatig handschrift had uw vader!” sprak hij.
„Ja, als hij het, zooals bij dezen brief het geval blijkbaar was, op
zijn gemak deed! Anders schreef hij in den regel sneller en slordiger,
mijn goede vader!”
Lister knikte veelbeteekenend.
„Het is een mooie, goed gestelde brief!” merkte hij op. „Ik zou den
inhoud ervan graag nauwkeurig willen onthouden! O juist, daar staat dat
over de waarzegster. Zoo een Siciliaansche! Zoudt u mij den brief
misschien nog eenigen tijd willen toevertrouwen?”
„Zoo lang gij wilt, beste vriend! Ik ken dit laatste schrijven van mijn
lieven vader woordelijk uit het hoofd!”
Lister stak den brief bij zich.
„Verberg mij uw gedachten niet, beste Lord,” smeekte de Siciliaan op
levendigen toon. Hij merkte zeer goed, dat de jonge Lord het zijne
dacht over den brief. „Spreek openhartig met mij! Deel mij uw
gevolgtrekkingen mee en zeg mij, wat ik moet doen.”
„Mijn waarde Finori,” antwoordde de Lord, „ik wil uw hoop of vrees niet
overhaast opwekken. Ik weet nog te weinig. Maar ik verzoek u, mij ten
volle te vertrouwen, ook als ik mijn vermoedens nog voor mij houd!
„Had uw vader, zooals dat in bijna alle Italiaansche steden en in de
meeste Italiaansche adellijke families voorkomt, vijanden?”
De markies hief verschrikt de hand op.
„Om Godswil, Lister! Gij wilt toch niet zeggen, dat mijn dierbare vader
het slachtoffer van een moordenaar is geworden? O, in dat geval—”
„Ik weet nog niets, Finori! Blijf toch kalm! Ik zal mijn best doen,
alles te weten te komen!
„Beloof mij, u niet te zullen opwinden, maar mij kalm en bedaard te
antwoorden op de vragen, die ik u zal moeten stellen.”
„Gij hebt gelijk, Lister! Maar voor zoover ik weet, bezat mijn vader in
zijn particulier leven geen enkelen vijand en ook van familietwisten
heb ik nimmer gehoord. Hij genoot de algemeene achting door zijn
eerlijk, openhartig en welwillend karakter.”
„Des te moeilijker wordt de zaak!” antwoordde Lister. „Maar ik heb mij
voorgenomen, haar op te helderen en licht te brengen in deze
geheimzinnige duisternis, als gij het tenminste goed vindt.”
„Ik wensch niets vuriger, beste kerel! O, hoe kan ik u danken?”
„Door te doen, wat ik u zal raden.”
„Dolgaarne, Lister! Gij neemt mij een steen van het hart, als gij mijn
zaak wilt behandelen! Ik merk het maar al te goed, hoezeer deze harde
slag mij heeft getroffen. Ik zou zelf niet in staat zijn, in dezen
chaos van gedachten en mogelijkheden den weg te vinden.”
Lister knikte en stak nadenkend een nieuwe sigarette aan.
„Als gij mij belooft mijn aanwijzingen te volgen, zelfs als gij de
doelmatigheid ervan niet dadelijk inziet, wil ik uw zaak tot de mijne
maken. Daar ik oogenblikkelijk geen andere bezigheden heb, die dringend
zijn, zal ik u hoogstwaarschijnlijk naar Messina begeleiden!”
De markies sprong als geëlectriseerd op. Zijn oogen straalden en voor
het eerst vloog een uitdrukking van vreugde over zijn aristocratische,
maar droefgeestige trekken.
„O, mijn dierbare vriend!” riep hij met groote verrukking, terwijl hij
Lister zijn handen reikte, „als gij dat voor mij zoudt willen doen, zou
ik u eeuwig dankbaar zijn! Ik durfde u dat niet vragen, maar het lag
mij op het hart! Nu zie ik mijn zaak niet zoo wanhopig in als tot
dusverre. Gij, die alles kunt wat gij wilt, zult ook nu slagen!”
Lister glimlachte vriendelijk en drukte den opgewonden Italiaan de
handen.
„Niet te snel, Finori!—chi va piano, va sano! [1] zegt een Italiaansch
spreekwoord! Gij overschat, met uw aangeboren vriendelijkheid, mijn
zwakke krachten! Ik zal het probeeren. Of ik echter succes zal hebben
is een andere zaak!”
„Heb dank, hartelijken dank, Lister!” riep de markies vol geestdrift
„Ik ben gered en nu volkomen kalm. Alles zal nog wel terecht komen, als
gij de zaak ter hand neemt. Ik voeg mij gaarne blindelings naar al uw
wenschen en schikkingen!”
„Luister dan naar mij eersten wensch in het belang der zaak.”
„Spreek, Lister, spreek! Uw wensch is mij een bevel!”
Lister dacht eenige oogenblikken na. Hij blies een rookwolk voor zich
uit en sprak plotseling:
„Allereerst verbied ik u, de Siciliaansche waarzegster op te zoeken.”
Finori keek verbaasd op.
„Wat?—Hoewel het de laatste wensch van mijn vader is voor het ongeluk?”
„Desondanks, markies!” antwoordde Lister glimlachend. „Voor de rest is
het, volgens mij, nog geen uitgemaakte zaak, dat dit vreemde verlangen
werkelijk de wensch van uw vader is geweest!
„Ik ben zoo vrij, daaraan te twijfelen, waarin ik nog versterkt word
door het keurige schrift van den brief! Gij moet er niet heengaan,
beste vriend!”
„Maar Lister! Den wensch van mijn vader niet opvolgen? Twijfelt gij aan
de echtheid van den brief? Maar het is stellig en zeker zijn
handschrift, alleen bijzonder keurig geschreven!”
„Dit punt moet juist bijzonder nauwkeurig worden onderzocht.”
„Maar dan zou ik juist die waarzegster moeten opzoeken!” protesteerde
Finori.
„Die opmerking is juist!” antwoordde Lister toestemmend. „En toch,
moogt gij dat bezoek niet afleggen! Als de brief valsch is, dan hebben
wij hier het eerste spoor, de eerste vingerwijzing tot een misdaad.”
„Ik begrijp u niet, Lister! Als dat zoo is—en gij hebt misschien
gelijk—dan begrijp ik niet, waarom gij mij wilt beletten, dat spoor te
volgen! Juist dan is het mij een heilige plicht, de waarzegster op te
zoeken. Dit kunt gij mij niet beletten.”
