Alvorens te antwoorden, deed de juwelier de vertrouwde plaats nemen,

waarna hij tot haar zeide: „Is de brief waarover gij mij aanspreekt

niet van Schemselnihar, de beminde van den kalif, en is hij niet bestemd

voor den prins van Perzië?” Deze vraag, waarop de slavin niet gerekend

had, deed haar van kleur veranderen. „Mijne woorden schijnen u in

verlegenheid te brengen,” vervolgde de juwelier, „vrees echter niet, dat

ik van hetgeen ik weet, misbruik zal maken. Ik zou u den brief reeds op

straat hebben gegeven, ware het niet, dat ik u ten mijnent wenschte te

zien, teneinde eene opheldering van u te vragen. Zeg mij, is het billijk

iemand te betichten van iets, waaraan hij volstrekt onschuldig is? Dit

echter hebt gij gedaan, door aan den prins van Perzië te zeggen, dat

ik aan Ebn Thahar, uit bezorgdheid voor zijne zekerheid, den raad heb

gegeven Bagdad te verlaten. Ik acht het niet noodig, mij daaromtrent bij

u te regtvaardigen; het is voldoende, dat de prins van Perzië van mijne

onschuld overtuigd is. Ik wil u alleen zeggen, dat ik, wel verre van tot

het vertrek van Ebn Thahar te hebben bijgedragen, zeer verslagen ben

geweest, niet zoozeer uit vriendschap voor hem, dan wel uit mededoogen

met den toestand, waarin hij den prins verliet, wiens liefde voor

Schemselnihar, Ebn Thahar mij medegedeeld heeft. Zoodra ik zeker was,

dat Ebn Thahar uit Bagdad was vertrokken, heb ik mij naar den prins

begeven, om hem dit nieuws mede te deelen, en mij in zijne plaats aan te

bieden. De prins van Perzië heeft mijn voorstel met vreugde aangenomen,

en wanneer ook gij in mij het zelfde vertrouwen wilt stellen als in Ebn

Thahar, dan zal het slechts van u afhangen, mijne tusschenkomst in uw

voordeel te benuttigen. Berigt uwe meesteres, hetgeen ik u gezegd heb,

en geef haar de verzekering dat, al moest ik ook in deze gevaarlijke

zaak omkomen, het mij niet zou berouwen, mij zelven te hebben opgeofferd

voor twee minnenden, welke elkander zoo zeer waardig zijn.”

De vertrouwde slavin hoorde den juwelier met blijdschap aldus spreken,

en smeekte hem het haar te willen vergeven, dat zij, in haren ijver voor

hare meesteres, hem te ligtvaardig had veroordeeld. „Het verschaft mij,”

ging zij voort, „eene groote vreugde, dat Schemselnihar en de Prins van

Perzië zoo gelukkig zijn, in u eenen waardigen plaatsvervanger voor Ebn

Thahar te vinden. Ik zal niet nalaten mijne meesteres spoedig mede te

deelen, hoe gaarne gij haar van dienst wilt zijn.” De juwelier haalde nu

den brief te voorschijn, met de woorden: „Neem en breng dit schrijven

haastig aan den prins van Perzië, kom dan weder bij mij aan, opdat ik

zijn antwoord zal kunnen lezen. Vergeet ook niet, hem ons onderhoud mede

te deelen.”

De slavin, verheugd dat de brief, dien zij had verloren, in zoo goede

handen was geraakt, bedankte den juwelier, en spoedde zich naar

den prins van Perzië. Deze beantwoordde dadelijk het schrijven van

Schemselnihar, en de slavin, daartoe zijne goedkeuring gevraagd

hebbende, verzuimde niet bij den juwelier aan te gaan, en hem die

letteren te vertoonen. Zij luidden aldus:

_„Antwoord van den prins van Perzië aan Schemselnihar._

_Uwe mij zoo waarde letteren hebben mij zeer verblijd; doch niet

zoo, als ik dit wel zou wenschen. Gij tracht mij te troosten over

het verlies van Ebn Thahar. Ach! hoe gevoelig mij dit treft, het

maakt slechts het kleinste deel van mijn lijden uit. Gij kent dat

lijden, en gij weet, dat alleen uw bijzijn mij daarvan kan genezen.

Wanneer zal de tijd nog eens komen, dat ik u zal wederzien, zonder

vrees u op nieuw te moeten verliezen? Hoe ver verwijderd schijnt mij

dat begeerde geluk toe! Of liever, mogen wij ons wel vleijen, het

immer te zullen smaken? Gij zegt mij, om zorg voor mijne gezondheid

te dragen; ik zal u gehoorzamen, daar ik mijn' eigen wil geheel aan

den uwen onderworpen heb. Vaarwel.”_

Nadat de juwelier dezen brief gelezen had, gaf hij hem aan de vertrouwde

van Schemselnihar terug. „Heer,” sprak zij, heengaande, „ik beloof u,

het zoo te zullen aanleggen, dat mijne meesteres spoedig in u het zelfde

vertrouwen zal stellen, als zij in Ebn Thahar had. Morgen zult gij meer

van mij hooren.” En inderdaad den volgenden dag kwam zij terug, en haar

opgeruimd gelaat voorspelde den juwelier alles goeds. „Alleen uit uw

gezigt,” zeide hij, „moet ik reeds opmaken, dat gij bij uwe meesteres

naar wensch geslaagd zijt.” „Dat ben ik,” antwoordde de vertrouwde,

„gij zult thans vernemen, hoe ik mijn doel bereikt heb. Schemselnihar,”

zoo vervolgde zij, „wachtte mij met ongeduld. Ik stelde haar den brief

van den prins ter hand; zij las dien met tranen in de oogen, en toen

zij geëindigd had, wilde zij zich als gewoonlijk aan hare droefheid

overgeven. „Mevrouw,” zeide ik tot haar, „ongetwijfeld zijt gij zeer

bedroefd over het vertrek van Ebn Thahar; maar ik smeek u, verontrust

u daarover niet te zeer. Wij hebben voor hem een' plaatsvervanger

gevonden, die zich aanbiedt, u met gelijken ijver te dienen; en, wat

van niet minder belang is, meer moed bezit.” Daarop sprak ik haar over

u, en deelde haar mede, wat u had bewogen den prins van Perzië te

bezoeken. Eindelijk gaf ik haar de verzekering, dat gij haar geheim en

dat van den prins heilig zoudt bewaren; en besloten hadt, hunne liefde

naar uw beste vermogen te begunstigen. Schemselnihar schepte uit mijne

woorden grooten troost. „O!” riep zij, „hoeveel verpligting hebben wij

aan dien grootmoedigen man, waarvan gij mij gesproken hebt. Zonder ons

te kennen of ons iets verschuldigd te zijn, trekt hij zich onze belangen

aan. Zulk eene edelmoedigheid is zeldzaam, ja ongehoord. Hem te zien en

te spreken, zal mij een waar genot zijn; ik wil hem persoonlijk mijnen

dank voor zijne edelmoedigheid betuigen. Blijf niet in gebreke, hem

morgen bij mij te brengen.” Wees dus zoo goed, heer,” vervolgde de

slavin, „u de moeite te geven, met mij naar het paleis van mijne

meesteres te gaan.”

