Zoodra de prins van Perzië Schemselnihar gewaar werd, had hij slechts
oogen voor haar. „Men vraagt niet naar bekende zaken,” zeide hij tot
Ebn Thahar, „en men twijfelt niet aan hetgeen men met eigen oogen ziet.
Moet gij niet erkennen, dat er geen bekoorlijker wezen op den geheelen
aardbodem leeft? Zie daar de oorzaak van mijn lijden; een lijden dat ik
zegen, en zal blijven zegenen, hoe zwaar of lang het ook wezen mag!
In dit opzigt ben ik mij zelven geen meester; het verstand zwijgt,
alleen mijn gevoel spreekt, en het is mij onmogelijk hierin verandering
te brengen, zelfs al kon ik er het paradijs mede verdienen. Mijn hart is
geschokt, mijne zinnen zijn verward, en gij wreede Ebn Thahar draagt
daar de schuld van. Gij hebt gemeend mij genoegen en eene groote dienst
te doen, door mij hier te brengen; ik zie dat het slechts zijn zal, om
mij geheel van het verstand te berooven. Maar neen,” vervolgde hij, op
zijne woorden terugkomende, „vergeef mij, _ik_ heb het zoo gewild, en
alles aan mij zelven te wijten?” Bij deze laatste woorden smolt hij in
tranen weg. „Ik ben zeer blijde,” antwoordde Ebn Thahar, „dat gij mij
regt laat wedervaren. Toen ik u zeide, dat Schemselnihar de beminde
van den kalif was, heb ik dat gedaan, met oogmerk om een noodlottigen
hartstogt te voorkomen, welken gij in uw hart tracht te voeden en
levendig te houden. Alles, wat gij hier ziet moet strekken, om er u van
los te maken, en gij behoort aan geene andere gevoelens plaats te geven,
dan alleen aan de dankbaarheid voor de u te beurt gevallen eer. Bereid
er u op voor, in hare tegenwoordigheid te verschijnen, zoo als de
wellevendheid dit vordert. Zie, daar komt zij reeds! Indien het mij nu
nog mogelijk ware, ik zou andere maatregelen nemen, doch daartoe is het
thans te laat. Dat het mij maar niet berouwe, u hier te hebben gebragt.
Vergeet niet,” vervolgde hij, „dat de liefde verraderlijk is, en dat de
bloemen, welke zij ons aanbiedt, dikwijls aan den rand van een' afgrond
groeijen, waarin men, die plukkende, ligtelijk kan nederstorten.”
Ebn Thahar had den tijd niet, met zijne zedeles voort te gaan, daar
Schemselnihar op dat oogenblik naderde. Zij plaatste zich op den troon,
en groette beiden met eene hoofdbuiging; maar zij bleef daarbij haren
blik vestigen op den prins van Perzië, en zwegen ook hunne lippen, hunne
oogen zeiden des te meer. Hoe meer Schemselnihar den prins aanzag, des
te vaster werd hare overtuiging, dat zij beminde en bemind werd. Zij
liet hare oogen niet van hem af gaan, dan om aan de haar omringende
vrouwen eenige bevelen te geven. Deze stonden op, en terwijl zij
heengingen, kwamen de zwarte slavinnen uit den tuin, en plaatsten zich
regt tegenover het venster, waar Ebn Thahar en de prins zich bevonden;
dusdanig, dat het geheel een' halven cirkel vormde, waarvan de troon,
waarop Schemselnihar gezeten was, het middelpunt uitmaakte.
De beminde van den kalif gaf nu een teeken aan eene harer slavinnen,
welke daarop een minnelied speelde en zong, van twee gelieven wier
harten als het ware ineensmolten, en telkens, wanneer zich eenige
hinderpalen opdeden, slaakte zij de teederste verzuchtingen. Gelijk
meestal gebeurt, kreeg het noodlot de schuld van hunne dwaasheid.
Schemselnihar begeleidde met hare oogen en gebaren de woorden van het
lied, voor zoo verre deze op haar en op den prins toepasselijk waren.
Zij deed dit met zoo veel gevoel, dat de prins buiten zich zelven van
verrukking was. Hij boog zich over de balustrade, en wenkte eene der
slavinnen, welke zich in zijne nabijheid bevonden. „Wees zoo goed,”
zeide hij, „de woorden, welke ik u zal doen hooren, met uwe luit te
accompagneren.” Daarop zong hij een lied, zoo teeder en hartstogtelijk,
dat de hevigheid van zijne liefde daardoor volkomen werd te kennen
gegeven. Zoodra hij geëindigd had, volgde Schemselnihar zijn voorbeeld,
zeggende tot eene van hare vrouwen: „Luister naar mij, en begeleid mijne
stem met uw speeltuig.” Vervolgens zong zij op eene wijze, dat de prins
er geheel door betooverd werd, en haar met een ander lied antwoordde,
nog veel hartstogtelijker dan het eerste.
Zoo hadden deze gelieven elkander door oogenspraak en door liederen
hunne wederkeerige genegenheid te kennen gegeven. Schemselnihar,
eindelijk geheel buiten zich zelve, stond op van haren troon, en begaf
zich naar de deur der koepelzaal. De prins, haar oogmerk gissende,
haastte zich ook, derwaarts te gaan. Naauwelijks waren zij beide daar,
of zij omhelsden elkander met zulk een innig vreugdegevoel, dat zij
geheel buiten kennis geraakten. Zij zouden gewis gevallen zijn, indien
niet de slavinnen, welke Schemselnihar gevolgd waren, hen ondersteund
hadden. Deze droegen de verliefden naar eene sofa, en bragten hen met
welriekende wateren weder bij. Schemselnihar, de oogen openende, vatte
de hand van den prins van Perzië, en zag vervolgens naar Ebn Thahar om.
Hij was verdwenen, en niemand kon haar zeggen, waar hij gebleven was.
De drogist had zich alleen uit eerbied verwijderd, teneinde aan de
vrouwen vrijheid te laten hare meesteres te helpen. Hij was bevreesd,
dat deze dwaze liefdes-geschiedenis een slecht einde zou nemen, en dit
niet zonder grond. Toen hij evenwel hoorde, dat Schemselnihar naar hem
vroeg, trad hij nader, en stelde zich vóór haar.
Schemselnihar was zeer verblijd, Ebn Thahar weder te zien. Zij betuigde
hem daarover hare vreugde. „Ebn Thahar,” sprak zij, „ik weet niet, hoe
ik de verpligting zal kunnen erkennen, welke ik u verschuldigd ben.
Zonder u, zou ik met den prins van Perzië niet in kennis gekomen zijn,
noch hem bemind hebben, die op deze wereld het meest beminnenswaardig
is. Gij kunt echter zeker wezen, dat ik niet als eene ondankbare sterven
zal, en dat, indien mogelijk, mijne erkentelijkheid de weldaad zal
evenaren, die ik u te danken heb.” Ebn Thahar antwoordde hierop met eene
diepe hoofdbuiging en met den wensch, dat nimmer iets de vervulling
harer begeerten in den weg mogt staan.
Schemselnihar wendde zich nu weder tot den prins, die nog steeds aan
hare zijde was gezeten, en hem met verwarring aanziende, zeide zij:
„Naar hetgeen tusschen ons is voorgevallen, mijn prins, ben ik ten volle
overtuigd, dat gij mij met geheel uw hart bemint, en gij kunt er niet
aan twijfelen, dat de liefde, welke ik u toedraag, even sterk is als
de uwe. Maar vleijen wij ons niet; hoezeer ook onze harten en onze
gevoelens mogen overeenstemmen; ik voorzie, voor u en voor mij, niets
dan moeijelijkheden, onvervulde wenschen, en een doodelijk verdriet.
Tegen deze kwalen is geen ander middel, dan dat wij elkander blijven
beminnen, met onderwerping aan den wil des hemels, en in afwachting
van hetgeen aan Allah zal behagen over ons te beschikken.” „Mevrouw,”
antwoordde de prins van Perzië, „gij zoudt mij groot ongelijk
aandoen, indien gij ook slechts een oogenblik kondet twijfelen aan de
standvastigheid mijner liefde. Zij is met mijne ziel vereenzelvigd, en
zal dit blijven tot aan mijn' laatsten ademtogt. Moeiten, kwellingen,
hinderpalen, niets zal in staat zijn, mij te beletten om u te beminnen.”
Bij het spreken dezer woorden vloeiden tranen over zijne wangen; ook
Schemselnihar kon de hare niet weêrhouden.
„Mevrouw,” zeide op dit oogenblik Ebn Thahar tot de beminde van den
kalif, „dat het mij geoorloofd zij, u te doen opmerken, dat gij, in
plaats van tranen te storten, u moest verblijden bij elkander te zijn.
Ik begrijp niets van uwe droefheid; want wat moet het dan worden, als
de noodzakelijkheid u tot scheiden zal dwingen? Maar wat zeg ik, dat
oogenblik nadert. Wij zijn reeds lang hier geweest, en gij weet, dat
het voor ons tijd is, heen te gaan.” „Ach, wat zijt gij wreed!” hernam
Schemselnihar. „Gij kent de oorzaak van mijne tranen, en zoudt gij dan
geen medelijden hebben met den ongelukkigen toestand, waarin gij mij
ziet? Droevig noodlot! Wat heb ik misdaan, om door eene harde wet
veroordeeld te zijn, niet te kunnen genieten, wat mijne eenige begeerte
is?”
Daar echter Schemselnihar begreep, dat Ebn Thahar alleen uit vriendschap
en met een goede bedoeling aldus gesproken had, duidde zij het hem niet
ten kwade, maar maakte zelfs gebruik van den haar gegeven wenk. Zij gaf
een teeken aan hare vertrouwde slavin, die zich dadelijk verwijderde.
Kort daarop kwam zij terug, en zette een' gouden schotel met de fijnste
vruchten op eene kleine zilveren tafel, die zij tusschen hare meesteres
en den prins van Perzië plaatste. Schemselnihar zocht het beste uit, en
bood het den prins aan, met de bede dit ter liefde van haar te eten. Hij
nam het, en bood nu op zijne beurt iets aan Schemselnihar aan. Nadat er
was afgenomen, bragt men eene gouden watervaas en een zilveren bekken,
waarin zij te zamen de handen wieschen. Vervolgens kwamen drie zwarte
slavinnen, elk een' met den fijnsten wijn gevulden bokaal dragende, en
zetten die voor Schemselnihar, voor den prins en voor Ebn Thahar neder.