Lord Lister lachte.
„Ik dacht dat gij blindelings al mijn wenschen wildet gehoorzamen,
markies?” sprak hij op ironischen toon.
„Zeker, Lister, dat wil ik ook! Ik ben u immers zoo dankbaar voor de
mij toegezegde hulp, maar in dit geval—dat moet gij zelf inzien—kan ik
niet anders, ik moet de somnambule opzoeken!
„Wij moeten dat spoor trachten te volgen!”
„Wie beweert dan, dat dat niet zal gebeuren?” vroeg de Lord op kalmen
toon. „Als gij niet gaat, dan is daarmede nog niet beweerd, dat niet
een ander in uw plaats zal gaan! Als gij er namelijk niets tegen hebt,
zal ik zelf haar bezoeken!”
Finori sloeg zich met de hand tegen het voorhoofd.
„Dat ik daaraan niet eerder dacht! Ja, als gijzelf—dat is iets anders!
Maar Lister, beste vriend, verbergt gij mij niets? Zou er geen gevaar
verbonden zijn aan dat bezoek? Ik zou het mijzelf nooit vergeven, als U
eenig leed overkwam!”
„Kom, waaraan denkt gij, markies! Hier in Londen! Neen, wees niet bang!
Ik vrees alleen, dat gij de zaak minder kalm zoudt behandelen dan ik.
Dat is alles. Mijn zenuwen veroorloven mij om alles nauwkeurig in mij
op te nemen en zooveel mogelijk uit te vorschen, opdat wij van dit punt
kunnen uitgaan. Zijt gij het niet met mij eens?”
„Gij hebt gelijk, Lister! De zaak kan niet beter worden onderzocht dan
door uw persoonlijke bemoeiing. O, ik ben u eeuwig dankbaar!”
„Mooi! Wij zijn het dus eens!” sprak Lister glimlachend, terwijl hij
belde.
Toen Frederik, de oude kamerdienaar van den Lord, verscheen, sprak
Lister tot Finori:
„Volg Frederik in mijn kleedkamer en laat hij u daar een mijner
artistencostuums geven, bestaande in fluweelen buis, grijze pantalon,
geborduurd vest en flambard. Verkleed u en zend mij uw eigen kleeren,
die ik voor het bewuste bezoek noodig heb!”
Finori keek een oogenblik verbaasd, maar volgde daarna vol ijver den
kamerdienaar naar de kleedkamer.
Lister liep in de kamer op en neer, terwijl hij een nieuwe sigarette
aanstak. Na eenige krachtige halen belde hij tweemaal. Daarop nam hij
den brief uit zijn jas en ontvouwde hem.
„Juist! No. 40 Strand East Londen! Een gevaarlijk buurtje!”
Hij was juist bezig, een paar sierlijke, bijzonder fijn bewerkte
zevenloops revolvers uit een lade van zijn schrijftafel te nemen, toen
zijn vriend en secretaris, Charly Brand, binnenkwam. Op diens vragenden
blik antwoordde Lister glimlachend:
„Handenvol arbeid, Charly! Leg je werk voor een poosje neer, maar alles
netjes opruimen, hoor!”
„Den Hemel zij dank!” riep Charly met oprechte blijdschap.
„Deze uitroep getuigt niet van groote geestdrift voor je werk. Maar het
zij je voor dezen keer vergeven. Een reis naar Italië zou ie misschien
liever zijn dan je secretariaat, nietwaar?”.
„Ik zou wel eens willen weten, wie daarop „neen” zou antwoorden!”
„Tot dank voor je oprechtheid, mijn beste Charly, zal je wensch in
vervulling komen!”
Charly keek hem met open mond aan.
„In ernst?” vroeg hij verbaasd.
„Natuurlijk! Het zal in dit seizoen niet precies een plezierreis zijn,
maar het is ernst! Luister maar!
„Het treft prachtig, dat Shaw, de milliardair uit Chicago, zijn
stoomjacht tot onze beschikking heeft gesteld. Het jacht moet
morgenavond, hoogstens overmorgenochtend, gereed zijn voor een vaart
naar de Middellandsche zee. Waarschuw de bemanning, spreek met den
ouden zeebonk, kapitein Wheeler, zorg voor voldoende proviand en wat
meer noodig is en laat geen oogenblik verloren gaan! Wheeler moet niets
voor de uitrusting sparen en het geheele jacht eerst nog nauwkeurig
onderzoeken.
„Zorg voor de benoodigde passen voor ons beiden en ook voor markies
Finori.
„Aan het werk, mijn jongen! Wij gaan naar de blauwe Middellandsche Zee,
al is die misschien in December van het jaar onzes Heeren 1908 ook
eenigszins anders van kleur!”
Charly was buiten zichzelf van vreugde. Hij sprong met beide beenen in
de lucht en snelde als een wervelwind de kamer uit, vermoedelijk om
zijn schrijfwerk in een hoek te gooien of om het keurig netjes in zijn
schrijftafel weg te bergen.
De kamerdienaar bracht het elegante costuum van den markies binnen.
Nauwelijks was Lister er mee gereed om ze aan te trekken, toen Finori
de kamer binnentrad en van verbazing bleef staan. Het scheen hem bijna,
alsof hij zijn dubbelganger voor zich zag staan.
„Ga hier eens voor den spiegel zitten, markies! Wij gelijken toch al op
elkaar als broeders, maar een paar streekjes zullen niet hinderen!”
Hij haalde zijn schminkpenseelen en maakte op zijn eigen gelaat de
gelijkenis tusschen zichzelf en den markies zoo frappant, dat het een
wonder geleek. Reeds wilde hij beginnen, de trekken van Finori in zijn
eigen te veranderen, toen hij aarzelend sprak:
„Neen! Wij gelijken te sterk op elkaar. Het is ook eigenlijk niet
noodig, dat wij van rol verwisselen. Het is voldoende, dat ik optreed
als markies Finori. Als gij Lister voorsteldet, zoudt gij gevaar
loopen, juist door die gelijkenis herkend te worden. Gij spreekt zoo
uitstekend Engelsch, dat gij heel goed voor een Amerikaansch kunstenaar
kunt doorgaan!”
Hij ging naar een kast in den muur en nam daaruit een pruik met
overvloedige artistenlokken van bruinachtige kleur en een daarbij
passenden baard. Hiermee tooide hij den Italiaan, waardoor deze een
geheel ander uiterlijk kreeg.