Dit laatste verzoek van de vertrouwde bragt den juwelier in groote

verlegenheid. „Uwe meesteres,” zeide hij, „veroorlove mij, haar te doen

opmerken, dat zij niet genoeg heeft nagedacht, over hetgeen zij van mij

eischt. De vrije toegang, welke Ebn Thahar bij den kalif had, was tevens

een vrijpas voor hem, om te kunnen gaan, waar en wanneer hij wilde, en

zijne zaken veroorloofden hem bij Schemselnihar te komen; maar met mij

is dit het geval niet. Hoe zal ik mij dan verstouten, haar paleis binnen

te treden? Gij moet zelve inzien, dat dit eene onmogelijke zaak is. Ik

verzoek u derhalve aan Schemselnihar de redenen voor te dragen, die mij

beletten aan haar verlangen te voldoen, en haar opmerkzaam te maken op

de rampzalige gevolgen, welke mijn bezoek zou kunnen hebben. Indien zij

daar wel over nadenkt, zoo zal zij zelve erkennen, dat ik mij door dat

bezoek, zonder eenig nut, aan een zeer groot gevaar zou prijsgeven.”

De vertrouwde trachtte den juwelier gerust te stellen: „Gelooft gij

dan,” zeide zij, „dat Schemselnihar zoo onverstandig zou zijn, hem, in

wien zij thans hare hoop stelt, in haar paleis te laten komen, indien

zij er gevaar in zag. Neen, gij hebt niets te vreezen, daarvoor blijf ik

u borg.” De juwelier liet zich door de vertrouwde bepraten, en stond op,

om met haar te gaan; maar de schrik had hem zoodanig bevangen, dat hij

over zijn geheele ligchaam beefde. „In den toestand, waarin gij thans

zijt,” sprak de slavin, „zal het werkelijk beter zijn, dat gij te huis

blijft. Schemselnihar zal dan andere maatregelen moeten nemen, om u te

zien en te spreken. Waarschijnlijk zal zij zelve hier komen. Reken

daar maar op, en doe mij het genoegen, niet van huis te gaan; gij zult

misschien niet lang op haar behoeven te wachten.”

De vertrouwde had goed geraden. Naauwelijks had zij hare meesteres haar

wedervaren bij den juwelier medegedeeld, of Schemselnihar maakte zich

gereed, hem een bezoek te brengen. De juwelier ontving haar met alle

teekenen van onderdanigheid. Schemselnihar, eenigzins vermoeid van het

gaan, nam op eene sofa plaats, ontdeed zich van haren sluijer, en liet

den juwelier een gelaat zien, dat hem noopte, den prins van Perzië

in zijne gedachten te verontschuldigen, omtrent zijne liefde voor de

beminde van den kalif. „Zoodra ik bekend werd met uwen ijver om de

belangen van den prins van Perzië en de mijnen te behartigen,” zeide

zij, „besloot ik, u daarvoor in persoon mijne erkentelijkheid te

betuigen. Ik dank er den hemel voor, dat hij ons het verlies, dat wij in

Ebn Thahar geleden hebben, zoo spoedig vergoed heeft.” Na aldus eenigen

tijd zich met den juwelier onderhouden te hebben, keerde Schemselnihar

naar haar paleis terug.

De juwelier spoedde zich tot den prins van Perzië, om hem van het

ontvangen bezoek van Schemselnihar kennis te geven; doch vóór hij nog

den tijd had, hem die mededeeling te doen, sprak de prins hem dus aan:

„Ik verwachtte u met ongeduld,” zeide hij, „de vertrouwde slavin heeft

mij een' brief van hare meesteres gebragt; maar ik kan daar geen' troost

in vinden. Wat de beminnelijke Schemselnihar mij ook mag schrijven,

ik zie meer en meer in, dat ik niets te hopen heb, en mijn geduld

loopt ten einde. Ik weet geen' raad; het vertrek van Ebn Thahar maakt

mij wanhopig. Hij was mijn steun; ik heb in hem alles verloren. Ik

kon mij nog met eenige hoop vleijen, daar hij den vrijen toegang tot

Schemselnihar had; maar nu zal ik haar nimmer wederzien!”

„Prins,” zeide de juwelier, zoodra hij aan het woord kon komen, „niemand

kan in uw lijden meer deelnemen dan ik; en indien gij het geduld wilt

hebben mij aan te hooren, zoo ben ik overtuigd, u verligting te zullen

verschaffen.” Bij deze toespraak zweeg Aboul-Hassan, en was geheel

gehoor. „Ik zie wel”, ging de juwelier voort, „dat de eenigste weg om

u tevreden te stellen deze is, dat ik u in de gelegenheid breng, u in

volle vrijheid met Schemselnihar te onderhouden. Ik maak mij sterk, u

dit genoegen te kunnen verschaffen, en zal daar reeds morgen werk van

maken. Gij moet er u niet weder aan wagen, het paleis van Schemselnihar

te betreden; gij weet bij ondervinding, dat dit eene zeer gevaarlijke

zaak is. Ik ken eene andere, tot eene bijeenkomst met de beminde van

den kalif geschikte plaats, waar gij niets te vreezen zult hebben.”

Aboul-Hassan omarmde den juwelier in geestvervoering. „Door deze

schoone belofte,” riep hij uit, „schenkt gij het leven weder aan een'

ongelukkigen minnaar, die zich reeds op den dood voorbereidde. Thans

moet ik zeggen, dat het verlies van Ebn Thahar mij meer dan vergoed is.

Al wat gij doet, zal welgedaan zijn; ik verlaat mij geheel op u.”

Nadat de prins den juwelier nog met vele woorden voor zijnen ijver

bedankt had, keerde de laatste naar zijne woning terug, waar reeds den

volgenden dag de vertrouwde van Schemselnihar hem kwam bezoeken. Hij

zeide haar, dat hij den prins van Perzië hoop had gegeven, dat deze

weldra het geluk zou smaken, Schemselnihar te zien. „Ik kom juist hier,”

gaf zij ten antwoord, „om over dat punt met u te spreken, en het komt

mij voor, dat die zamenkomst zeer goed in uwe woning zou kunnen plaats

hebben.” „Dat zou wel kunnen,” hernam de juwelier, „maar ik geloof, dat

zij in een ander, thans onbewoond huis van mij meer vrijheid zullen

hebben. Ik zal wel zorg dragen het spoedig in dien staat te brengen, als

zulks voor hunne ontvangst noodig is.” „Ik ga mijne meesteres,” hernam

de vertrouwde, „uw aanbod op staanden voet mededeelen, en u spoedig haar

antwoord brengen.”