Muzijkinstrumenten werden aangebragt, en de twee verliefden betuigden
elkander bij muzijk en zang nogmaals herhaalde malen hunne wederkeerige
liefde, tot dat de vertrouwde hun geluk eensklaps kwam storen, geheel
ontsteld hun mededeelende, dat Masrour en nog twee officieren zich
aan de poort van het paleis bevonden en, in naam van den kalif,
Schemselnihar vroegen te spreken. De prins van Perzië en Ebn Thahar
verbleekten, hunnen ondergang reeds zeker meenende, hoewel Schemselnihar
hen met eenen glimlach gerust trachtte te stellen.
Aan hare vertrouwde slavin beval zij, Masrour en de andere officieren
van den kalif bezig te houden, totdat zij in staat zou zijn hen te
ontvangen. Vervolgens gaf zij last de luiken der koepelzaal te sluiten,
en de gordijnen aan den tuinkant te laten vallen, terwijl zij den prins
en Ebn Thahar verzocht, daar zonder vrees te blijven. Toen hare bevelen
uitgevoerd waren, verliet zij de zaal door de deur, die in den tuin
uitkwam, en sloot die af. In den tuin werden de zitplaatsen onder het
raam van de koepelzaal weggenomen, waarna Schemselnihar zich op den
troon plaatste, en hare vertrouwde slavin liet aanzeggen, dat zij
gereed was den opperste der gesnedenen en de beide hem ondergeschikte
officieren te ontvangen. Zij verschenen voor haar, gevolgd door twintig
kostbaar gekleede zwarte slaven. Zoodra zij Schemselnihar zagen, maakten
zij eene diepe buiging, die deze van haren troon met een hoofdknikken
beantwoordde. Toen de stoet naderbij gekomen was, stond zij op, en
Masrour eenige schreden te gemoet gaande, vroeg zij hem, wat hij haar
had mede te deelen. „Mevrouw,” antwoordde hij, „de Beheerscher der
geloovigen, die mij tot u zendt, heeft mij gelast u te betuigen, dat hij
niet langer kan leven, zonder u te zien. Hij heeft plan u dezen avond
een bezoek te brengen; ik kom u daar kennis van geven, opdat gij u op
zijne ontvangst kunt voorbereiden. Hij hoopt, mevrouw, dat gij hem met
het zelfde genoegen zult verwachten, als zijn ongeduld is, om bij u te
zijn.”
Op deze aanspraak van Masrour boog Schemselnihar zich met het hoofd ter
aarde, ten einde daardoor de onderworpenheid te doen blijken, waarmede
zij het bevel van den kalif ontving. „Ik verzoek u,” sprak zij, zich
weder oprigtende, „aan den Beheerscher der geloovigen te zeggen, dat ik
er steeds de hoogste eer in zal stellen, mij te voegen naar de bevelen
van zijne majesteit, en dat zijne slavin zich zal beijveren, hem te
ontvangen met al den eerbied, welken zij hem verschuldigd is.” Te gelijk
gelastte zij hare vertrouwde, door de zwarte slavinnen het paleis in
gereedheid te brengen, om den kalif waardig te kunnen ontvangen, en
vervolgde tot Masrour: „Gij ziet, dat er eenigen tijd noodig zal zijn,
om alles tot de ontvangst van den kalif in orde te brengen. Bewerk dus,
dat zijne majesteit nog eenige uren geduld oefent, opdat hij bij zijne
komst ons niet ongereed vinde.”
Zoodra de opperste der gesnedenen en zijn gevolg vertrokken waren,
keerde Schemselnihar naar de zaal terug, zeer mismoedig, dat zij
genoodzaakt was den prins van Perzië vroeger weg te zenden, dan zij
zulks gaarne wilde. Met tranen in de oogen trad zij binnen, hetgeen de
onrust van Ebn Thahar nog vermeerderde, die een voorgevoel had, dat het
niet goed zou afloopen.
„Dierbare,” zeide inmiddels de prins, „ik zie wel, dat gij mij onze
scheiding komt aanzeggen. Daar ik nu niets ergers te duchten heb,
zoo hoop ik, dat de hemel mij genoeg kalmte zal schenken, om in uwe
afwezigheid te kunnen leven.” „Helaas! mijn geliefde,” viel de al te
teedere Schemselnihar in, „wat zijt gij gelukkig, en wat ben ik zelve
ongelukkig, indien ik uw lot vergelijk met mijne treurige bestemming!
Gij zult ongetwijfeld lijden, door van mijn bijzijn verstoken te zijn,
maar dat is dan ook alles, en gij kunt u troosten met de hoop, mij terug
te zien. Maar ik, geregte hemel, tot welke wreede proef zie ik mij
veroordeeld? Ik zal niet slechts verstoken zijn te zien, wat ik alleen
liefheb, ik zal nog bovendien de tegenwoordigheid moeten dulden van een
wezen, dat mij door u onverschillig is geworden! Zal de komst van den
kalif mij niet herinneren aan uw vertrek? En hoe zal ik, terwijl mijne
denkbeelden geheel met u bezig zijn, aan dien vorst de vrolijkheid
kunnen toonen, die hij gewoon was, zoo dikwijls hij mij kwam bezoeken,
in mijne oogen te lezen? Terwijl ik met hem spreek, zal mijn geest
elders zijn, en de minste inschikkelijkheden, welke ik voor zijne liefde
mag hebben, zullen zoo vele dolksteken zijn, die mij het hart doorboren.
Zal ik zijne liefkozingen kunnen verdragen, zonder te sterven? Oordeel
zelf prins, aan welke folteringen ik gedurende uwe afwezigheid zal zijn
prijs gegeven!” Schreijen en snikken beletten haar met spreken voort te
gaan. De prins wilde antwoorden, maar had er de kracht niet toe; zijne
droefheid en de diepe smart, waarvan zijne geliefde blijken gaf, deden
de woorden op zijne lippen wegsterven.
Ebn Thahar stond inmiddels op heete kolen; hij verlangde naar niets
anders, dan ten spoedigste het paleis te verlaten, en terwijl hij de
treurende gelieven zocht te troosten en hen vermaande zich in de
noodzakelijkheid te schikken, maakte hij tevens de juiste opmerking, dat
de tijd niet stil stond en zij op hunne veiligheid bedacht moesten zijn.
Terwijl hij nog sprak, kwam de vertrouwde slavin binnen. „Mevrouw,”
sprak zij, „er is geen tijd te verliezen; de gesnedenen komen reeds, en
gij weet, dat de kalif dan ook weldra hier zal zijn.” „Hemel, welk eene
wreede scheiding!” klaagde Schemselnihar. „Haast u,” sprak zij tot de
vertrouwde slavin, „breng beiden naar de galerij, welke aan de eene
zijde in den tuin, aan de andere op den Tigris het uitzigt heeft, en
laat hen, zoodra de nacht het aardrijk in duisternis zal hullen, door de
achterpoort heengaan, opdat zij in veiligheid mogen zijn.” Dit zeggende,
omhelsde zij den prins van Perzië, zonder een woord tot hem te kunnen
zeggen, en spoedde zich, in eene ligt te begrijpen verwarring heen, om
den kalif te ontvangen.
Inmiddels bragt de vertrouwde slavin den prins en Ebn Thahar naar de
galerij, waarvan Schemselnihar gesproken had; zij bemoedigde hen, zeide
tegen den avond terug te zullen komen, en ging vervolgens heên, na de
deur achter zich gesloten te hebben.
Niettegenstaande deze verzekering waren Ebn Thahar en de prins verre van
gerust. Zij onderzochten de galerij aan alle kanten, en schrikten niet
weinig, toen zij bespeurden, dat er volstrekt geene mogelijkheid bestond
om te ontkomen, indien de kalif of een zijner officieren mogt goedvinden
de galerij te bezoeken.
Eensklaps deed een helder licht, dat hen door de jalousiën aan den
tuinkant in de oogen scheen, hen naar het venster gaan, om te zien van
waar dit mogt komen. Het licht werd te weeg gebragt door een honderdtal
flambouwen, gedragen door even zoo vele jonge zwarte gesnedenen, die
door meer dan honderd anderen, allen met sabels gewapend, gevolgd
werden. Daarna zagen zij den kalif, tusschen Masrour, aan zijne regter-
en Vassief, aan zijne linkerhand.
Schemselnihar wachtte den kalif op aan den ingang van eene laan,
vergezeld door een twintigtal harer vrouwen, allen zeer bekoorlijk
uitgedost en schitterende van paarlen en diamanten, waarmede hare
kleederen en hoofdsieraden als bezaaid waren. Zij zongen op de maat
harer instrumenten, en maakten te zamen een heerlijk concert.
Schemselnihar zag niet zoodra den kalif verschijnen, of zij trad toe, en
wierp zich aan zijne voeten, met haar hoofd de aarde aanrakende. Maar
dit doende, zeide zij in zich zelven: „Prins van Perzië, indien uwe
oogen van dit tooneel getuige zijn, zoo oordeel over de wreedheid van
mijn lot. Alleen voor u zou ik mij dus willen vernederen, en dit kunnen
doen, zonder dat mijn hart er tegen opkomt.”
De kalif was zeer verrukt Schemselnihar te zien. „Sta op Mevrouw,” zeide
hij, „en voeg u bij mij. Ik kan het mij zelven niet vergeven, dat ik mij
zoo lang heb verstoken van het vermaak, bij u te zijn.” Dit zeggende,
nam hij haar bij de hand, en geleidde haar tot aan den voet van den
troon, waarop hij zich plaatste, terwijl Schemselnihar op eenen lageren
zetel, regt tegenover hem, zich nederzette. De twintig vrouwen vormden
een' cirkel om hen heen, terwijl de jonge gesnedenen, die flambouwen
droegen, zich door den tuin verspreidden, opdat de kalif het frissche
van de avondlucht zou kunnen genieten, zonder van den walm der toortsen
hinder te hebben.
Toen de kalif op zijnen troon was gezeten, zag hij om zich heen, en
bespeurde met zigtbaar welgevallen, dat de geheele tuin met duizende
lampions verlicht was. Hij gaf echter zijne verwondering te kennen,
dat de vensters der groote koepelzaal allen gesloten waren. Men had
dit opzettelijk gedaan, om hem eene verrassing te verschaffen; want
naauwelijks had hij uitgesproken, of alle vensters werden als met een'
tooverslag geopend, en de zaal, van binnen en van buiten verlicht,
toonde zich schitterender dan ooit te voren aan zijne oogen.