„Ziet gij, Finori, dat is beter voor u, niemand zal in den genialen
Amerikaanschen schilder Mr. Cook, dien gij nu in mijn spiegel
bewondert, den aristocratischen markies Luigi Finori herkennen!”
„O, Lister!” riep de pseudo-schilder vol geestdrift uit, „gij zijt mijn
reddende engel—mijn Voorzienigheid! Ik zou niet weten, wat ik zonder u
zou moeten beginnen!”
„Laat ons het beste ervan hopen, Finori! Maar zeg eens, kunt gij zoo’n
beetje schetsen en krabbelen, om volkomen in uw rol te kunnen blijven?”
De nieuwbakken artist glimlachte.
„Wat dit betreft, kunt gij gerust zijn. Dat is ons, Italianen,
aangeboren. Gij zoudt niet gelooven, hoeveel ik al heb verkwist aan
papier, potlood en verven! Ik heb allerlei pogingen gedaan om met
pastel en en olieverf teekenen, ik heb zelfs met klei geboetseerd!
Eenige mijner werken die mijn vader, een zeer partijdig beoordeelaar
natuurlijk, voor meesterwerken hield, moeten zich nog in ons oude
paleis in Messina bevinden.”
„Maar dat treft prachtig, markies! Gij schetst dus alles wat gij onder
oogen krijgt, goed of slecht, dat komt er niet op aan! Bovendien kiekt
gij natuurlijk alles. Ik bezit een voortreffelijke camera. Die zal ik u
dadelijk geven!”
Lister stond op en begaf zich naar zijn kast. Daar het intusschen
donker was geworden, draaide hij het electrische licht aan en liep naar
het raam, dat uitzag op den grooten tuin der villa, om de gordijnen te
sluiten.
Op dit oogenblik knalde buiten een schot, de kogel vloog vlak langs
Listers hoofd, door de vensterruit en kwam in den tegenoverliggenden
muur terecht. Bliksemsnel had de Lord, met groote tegenwoordigheid van
geest, een zijner voortreffelijke miniatuurrevolvers uit zijn zak te
voorschijn gehaald. Bijna terzelfder tijd had hij, zonder de ruiten te
sparen, in de richting gevuurd, waaruit het schot was gekomen.
In het volgende oogenblik had hij een der openslaande ramen geopend en
was hij uit het hooge raam naar buiten gesprongen om, met zijn revolver
in de vuist, den sluipmoordenaar te achtervolgen.
Finori was juist van plan, hem te volgen, toon Charly de kamer
binnenvloog.
„Wat is er gebeurd? Wie heeft geschoten?” vroeg hij ademloos.
„Vraag niets, Mr. Brand! Het was op mij gemunt! Lister is mijn redder!
Maar wij mogen hem niet met deze sluipmoordenaars alleen laten!
Vooruit, naar het park!”
De beide jonge mannen sprongen als katten het raam uit, terwijl in het
park opnieuw twee revolverschoten knalden.
TWEEDE HOOFDSTUK.
HET ANTWOORD DER SICILIAANSCHE WAARZEGSTER.
De wijk der Engelsche hoofdstad, die als „Strand” wordt aangeduid,
bevat vooral in het Oostelijk gedeelte met de talrijke dokken,
scheepstimmerwerven en pakhuizen, die aan de Theems zijn gebouwd, nog
in den tegenwoordigen tijd zulke beruchte, gevreesde sloppen en stegen,
hoeken en spelonken, dat zelfs de meest stoutmoedige beambten van
Scotland Yard er zich niet gaarne zouden wagen.
Des te meer moest het opvallen dat een betrekkelijk goed gekleed man,
die onder zijn zwarten, breedgeranden flambard om de een of andere
reden een bonten zakdoek om hoofd en ooren had gebonden, met snelle
schreden een der slopjes van dit stadsgedeelte insloop en bij een der
voornaamste huizen, die zich daar bevonden, bleef staan.
Bij het zwakke licht van een gaslantaarn, die op eenigen afstand stond,
kon men op het naambordje met eenige moeite lezen: „De wereldberoemde
waarzegster van Messina”.
De late bezoeker scheen hier bekend te zijn, want hij bekommerde zich
niet in het minst om deze interessante en ver van bescheiden
aankondiging.
Hij haalde een sleutel te voorschijn, keek voorzichtig om zich heen,
ontsloot de deur en sloop naar binnen.
Ondanks de duisternis, die daar heerschte, liep de man geruischloos,
maar met groote zekerheid de gang door en opende toen onhoorbaar een
kamerdeur. Hij trad binnen, sloot de deur voorzichtig weer en schoof
den grendel ervoor.
Door een deurspleet in een der zijmuren drong een zwak licht en toen
hij luisterend stilstond, vernam hij in de aangrenzende kamer duidelijk
twee stemmen, die aan personen van verschillend geslacht moesten
behooren.
De luisteraar ontstak geen licht, maar trok snel en voorzichtig zijn
laarzen uit. Daarop sloop hij naar de deur, waar hij naar een knopje
tastte. Toen hij hierop drukte, verschoof zich een gedeelte van het
houtsnijwerk en liet een ronde opening op ooghoogte vrij.
Een straal van het heldere licht der zijkamer viel op het gelaat van
den man. Zijn trekken leken onder den slappen hoed en den bonten
zakdoek hard en wreed, maar toen hij naar het tooneeltje keek, dat zich
in de zijkamer afspeelde, schenen zijn trekken te veranderen.
„Eccolo maledetto!” mompelde hij grimmig bij zichzelf. „Hij heeft het
werkelijk gewaagd! Des te beter! Dus is het uur der wraak gekomen!”
De kamer, waarin de geheimzinnige luisteraar keek, was het fantastisch
en ongezellig ingerichte particuliere vertrek, waarin de Siciliaansche
waarzegster aan haar dikwijls zeer hooggeplaatste bezoekers en
bezoeksters, die een blik in de toekomst wilden werpen, haar wijsheid
uitkraamde.
De muren waren behangen met zwarte gordijnen, waarop talrijke witte
doodskoppen en beenderen, slangen en salamanders en geheimzinnige
figuren waren aangebracht. Boven de verhoogde zitplaats der waarzegster
hing een kaart van de planeten, terwijl rechts en links van haar op
lijvige folianten twee werkelijke doodshoofden lagen.