Inderdaad zij liet niet lang op zich wachten, en berigtte den juwelier,

dat hare meesteres niet in gebreke zou blijven, zich nog dien eigen

avond op de plaats van zamenkomst te laten vinden. Te gelijk stelde zij

hem eene beurs ter hand, zeggende, dat dit geld moest dienen, om het

collation te bekostigen, waarop Schemselnihar den prins wenschte te

onthalen. De juwelier bragt haar dadelijk naar het bedoelde huis, opdat

zij mogt weten, waarheen zij hare meesteres te brengen had. Daarna ging

hij bij zijne vrienden datgene leenen, wat hij tot meubelering van het

huis noodig had, zooals: tapijten, kostbare kussens, gouden en zilveren

vazen, en ander prachtig huisraad. Hiermede gereed, begaf hij zich naar

den prins van Perzië.

Stel u de vreugde van Aboul-Hassan voor, toen de juwelier hem

mededeelde, dat hij kwam, om hem af te halen en naar zijn huis te

geleiden, dat hij had laten inrigten, om er hem en Schemselnihar dien

avond te ontvangen. Dit blijde nieuws deed hem op éénmaal droefheid en

lijden vergeten. Hij trok een prachtig kleed aan, en ging daarna zonder

gevolg met den juwelier uit. Deze bragt hem, langs een' grooten omweg en

door verscheidene afgelegen straten, naar de plaats van zamenkomst;

opdat zij niet bespied mogten worden. Hier aangekomen zetten zij zich

op eene sofa neder, in afwachting dat Schemselnihar komen zou.

Zij behoefden niet zeer lang te wachten op deze al te hartstogtelijke

minnares. Zij kwam reeds tijdens het avondgebed met zonsondergang,

alleen vergezeld door hare vertrouwde en nog twee andere slavinnen.

Het is onmogelijk, de blijdschap te schetsen der twee gelieven bij

deze eerste ontmoeting, na eene zoo lange en treurige scheiding. Zij

plaatsten zich op eene sofa, en zagen elkander eenen geruimen tijd

zwijgend aan. Hunne harten waren te vol; zij konden in den beginne niet

spreken van vreugde. Inmiddels zorgde de juwelier voor het collation,

dat door hem zelven werd opgedragen. Aboul-Hassan en zijne beminde

zetten zich wel aan tafel, maar aten en dronken zeer weinig. Zij hielden

niet op elkander hunne wederkeerige liefde en oogenblikkelijk geluk te

betuigen, en Schemselnihar was juist bezig met hare heerlijke stem een

lied te zingen, waarin zij, met woorden van eigen vinding, den prins

hare innige genegenheid te kennen gaf, toen zich buiten een groot geraas

liet hooren. Op het zelfde oogenblik kwam de slaaf, dien de juwelier

had medegenomen, geheel ontsteld binnen loopen. „Heer,” sprak hij, „men

is bezig de deur open te breken. Op mijn vragen, wie er is, krijg ik

geen antwoord, maar de slagen verdubbelen.” De juwelier, niet minder

verschrikt dan zijn slaaf, verliet Schemselnihar en den prins, om zich

te overtuigen, wat deze verontrustende tijding te beteekenen had. Hij

had het voorhof reeds bereikt, toen hij in de duisternis een hoop

mannen, met pieken en sabels gewapend, regt op zich zag afkomen. Hij

drong zich tegen den muur, en zonder door hen te worden opgemerkt,

liepen zij hem voorbij; hij had er tien kunnen tellen.

Daar hij tegen zulk eene groote overmagt niets kon uitrigten, en dus den

prins van Perzië en Schemselnihar van weinig dienst zou kunnen zijn,

vergenoegde hij zich hun ongelukkig lot te beklagen, en ontvlugtte.

Hij verliet het huis en klopte bij een' der buren aan, die nog op was,

en hem in zijne woning nam. De juwelier dacht niets anders, of deze

onvoorziene stoornis had plaats op bevel van den kalif, die ongetwijfeld

kennis moest hebben gekregen van de zamenkomst zijner beminde met

Aboul-Hassan. Hij kon het zuchten en kermen in zijn huis tot middernacht

toe duidelijk hooren. Toen werd alles stil, waarom de juwelier zijn'

buurman verzocht, hem een sabel te leenen, en hiermede gewapend waagde

hij het naar buiten te gaan. Hij vond de deur van zijn huis geheel

vernield, en daardoor den toegang open; hij luisterde aandachtig, maar

niet het minste gerucht vernemende, verstoutte hij zich het onderzoek

voort te zetten. Op het binnenhof kwam hem echter een man tegen, dat

hem hevig deed schrikken. Hij stond op het punt andermaal de vlugt

te nemen, toen deze hem in den weg trad, en vroeg, wie hij was. De

juwelier herkende de stem, het was zijn' slaaf. Zijn schrik ging nu in

bevreemding over. „Hoe hebt gij het aangelegd,” vroeg hij, „dat de wacht

u niet heeft opgepakt en medegenomen?” „Heer,” antwoordde de slaaf,

„ik heb mij hier achter een' pilaar verborgen gehouden, totdat allen

vertrokken waren, en ik geen gerucht meer vernam. Maar het is de wacht

niet, die uw huis heeft overweldigd; het zijn dieven, die den vorigen

dag in deze buurt nog een ander huis hebben uitgeplunderd. Gij behoeft

er niet aan te twijfelen, of zij hebben opgemerkt welke rijke meubelen

hier werden binnen gedragen; en dit heeft zeker hunne begeerlijkheid

opgewekt.”

De juwelier vond deze opmerking van zijn' slaaf niet van schijn

ontbloot. Hij doorliep zijn huis, en zag, dat de dieven de kamer, waarin

hij Schemselnihar en haren minnaar had ontvangen, geheel leêg hadden

gedragen. Ook de gouden en zilveren vazen, ja alles, wat slechts waarde

bezat, hadden zij medegenomen. Hij was hierover zeer mistroostig. „O”

Hemel!” riep hij uit, „ik ben een ongelukkig man! Wat zullen mijne

vrienden zeggen? Zullen zij mij gelooven, en er in berusten, als ik hun

vertel, dat de dieven alles hebben weggehaald? En al gelooven zij mij,

zal ik het hun niet moeten vergoeden? Boven alles, wat is er geworden

van Schemselnihar en van den prins van Perzië? Deze zaak zal eene zoo

groote opspraak maken, dat ze noodzakelijk ter oore van den kalif

moet komen. Hij zal kennis krijgen van deze zamenkomst, en ik zal het

slagtoffer van zijn' toorn worden.” De slaaf, die zeer aan zijn' meester

gehecht was, trachtte hem te troosten. „Wat Schemselnihar aangaat,”

zeide hij, „de dieven zullen zich waarschijnlijk vergenoegd hebben, haar

van hare kostbaarheden te berooven, en gij kunt gerust gelooven, dat zij

ongedeerd met hare slavinnen naar haar paleis zal zijn teruggekeerd; ook

de prins van Perzië zal wel reeds te huis zijn. Daarom kunt gij de hoop

koesteren, dat de kalif nimmer iets van deze gebeurtenis zal vernemen.