„Bekoorlijke Schemselnihar,” riep hij op dit gezigt verrast uit, „ik
begrijp u. Gij hebt mij indachtig willen maken, dat er even schoone
nachten, als dagen zijn. En bij hetgeen ik hier aanschouw, kan ik het u
niet tegenspreken.”
Doch keeren wij terug tot den prins van Perzië en tot Ebn Thahar, die
wij op de galerij gelaten hebben. Ebn Thahar kon zich niet genoeg
verwonderen over alles, wat zich aan zijne oogen vertoonde. „Ik ben niet
jong meer,” zeide hij, „en heb vele groote feesten bijgewoond, maar
nooit heb ik iets gezien, dat daarbij in pracht en luister kan worden
vergeleken. Alles wat men ons verhaalt van betooverde paleizen, moet
achterstaan bij het grootsche schouwspel, dat zich hier in werkelijkheid
aan onze oogen voordoet. Welk een' rijkdom en welk eene pracht gaan hier
hand aan hand!”
De prins van Perzië bleef echter gevoelloos voor alles, waarin
Ebn Thahar een zoo groot vermaak vond. Hij had slechts oogen voor
Schemselnihar, en de tegenwoordigheid van den kalif dompelde hem in eene
diepe neêrslagtigheid. „Ach, mijn vriend,” zeide hij tot Ebn Thahar,
„mogt het den hemel behagen, dat ik mij met u in al dit schoone kon
verheugen. Maar helaas! mijne ziel is daar niet toe gestemd! Die rijkdom
en die pracht, alles wat gij zoo heerlijk vindt, strekt slechts, om
mijne foltering te verhoogen. Kan ik den kalif zien bij haar, die ik
bemin, zonder van wanhoop te sterven? Moest eene liefde, zoo teeder
als de mijne, verstoord worden door een' zoo magtigen medeminnaar!
Goede hemel, wat is mijn lot zonderling en wreed! Slechts voor weinige
oogenblikken mogt ik mij den gelukkigsten minnaar denken en thans...,
thans wordt mijn arm hart door een' doodelijken slag getroffen. Ik kan
er geen weêrstand aan bieden; mijn geduld is ten einde, mijn lijden
overstelpt mij, en mijn moed is bezweken.” Bij het uiten dezer laatste
woorden zag hij in den tuin iets, dat in hooge mate zijne aandacht trok,
en hem deed zwijgen.
De kalif had aan eene der vrouwen bevolen, op de luit te spelen en
daarbij te zingen. De woorden, waarvan zij zich bediende waren zeer
hartstogtelijk, en de kalif, meenende dat zij aldus zong op last van
Schemselnihar, die hem meermalen langs dezen weg hare liefde had te
kennen gegeven, paste alles natuurlijk op zich zelven toe. Ditmaal
echter lag zulks niet in de gedachten van Schemselnihar. Die woorden
waren gerigt tot haren teeder geliefden Hassan, en zij gaf zich zoo zeer
aan hare smart over, dat zij in zwijm viel. Zij sloeg achterover, en zou
gevallen zijn, indien niet eenige harer vrouwen haar dadelijk te hulp
waren gesneld. Deze namen haar op, en droegen haar naar de zaal.
Ebn Thahar, door dit voorval verrast, draaide het hoofd naar de zijde,
waar de prins van Perzië zich bevond; maar in plaats van dezen tegen de
jalousiën te zien leunen om, gelijk hij, gade te slaan wat er in den
tuin voorviel, zag hij hem tot zijne groote verwondering buiten kennis
op den grond liggen. Hij schreef dit toe aan de groote mate van liefde,
welke de prins voor Schemselnihar moest gevoelen, en verbaasde zich over
dit zonderling zamentreffen. Hij wendde alles aan, om den prins weder
bij te brengen, maar te vergeefs! Zijne verlegenheid nam nog toe, toen
de vertrouwde van Schemselnihar de deur van de galerij opende, en in de
grootste verwarring, naar adem hijgende, binnentrad. „Kom spoedig,” riep
zij, „opdat ik u uitlate. Alles is hier in rep en roer, en ik vrees, dat
onze dagen geteld zijn!” „Maar hoe wilt gij, dat wij vertrekken zullen?”
gaf Ebn Thahar ten antwoord. „Ik bid u, kom hier, en zie in welk een'
toestand de prins van Perzië zich bevindt!” Toen de vertrouwde zag, dat
hij in zwijm lag, ging zij dadelijk water halen, zonder tijd met praten
te verliezen.
Het water deed hier goede dienst; de prins kwam weldra weder tot
bewustzijn, doch gevoelde zich zeer zwak. Eene nieuwe verlegenheid voor
Ebn Thahar! Maar er was geen' tijd te verliezen. „Prins,” zeide hij,
„indien wij langer hier blijven, loopt ons leven gevaar, herneem dus de
heerschappij over u zelven, en laat ons zonder verwijl vertrekken.”
Aboul-Hassan was echter zoo zwak, dat zij hem moesten overeind helpen.
Nu namen zij hem elk bij eene hand, ondersteunden hem zoo veel mogelijk,
en bereikten zoo het poortje, dat op den Tigris uitkwam. Zij gingen
voort tot aan een klein kanaal, dat met de rivier gemeenschap had. De
vertrouwde klapte in de handen, en dadelijk vertoonde zich een klein
schuitje, slechts door een' enkelen roeijer bestuurd. Aboul-Hassan en
zijn vriend gingen aan boord, de vertrouwde bleef aan den oever achter.
Zoodra de prins gezeten was, strekte hij de hand uit naar den kant van
het paleis, en de andere op zijn hart leggende, riep hij met zwakke
stem: „Beminde van mijne ziel, ontvang met deze hand de belofte van
eeuwige trouw, terwijl ik met de andere zweer, dat het voor u in mijn
hart brandend vuur onuitbluschbaar is, tot aan zijn laatsten ademtogt!”
Inmiddels trachtte de roeijer met den meesten spoed vooruit te komen,
terwijl de vertrouwde van Schemselnihar het bootje langs den oever van
het kanaal volgde, totdat het den Tigris bereikt had. Eerst hier nam zij
afscheid van Ebn Thahar en van den prins van Perzië.
Aboul-Hassan gevoelde zich nog altijd zeer zwak, hoewel Ebn Thahar hem
zoo veel mogelijk troostte en aanspoorde moed te houden. „Bedenk,” zeide
hij, „dat wij, van af de plaats, waar het bootje zal aanleggen, tot
mijne woning, nog een goed eind weegs zullen moeten loopen; want om u
naar uw huis te brengen, daar is, in uwen tegenwoordigen toestand en in
dit nachtelijk uur, volstrekt geen denken aan. Wij zouden ook gevaar
loopen, door de wacht ontmoet en aangehouden te worden.”
Eindelijk werden zij aan land gezet, maar de prins had zoo weinig
kracht, dat hij volstrekt niet kon loopen, hetgeen Ebn Thahar op nieuw
in groote verlegenheid bragt. Gelukkig herinnerde hij zich, dat daar in
de nabijheid een zijner vrienden woonde; met veel moeite sleepte hij
den prins derwaarts. Ebn Thahar's vriend ontving hen zeer voorkomend,
deed hen plaats nemen, en vroeg van waar zij zoo laat kwamen. Ebn
Thahar zeide hem: „Ik vernam dezen avond, dat iemand, van wien ik eene
aanzienlijke som gelds moest hebben, plan had, om voor geruimen tijd
buitenslands te gaan. Ik spoedde mij dadelijk naar zijne woning, maar
onderweg ontmoette ik dezen jongen man, aan wien ik veel verpligting
heb. Daar hij mijn schuldenaar kende, besloot hij met mij te gaan. Eerst
vonden wij den man niet te huis, doch na eenigen tijd wachtens, kwam
hij eindelijk, en kostte het mij veel moeite, mijne schuld binnen te
krijgen. Zoo doende is het veel later geworden, dan wij gedacht hadden.
In het naar huis gaan werd mijn jonge vriend plotseling ongesteld, en
daar wij hier digt bij waren, heb ik de vrijheid genomen aan te kloppen.
Ik vlei mij, dat gij ons voor dezen nacht wel zult willen herbergen.”
De vriend stelde zich met dit vertelseltje tevreden, heette hen welkom,
en bood den prins alle hulp aan, welke hij mogt verlangen. Ebn Thahar
verklaarde echter, dat voor diens kwaal alleen rust noodig was. De
vriend wees hun daarop terstond eene slaapkamer aan, waarna zij zich
spoedig te bed begaven. De prins van Perzië bragt den nacht zeer
onrustig door, en kon den slaap niet vatten. Sluimerde hij even in,
dan werd hij gekweld door akelige droomen, die hem Schemselnihar
voorstelden, zooals zij daar in zwijm lag voor de voeten van zijn
medeminnaar den kalif, die haar door zijne liefkozingen in het leven
trachtte terug te roepen. Ebn Thahar sliep ook weinig, bedenkende dat
zijne huisgenooten over zijn lang uitblijven zeer ongerust zouden zijn.
Hij kleedde zich aan, zoodra het dag werd, nam van zijnen vriend, die
ook reeds was opgestaan om zijn morgengebed te verrigten, afscheid, en
spoedde zich met den prins naar zijne woning. Aboul-Hassan was zoo
vermoeid, dat hij terstond op eene sofa nederzeeg, en Ebn Thahar
dadelijk eene kamer voor hem in gereedheid liet brengen, terwijl hij
iemand naar des prinsen woning zond, om zijne bedienden omtrent zijn
lang uitblijven gerust te stellen. Inmiddels wendde hij alles aan, om
den prins tot kalmte te brengen, en verzocht dezen, over hem en zijn
huis vrijelijk te beschikken. „Ik neem uw vriendelijk aanbod met vreugde
aan,” zeide Aboul-Hassan, „maar ik moet u wederkeerig verzoeken, u om
mij volstrekt geene moeite te geven, noch u daardoor van uwe zaken te
laten afhouden; want dat zou mij een groot verdriet zijn.”