De waarzegster, in het zwart gekleed en voorzien van een zwartzijden
halfmasker, had juist opnieuw de kaarten geschud en begon ze nu uit te
leggen.
Vóór haar zat, op eenigen afstand en slechts door den geheimzinnigen
bezoeker op den rug te zien, een slanke gedaante in rouwkleeren, zooals
het breede rouwlint om den arm en den op een tafeltje staanden cylinder
bewees.
„Hij is het!” mompelde de spion, „hij, dien ik haat, in eigen persoon!
Ik ben op het juiste oogenblik gekomen, om de laatste hinderpalen voor
mijn geluk uit den weg te ruimen!”
Hij keek met van haat vonkelende oogen naar het tweetal in het andere
vertrek en zijn rechterhand omklemde in zijn borstzak den greep van een
Italiaanschen dolk.
Met eentonige stem, die eerst langzamerhand uitdrukking kreeg, begon de
waarzegster te spreken, alsof zij onzichtbare wezens zag, als luisterde
zij naar bovenaardsche stemmen.
„Geloof de waarzegster, jonge man! Ik zie vóór mij het ontzettende
ongeluk, dat het jongste verleden u heeft gebracht! Maar wees getroost,
het zal worden teniet gedaan door een onuitsprekelijk geluk in de
toekomst!”
Een hoonende grijnslach verwrong de onmenschelijke trekken van den
luisteraar bij deze voorspellingen der waarzegster.
Zij vervolgde:
„Gij zult een verre reis ondernemen! Ik hoor ze ruischen, de golven der
oneindige zee, ik hoor den storm loeien en verneem luid hulpgeschreeuw
en donderende branding.
„Maar zooals eens de goddelijke Ulyssus werd gered uit de golven der
kokende zee, zoo verschijnt ook voor u een helpende fee met zwarte
haren en diepe, gevoelvolle oogen, om u aan de verre kust in het gevaar
bij te staan!
„Wees ervan verzekerd, weetgierige jonge man, dat het noodlot u gunstig
is! Het zal den harden slag goed maken, waarmede het u heeft getroffen!
„Rijk, bemind, gelukkig en beroemd zult gij leven op het schoone eiland
tot in hoogen ouderdom!”
De waarzegster zweeg, als verzonken in haar overpeinzingen. De jonge
man in rouwkleeren stond op.
„Ik dank u, madame! Het was zeer interessant, dat moet ik bekennen!
Hier zijn vijf pond!”
Hij wierp de goudstukken met een onverschillig gebaar op de
uitgespreide kaarten.
„Ik zou die som verdrievoudigen, als gij mij meer bijzonderheden kondt
mededeelen omtrent de reis, welke gij mij voorspeldet, of iets naders
betreffende het ongeluk, dat mij heeft terneergeslagen.”
De waarzegster wilde juist ontkennend antwoorden, toen plotseling,
zonder dat haar eigen kunst haar van te voren had gewaarschuwd, een
glinsterende revolver op haar voorhoofd werd gericht.
„Jij weet zoo veel, geleerde waarzegster! Wie A heeft gezegd, moet ook
B zeggen! Spreek of sterf! Is markies Finori dood, of wat is er met hem
gebeurd? Beken, vrouw, je hebt jezelf verraden!”
De waarzegster sprong verschrikt op en keek onwillekeurig met
hulpelooze blikken naar de deur der aangrenzende kamer, achter den rug
van haar tegenstander. Toen zij zag dat het ronde kijkgaatje was
geopend, herademde zij verlicht en een glans van vreugde verscheen in
haar oogen.
Maar de bezoeker draaide zich bliksemsnel om en in het volgende
oogenblik knalde een schot, dat gericht was op de ronde opening.
„Cesare, Cesare!” gilde het wijf.
Reeds was de deur opengeworpen. De kogel had zijn doel gemist en
woedend stormde de verdachte spion met opgeheven dolk de kamer binnen.
Maar de heer in rouwkleeren had hem zien aankomen. Hij week behendig
uit voor den verraderlijken dolkstoot en sloeg den aanvaller met den
metalen loop van zijn revolver op echt Engelsche boxersmanier, zoodat
deze achterover viel en kermend de hand op zijn slaap legde, waar het
wapen hem had getroffen.
De jonge man was nu zoo gaan staan, dat hij èn de waarzegster èn den
man, die Cesare werd genoemd, en wiens hoofddoek hem nu eerst opviel,
in het oog kon houden. Ook in zijn linkerhand blonk nu een revolver,
die op zijn aanvaller was gericht.
„Handen in de hoogte, allebei! Beweegt u niet of ik schiet jullie neer
als schurftige honden!” riep de vreemdeling met luide stem. „Mag ik nu
misschien mijn vraag van zooeven herhalen, Signora?” voegde hij er aan
toe, beide revolvers gereed om te schieten.
„Cesare, kom hier! Op het tooneel!” riep het wijf vol angst. „Kom, kom,
het is tijd!”
Voordat de jonge man had begrepen, wat deze woorden, beteekenden, was
de man met den doek met een behendigen zwaai bij de vrouw op het podium
gesprongen en het revolverschot kwam in den muur terecht.
Daar klonk plotseling een vreemd gekraak, als van kettingen en raderen.
Met een sprong wilde nu ook de heer in rouwgewaad zich op het podium
begeven, maar hij zag, hoe dit ronddraaide en met tafel, kaarten en
goudstukken en met de beide personen in een opening van den muur
verdween.
Onder het hoongelach der waarzegster riep Cesare met onbarmhartige
wreedheid:
„Vaar ter helle, Luigi Finori, jij gek en groet daar je vader en je
geheele adellijke familie!”
„Tot weerziens dan, Signor Cesare!” antwoordde de jonge man met een
woedenden blik, terwijl hij zijn revolvers in zijn zakken stak.
Spoedig echter zou het hem duidelijk worden, wat de misdadiger had
gemeend, want op het volgende oogenblik voelde hij den houten vloer
onder zijn voeten wankelen.
„Drommels! Als ik in Italië was, zou ik aan een aardbeving denken! Maar
hier in ons solide Albion!”
Maar het onvaste gevoel werd erger. Plotseling zakte de vloer aan beide
kanten door. Een spleet ontstond in het midden en voordat de jonge man
een plek had gevonden, waaraan hij zich had kunnen vasthouden, opende
de vloer zich als in twee kleppen en de bezoeker der waarzegster
stortte reddeloos in de diepte.