Wat nu het verlies uwer meubelen en kostbaarheden betreft, dit is een

ongeluk, dat gij niet hebt kunnen voorkomen. Uwe vrienden weten, dat die

dieven in zoo groote getale en zoo vermetel waren, dat zij, behalve het

huis, waarvan ik u gesproken heb, nog vele anderen hebben uitgeplunderd,

die aan de voornaamste hovelingen van den kalif behooren. Zij zullen

ook wel weten dat, wat moeite de politie ook heeft aangewend, nog niet

een enkele hunner gevat is geworden. Overigens zult gij, het ergste

genomen, althans volstaan kunnen, met hun de waarde van het gestolene

te vergoeden. U zal dan, Allah zij dank, toch nog genoeg overblijven,

om in uwen stand voort te leven.”

De juwelier liet nu de deur door zijn' slaaf zoo goed mogelijk

herstellen en sluiten. Door dezen bediende vergezeld, begaf hij zich

vervolgens naar zijn woonhuis. Onder weg maakte hij allerlei treurige

overwegingen omtrent het voorgevallene. „Ebn Thahar,” sprak hij in zich

zelven, „is wijzer geweest dan ik; hij heeft het gevaar voorzien,

waarin ik mij blindelings gestort heb. Mogt het Allah behaagd hebben,

dat ik mij nooit bemoeid had met eene liefdesgeschiedenis, die mij

misschien het leven zal kosten!”

De dag was naauwelijks aangebroken, of het gerucht van het geplunderde

huis had zich reeds door de stad verspreid, en trok eene menigte

vrienden en buren naar de woning van den juwelier. Allen betuigden hem

hunne deelneming, en gaven hunne smart te kennen over het ongeluk, dat

hem getroffen had; doch werkelijk was het den meesten der bezoekers

slechts te doen, om meer van de zaak te hooren en hunne nieuwsgierigheid

te bevredigen. De juwelier liet echter niet na, hen te bedanken voor de

belangstelling, die zij hem toonden. Het was hem ook eene groote troost,

dat niemand met een enkel woord van Schemselnihar of van den prins van

Perzië gewaagde; hetgeen hem deed denken, dat zij reeds ten hunnent

waren, of zich elders in eene veilige schuilplaats bevonden.

Omstreeks den middag zakten de bezoekers af, en werd het eten

opgedragen. De juwelier zette zich aan tafel; doch de diefstal zat hem

zoo in het hoofd, dat zijn eetlust zeer gering was. Hij had nog niet

geëindigd, toen een zijner slaven hem kwam zeggen, dat zich aan de deur

een man bevond, die hem verlangde te spreken. De juwelier had geen lust,

een vreemdeling bij zich te ontvangen; hij stond dus op en ging naar

voren, om te vernemen, wat men hem te zeggen had. „Ofschoon gij mij niet

kent,” sprak de vreemdeling, „ken ik u des te beter, en ik kom hier, om

u over een zaak van groot gewigt te spreken.” „Kom dan binnen,” hernam

de juwelier. „Neen,” zeide de vreemdeling, „geef u, indien gij het

goedvindt, liever de moeite met mij naar uwe andere woning te gaan.”

„Hoe weet gij, dat ik buiten deze nog eene andere woning heb?” vroeg

de juwelier met bevreemding. „Ik weet dat,” antwoordde de vreemdeling,

„volg mij slechts en vrees niets, ik heb u iets mede te deelen, dat u

groot genoegen zal doen.” De juwelier ging mede, en onderweg verhaalde

hij zijn' geleider, dat zijn huis door dieven geplunderd was geworden,

en dus niet geschikt, om iemand daar te ontvangen.

Toen zij voor het huis kwamen, en de vreemdeling zag, dat de deur half

opengebroken was, zeide hij tot den juwelier: „Laat ons verder gaan! Ik

zie wel, dat gij mij de waarheid hebt gezegd, en zal u ergens brengen,

waar wij beter op ons gemak zullen zijn.” Dit zeggende ging hij verder,

de eene straat uit, de andere in, tot de avond begon te vallen. De

juwelier, vermoeid van het gaan, en verdrietig, dat de vreemdeling hem

dus liet loopen, zonder te zeggen, waar hij hem wilde heenbrengen, begon

zijn geduld te verliezen, toen zij eindelijk in eene straat kwamen, die

op den Tigris uitliep. Den oever bereikt hebbende, lieten zij zich over

de rivier zetten. Nu bragt de vreemdeling den juwelier door eene lange

straat, waar hij zich niet kon herinneren, ooit geweest te zijn. Hij

geleidde hem nog door verscheidene andere stegen en straten; totdat hij

eindelijk voor de deur van een bouwvallig huis staan bleef en deze

opende. Hij verzocht den juwelier binnen te gaan, deed vervolgens de

deur achter zich digt, en er een' zwaren ijzeren grendel voor, waarna

hij hem in eene kamer bragt, waar zich een tiental mannen bevonden, die

aan den juwelier even weinig als zijn geleider bekend waren.

De tien mannen ontvingen den juwelier zonder veel pligtplegingen. Zij

zeiden alleen, dat hij zich zou nederzetten, hetgeen hij deed. De arme

man was zoo vermoeid, dat hij naauwelijks op zijne beenen meer staan

kon. Ook bevond hij zich geenszins op zijn gemak in het gezelschap van

lieden, wier voorkomen verre van gunstig was. Zij schenen met eten op

zijn' leidsman gewacht te hebben, want nu deze terug was, werd de

maaltijd dadelijk opgedragen. Zij waschten hunne handen, lieten den

juwelier het zelfde doen, en noodigden hem, zich met hen aan tafel te

zetten. Na afloop van den maaltijd vroegen zij, of hij ook wist, in welk

gezelschap hij zich bevond? Hij antwoordde, dit niet te weten, en dat

hij zelfs met het oord en de plaats, waar hij zich zag heengebragt,

onbekend was. „Verhaal ons hetgeen u dezen nacht bejegend is,” zeiden

zij nu, „en verzwijg niets.” De juwelier was verwonderd over dit bevel.

„Mijne heeren,” antwoordde hij, „als ik mij niet vergis, dan zijt gij

daar reeds mede bekend.” „Dat is de waarheid,” hernamen zij, „de heer en

de jonge dame, die gisteren avond bij u waren, hebben er ons reeds over

gesproken; maar wij willen het uit uw' eigen mond weten.” Meer was er

niet noodig, om den juwelier te overtuigen, dat hij sprak met de dieven,

die zijn huis overweldigd en geplunderd hadden. „Mijne heeren!” riep hij

uit, „ik ben zeer bekommerd over het lot van dien heer en van die jonge

dame; kunt gij mij daaromtrent ook iets zeggen?” „Verontrust u over hen

niet langer,” antwoordden de dieven, „zij zijn goed bewaard en bevinden

zich zeer wel.” Dit zeggende, wezen zij hem op twee deuren, die tot twee

verschillende vertrekken geleidden, en verzekerden hem, dat zij in

veiligheid en welvarend waren. „Zij zeiden ons,” vervolgden zij, „bij u

goed bekend te zijn. Zoodra wij dat vernamen, hebben wij hen uit achting

voor u met onderscheiding behandeld. Wel verre van eenig geweld te

plegen, hebben wij hun alles goeds bewezen, en niemand van ons zou hun

het minste leed hebben willen aandoen. Ook gij hebt voor uw' persoon

niets te vreezen, en kunt u op onze goede gezindheid verlaten.”