Zoodra Ebn Thahar een oogenblik tijd kon vinden, deelde hij aan zijne
huisgenooten het gebeurde van dien nacht mede, en eindigde met den
hemel te danken, dat hij aan een zoo dreigend gevaar was ontkomen.
Aboul-Hassan wilde nog dien avond van zijn' vriend afscheid nemen, en
zich naar zijne woning laten overbrengen, maar Ebn Thahar zijne zwakheid
in aanmerking nemende, liet dit niet toe, en dwong hem dien nacht nog te
blijven. Den volgenden morgen liet hij hem in een draagstoel naar zijn
huis vervoeren, en toen hij zich vervolgens met den prins alleen bevond,
hield hij hem nogmaals voor oogen, hoezeer het zaak was eene liefde te
bestrijden, waardoor hij zich zelven en Schemselnihar in het ongeluk zou
storten. „Ach! mijn beste Ebn Thahar,” riep de prins, „het is voor u
gemakkelijk, mij dezen raad te geven, maar voor mij hoogst moeijelijk
dien op te volgen! Ik erken de gegrondheid uwer redeneringen, zonder ze
ten nutte te kunnen maken, en heb u reeds gezegd, dat ik de liefde,
welke ik Schemselnihar toedraag, met mij in het graf zal nemen.”
Als Ebn Thahar zag, dat hij den prins niet tot andere gedachten kon
brengen, nam hij afscheid van hem, en wilde heengaan. Maar Aboul-Hassan
hield hem terug. „Beste Ebn Thahar,” zeide hij tot hem, „indien ik u
gezegd heb, dat het niet in mijne magt staat, uwe wijze raadgevingen te
volgen, zoo smeek ik u, mij dit niet aan te rekenen als eene misdaad,
en niet op te houden, mij blijken te geven van uwe belangelooze
vriendschap, waarop ik zoo hoogen prijs stel. Ik moet nu reeds eenen
nieuwen dienst van u vergen; gij zult mij geen grooter genoegen kunnen
doen, dan mij, indien gij daaromtrent iets verneemt, tijdingen te
brengen, betreffende het lot van mijne geliefde Schemselnihar. De
onzekerheid, waarin ik omtrent haar ben, de treurige vermoedens,
die ik daaromtrent koester, houden mij in den staat van moedelooze
neêrslagtigheid, die gij mij ten kwade duidt.” „Heer!” antwoordde Ebn
Thahar, „gij kunt verwachten, dat die bezwijming geene noodlottige
gevolgen zal hebben gehad, en dat hare vertrouwde slavin niet zal dralen
mij te komen vertellen, hoe alles zich verder heeft toegedragen. Zoodra
ik daarvan onderrigt ben, zal ik niet in gebreke blijven, er u
mededeeling van te doen.”
Ebn Thahar liet den prins in deze hoop, en ging naar zijn huis, waar hij
het overige van dien dag te vergeefs op eenige tijding van Schemselnihar
wachtende bleef. Ook den volgenden morgen zag hij haar niet. De
ongerustheid, waarin hij omtrent den toestand van den prins verkeerde,
deed het hem noodzakelijk achten, niet langer te wachten, om hem te
bezoeken. Hij vond zijn' jongen vriend te bed, omringd door een groot
aantal vrienden en geneesheeren, die al hunne bekwaamheid in het werk
stelden, om de oorzaak zijner ziekte op te sporen. Toen de prins Ebn
Thahar bespeurde, zag hij hem glimlagchend aan, om hem twee zaken te
kennen te geven; ten eerste, dat hij verblijd was hem te zien, en ten
andere, hoe de doctors zich te vergeefs vermoeiden zijne ziekte te
raden, en hoe zij zich in hunne gissingen bedrogen.
Zoodra Ebn Thahar zich alleen met den prins zag, naderde hij zijne
legerstede, en vroeg hem, hoe hij zich bevond. „Ik zal u alleen zeggen,”
zeide de prins, „dat mijne nog steeds aanwakkerende liefde en de
onzekerheid omtrent het lot van de beminnelijke Schemselnihar, mijne
ongesteldheid steeds doen toenemen, en mij in een' toestand brengen, die
mijne bloedverwanten en vrienden bedroeft, en mijne geneesheeren geheel
in de war brengt. Gij zult niet kunnen gelooven,” vervolgde hij, „hoe
het mij hindert, zoo vele menschen om mij te zien, die het mij slechts
lastig maken, en die ik toch niet goedschiks kan verwijderen. Gij zijt
de eenigste, wiens gezelschap mij verligting aanbrengt; maar ik bezweer
u, verberg mij niets. Welke berigten brengt gij mij van Schemselnihar?
Is hare vertrouwde bij u geweest? Wat heeft zij tot u gezegd?” Ebn
Thahar antwoordde, dat hij haar tot heden niet had gezien. Naauwelijks
vernam de prins dit droevig nieuws, of de tranen kwamen hem in de oogen,
en zijn hart klopte zoo hevig, dat hij geen woord meer kon spreken.
„Prins,” hernam nu Ebn Thahar, „veroorloof mij u te doen opmerken,
dat gij al te gereed zijt, om u zelven te kwellen. Bij Allah, droog
uwe tranen af; een uwer huisgenooten zou op dit oogenblik kunnen
binnenkomen, en op uw gelaat de ziekte lezen, welke het zoo zeer in uw
belang is verborgen te houden.” Maar wat ook deze trouwe vriend mogt
zeggen, het was den prins niet mogelijk, zijn schreijen te weêrhouden.
„Wijze Ebn Thahar,” sprak hij, „ik kan wel mijne tong bedwingen, dat
zij het geheim van mijn hart niet verraadt, maar over mijne tranen heb
ik geene heerschappij, zoo lang ik eene zoo groote vrees koester voor
Schemselnihar. Indien dit aanbiddelijk voorwerp mijner liefde niet meer
in deze wereld was, zoo zou ik haar geen oogenblik overleven.” „Zet die
zoo droevige gedachte van u,” bragt Ebn Thahar in, „Schemselnihar leeft
nog, twijfel daar zelfs niet aan. Heeft zij nog niets van zich laten
weten, het zal haar daartoe aan de gelegenheid hebben ontbroken; en ik
heb goeden moed, dat deze dag niet zal voorbijgaan, of gij zult iets van
haar vernomen hebben.” Hij voegde hier nog verscheidene andere
troostredenen bij, waarna hij vertrok.
Ebn Thahar was nauwelijks ten zijnent teruggekeerd, of de vertrouwde van
Schemselnihar trad zijn' winkel binnen. Haar uitzigt was neêrslagtig,
hetgeen hem een slecht voorteeken toescheen. Hij vroeg haar naar den
toestand harer meesteres. „Vertel mij eerst, hoe het den prins van
Perzië gaat,” antwoordde zij, „want de omstandigheden, waarin hij zich
bij uw vertrek bevond, hebben mij veel onrust gebaard.” Ebn Thahar
deelde haar mede, wat hij noodig achtte, en toen hij geëindigd had, nam
de vertrouwde het woord aldus op: „Indien de prins van Perzië,” zeide
zij, „geleden heeft en nog lijdt om mijne meesteres, zij heeft om hem
niet minder doorgestaan. Nadat ik u verlaten had, keerde ik terug naar
de zaal, waar ik Schemselnihar in nog bewusteloozen toestand aantrof,
wat moeite men zich ook gegeven had, om haar bij te brengen. De kalif
was bij haar. Hij gaf blijken van wezentlijke droefheid, en vroeg aan al
hare vrouwen, en in het bijzonder aan mij, of wij ook met de oorzaak van
hare ongesteldheid bekend waren; doch wij bewaarden allen het geheim,
en zeiden hem geheel iets anders, dan de ons maar al te zeer bekende
waarheid. Wij verzuimden intusschen niets, om haar uit hare bedwelming
op te wekken, wat ons eindelijk omstreeks middernacht gelukte. De kalif,
die gedurende al dien tijd bij haar gebleven was, liet hierover eene
groote vreugde blijken, en vroeg met belangstelling aan Schemselnihar,
waardoor deze plotselinge ongesteldheid haar was overkomen. Zoodra zij
zijne stem hoorde, spande zij zich in, ging overeind zitten, en kuste
zijne voeten. „Heer,” sprak zij vervolgens, „ik heb mij over den hemel
te beklagen, dat mij de gunst niet is te beurt gevallen, aan de voeten
van uwe Majesteit den geest te geven, om u daardoor het bewijs te
leveren, hoezeer ik door uwe goedheid getroffen ben.”
„Ik ben overtuigd, dat gij mij bemint,” zeide de kalif, „maar ik begeer,
dat gij u uit liefde tot mij zult sparen. Gij hebt heden waarschijnlijk
te veel aan uw teeder gevoel voor mij toegegeven, en u daardoor deze
ongesteldheid berokkend. Ik bid u, u daarvoor in het vervolg te wachten.
Ik ben zeer verheugd, u nu iets beter te zien, en raad u den nacht hier
door te brengen, in plaats van naar uwe slaapvertrekken te gaan; de
beweging mogt u nadeelig zijn.” Hierop beval hij wijn te brengen,
waarvan hij haar eenige teugen te drinken gaf, om hare krachten te doen
herleven; en nam eindelijk afscheid met den wensch, dat zij spoedig
geheel hersteld mogt zijn.
Zoodra de kalif vertrokken was, gaf mijne meesteres mij een teeken, dat
ik bij haar zou komen. Zij vroeg met ongerustheid naar u beiden. Ik
verzekerde haar, dat gij reeds sedert geruimen tijd het paleis hadt
verlaten, en stelde haar alzoo op dat punt gerust. Ik wachtte mij wel,
haar van de bezwijming van den prins van Perzië te spreken uit vrees,
dat zij daardoor weder mogt instorten; maar mijne voorzorg baatte mij
niet, gelijk gij nu zult hooren. „Prins,” riep zij uit, „ik doe afstand
van alle vermaken, zoo lang ik uwe tegenwoordigheid zal moeten missen.
Indien ik uw hart goed doorgrond heb, zal ik hierin slechts uw voorbeeld
volgen. Gij zult niet ophouden tranen te storten, totdat gij mij zult
hebben wedergevonden en het is dus billijk, dat ik ween en mij bedroef,
totdat gij aan mij zult zijn teruggegeven.” Bij het eindigen dezer
woorden, waaruit de hevigheid van hare liefde bleek, viel zij op nieuw
bewusteloos in mijne armen.