Gedurende den val bedacht hij bliksemsnel, dat de reis, al ware het
misschien in een kelder, toch niet groot kon zijn, daar de waarzegster
in een huis gelijkvloersch woonde.
Voordat hij eraan dacht, was hij beneden aangekomen, en—met een plomp
stortte hij in het water.
„Foei, voor den duivel!” riep hij uit. „Dat is lekker frisch! Een bad
in December behoort juist niet tot de dingen, waarop ik bijzonder
gesteld ben!”
Het Theemswater was tamelijk koud.
In deze beperkte ruimte kon de man, die zoo meedoogenloos met den dood
werd bedreigd, zich slechts met moeite voor den ondergang behoeden.
Maar hoe lang zou hij het kunnen? Reeds werden zijn ledematen door het
ijskoude water stijf en stram en wanhopig keek hij naar een uitgang.
Daar hoorde hij stemmen boven zich en toen hij opkeek, zag hij twee
duivelsche gezichten.
„Hij is nog boven water!”
„Laat hem nog maar een beetje spartelen, madre mia, in dit lekkere
bad!”
De jonge man was bijna verstijfd, maar de woede in hem verleende hem
nieuwe kracht. Hij voelde in zijn zak om te zien of de revolver nog te
gebruiken was. Een schot weigerde, maar het volgende knalde en de kogel
vloog rakelings langs de hoofden in de deuropening.
„Vervloekte hond van een markies!” schreeuwde de misdadiger in
toomelooze woede, „bijt jij nog, terwijl je sterft?”
Bij die woorden haalde ook hij een revolver te voorschijn en schoot
driemaal achtereen naar de plek, waar zich boven het donkere gelaat van
den jongen man vertoonde.
Op hetzelfde oogenblik was het hoofd echter verdwenen en alleen het
water was zichtbaar, dat met eentonig geluid tegen de muren van de
woning klotste.
Een straal van vreugde verscheen in de oogen der waarzegster en haar
misdadigen zoon.
„De hinderpaal van ons geluk is uit den weg geruimd, moeder! De
millioenen van den markies zijn nu voor ons!”
„O, welk een geluk, mijn zoon, ook voor jou, die zoo knap bent! Ik
hoop, dat hij naar den duivel vare, evenals zijn trotsche vader! Maar
zou men niets ontdekken, Figlinolo?”
„De Theems zal elk spoor uitwisschen! Zij brengt het lijk van Luigi
naar de Noordzee! Wij echter, moeder, zullen spoedig dit sombere land
van mist verlaten en in ons zonnig vaderland zal niemand eraan denken,
ons van het verdwijnen van Luigi te beschuldigen.”
„O, nu eerst ben ik volkomen gelukkig!” riep de vrouw, terwijl zij haar
armen uitbreidde.
De misdadiger sprong op van vreugde en omhelsde met Zuidelijke
levendigheid zijn moeder.
„Spoedig zullen wij met pracht en praal onzen intrek nemen in het oude
paleis van Finori!”
„Maar het is toch jammer, dat de zee het lijk tot zich neemt!” sprak de
waarzegster op nadenkenden toon.
„Wat?” riep haar zoon uit. „Beklaagt gij onzen doodsvijand nog?”
„Neen, mijn zoon,”, antwoordde de vrouw met zachte stem, „niet hemzelf,
maar de heerlijke goudstukken die met hem in de Noordzee verdwijnen!”
DERDE HOOFDSTUK.
IN HET WATER VAN DE THEEMS.
De jonge man, die in het ijskoude rivierwater bijna verstijfd was, had
nauwelijks de revolver in de hand van den misdadiger zien blinken, of
hij dook onder en trachtte zich met eenige slagen te redden in de buurt
van den steenen muur. Dit gelukte hem heel gemakkelijk en zoodoende
ontkwam hij aan de revolverschoten van den woedenden Siciliaan.
Reeds meende hij door kou en gebrek aan lucht het bewustzijn te zullen
verliezen, toen hij, zijn rechterhand uitstekende, den muur niet meer
voelde en bij nader onderzoek ontdekte de door de misdadigers ten doode
opgeschrevene een uitweg, eene vrij nauwe buis, die, onder het huis
langs, naar de Theems voerde.
Eenige minuten vol angstige inspanning volgden, zijn hart bonsde, doch
met bovenmenschelijke inspanning gelukte het den jongen man om zich
door de nauwe gang heen te werken en de rivier te bereiken.
Met ware verrukking haalde hij weer adem in de open lucht en tot zijn
niet geringe blijdschap bemerkte hij al spoedig, dat hij op voldoenden
afstand van het huis der misdadigers verwijderd was. Rondom hem
weerspiegelden zich aan de beide oevers der rivier tallooze lichten in
het donkere water en ook de lichtjes der voor anker liggende booten
glansden in verschillende kleuren.
In het bewustzijn, aan den smadelijken dood, dien de beide misdadigers
hem hadden toegedacht, te zijn ontkomen, had de jonge man nauwelijks
gelet op de doorgestane kou. Nu echter voelde hij de uitwerking van het
ijskoude water. Hij zwom een eindje verder, om vooral niet te dicht in
de nabijheid van het moordenaarshuis aan land te gaan.
De markies, zooals de waarzegster en haar zoon hem hadden genoemd,
scheen voor een Siciliaan bijzonder goed bekend te zijn met de oevers
van de Theems.
„Hier hebben wij Westdock Corner al!” mompelde hij. „Nu kan ik mij in
„de vroolijke Roeier” een beetje gaan warmen en meteen eens zien of de
oude zeerob daar nog woont.”
Hij zwom naar een aan anker liggend rivierschip waarnaast een klein
bootje lag. Hij sprong met moeite in het vaartuigje, rekte zijn stijve
leden eens flink uit en zag tot zijn groote vreugde, dat er twee
roeispanen in lagen.
Zonder zich een oogenblik te bedenken, maakte hij het bootje los,
haakte de roeiriemen vast en eenige slagen brachten hem tusschen andere
booten en schepen door naar den steiger van Westdock Corner.
Hier legde hij het vaartuigje vast en klom de trap op. In de eerste
zijstraat zag hij het licht der roode lantaarn van „De Vroolijke
Roeier”.
De druipnatte jonge man vond het beter, niet door de gelagkamer te
gaan, die vol zeelui en dokwerkers was, daarom liep hij een lange gang
door en verdween in een hem reeds lang bekende zijkamer.