De juwelier, door deze verzekering gerustgesteld en zeer verblijd, dat

de prins van Perzië en Schemselnihar niets te duchten hadden, werd er op

bedacht, de roovers zou veel mogelijk in den goeden wil te versterken,

dien zij jegens hem aan den dag legden. Hij prees en vleide hen, en gaf

hun duizend zegenwenschen. „Mijne heeren,” sprak hij tot hen, „ik heb

de eer u niet te kennen; maar het is een groot geluk voor mij, bij u

niet onbekend te zijn; en ik kan u niet genoeg bedanken, voor de goede

gezindheid, die gij mij betoont. Zonder zelfs te spreken van uwe zoo

menschlievende handelwijze, blijkt het mij, dat alleen bij lieden,

als gij zijt, een geheim veilig bewaard is, en ik in moeijelijke

en gevaarvolle omstandigheden nu niet beter kan doen, dan ze u

toe te vertrouwen. Gij zult die altijd, door uwen ijver, moed en

onverschrokkenheid, tot een goed einde weten te brengen. Mij verlatende

op deze goede eigenschappen, waarop gij aanspraak kunt maken, vind ik er

geene zwarigheid in, u mijne geschiedenis te verhalen, en die van de

twee personen welke gij ten mijnent hebt gevonden; ik beloof u, niets te

zullen verzwijgen.” Na deze voor de roovers vleijende inleiding, gaf de

juwelier hun eene getrouwe beschrijving der minnarijen van den prins

van Perzië met Schemselnihar, van derzelver ontstaan af, tot op de

zamenkomst toe, welke hij hun in zijne woning verschaft had.

De dieven legden eene groote verwondering aan den dag, bij het hooren

van deze roerende liefdesgeschiedenis. „Wat,” riepen zij, toen de

juwelier had geëindigd, „die heer zou de beroemde Aboul-Hassan, prins

van Perzië, en die jonge dame de schoone en vermaarde Schemselnihar

zijn?” De juwelier zwoer, dat hetgeen hij hun gezegd had de zuivere

waarheid was.

Op deze verzekering gingen de dieven zich man voor man aan de voeten

werpen van den prins van Perzië en van Schemselnihar. Zij smeekten

allen om vergiffenis, en betuigden, dat van dit alles niets gebeurd zou

zijn, indien zij geweten hadden, wie zich in het huis van den juwelier

bevonden. „Wij zullen echter trachten,” voegden zij er bij, „den misslag

te herstellen, dien wij onwetend begaan hebben.” Zij gingen daarop naar

den juwelier terug. „Het doet ons zeer leed,” zeiden zij, „u niet alles

te kunnen wedergeven, wat uit uw huis werd gedragen; een gedeelte

daarvan is niet meer ter onzer beschikking. Wij verzoeken u dus, u te

vergenoegen met het goud- en zilverwerk, dat wij u weder ter hand zullen

stellen.”

De juwelier achtte zich hiermede reeds zeer gelukkig. Nadat de roovers

hem het goud en zilver hadden teruggegeven, lieten zij ook den prins van

Perzië en Schemselnihar binnen komen, en zeiden hun, dat zij bereid

waren, hen en ook den juwelier op eene plaats te brengen, van waar zij

zich naar hunne woningen zouden kunnen begeven, maar dat zij eerst

moesten zweren, hen niet te zullen verraden. De prins van Perzië,

Schemselnihar en de juwelier legden éénparig den eed af, niets te zullen

ontdekken.

Onder weg maakte de juwelier zich ongerust, dat hij de vertrouwde en de

twee slavinnen niet in hun gezelschap zag; hij verzocht Schemselnihar

hem te zeggen, wat er van deze geworden was. „Ik kan u niets zeggen,”

antwoordde zij, „dan dat men mij en den prins weggevoerd, ons beiden

over den Tigris gezet, en vervolgens in het huis gebragt heeft, waar gij

ons hebt aangetroffen.” Dit onderhoud van Schemselnihar met den juwelier

had echter nog niet lang geduurd, toen zij reeds aan den oever van den

Tigris kwamen. De dieven maakten eene schuit los, scheepten zich met hen

in, en bragten hen aan den overkant.

Op het oogenblik, dat de prins van Perzië, Schemselnihar en de juwelier

aan land gingen, hoorden zij de ruiterwacht in galop aankomen. De

roovers staken haastig van wal, en zochten door kracht van roeijen het

gevaar te ontkomen. Zij waren dan ook reeds in veiligheid, toen onze

drie nachtwandelaars door de wacht omsingeld en aangehouden werden. De

kommandant vroeg hun, wie zij waren, en van waar zij zoo laat kwamen. De

schrik en de vrees iets te zeggen, dat hun schadelijk kon zijn, deed

alle drie verstomd staan. Op de herhaalde vraag van den kommandant, nam

echter de juwelier, die nog de meeste tegenwoordigheid van geest had

behouden, het woord op. „Heer,” gaf hij ten antwoord, „ik kan u in de

eerste plaats verzekeren, dat wij rustige burgers dezer stad zijn. De

lieden, die zich in de boot bevinden, waarmede zij ons hier hebben

gebragt, zijn dieven, die in den voorgaanden nacht het huis, waarin wij

waren, overweldigd hebben. Zij plunderden het, en voerden ons met zich

naar hun verblijf, aan gene zijde van den Tigris. Door ons smeeken en

de goede woorden, welke wij hun gaven, hebben wij echter onze vrijheid

herkregen; en hebben zij ons hierheen gebragt. Zelfs gaven zij ons een

groot gedeelte van den geroofden buit terug, gelijk gij zelf zien kunt.”

Dit zeggende, vertoonde hij aan den kommandant het pak met zilverwerk,

dat hij onder den arm droeg.

Deze hield zich echter niet tevreden met dit antwoord van den juwelier;

hij naderde hem en den prins van Perzië, en nam hen naauwkeurig op.

„Zegt mij naar waarheid,” sprak hij nu tot hen, „wie is deze dame, hoe

kent gij haar, en in welke wijk woont zij?”

Deze vragen bragten de beide heeren in groote verlegenheid, en zij

wisten niet, wat daarop te antwoorden. Schemselnihar hief echter

deze moeilijkheid uit den weg; zij nam den kommandant ter zijde, en

naauwelijks had zij hem een paar woorden ingefluisterd, of hij steeg

met alle teekenen van beleefdheid en eerbied van het paard, en gaf

terstond bevel aan zijne lieden, dat zij twee booten zouden doen komen.