Het duurde lang,” vervolgde de vertrouwde van Schemselnihar, „alvorens
wij er in slaagden, haar weder bij te brengen. „Mevrouw,” zeide ik toen,
„hebt gij dan besloten, u zelve te dooden, en ons met u te doen sterven!
Ik smeek u, in naam van den prins van Perzië, uwe gezondheid te sparen.
Verhoor mijn smeeken, laat u raden, tracht uwe droefheid te overwinnen,
gelijk gij dit aan u zelve, aan de liefde, welke de prins u toedraagt,
en aan onze genegenheid voor u verschuldigd zijt.” „Ik ben zeer
dankbaar,” hernam zij, „voor uwe zorgen, voor uwe getrouwheid en voor
uwen raad; maar helaas, kunnen zij mij van nut zijn? Er bestaat voor ons
niet de minste hoop; het is alleen in het graf, dat wij het einde van
ons lijden kunnen verwachten!” Eene van mijne gezellinnen wilde haar
eene afleiding verschaffen, door op de luit te spelen en te zingen, maar
zij legde haar het zwijgen op, en beval haar zich, gelijk de anderen,
te verwijderen. Zij hield alleen mij gedurende den nacht bij zich. O,
hemel, welk een' nacht! Zij bragt dien schreijende en zuchtende door,
noemde zonder ophouden den prins van Perzië, en beklaagde zich over de
wreedheid van het noodlot, dat haar voor den kalif bestemd had, dien zij
niet kon beminnen, en niet voor hem, wien zij radeloos liefhad.
Daar,” vervolgde de vertrouwde, „mijne meesteres zich in de zaal niet
genoeg op haar gemak bevond, ging zij den volgenden morgen, op mijnen
arm leunende, naar haar vertrek. Naauwelijks waren wij daar, toen, op
bevel van den kalif, alle geneesheeren van het paleis haar kwamen
bezoeken. Niet lang daarna kwam ook de kalif zelf. De middelen, welke
de doctors aan Schemselnihar voorschreven, hadden volstrekt geene
uitwerking, daar zij met de oorzaak van hare kwaal onbekend waren,
terwijl de tegenwoordigheid van den kalif hare ongesteldheid nog deed
toenemen. Evenwel heeft zij dezen nacht eenige uren geslapen. Bij haar
ontwaken gelastte zij mij, naar u te gaan, ten einde eenig berigt
omtrent den prins van Perzië in te winnen.”
„Ik heb u reeds medegedeeld, in welken toestand hij zich bevindt,”
hernam Ebn Thahar, „keer dus terug naar uwe meesteres, en verzeker haar,
dat de prins met even groot verlangen naar tijding van haar uitziet, als
zij die van hem verwacht. Spoor haar echter in het bijzonder aan, hare
gemoedsbewegingen te matigen en te bedwingen, opdat haar niet welligt
een woord ontvalle, dat ons allen in het verderf zou kunnen storten.”
„Wat mij betreft,” hernam de vertrouwde, „ik zal niet ontkennen, dat ik
voor haar het ergste vrees, zooals ik haar ook reeds gezegd heb, en ik
ben overtuigd, dat zij het niet kwalijk zal opnemen, wanneer ik haar
nogmaals uit uwen naam tot kalmte aanspoor.”
Ebn Thahar, door belangrijke zaken opgehouden, die hij onmogelijk kon
uitstellen, wachtte tot den avond om den prins het ontvangen berigt mede
te deelen. Hij vond hem alleen, en niet beter, dan hij hem dien morgen
had verlaten. „Ebn Thahar,” sprak Aboul-Hassan, „gij hebt zeker vele
vrienden, maar zij kennen uwe waarde niet, gelijk mij die blijkt uit
uwen ijver, en uit de moeite, die gij u geeft, om mij van dienst te
zijn. Ik ben verlegen over al de zorg, welke gij u om mijnentwil
getroost, en weet niet, hoe ik u dit immer zal kunnen vergelden.”
„Prins,” antwoordde Ebn Thahar, „ik bid u, laat ons daarover niet
spreken; ik ben niet alleen bereid een mijner oogen te missen, om er u
een te doen behouden, maar zelfs zou ik mijn leven voor het uwe willen
opofferen. Doch daarvan is op dit oogenblik geen sprake. Ik kom u alleen
berigten, dat Schemselnihar hare vertrouwde tot mij heeft gezonden om
naar u te vragen, en tevens om mij van haren toestand berigt te geven.
Gij kunt wel denken, dat ik haar niets anders gezegd heb, dan hetgeen
haar moet bevestigen in hare overtuiging van de innigheid uwer liefde en
van de standvastigheid, waarmede gij haar bemint. Ik had geene vrees,
daaromtrent te veel te zeggen.”
Verder deelde hij den prins mede, alles wat hij nog aan de vertrouwde
slavin gezegd had. De prins hoorde hem met verschillende aandoeningen
van vrees, jalousie, teederheid en mededoogen aan, naarmate het
gesprek van Ebn Thahar daartoe aanleiding gaf. Nu eens kwam hij met
ontmoedigende, dan weder met troostrijke opmerkingen tusschenbeide,
zooals men dit van zulk een' hartstogtelijken minnaar moest verwachten.
Het onderhoud duurde tot diep in den nacht, en de prins van Perzië dwong
zijn' vriend, bij hem te overnachten.
Den volgenden morgen naar huis gaande, zag Ebn Thahar eene vrouw loopen,
in welke hij de vertrouwde van Schemselnihar meende te herkennen. Hij
bedroog zich niet; zij kwam naar hem toe, en zeide: „Mijne meesteres
laat u groeten; ik kom u uit haren naam verzoeken mij gelegenheid te
geven, dezen brief aan den prins van Perzië ter hand te stellen.” De
getrouwe en ijverige vriend bedacht zich niet lang, maar keerde op
staanden voet door de slavin vergezeld naar Aboul-Hassan terug.
Toen Ebn Thahar de woning van den prins van Perzië binnentrad, liet hij
de vertrouwde van Schemselnihar in de voorkamer gaan, en verzocht haar,
daar een oogenblik te wachten. Zoodra de prins hem zag, vroeg hij met
drift, wat nieuws hij te brengen had. „Het beste, dat gij zoudt kunnen
verlangen,” antwoordde Ebn Thahar, „zij bemint u even zeer, als gij haar
bemint. De vertrouwde van Schemselnihar is in uwe voorkamer, zij heeft
een' brief van hare meesteres voor u, en wacht slechts op uwe bevelen,
om voor u te verschijnen.” „Laat zij binnen komen!” riep de prins in
geestverrukking, en dit zeggende ging hij overeind zitten, om haar te
ontvangen.
De bedienden van Aboul-Hassan hadden, toen zij Ebn Thahar zagen
binnentreden, het vertrek verlaten, teneinde hem in vrijheid met hunnen
meester te laten spreken. Ebn Thahar deed dus zelf de deur open, en liet
de vertrouwde binnen komen. De prins herkende haar terstond, en ontving
haar zeer vriendelijk. „Heer,” zeide zij tot hem, „ik weet alles, wat
gij geleden hebt, sinds ik de eer had u de boot aan te wijzen, die u in
veiligheid moest brengen; maar ik hoop, dat de brief, welken ik voor u
medebreng, in staat zal zijn uwe genezing te bewerken.” Dit zeggende,
reikte zij hem den brief over; hij nam dien, drukte er duizend kussen
op, opende hem, en las als volgt:
_„Schemselnihar aan den prins van Perzië._
_De persoon, welke u dezen brief zal ter hand stellen, kan u beter
van mijnen toestand onderrigten dan ik zelve, want sedert ik u niet
meer bij mij mag zien, ben ik geen mensch meer. Verstoken van uw
bijzijn, tracht ik mij zelve te misleiden, door mij schriftelijk
met u te onderhouden, met hetzelfde vermaak alsof ik het geluk had,
persoonlijk met u te spreken._
_Men zegt, dat het geduld een geneesmiddel voor alle kwalen is,
niettemin worden de mijnen er niet door verligt, maar integendeel
verergerd. Hoewel uwe beeldtenis in mijn hart staat gegrift,
wenschen toch mijne oogen onophoudelijk de persoon zelf te
aanschouwen, en zij zullen, daarvan lang verstoken blijvende, al
hun' glans verliezen. Mag ik mij vleijen, dat de uwen met een gelijk
ongeduld begeeren mij te zien? Ja, dat kan ik; zij hebben mij dit
genoeg te kennen gegeven! Wat zou Schemselnihar, en wat zoudt gij,
mijn waarde prins, gelukkig wezen, indien aan mijne wenschen, die
zoo zeer met de uwe instemmen, geene onoverkomelijke hinderpalen in
den weg stonden! Die moeijelijkheden bedroeven mij te meer, daar zij
ook voor u zoo smartelijk zijn._
_Deze gevoelens, welke mijne hand nederschrijft, en die ik met een
ongeloofelijk zielsgenot op het papier stel, ja die ik honderdmalen
zou kunnen herhalen, komen voort uit het diepste van mijn hart en
uit de ongeneeselijke wond, welke uwe liefde daarin veroorzaakt
heeft; eene wond die ik duizendmalen zegen, hoe wreed zij mij ook
kwelt. Ik zou al wat zich verzet tegen onze liefde gering achten,
indien het mij slechts veroorloofd ware, u nu en dan in volle
vrijheid te zien. Gij zoudt daardoor geheel de mijne zijn; en wat
zou ik meer kunnen verlangen?_
_Geloof niet, dat mijne woorden meer zeggen, dan ik gevoel. Neen
in tegendeel, zij zijn te zwak om u mijne gedachten geheel te doen
kennen! Mijne oogen waaruit onophoudelijk tranen vloeijen, mijn
treurend hart, dat niets begeert dan alleen u, de zuchten die
mijne borst ontsnappen, mijne verbeelding, die zich met niets
dan met mijn' geliefden prins bezighoudt, en de droefheid, de
bekommernissen, de folteringen, die mij geen oogenblik rust laten,
sedert ik uw dierbaar bijzijn missen moet, dat alles getuigt van
mijne onuitsprekelijke liefde._
_Ben ik niet diep ongelukkig, geboren te zijn om te beminnen, zonder
hoop hem, dien ik bemin den mijnen te mogen noemen? Deze treurige
gedachte overstelpt mij en zou mij dooden, indien ik niet verzekerd
ware, dat gij mij bemint. Deze zoete troost matigt mijne wanhoop, en
doet mij nog aan het leven hechten. Schrijf mij, dat gij mij altoos
zult blijven liefhebben. Ik zal uwen brief als een talisman op mijn
hart dragen en bewaren; ik zal hem elken dag duizendmaal lezen, en
mijn lijden met minder ongeduld dragen. Ik smeek den hemel, ons
gunstiger te zijn, en ons de gelegenheid te doen vinden, elkander in
vrijheid te kunnen zeggen, hoe teeder wij elkaar beminnen en lief
zullen hebben tot in het graf. Vaarwel, mijn prins! Groet Ebn
Thahar, aan wien wij beiden eene zoo groote verpligting hebben.”_
De prins van Perzië stelde zich niet tevreden dezen brief éénmaal te
lezen, hij herlas dien nog verscheidene malen, en naarmate hij door de
daarin voorkomende woorden getroffen werd, zag men hem schreijen of
glimlagchen, gaf hij teekenen van droefheid of van vreugde. Hij kon
niet ophouden op de woorden te turen, die eene hem zoo dierbare hand
geschreven had, en hij zou daarmede niet hebben geëindigd, indien niet
Ebn Thahar hem herinnerd had, dat de tijd van de vertrouwde slavin
beperkt was, en hij er dus aan moest denken den brief te beantwoorden.