Deze was behaaglijk verwarmd, maar leeg. Hij drukte driemaal op het
knopje der electrische bel.
Spoedig verscheen de breedgeschouderde herbergier in hoogst eigen
persoon. Het welwillende glimlachje op zijn gelaat maakte echter plaats
voor een uitdrukking van grenzenlooze verbazing, toen hij den
kletsnatten heer voor zich herkende. Hij keek dezen sprakeloos en met
open mond aan.
„Ja, ja, nu ben je verbaasd, beste Colwood! Maar ik ook! Een
Decemberbad van minstens een uur verstijft ook de lenigste spieren.
Hier echter is het zeer behaaglijk! Maar toch zou ik u enorm dankbaar
zijn, als gij mij aan droge kleeren kondt helpen! En een glas grog zou
mij uitstekend smaken!”
De waard was eindelijk zijn verbazing te boven. Hij sloeg zijn handen
samen en riep uit:
„Om Godswil, Mylord! Wat bevindt gij u in een ellendigen toestand!”
„Ik ben in de Theems gevallen, Colwood, dat is alles en toen heb ik
meteen eens geprobeerd, hoever ik bij vier of vijf graden kon zwemmen!”
„Dat kunt gij mij niet wijsmaken, Mylord! Als daar niet een
interessante geschiedenis achter steekt— —”
„Ik bezweer u, beste Colwood, nu niet meer vragen, ik vertel u later
alles, het was een vervloekt avontuur! Maar nu snel schoon linnengoed
en droge kleeren!”
„Ik hol al weg, Mylord!”
Bij die woorden verdween hij haastig.
Toen de Lord twee glazen heete grog had gedronken en zich in de veel te
wijde kleeren van Mr. Colwood had gestoken, voelde hij zich als
herboren en al spoedig zat hij een cigarette te rooken.
„Is kapitein Wheeler of een zijner manschappen in de gelagkamer?” vroeg
hij den waard.
„Neen”, antwoordde deze, „zijn zijn alle naar Sheerness! Zij hebben
niet weinig gevloekt, die oude zeerobben, dat de gekke Amerikaan juist
nu zin in een pleizierreis kreeg! De „Meteor” ligt reeds den geheelen
namiddag te puffen.”
„Des te beter! Nog iets, Colwood! Heeft Greenstone zijn stoombootje
hier?”
„Greenstone is in de gelagkamer en zijn machinist ook! Het stoombootje
zal dus wel op zijn gewone plaats liggen!”
„Uitstekend! Vraag hem, of hij mij dadelijk naar de „Meteor” van Mr.
Shaw kan brengen.”
„Naar de „Meteor”? Wilt gij dan meevaren?”
„Dat spreekt vanzelf, Colwood! Gij weet toch wel, dat Mr. Shaw mijn
vriend is. Maar dit alles is geheim! Het beste is, dat gij Mr.
Greenstone even roept— —”.
Ongeveer een uur later was een klein stoombootje vlak naast een
prachtig, zilvergrijs stoomjacht komen liggen. Vol verbazing en
nieuwsgierigheid keken drie matrozen naar beneden, toen de touwladder
was opgerold.
Toen de geoefende klimmer met groote handigheid aan boord was gekomen,
klonk een hartelijk gelach.
„Ben jij het Edward, of is het je geest?” vroeg Charly vroolijk.
Lord Lister, want hij was het, keek met goed gespeelde verrukking naar
zijn eigen kleeren.
„Ben ik keurig of niet, Charly? Maar nu in ernst! Heb je mijn garderobe
aan boord?”
„Natuurlijk! Alles in orde!”
Het duurde nu niet lang of de Lord was weer gestoken in zijn eigen
elegante kleeren, dezen keer als zeeman uitgedost. Het geleende ging
weer in het bootje mee terug en kapitein Greenstone stoomde weer de
Theems op, nadat Lord Lister hem rijkelijk schadeloos had gesteld.
In hetzelfde oogenblik stegen dikke rookwolken uit de beide pijpen van
het prachtige stoomjacht, de ankers werden gelicht, kapitein Wheeler
nam plaats op de commandobrug en de „Meteor” met onze vrienden aan
boord nam koers van Sheerness eerst Zuidelijk, stevende daarna langs de
krijtrotsen van Dover en toen in Zuidwestelijke richting door het
Kanaal naar den Atlantischen Oceaan om later door de Straat van
Gibraltar in de Middellandsche Zee te komen.
Nauwelijks een week later zaten in een café aan de haven van Napels
drie vreemdelingen, die Engelsch spraken, rondom een fijne flesch. Het
waren de heeren welke zooeven waren aangekomen met het rijke jacht van
den milliardair Mr. Shaw: de heer Shaw uit Chicago in eigen persoon,
zijn neef Robert Bentinck-Shaw en een Amerikaansch artist, Mr. Cook uit
Philadelphia.
Onder deze vermommingen meende Lord Lister gerust te mogen aannemen,
dat zij zoo lang onbekend zouden blijven, tot het hun gelukt was om een
spoor te ontdekken van den verdwenen of verongelukten vader van markies
Luigi.
Dit kon des te eerder verondersteld worden omdat de grootste vijanden
van den markies, misleid door Lord Lister, meenden den wreker zijns
vaders, den jongen Finori, een vroegtijdig graf in het water der Theems
te hebben bezorgd.
Nadat zij iets hadden gegeten en van den voortreffelijken wijn genoten,
stond de markies op. Niemand, zelfs zijn beste vriend, zou hem in zijn
artistenvermomming herkend hebben.
„Ik moet nog even uit, Lister”, sprak hij met eenige verlegenheid in
blik en toon.
„Mijn beste Mr. Cook!” antwoordde de Lord, die er inderdaad uitzag als
een zeer welgedaan Amerikaansch millionnair, „mijn naam is Shaw uit
Chicago, vergeet dat niet meer. Verder is het onmogelijk, dat ik u
toesta om hier in het schoone Napels, zoo dicht bij uw geboorteland,
alleen uit te gaan!
„Wij kunnen niet weten, of wij niet van Londen uit worden nagegaan!
Bovendien moet ik nog inzake onze passen naar den Engelschen consul.”
De markies vergat, dat hij een pruik droeg en krabde zich in het
valsche haar.
„Beste Lister, ik moet dat toch zelf— —”
„Aha, een rendez-vous—?”
„Neen, neen, maar ik wacht op een bericht!”
„En kunt gij mij dat niet toevertrouwen?”