Toen deze waren aangebragt, hielp de kommandant Schemselnihar in de

eene, en deed hij den prins van Perzië en den juwelier in de andere

gaan, plaatste twee krijgslieden in elke boot, en gaf hen bevel, de

beide booten tot aan de plaats harer bestemming te vergezellen. De twee

vaartuigen namen daarop elk een' verschillenden koers.

Wij zullen eerst spreken van de boot, waarin de prins van Perzië en de

juwelier zich bevonden. Aboul-Hassan, het zijnen geleiders gemakkelijk

willende maken, zeide dat zijn metgezel dien nacht bij hem zou blijven,

zoodat zij hem alleen naar zijn huis behoefden te brengen; hij gaf

hun tevens de wijk op, waar hij woonde. Op deze aanwijzing deden de

geleiders de boot aanleggen voor het paleis van den kalif. De prins

van Perzië en de juwelier werden hierdoor zeer verschrikt, zonder dat

zij dit durfden doen blijken. Want ofschoon zij het bevel, door den

kommandant gegeven, hadden aangehoord, beeldden zij zich desniettemin

in, dat men hen op de wacht wilde brengen, om den volgenden morgen voor

den kalif te verschijnen.

Dit was intusschen de bedoeling van hunne geleiders niet. Zij gaven hen

alleen aan den bevelvoerenden officier van de wacht des kalifs over, met

verzoek, dat deze hun twee van zijne onderhoorigen mogt mede geven, om

hen naar de woning van de prins van Perzië te brengen, daar deze zeer

ver van de rivier was verwijderd. De prins van Perzië en de juwelier

kwamen dus ditmaal met den schrik vrij, en bereikten, door de soldaten

begeleid, in veiligheid het hotel van den eerstgenoemde. Zij waren zoo

vermoeid en afgemat, dat zij hunne leden naauwelijks meer konden

bewegen.

Behalve deze groote afmatting was de prins van Perzië zeer ontstemd over

de ongelukkige ontmoeting, die hem en Schemselnihar was overkomen, en

waardoor hem alle hoop op eene nieuwe zamenkomst scheen ontnomen. Hij

trok zich dit zoo sterk aan, dat hij op de sofa nederzakte en in zwijm

viel. Terwijl nu eenige van zijne bedienden zich beijverden, om hem bij

te brengen, omringden de overigen den juwelier, en smeekten hem, hun te

zeggen, wat er met den prins gebeurd was, wiens lange afwezigheid hen in

eene onuitsprekelijke ongerustheid had gebragt.

De juwelier was wel zoo voorzigtig, zich niets te laten ontvallen,

dat zij niet noodig hadden te weten. Hij gaf alleen een ontwijkend

antwoord, zeggende, dat de zaak zeer buitengewoon was, maar er nu geen

tijd was, die te verhalen, en dat zij liever bedacht moesten zijn,

om hun' meester te helpen. Gelukkig kwam de prins van Perzië op dat

oogenblik weder bij, waardoor aan de nieuwsgierigen den mond werd

gestopt, daar zij zich uit ontzag voor hunnen heer van verdere vragen

onthielden.

Hoewel Aboul-Hassan thans weder tot bewustzijn was gekomen, gevoelde

hij zich nog zoo zwak, dat hij zelfs den mond niet kon openen, om te

spreken. Vroeg men hem iets, dan antwoordde hij slechts door teekens. In

dien toestand verkeerde hij nog, toen de juwelier den volgenden morgen

afscheid van hem nam. Aboul-Hassan antwoordde alleen door eene beweging

met de oogen, en door hem de hand toe te reiken, en daar hij zag, dat de

juwelier met het pak zilver was beladen, gaf hij een' wenk aan een'

zijner slaven, dit voor hem te dragen en naar zijn huis te brengen.

Intusschen had men ook ten huize van den juwelier, reeds op den dag,

toen hij met den onbekende was medegegaan, met ongeduld zijne terugkomst

verbeid, en toen hij nu ook des nachts uitbleef, vreesden allen, dat hem

een ongeluk zou zijn bejegend, misschien nog grooter dan het eerste.

Geen wonder dus, dat hij zijne vrouw en kinderen bij zijne tehuiskomst

in tranen vond. Zij waren zeer verheugd hem weder te zien, maar tevens

trof hen de in het oog vallende verandering, die met hem had plaats

gegrepen. De vermoeijenissen van den vorigen dag, de slapeloos

doorgebragte nacht, en de schrik, dien hij had uitgestaan, hadden hem

zoodanig aangegrepen, dat hij bijna onkenbaar was. Daar hij zelf zich

ook zeer afgemat gevoelde, bleef hij twee dagen te huis rust nemen, en

er werd niemand bij hem toegelaten, dan eenige weinige zijner vertrouwde

vrienden.

Op den derden dag was de juwelier in zoo verre hersteld, dat hij naar

buiten kon gaan, om de versche lucht te genieten. Hij wandelde naar den

winkel van een' zijner vrienden, een' rijken koopman, bij wien hij zich

vrij lang ophield. Toen hij opstond, om van zijn' vriend afscheid te

nemen, werd hij eene vrouw gewaar, die den winkel voorbij ging, en hem

een teeken gaf. Hij herkende haar voor de vertrouwde van Schemselnihar.

Geslingerd door vrees en hoop, wat zij hem berigten zou, haastte hij

zich heen te gaan en verliet den winkel, zonder door iets te laten

blijken, dat hij de slavin kende. Omdat de plaats hem daar tot een

onderhoud niet geschikt voorkwam, stapte hij stevig door. De vertrouwde

volgde hem, zooals hij wel gedacht had, en riep van tijd tot tijd, dat

hij haar zou wachten. Hij hoorde haar wel, maar na al hetgeen gebeurd

was, achtte hij het niet raadzaam, zich op den openbaren weg met haar in

te laten, ten einde geene vermoedens te geven, dat hij met Schemselnihar

in betrekking stond. En in waarheid, men kende haar algemeen in Bagdad,

als de vertrouwde slavin van de beminde des kalifs, voor wie zij

gewoonlijk boodschappen of inkoopen deed. De juwelier stapte dus zonder

om te zien voort, totdat hij eene moskee bereikte, die hij wist, dat

op dien tijd van den dag niet of zeldzaam bezocht werd. Hij ging daar

binnen; zij volgde hem, en daar er werkelijk op dat oogenblik niemand

anders aanwezig was, hadden zij goede gelegenheid in volle vrijheid te

kunnen spreken.

Beiden waren zij verheugd, dat zij elkander, na het gebeurde met de

roovers, in welstand terugzagen. De juwelier vroeg haar, hoe zij met de

twee slavinnen uit de handen der dieven was ontkomen, en tevens naar

berigten omtrent hare meesteres, nadat zij van hem en van den prins

van Perzië gescheiden was geworden. Maar de slavin liet een zoo sterk

verlangen blijken, te mogen weten hoe het hem en den prins van Perzië

was gegaan, dat hij haar daaromtrent eerst moest inlichten. Toen hij

aan hare begeerte voldaan had, verhaalde zij hem op hare beurt het

volgende.