„Ach!” riep de prins, „hoe wilt gij, dat ik zal antwoorden? Hoe zal ik
mij geregeld kunnen uitdrukken in de verwarring, waarin zich mijne ziel
bevindt? Mijn geest wordt geschokt door duizenderlei wreede gedachten;
en mijne zinnen zijn verward. Ook mijn ligchaam lijdt daaronder, mijne
bevende hand kan geene pen besturen!” Dus sprekende, nam hij echter een
blad papier met eene pen, en ving aan te schrijven, hoewel de tranen,
die op het papier vielen, hem meermalen verpligtten, de pen voor een
oogenblik te laten rusten. Eindelijk kwam hij met zijn' brief klaar, en
dien aan Ebn Thahar gevende, sprak hij: „Lees dit, als ik u verzoeken
mag, en zeg mij of de verwarring, waarin zich mijn geest bevindt, mijn
antwoord niet onverstaanbaar heeft doen worden.” Ebn Thahar nam den
brief en las als volgt:
_„Antwoord van den prins van Perzië aan Schemselnihar._
_Toen mij uw brief overhandigd werd, verkeerde ik in eene doodelijke
droefheid. Het gezigt daarvan vervulde mij echter met eene
onuitsprekelijke blijdschap, en bij het aanschouwen der letters,
door uwe schoone hand voortgebragt, ontvingen mijne oogen een nieuw
licht, schitterender dan hetgeen zij hadden verloren, toen de uwen
sloten aan de voeten van mijnen medeminnaar. Ieder woord van uwen
brief werd een lichtstraal, eene flonkerende ster in de nachtelijke
duisternis, waarin mijne ziel gehuld was. Zij onderrigtten mij,
hoeveel gij uit liefde tot mij hebt geleden, en geven mij tevens
de overtuiging, dat gij niet onbekend zijt met mijne liefde voor
u. Nu eens doen zij mijne tranen bij stroomen vloeijen, dan weder
ontsteken zij in mijn hart een' vuurgloed, die het doet branden
zonder het te verteren, en mij behoeden om van droefheid te sterven.
Sedert onze scheiding heb ik geen rustig oogenblik gehad; mijne ziel
is bekommerd over u; hoe kan zij dan rust vinden? Uw brief echter
geeft mij eenige verligting. Ik was wanhopend; hij heeft mijne
hoop eenigzins doen herleven. Ik lag in diepe droefheid ter neêr
gedompeld, hij heeft mijn hart van vreugde doen kloppen, blijdschap
schittert uit mijne oogen en blinkt op mijn gelaat. Ja, mijne
verrassing is zoo groot, dat ik niet wist, hoe te moeten beginnen,
om er u mijnen dank voor te betuigen. Ik bragt uwe letteren aan
mijne lippen, ik kuste ze als een waardig pand van uwe liefde; ik
heb ze gelezen en herlezen, en ben opgetogen over de grootheid van
mijn geluk! Gij wilt weten, of ik u voor altoos bemin? O! is het wel
noodig u dit te zeggen, na al de blijken, die gij mij geeft van eene
liefde, waarop ik niet durfde hopen. Ja, ik bemin u, mijne tweede
ziel, en ik zal er mijn' hoogste roem in stellen, mijn leven lang
het vuur te onderhouden, dat gij in mijn hart ontstoken hebt. Ik zal
mij nimmer beklagen, wat mij daardoor ook moge overkomen. Eeuwig zal
ik u liefhebben! Dat gij mij uwe wederliefde niet onwaardig keurt,
aanbiddelijke Schemselnihar, dat zal mij kracht geven, ook het
zwaarste lijden met geduld te dragen. Slechts als gij kondet
ophouden mij lief te hebben, dan zou mijn doodvonnis geveld zijn,
want ik zou den hemel zien instorten, dien gij in uwen brief voor
mij geopend hebt. Ach, ware het oogenblik reeds daar, dat ik in uwe
schoone oogen de bevestiging kon lezen, van hetgeen uwe hand mij
schrijft. Ja mogt het den hemel behagen, dat mij dit geluk nog heden
te deel viel, en dat, in plaats van u mijnen brief te zenden, het
mij geoorloofd werd u in persoon de verzekering te geven, dat ik
van liefde voor u sterf! Mijne tranen beletten mij voort te gaan.
Vaarwel.”_
Ebn Thahar kon bij het lezen van deze regels zijne tranen niet
bedwingen. Hij gaf den brief aan den prins terug, met de verzekering,
dat hij er niets in vond te verbeteren. De prins wenkte nu de vertrouwde
van Schemselnihar, dat zij bij zijn bed zou komen. „Ziehier,” zeide hij,
„het antwoord op het schrijven van uwe beminnelijke meesteres; stel haar
dit ter hand, en breng haar mijne groete over.” De vertrouwde slavin
boog zich voor den prins, en vertrok te gelijk met Ebn Thahar.
Toen de drogist te huis kwam, en ernstig nadacht over de minnarijen,
waarin men hem gewikkeld had, begon hij zich daarover zeer ongerust te
maken. Hij vreesde, dat de prins van Perzië en Schemselnihar, door de
hevigheid hunner hartstogten medegesleept, eene onvoorzigtigheid begaan
mogten, waardoor hunne wederkeerige liefde aan den kalif ontdekt werd.
Hij maakte, als een met zijn verstand raadplegend man, hieruit deze
gevolgtrekking op: „Ware Schemselnihar,” zeide hij tot zichzelven, „eene
gewone vrouw, ik zou er geene zwarigheid in vinden, hun beider geluk te
bevorderen; maar zij is de beminde van den kalif, en niemand zal zich
ongestraft kunnen verstouten, het oog op de uitverkorene van den sultan
te werpen. Bij eene ontdekking zal zijn toorn in de eerste plaats
Schemselnihar treffen, en vervolgens aan den prins van Perzië het leven
kosten, terwijl ik in zijn ongeluk betrokken zal worden. En echter heb
ik mijne eer, mijne rust, mijne familie en mijne goederen te bewaren;
het is daarom zaak, nu dit nog in mijne magt is, mij aan zulk een groot
gevaar te onttrekken.”
Dergelijke gedachten maalden hem den geheelen dag door het hoofd. Den
volgenden morgen ging hij naar den prins van Perzië, met het doel nog
eene laatste poging aan te wenden, om dezen van zijne gevaarvolle liefde
te doen afzien. Hij stelde hem ten dien einde nogmaals al de bezwaren
voor oogen, die hij reeds vroeger te vergeefs had aangevoerd, en hield
hem voor, dat hij veel beter zou doen al zijne krachten aan te wenden,
om zijne hartstogtelijke liefde voor Schemselnihar te onderdrukken, dan
daaraan voedsel te geven, en dat deze zijne neiging te gevaarlijker was,
door de onbeperkte magt van zijnen medeminnaar, die zich gewis niet
ongestraft zou laten honen. „Om kort te gaan, heer,” vervolgde hij,
„indien gij mij gelooven, en den raad van een' man van ondervinding, die
tevens uw vriend is, aannemen wilt, zoo wees op niets anders bedacht,
dan uwe liefde te overwinnen. Doet gij dit niet, dan zult gij niet
slechts u zelven in het verderf storten; maar ook Schemselnihar, wier
leven en geluk u boven alles dierbaar behooren te zijn. Ik geef u dezen
raad als vriend, en de dag zal komen, dat gij dit erkennen en er mij
voor danken zult.”
De prins van Perzië hoorde Ebn Thahar met blijkbaar ongeduld aan. Hij
liet hem echter uitspreken, maar nu op zijne beurt het woord opnemende,
zeide hij: „Ebn Thahar, gelooft gij werkelijk, dat ik zou kunnen
ophouden Schemselnihar te beminnen, die mij zoo teeder liefheeft? Zij
ontziet zich niet, haar leven voor mij in gevaar te stellen, en gij
wilt, dat ik bezorgd zal zijn voor het mijne? Neen, wat rampen daaruit
ook voor mij zullen kunnen voortspruiten, ik wil Schemselnihar beminnen
tot mijn' laatsten ademtogt.”
Ebn Thahar, verstoord over de halstarrigheid van den prins van Perzië,
ging in drift heen, en keerde naar zijne woning terug. De denkbeelden
van den vorigen dag kwamen hem nu weder voor den geest, en hij dacht
er ernstig over na, wat hem thans, in zijn eigen belang en in dat van
zijn huisgezin, te doen stond. Daarmede bezig, kwam een zijner beste
vrienden, een juwelier, hem bezoeken. Deze had opgemerkt, dat de
vertrouwde van Schemselnihar zeer dikwijls bij Ebn Thahar kwam, en dat
de laatste dan altijd den prins van Perzië ging bezoeken, over wiens
ziekte vele praatjes gingen, zonder dat men echter met de ware oorzaak
bekend was. De juwelier wilde hier meer van weten, vermoedende, dat er
achter dat alles een gewigtig geheim schuilde. Om daar achter te komen,
begon hij een onderwerp aan te roeren, dat naar zijn oordeel welligt
doel zou treffen. „Wat moet toch,” vroeg hij regt op den man af, „de
vertrouwde van Schemselnihar van u hebben; ik zie haar bijna dagelijks
hier ingaan?” Deze vraag bragt Ebn Thahar in verlegenheid, en niet voor
de waarheid willende uitkomen, zeide hij, dat zij, wel is waar, dikwijls
daar kwam, doch in den regel slechts over nietige zaken te spreken had.