Finori bloosde.
„Als gij niet anders wilt, Lis—Mr. Shaw, goed dan. Er moet alleen maar
een aangeteekende brief met overeengekomen adres worden afgehaald van
het postkantoor in de Strada da Piliero, een brief van een dame, die
mij mededelingen doet omtrent mijn omstandigheden, misschien zelfs
berichten brengt omtrent mijn armen vader!”
Lister stak zijn vriend deelnemend een hand toe.
„Het is dus nog gevaarlijker dan ik dacht! Als deze dame bij uw
vijanden bekend staat als een goede kennis van u, dan geef ik geen
centime voor uw leven! Geef mij dus de letters op van het adres.”
„Vendetta 100! Gij ziet dus, dat het geen liefdesgeschiedenis is!”
Lister glimlachte.
„Dat is hiermede nog niet bewezen! En wat zou dat dan nog
hinderen?—Maar komaan! Niet te veel drinken, heeren! Deze wijnen zijn
koppig evenals de lui hier! Ik zou liever een rijtoer door de mooiste
stad der wereld willen voorstellen! Hoe zoudt gij het vinden om naar de
grot en het monument van Virgillius te rijden? Ik kom misschien later,
anders treffen wij elkaar hier weer!”
Charly was vol vuur voor dit plan, maar Finori verzocht vriendelijk om
eerst den brief, dien hij wachtte, te mogen lezen en daarom beloofde
Lister, spoedig terug te zullen komen om het verdere gezamenlijk te
doen.
VIERDE HOOFDSTUK
EEN MISLUKTE DOLKSTOOT EN HET TEEKEN DER MAFFIA.
Lord Lister, die Napels door zijn vroeger verblijf in die stad, zeer
goed kende, was per rijtuig naar het Engelsche en daarna naar het
Amerikaansche consulaat in de Strada Santa Lucia gereden. Hij had tot
beide heeren zijn verzoek gericht en de Amerikaansche consul had, op
aanbeveling van zijn Engelschen collega en na inzage der papieren,
zonder aarzelen de drie passen afgegeven, onder voorwaarde evenwel dat
deze, nadat het doel bereikt zou zijn of na het eind der bemoeiingen
teruggegeven of vernietigd zouden worden.
Daarna was hij gereden naar het postkantoor Strada Piliero om den brief
voor den markies af te halen.
Bij het postkantoor had hij zijn koetsier betaald.
Het ruime postlokaal was nagenoeg leeg. Alleen bij een lessenaar naast
het loket voor aangeteekende brieven en post-restante stukken stond een
schijnbaar jonge man, wiens gelaat bedekt werd door den slappen rand
van een grijzen hoed. Hij was verdiept in het lezen van een briefkaart.
Toen hij den dikken mr. Shaw zag binnentreden, haalde hij minachtend de
schouders op en ging weer door met lezen.
Nauwelijks echter had mr. Shaw met een glimlach den beambte het
overeengekomen adres: „Vendetta, Cento!” opgegeven en uit de hand van
den zeer beleefden ambtenaar den brief aangenomen, of een bruine hand
verscheen voor het loket en nog voordat de corpulente heer het kon
verhinderen, was deze hand met den brief verdwenen. Toen Lord Lister
zich tamelijk overbluft omkeerde, was de lessenaar verlaten en hij zag
nog juist den rug van een slanke mannelijke gestalte achter de
straatdeur verdwijnen.
Maar als de dief de snelheid van den corpulenten heer gering had
geacht, bad hij zich zeer vergist, want Lord Lister, die in alle takken
van sport uitmuntte, had reeds menigen prijs verworven met hardloopen.
Na vijftig schreden had hij reeds den brutalen onbekende ingehaald, hem
met zijn linkervuist een slag tegen den slaap gegeven en hem den brief
weer ontnomen.
Met een „Maledetto!” viel de Italiaan neer, terwijl hij met beide
handen naar zijn pijnlijk hoofd greep.
„Die heeft voor een half uurtje genoeg!” dacht Lord Lister, „wat, voor
den duivel, valt den kerel in om er met den brief vandoor te gaan?
Misschien meende hij, een brief met geld te pakken te hebben!”
Hij liet den half bewustelooze met zijn hoofdpijn achter en liep, nadat
hij den brief zorgvuldig in zijn borstzak had weggeborgen, verder om
zijn vrienden in het café op te zoeken en Finori het zoo vurig
verlangde schrijven uit Messina te brengen.
Het was warm op dien Italiaanschen Decemberdag en het opgeblazen
gummiomhulsel, waarvan Lord Lister zich bediende om Mr. Shaw uit
Chicago voor te stellen, droeg er niet weinig toe bij om hem bij zijn
vlugge loopen last te doen ondervinden van de warmte.
Hij dacht er juist over na, of hij hier in Italië niet verstandiger
deed, dit tooneelmiddel af te leggen en alleen wat gelaat en haren
betreft, op mr. Shaw te gelijken, toen hij een met kracht toegebrachten
stoot in den omtrek van zijn hart voelde en bijna achterover tuimelde.
Daarbij vernam hij de woorden:
„Vendetta della Mafia.”
Tegelijkertijd echter vernam hij een sissend geluid, dat hij eerst niet
kon verklaren, maar dat blijkbaar van zijn eigen lichaam kwam.
Maar reeds had hij zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen. Hij
herkende naast zich den bruinen Italiaan met den grijzen hoed, dien hij
meende, voor een half uur te hebben ingepeperd. De kerel was den
vuistslag blijkbaar eerder te boven.
Een ferme slag met Listers linkerhand trof den man zoo gevoelig op den
onderarm, dat de glinsterende dolk, dien hij voor een tweeden stoot had
opgeheven, op het geasphalteerde plaveisel van de kade neerviel.
Vol ontzetting echter was de Italiaan, een man van ongeveer dertig
jaar, op zijn knieën gezonken en smeekend hief hij zijn armen op:
„Erbarmen, Signore!” kermde hij.
En het moest inderdaad voor een bijgeloovigen Siciliaan iets
beangstigends zijn, niet alleen zijn nimmer falenden dolkstoot zonder
eenige uitwerking in het lichaam van den getroffene te zien dringen,
maar ook een gesis te vernemen en met eigen oogen te aanschouwen, hoe
de dikke man daar tegenover hem veranderde in een slankgevormden,
welgebouwden heer.