„Zoodra ik de roovers zag komen”, zeide de vertrouwde, „geloofde ik niet

anders, of het waren soldaten, tot de wacht van den kalif behoorende.

„Hij zal,” dacht ik, „het uitgaan van Schemselnihar en hare geheime

liefde ontdekt, en nu zijne wacht gezonden hebben, om haar, den prins en

ons allen ter dood te brengen.” Met dit denkbeeld vervuld, nam ik de

vlugt naar het platte dak boven uwe woning, op het zelfde oogenblik,

dat de dieven de kamer binnendrongen, waar de prins van Perzië en

Schemselnihar zich ophielden. De twee slavinnen draalden niet mij te

volgen. Wij klommen van het eene plat op het andere over, totdat wij aan

een huis kwamen, waarvan de bewoners ons met liefde ontvingen, en waar

wij den nacht doorbragten.

Den volgenden morgen keerden wij vroegtijdig naar het paleis van

Schemselnihar terug. Wij waren zeer onthutst en bedroefd, daar wij

niet wisten, wat lot aan onze ongelukkige meesteres was ten deel

gevallen. De andere vrouwen van Schemselnihar toonden zich zeer

verwonderd, ons zonder haar terug te zien komen. Wij vertelden haar,

zooals wij overeengekomen waren, dat Schemselnihar bij eene harer

vriendinnen was gebleven, en dat zij ons eene boodschap zou zenden,

wanneer wij haar moesten terughalen. Met deze mededeeling stelden zij

zich tevreden. Ik begreep nu wel,” vervolgde de vertrouwde, „dat de

gewapende mannen, die ik, zonder ze goed gezien te hebben, in mijn'

schrik, voor soldaten van de wacht des kalifs had gehouden, dieven

moesten geweest zijn, maar dit nam niet weg, dat ik omtrent het lot van

Schemselnihar in groote ongerustheid bleef verkeeren. Mijn angst nam nog

toe, toen de dag voorbij ging, zonder dat zij iets van zich had laten

hooren. Zoodra het donker werd, opende ik het achterpoortje, en eene

boot in het kanaal ziende, riep ik den roeijer. Ik verzocht hem de

rivier op te varen, en mogt hij aan eene der beide oevers eene dame

bespeuren, haar dan in het schuitje te nemen en bij mij te brengen.

Terwijl ik met de twee slavinnen, die even bekommerd waren als ik, de

terugkomst van het bootje verbeidde, en het reeds bij middernacht was,

zagen wij eene andere boot naderen, waarin zich, behalve de roeijers,

twee mannen van de ruiterwacht des kalifs bevonden, benevens eene vrouw

welke op den achtersteven lag. Toen de boot had aangelegd, hielpen de

beide mannen de vrouw op, en waren haar behulpzaam, om aan wal te gaan.

Ik slaakte een' vreugdekreet; het was mijne dierbare meesteres! Wij

snelden dadelijk toe, om haar alle mogelijke hulp te verleenen, en zij

had die noodig, want zij moest op mijnen schouder leunen, om zich op

de been te houden. Zij fluisterde mij met eene zwakke stem in het oor,

eene beurs met duizend goudstukken te halen, en aan de beide ruiters te

geven, die haar vergezeld hadden. Ik gaf mijne meesteres over aan de

beide slavinnen, om haar te ondersteunen; en na aan de ruiters gezegd te

hebben, dat zij een oogenblik moesten wachten, ging ik de beurs halen,

en kwam daarmede dadelijk terug. Ik gaf deze aan de beide ruiters,

betaalde den eigenaar van het bootje, en sloot de poort. Vervolgens

ontkleedden wij Schemselnihar, en bragten haar te bed. Zij zonk dadelijk

half dood in de kussens neder, en in dien toestand bragt zij den

ganschen nacht door. Den volgenden morgen gaven de andere vrouwen haar

verlangen te kennen, Schemselnihar te mogen zien, maar ik zeide tot

haar, dat onze meesteres zeer vermoeid te huis was gekomen, en thans

rust behoefde, om zich te herstellen. De beide slavinnen en ik pasten

haar intusschen met de grootste zorgvuldigheid op, zooals zij trouwens

van ons mogt verwachten. In het eerst weigerde zij halstarrig eenig

voedsel te gebruiken, en wij begonnen aan haar leven te wanhopen. Op

ons aanhoudend smeeken nam zij echter nu en dan eene teug wijn, en dit

deed hare levensgeesten terugkeeren. Eindelijk gebruikte zij ook een

weinig voedsel. Zij had tot dus verre alleen gejammerd, gezucht en

geweend; doch toen ik bemerkte dat zij weder kon spreken, bad ik haar

mij te willen zeggen, door welk geluk zij uit de handen der roovers was

ontkomen. „Waarom verlangt gij,” sprak zij met een' diepen zucht, „dat

ik dit treurig voorval mij op nieuw voor den geest zal roepen? Mogt het

Allah behaagd hebben, dat de roovers mij het leven hadden benomen, in

plaats van mij te sparen; mijne rampen zouden dan een einde hebben, want

mijn leven is slechts een zwaar lijden.”

„Mevrouw,” hernam ik, „ik smeek u, mij zulks niet te weigeren. Het zal u

niet onbekend zijn, dat het voor ongelukkigen een' troost is, de rampen

die hen drukken aan anderen te kunnen mededeelen. De mededeeling zal ook

u verligten, indien gij de goedheid hebt aan mijn verzoek te voldoen.”

„Verneem dan,” zeide zij, „het treurigste lot, dat iemand kan overkomen,

die als ik hartstogtelijk bemint, en meent het doel bereikt te hebben.

Toen ik de dieven met den dolk in de hand zag binnenkomen, dacht ik dat

mijn laatste oogenblik en ook dat van den prins van Perzië slaan zou;

maar ik vreesde den dood niet, omdat ik met hem zou sterven. In plaats

echter van ons den dolk in het hart te stooten, zooals ik verwachtte,

vergenoegden zij zich, ons door twee hunner te doen bewaken, terwijl de

overigen zich bezig hielden, alles in te pakken. Zij bragten hier eene

geruimen tijd mede door, en eindelijk gereed zijnde, laadden zij die

pakken op hunne schouders, en voerden ons mede.

Onderweg vroeg een van onze bewakers mij naar mijn' naam en woonplaats.

Ik zeide hem, dat ik eene danseres was. Hij deed daarop de zelfde vraag

aan den prins, die zich voor een eenvoudig burgerman uitgaf.

Toen zij ons in hun verblijf hadden gebragt, werden wij door een'

nieuwen schrik bevangen. De dieven vormden eenen kring om mij, en als

zij mijne kostbare kleeding en juweelen zagen, twijfelden zij er niet

aan, of ik had mijn' waren stand verzwegen en hen misleid. „Eene

danseres ziet er niet uit als gij,” zeiden de dieven, „zeg ons dus naar

waarheid, wie gij zijt.”

Daar ik het zwijgen bewaarde, rigtten zij zich tot den prins van Perzië.