„Gij zijt heden niet opregt met mij,” hernam de juwelier, „en door uwe
omwegen zult gij mij doen gelooven, dat die nietigheden zaken van veel
grooter gewigt zijn, dan ik mij eerst had voorgesteld.”
Ebn Thahar, dus in de engte gedreven, erkende thans, dat de zaak
werkelijk van het hoogste gewigt was. „Ik had besloten,” zeide hij,
„daaromtrent het striktste stilzwijgen in acht te nemen, doch daar ik
weet, dat gij een opregt belang stelt in alles wat mij aangaat, wil ik u
de zaak liever mededeelen, dan dat gij, door daar naar te raden, er een
onjuist denkbeeld van zoudt opvatten. Geheimhouding wil ik u zelfs niet
aanbevelen, daar gij zelf van de noodzakelijkheid daarvan overtuigd
zult worden.” Na deze voorafspraak deelde hij hem de minnarijen van
Schemselnihar en den prins van Perzië mede. „Gij weet,” vervolgde hij,
„hoezeer ik aan het hof en in de stad gezien ben; welk eene schande zou
het dan voor mij zijn, indien deze liefdesgeschiedenis bekend werd? Wat
zeg ik! Zou ik niet verloren zijn, en mijne geheele familie met mij?
Ziedaar, wat mij de meeste zorg baart, en een besluit heeft doen nemen,
zooals ik dit aan mij zelven en aan mijn gezin verschuldigd ben. Ik zal
mijne zaken vereffenen, mijne goederen in zekerheid brengen, en naar
Balsora vertrekken, om aldaar te blijven tot het onweder, dat ik zie
opkomen, zal zijn voorbij gedreven. De vriendschap, welke ik voor den
prins van Perzië en voor Schemselnihar koester, maakt mij zeer gevoelig
voor het ongeluk, dat hen dreigt. Ik zal Allah bidden, hun het gevaar
te doen inzien en hen te bewaren; maar is het de wil van hun kwaad
gesternte, dat de kalif met hunnen minnehandel bekend wordt, zoo zal
_ik_ althans in veiligheid zijn.”
De juwelier hoorde deze mededeeling van Ebn Thahar met verbazing aan.
„Wat gij mij daar verhaalt,” zeide hij, „is van zoo groot gewigt, dat
ik mij niet kan begrijpen, hoe Schemselnihar en de prins van Perzië
zich zoo blindelings door hunnen hartstogt laten leiden; hoe sterk die
ook wezen moge, zij hadden daaraan weêrstand moeten bieden, en, in
plaats van zich er lafhartig aan over te geven, een beter gebruik
van hun verstand behooren te maken. Moesten zij niet gedacht hebben
aan de te geduchte gevolgen van zulke ongeoorloofde minnarijen. Hoe
betreurenswaardig is hunne verblinding! Ik zie daarvan met u de gevolgen
in. Maar gij zijt een wijs en voorzigtig mensch, en ik moet uw besluit
goedkeuren, daar dit de eenigste weg is, om u te onttrekken aan de
noodlottige gebeurtenissen, welke gij anders te vreezen hebt.” Na dit
onderhoud stond de juwelier op, maar alvorens hij heenging, bezwoer Ebn
Thahar, hem bij hunne wederzijdsche vriendschap, zich toch aan niemand
een woord te laten ontvallen van alles, wat hij gehoord had. „Wees
daaromtrent gerust,” zeide de juwelier, „ik zal uw geheim bewaren, zelfs
met gevaar van mijn leven.”
Twee dagen na deze zamenkomst kwam de juwelier voorbij den winkel van
Ebn Thahar, en ziende dat deze gesloten was, twijfelde hij niet, of zijn
vriend had aan zijn voornemen gevolg gegeven. Om daar zeker van te zijn,
vroeg hij echter aan een' der buren, of deze hem ook wist te zeggen,
waarom de winkel van den drogist gesloten was. De buurman antwoordde,
daarvan niets anders te weten, dan dat Ebn Thahar zich op reis had
begeven. De juwelier wist nu genoeg, en dacht daarbij aan den prins van
Perzië. „Ongelukkige prins,” sprak hij bij zich zelven, „hoe zeer zal
het u bedroeven, indien u deze tijding ter ooren komt! Door wiens
tusschenkomst zult gij nu uwe liefdesbetrekkingen met de bekoorlijke
Schemselnihar voortzetten! Ik vrees, dat gij van wanhoop zult sterven;
ik heb mededoogen met u, en wil trachten u te vergoeden, wat gij
verloren hebt aan eenen al te vreesachtigen vriend en vertrouweling.”
De zaak, waarvoor de juwelier was uitgegaan, had niet veel te beduiden;
hij liet die op haar beloop, en begaf zich naar den prins van Perzië,
hoewel hij met dezen niet verder bekend was, dan dat hij een of twee
malen eenige edelgesteenten aan hem had verkocht. Hij gaf aan den
portier zijn' naam op, en verzocht hem aan zijn' meester te willen
zeggen, dat hij hem over eene zaak van het uiterste gewigt wenschte
te spreken. De bediende kwam weldra terug, zeide den juwelier hem te
volgen, en bragt hem in de kamer van den prins. Aboul-Hassan lag in
half zittende houding op eene sofa, met het hoofd in de kussens. Toen
de juwelier binnentrad, rigtte hij zich op, heette hem welkom, en vroeg
hem naar de reden van zijne komst. „Prins,” antwoordde de juwelier,
„ofschoon ik de eer niet heb, u persoonlijk bekend te zijn, zoo is het
toch alleen belangstelling in uw lot, dat mij de vrijheid heeft doen
nemen hier te komen, om u eene tijding mede te deelen, die u treffen
zal. Ik vlei mij, dat gij, om mijne goede bedoelingen daarmede, mijne
stoutmoedigheid vergeven zult.”
Vervolgens ging de juwelier tot de zaak zelve over. „Er bestaat,” sprak
hij verder, „tusschen Ebn Thahar en mij, eene zeer naauwe vriendschap.
Ik weet, dat hij ook uw vriend is, en dat hij zich tot dus verre
beijverd heeft, u waar hij kon, van dienst te zijn; zooals ik uit zijn'
eigen mond heb vernomen; want wij hebben geene geheimen voor elkander.
Zoo even kwam ik voorbij zijnen winkel, en tot mijne verwondering zag
ik, dat deze gesloten was. Ik vervoegde mij tot een' zijner buren, om
dezen naar de oorzaak daarvan te vragen. Hij antwoordde mij, dat Ebn
Thahar voor een paar dagen bij hem en de andere buren was geweest, om
afscheid te nemen, en tevens om hun zijne diensten aan te bieden, indien
zij te Balsora iets te bestellen hadden, daar hij voor eene belangrijke
zaak derwaarts op reis wilde gaan. Ik was met dit antwoord niet voldaan,
en het belang, dat ik in Ebn Thahar stel, doet mij de vrijheid nemen u
te vragen, of gij mij ook iets anders omtrent dit overhaast vertrek
zoudt kunnen mededeelen.”
Op deze toespraak, welke de juwelier dus had ingerigt, om tot zijn doel
te geraken, veranderde de prins van Perzië van kleur, en de droefheid
was op zijn gelaat te lezen. „Hetgeen gij mij daar zegt,” zeide hij,
„verrast mij; er zou mij geen grooter ongeluk kunnen treffen. Ja,”
vervolgde hij, terwijl de tranen hem in de oogen schoten, „indien het
waar is, wat gij mij daar verhaald hebt, dan is het met mij gedaan. Ebn
Thahar, mijn eenigste troost, hij, in wien ik al mijne hoop stelde, zou
mij verlaten hebben? Na zulk een' wreeden slag, heeft het leven voor mij
geene waarde meer!” De juwelier behoefde niets meer, dan aan te hooren,
om overtuigd te zijn, hoe hevig de hartstogt van den prins was, waarvan
Ebn Thahar hem gesproken had. Bloote vriendschap spreekt zulk eene taal
niet; het is alleen de liefde, welke ons dergelijke levendige gevoelens
kan inboezemen.
De prins verzonk na deze kortstondige overspanning in een droefgeestig
gepeins; doch spoedig daarna het hoofd opheffende, riep hij een' zijner
bedienden. „Ga,” zeide hij tot dezen, „naar het huis van Ebn Thahar;
spreek met een der dienstboden, en vraag of het waar is, dat zijn heer
naar Balsora is vertrokken. Loop zoo hard gij kunt, en breng mij
spoedig berigt daaromtrent.” Gedurende de afwezigheid van den bediende,
trachtte de juwelier den prins over onderscheidene zaken te onderhouden;
maar Aboul-Hassan gaf daar naauwelijks acht op. Hij was ten prooi aan
eene doodelijke ongerustheid, nu eens kon hij niet gelooven, dat Ebn
Thahar op reis gegaan was, dan weder twijfelde hij daar niet aan, zich
het laatste gesprek herinnerende, dat die goede vriend met hem gehouden
had, en zijn daarop gevolgd haastig vertrek.
Eindelijk kwam de bediende terug, en berigtte, dat een der knechten van
Ebn Thahar hem gezegd had, zijn heer niet meer te Bagdad was, maar zich
op reis bevond naar Balsora. „Terwijl ik nu,” vervolgde hij, „het huis
van Ebn Thahar verliet, hield eene slavin mij staande; zij vroeg of ik
niet uw dienaar was. Ik beäamde dit, en toen verzocht zij, met mij te
mogen gaan, daar zij u wenschte te spreken. Zij is in de voorkamer, en
ik geloof, dat zij aan u een' brief van eene aanzienlijke persoon te
overhandigen heeft.” De prins beval om haar dadelijk bij hem te laten;
hij twijfelde niet of het zou de vertrouwde slavin van Schemselnihar
zijn, en zij was het inderdaad. De juwelier herkende haar als degene,
welke hij meermalen bij Ebn Thahar had zien binnengaan. Zij zou op geen
geschikter oogenblik hebben kunnen komen, om den prins van Perzië van
wanhopige uitersten terug te houden. Binnentredende groette zij hem.