Lister begreep de toedracht der zaak aan het uitstroomen van de lucht
uit het beschadigde gummiomhulsel en hoewel het lachen hem veel nader
stond, wist hij zich te beheerschen en riep hij met dreigenden blik
uit:
„Zie je niet, kerel, dat de dolken der vijanden niet in mijn borst
doordringen?”
De Italiaan, die een kruis maakte, bleef op de knieën liggen, en boog
vol eerbied het hoofd voorover.
„Ja, Signore, Giannettino was blind, maar nu zijn hem de oogen
opengegaan!”
Lord Lister luisterde oplettend. Dat leek op een aangeleerd lesje. Maar
nog niet zeker van zijn zaak en de een of andere list vermoedend,
haalde hij een zijner revolvers te voorschijn, die hij op het hoofd van
den Italiaan richtte.
„Je moet sterven, kerel! Nu is de beurt aan mij!”
Zonder zich een oogenblik te bedenken, antwoordde de Italiaan:
„Neem mijn leven, Signore, als gij dat wilt of gebied over mij!”
Verbaasd luisterde Lord Lister.
Hij kreeg een vermoeden van iets, wat hij nog niet durfde gelooven.
„En als ik je diensten aanvaard”, vroeg hij, „kan ik je dan
vertrouwen?”
De Italiaan legde nog steeds in knielende houding, met een onderdanige
beweging zijn rechterhand op het hart en antwoordde, alsof hij een van
buiten geleerde spreuk opdreunde:
„Giannettino volgt getrouw uw bevelen op, Signore, anders kunt gij de
vergelding haren loop laten nemen!”
„Welnu!” sprak Lister nadenkend, „ik neem je diensten aan,
Giannettino”.
Hij nam een goudstuk uit zijn vestzak en wierp het hem toe. De
Siciliaan ving het handig op.
„Je staat nu alleen in mijn dienst, Giannettino”, vervolgde Lister, „en
je zult er geen schade van hebben als je mij getrouw bent. Ik moet een
groot werk verrichten en heb de hulp nodig van trouwe lieden!”
„Neem de proef, signor Capo! Het is heerlijk, den Grooten Man te mogen
dienen!”
„Berg je dolk weg, Giannettino en luister naar mij. Vertel niemand iets
van alles, wat ik je beveel en wat je zult doen!”
De Italiaan maakt een diepe buiging en legde zijn hand op den mond.
„Mijn eerste bevel is dit: Begeef je aan boord van het jacht „Meteor”,
liggende in de Porto Grande, toebehoorende aan den Amerikaan Shaw,
wiens bediende je voortaan zult zijn!”
Hij overhandigde hem een visitekaartje.
„Geef dit aan den kapitein! Binnen korten tijd ben ik er zelf. Dan
zullen wij verder spreken!”
„En waarheen gaat onze tocht, Signore Capo?”
„Streng geheim! Naar Messina!”
De Italiaan verbleekte.
„Naar Messina?” riep hij verschrikt uit. „Wat moet ik den Capo Cesare
zeggen, wiens bevel ik niet heb uitgevoerd? Kunt gij mij niet
vrijstellen van die vaart, Signore?”
Lister’s oogen fonkelden. Zijn vermoeden bleek juist te zijn en hij
besloot, zijn troef uit te spelen op gevaar af, zichzelf te zullen
verraden.
„Schaam je, Giannettino, welke man is bevreesd? Ik ben gezonden door
een hoogere macht, om alle ongerechtigheden en misdaden, waarvan het in
Messina wemelt, uit te roeien!
„Zware klachten worden aangeheven tegen Cesare, men beschuldigt hem van
hebzucht en willekeurige moorden, van een schandelijk misbruik maken
zijner macht! Ik ben gezonden om uwe eer te redden! Twijfel je aan mijn
macht, aan het slagen van onze pogingen?”
„Tutto all’onore della Mafia!” fluisterde Giannettino vol eerbied,
terwijl hij het hoofd boog. „Maar het is een zware strijd! Capo Cesare
is machtig en groot! Gij echter, die uw lichaam kunt veranderen, en die
niet gewond wordt door de dolken van vijanden, gij zijt nog grooter!
Beveel over Giannettino en zijn dolk!”
Vol onderdanigheid vouwde hij zijn handen over de borst.
„Als wij overwinnen en mij je trouw is gebleken, Giannettino, all’onore
della Società, dan is je fortuin gemaakt, dat beloof ik je plechtig!”
„Ebbene Signore! Ik ben de uwe in dood en leven!”
„Vooruit dan!” sprak Lister op bevelenden toon, „naar de „Meteor”. Daar
zullen wij nader afspreken!”
De Siciliaan boog diep en haastte zich naar de haven.
Lord Lister keek hem peinzend na.
Daarop maakte hij zich gereed om den markies zijn brief te brengen.
De teerling was nu geworpen.
De heeren zaten nog rookend bij hun glazen, toen Lister met zijn
buitengewoon slanke gestalte binnentrad en den markies den zoo vurig
verlangden brief ter hand stelde.
„Maar mr. Shaw”, sprak Charly lachend, „waar is uw omvang gebleven?”
„Dat doet het gezonde klimaat hier, mijn beste jongen”, antwoordde
Lister op ernstigen toon. „Het doet mij trouwens genoegen, mijn waarde
markies, dat de voor u bestemde dolk alleen een opening heeft gestooten
in mijn gummibuik! Heb je de kleefstof bij je, Charly?”
„Natuurlijk, als goed fietser!” antwoordde Charly vroolijk. „Maar niet
hier, ze is in mijn hut op het jacht”.
„Nu, mijn gummibuik kan daar wel hersteld worden!”
Finori had intusschen den brief geopend en uitte een kreet van schrik.
„Wat is er, vriend Cook?” vroeg Lister, als altijd in zijn rol.
„O, lees zelf!” antwoordde de markies, „het is een bede om hulp uit
Messina!”
Het schrijven bevatte slechts weinige woorden. Deze waren met een
sierlijke dameshand in alle haast neergeschreven:
„Luigi! Kom dadelijk! Wij worden allen door ongeluk bedreigd! Als
je van mij houdt, haast je dan! Maar verander je uiterlijk! Ontmoet
mij bij de tuinen van Pace op den weg naar de Madonna della Grotta!
Marietta”.
„Dat is zeer dringend, markies! Kunt gij de schrijfster vertrouwen?”
„Als mijzelf, beste vriend! Gravin Marietta di Torresani is mijn
bruid!”