Aboul-Hassan beantwoordde haren groet, terwijl de juwelier was opgestaan
en zich eenigzins ter zijde had begeven, om haar vrijheid tot spreken
te laten. De prins onderhield zich eenige oogenblikken met de slavin,
waarna zij afscheid nam en vertrok. Zij verliet hem echter geheel
anders, dan hij vóór hare komst was. Zijne oogen hadden hunnen glans
hernomen, en zijn gelaat stond vrolijker, hetgeen den juwelier deed
veronderstellen, dat zij hem eene voor zijne liefde gunstige tijding had
gebragt.
Nadat de juwelier zijne vorige plaats weder had ingenomen, zeide hij
met een' glimlach op het gelaat: „Naar ik zie, prins, hebt gij gewigtige
zaken aan het paleis van den kalif.” Verwonderd en ontsteld over dezen
uitval van den juwelier, gaf Aboul-Hassan hem ten antwoord: „Waaruit
maakt gij op, dat ik zaken heb in het paleis van den Beheerscher der
geloovigen?” „Ik besluit daartoe,” hernam de juwelier, „uit de slavin,
welke zoo even heenging.” „En aan wie gelooft gij, dat die slavin
behoort,” vroeg de prins. „Aan Schemselnihar, de beminde van den kalif,”
antwoordde de juwelier. „Ik ken,” vervolgde hij, „deze slavin en ook
hare meesteres, welke somtijds in mijn' winkel komt, om edelgesteenten
te koopen. Ik weet ook, dat Schemselnihar geene geheimen heeft voor deze
slavin, welke ik in de laatste dagen meermalen op de straat heb zien
omdwalen, en zulks, naar het mij toescheen, in eene zeer verlegene
houding. Dit doet mij denken dat het voor eene belangrijke zaak is,
welke hare meesteres aangaat.”
Deze gezegden van den juwelier bragten den Prins van Perzië in groote
verlegenheid. „Hij zou aldus niet spreken,” dacht hij bij zich zelven,
„indien hij niet eenige vermoedens omtrent mijn geheim had, of daar niet
mede bekend was.” Niet wetende, hoe in dit geval te moeten handelen,
bewaarde hij een oogenblik het stilzwijgen, doch zich daarop tot den
juwelier wendende, zeide hij: „Gij zegt mij daar zaken, die mij doen
vermoeden, dat gij nog meer weet, dan gij gezegd hebt. Het is intusschen
voor mijne rust noodzakelijk, dat ik daaromtrent in het zekere ben.
Verberg dus, als ik u bidden mag, niets voor mij?”
De juwelier wenschte niets liever, en deelde nu aan den prins het
onderhoud mede, dat hij met Ebn Thahar gehad had. Hij vergat daarbij
niet, hem te zeggen dat Ebn Thahar, bevreesd door het gevaar dat ook
hij door hunne liefdesbetrekkingen liep, hem zijn plan had medegedeeld,
om naar Balsora te vertrekken, en aldaar te blijven tot het onweder,
dat hij zag opkomen, zou zijn overgedreven. „Hieraan,” vervolgde de
juwelier, „heeft hij thans gevolg gegeven. Het bevreemdt mij, dat hij
heeft kunnen besluiten, u te verlaten in den toestand, waarin gij u
bevondt. Wat mij betreft, prins, ik moet u bekennen, dat ik medelijden
met u gevoel. Ik kom u daarom mijne diensten aanbieden, en wilt gij mij
uw vertrouwen schenken, dan zal ik u nog meer getrouwheid toonen dan Ebn
Thahar. Ik beloof u daarenboven meer standvastigheid, en ben gereed niet
alleen mijne goederen, maar zelfs mijn leven voor u op te offeren! En
opdat gij aan mijne opregtheid niet moogt twijfelen, zoo zweer ik u bij
het heiligste, dat onze godsdienst heeft, dat ik uw geheim ongeschonden
zal bewaren. Wees dus verzekerd, prins, dat gij in mij den vriend
zult terugvinden, dien gij aan Ebn Thahar hebt verloren.” Dit gesprek
boezemde den prins van Perzië moed in, en troostte hem over het gemis
van zijn' vorigen vertrouweling. „Ik ben regt verblijd,” zeide hij tot
den juwelier „in u den man te vinden, door wien ik het door mij geleden
verlies kan herstellen, of althans minder zal gevoelen. Ik weet geene
uitdrukkingen te vinden, voldoende om u mijnen dank te betuigen voor uw
verpligtend aanbod, en zal Allah bidden, dat hij die edelmoedigheid
vergelde. Kunt gij gelooven,” ging hij voort, „dat de vertrouwde
van Schemselnihar mij reeds over u gesproken heeft? Zij heeft mij
gezegd, dat gij het waart, die aan Ebn Thahar den raad gaaft, Bagdad te
verlaten. Zij zeide mij dit bij haar vertrek, en scheen zeker van hare
zaak te zijn. Maar men laat u geen regt wedervaren; ik ben thans ten
volle overtuigd, dat zij zich moet bedrogen hebben.” „Prins,” hernam de
juwelier, „ik heb u mijn gesprek met Ebn Thahar medegedeeld; het is waar
dat ik, toen hij mij verklaarde naar Balsora te willen gaan, mij tegen
dat plan niet verzet heb, en dat ik hem als een wijs en voorzigtig man
prees; maar dit moet u niet terughouden mij uw vertrouwen te schenken.
Ik ben bereid u met ijver van dienst te zijn. Mogt gij er echter anders
over denken, dit zal mij niet beletten uw geheim heilig te bewaren,
gelijk ik u gezworen heb.” „Ik heb u reeds gezegd,” hernam de prins,
„dat ik geen geloof hecht aan hetgeen de vertrouwde mij dienaangaande
gezegd heeft. Het is haar ijver, welke haar dit ongegrond vermoeden
heeft doen opvatten, en gij moet haar dit met mij vergeven.”
Dit gesprek werd nog eenigen tijd voortgezet. Te zamen beraadslaagden
zij over de geschiktste middelen, om de briefwisseling van den prins
met Schemselnihar te onderhouden. Daarin stemden zij overeen, dat
er moest worden begonnen, om de vertrouwde slavin van hare dwaling
terug te brengen. De prins beschouwde dit als eene gemakkelijke zaak,
waarmede hij zich belastte; zelfs zou hij haar verzoeken de brieven of
boodschappen, welke zij voor hem mogt hebben, voortaan bij den juwelier
te bezorgen. Want kwam de vertrouwde van Schemselnihar te dikwijls ten
huize van den prins, dit zou ligt tot vermoedens en tot eene ontdekking
kunnen leiden. Eindelijk stond de juwelier op, en na den prins nogmaals
verzocht te hebben het volste vertrouwen in hem te stellen, vertrok hij.
In het naar huis gaan zag hij een' brief voor zijne voeten liggen, die
de een of ander daar moest hebben verloren. Hij nam dien op, en daar hij
niet verzegeld was, maakte hij hem open, en las hetgeen volgt:
_„Schemselnihar aan den prins van Perzië._
_Mijne vertrouwde deelt mij daar een nieuws mede, dat mij even als
u veel reden tot bezorgdheid geeft. Wij verliezen aan Ebn Thahar in
waarheid zoo veel, maar dit, mijn waarde prins moet u niet beletten
op uwe gezondheid bedacht te zijn; gij moet het u dus niet te sterk
aantrekken. Indien onze vertrouweling door vrees aangetast, ons
heeft verlaten, het is iets dat wij niet konden voorkomen, en
waarover wij ons moeten troosten. Ik stem toe, dat Ebn Thahar ons
ontvalt op een tijdstip, dat wij de meeste behoefte aan zijne hulp
hebben; maar dat wij ons bij dezen onverwachten slag met geduld
wapenen, en in onze liefde standvastig blijven. Versterk uw hart
in dezen tegenspoed; wat men wenscht wordt zelden zonder moeite
verkregen. Laat u dus niet ontmoedigen. Neen, dierbare prins, laat
ons veeleer hopen, dat de hemel ons gunstig zal zijn, en dat wij na
zoo veel lijden eindelijk de gelukkige vervulling van onze begeerten
zullen zien. Vaarwel.”_
Terwijl de juwelier zich met den prins onderhield, had de vertrouwde den
tijd gehad naar het paleis terug te keeren, en aan hare meesteres het
treurige nieuws aangaande het vertrek van Ebn Thahar mede te deelen.
Schemselnihar schreef daarop dadelijk den bewusten brief, en zond
hare vertrouwde op staanden voet terug, om dien aan den prins te
overhandigen; doch in den haast was haar den brief ontvallen.
De juwelier was intusschen zeer in zijn' schik, dien gevonden te hebben,
daar hij hem het middel aan de hand gaf, om zich bij de slavin te
regtvaardigen en haar vertrouwen te winnen. Juist had hij den brief
geheel gelezen, toen hij de vertrouwde reeds zag aankomen. Zij keek al
voortgaande naar alle kanten, even als iemand, die iets heeft verloren
en daar naar zoekt. De juwelier vouwde den brief haastig toe en verborg
dien op zijne borst. De slavin scheen dit te hebben opgemerkt, en liep
naar hem toe. „Heer,” sprak zij, „de brief dien gij daar hebt opgeraapt
is mij ontvallen, wees dus zoo goed mij dien terug te geven?” De
juwelier hield zich echter alsof hij dit niet hoorde, en vervolgde,
zonder eenig antwoord te geven, den weg naar zijn huis. Hij liet de deur
achter zich open staan, opdat de vertrouwde, die hem van nabij volgde,
mogt binnenkomen. Zij bleef niet in gebreke, dit te doen, en volgde hem
tot zelfs in zijne kamer. „Heer,” herhaalde zij nu, „de brief, dien gij
gevonden hebt, is voor u van geen het minste belang, en indien gij
wist, van wien hij komt, en aan wien hij gerigt is, zoo zoudt gij niet
aarzelen, hem mij terug te geven. Veroorloof mij overigens, u te doen
opmerken, dat gij het regt niet hebt, denzelven achter te houden.”