„Maar wie zijt gij dan toch?” zeiden zij, „want dat gij meer zijt, dan

waarvoor gij u uitgeeft, een eenvoudig burgerman, kunnen wij wel aan

u zien.” De prins beantwoordde hunne vraag evenmin als ik; hij zeide

slechts, dat hij bij den juwelier, wien het huis, waar men ons had

aangetroffen, toebehoorde op eene partij was geweest.

„Ik ken dien juwelier,” sprak nu een hunner, waarschijnlijk het

hoofd van de bende, „en heb, zonder dat hij zulks kan weten, eenige

verpligting aan dien heer; ook weet ik, dat hij buiten zijne woning nog

een ander huis bezit; ik neem op mij, hem morgen hier te doen komen. Wij

laten u niet los,” vervolgde hij, „vóór dat wij van hem vernomen hebben,

wie gij zijt. In dien tusschentijd zal u echter hier geen leed

geschieden.”

De juwelier kwam werkelijk den volgenden dag, en denkende zulks niet

anders dan in ons belang kon zijn, openbaarde hij aan de dieven, wie

wij waren, die mij daarop vergiffenis kwamen vragen. Ik geloof dat zij

met den prins van Perzië even zoo gehandeld hebben, die zich in een

ander vertrek bevond. De dieven verzekerden mij, dat zij het huis niet

zouden hebben geplunderd, als zij geweten hadden, dat het den juwelier

toebehoorde. Zij bragten nu den prins van Perzië, den juwelier en mij,

naar de oevers van den Tigris. Hier deden zij ons in eene schuit gaan,

en bragten ons naar den overkant. Maar naauwelijks waren wij aan wal

gegaan, of de ruiterwacht naderde in galop regt op ons af. Ik nam den

kommandant ter zijde, maakte mij bekend, en deelde hem mede, dat ik den

vorigen avond, van eene vriendin komende, door de dieven, die van de

overzijde kwamen, werd aangehouden en naar hun verblijf gebragt; doch

dat zij, vernemende, wie ik was, mij weder hadden losgelaten, en tevens

op mijn verzoek, aan de twee personen, die bij mij waren, de vrijheid

hadden geschonken, toen ik zeide, dat het bekenden van mij waren. De

kommandant steeg dadelijk van zijn paard, om mij de verschuldigde eer te

bewijzen. Hij betuigde mij zijne vreugde, dat hij zich in de gelegenheid

bevond, mij van dienst te kunnen zijn. Hij liet twee schuiten komen,

deed mij in de eene gaan, en gaf mij twee manschappen tot geleide mede.

Wat den prins van Perzië en den juwelier aangaat, deze liet hij in eene

andere boot gaan, en gaf hun insgelijks twee mannen mede, die last

hadden, hen naar hunne woningen te vergezellen.

Ik heb grond te vertrouwen,” besloot mijne goede meesteres, in tranen

losbarstende, „dat hen na onze scheiding geene verdere onheilen

zullen hebben getroffen; maar ben tevens overtuigd, dat de prins van

Perzië even bedroefd zal zijn als ik. De juwelier, die ons zoo veel

belangstelling bewezen, en uit genegenheid voor ons, een zoo zwaar

verlies geleden heeft, verdient daarvoor schadeloos te worden gesteld.

Blijf dus niet in gebreke morgen ochtend twee beurzen te nemen, elk met

duizend stukken goud, hem die uit mijnen naam te overhandigen, en te

vragen, hoe het den prins van Perzië gaat.”

Toen mijne goede meesteres met spreken ophield,” vervolgde de

vertrouwde, „maakte ik haar opmerkzaam op het groote gevaar, waaraan

zij als door een wonder was ontkomen, haar smeekende zich zelve te

beheerschen, en van eene zoo gevaarvolle liefde af te zien. „Bemoei

u daar niet mede,” sprak zij met een gestreng gelaat, „en doe wat u

bevolen is.” Ik zag mij gedwongen te zwijgen, en om haar te gehoorzamen,

ben ik naar uwe woning gegaan. Ik trof u niet te huis, maar men zeide

mij, waar ik u waarschijnlijk zou kunnen vinden. In de onzekerheid of

ik u niet zou misloopen, stond ik in bedenking, om naar den prins van

Perzië te gaan; dit durfde ik echter niet wagen. De twee beurzen heb ik

bij eene mijner kennissen in bewaring gegeven; wacht mij hier, ik zal ze

halen, en ben dadelijk terug.”

Er was nog geen kwartier uurs verloopen, of de vertrouwde liet zich

weder in de moskee vinden, waar de juwelier op haar wachtte. „Neem deze

beurzen,” sprak zij, „en vergoed uwen vrienden de door hen geleden

schade.” „Er is hier meer geld, dan ik daartoe noodig heb,” hernam

de juwelier, „maar ik durf het geschenk niet afwijzen, dat eene zoo

grootmoedige dame aan haren zeer nederigen dienaar geven wil. Ik verzoek

u haar te verzekeren, dat ik hare goedheid altoos gedenken zal.” Nu

spraken zij af, dat als de vertrouwde weder eene boodschap voor den

juwelier of voor den prins van Perzië had, zij zich dan ten zijnent zou

vervoegen; hierop namen zij van elkander afscheid. De juwelier ging naar

den prins van Perzië, die de stem van zijn' vriend herkennende, de oogen

opende, en hem aanzag met een' blik, waarin een wereld van lijden lag

uitgedrukt. Hij spande zich in, en zeide met zwakke stem, dat hij hem

wel verpligt was voor de moeite, die hij zich gaf, om eenen ongelukkige

als hij, in zijne droefheid te komen bezoeken en troosten.

„Prins,” hernam de juwelier, „ik smeek u, spreek niet van de

verpligting, die gij aan mij hebt; ik zou mij gelukkig achten; indien

de goede diensten, die ik getracht heb, u te bewijzen, een' gunstiger

uitslag hadden gehad. Laat ons liever op uwe gezondheid bedacht zijn; de

toestand, waarin ik u zie, doet mij vreezen, dat gij daar weinig zorg

voor draagt.”

De bedienden, die bij den prins waren om hem op te passen, namen deze

gelegenheid te baat, om aan den juwelier hunnen nood te klagen, dat hun

meester, wat moeite zij zich ook gaven, naauwelijks te bewegen was,

eenig voedsel tot zich te nemen, en sedert een' geruimen tijd niets had

gebruikt. Dit bewoog den juwelier, bij den prins aan te dringen, dat hij

in zijne tegenwoordigheid, als om hem te verpligten, wat zou eten; en

hij hield zoo lang aan, dat Aboul-Hassan eindelijk toegaf.

Nadat de prins dus iets beter dan gewoonlijk gegeten, en ook een glas

wijn gebruikt had, gaf hij zijnen lieden een' wenk zich te verwijderen.

Toen zij vertrokken waren, zeide hij tot den juwelier: „Het verlies,

dat gij uit genegenheid voor mij ondergaan hebt, bedroeft mij ten

hoogste, en het is niet meer dan billijk, dat ik u zulks zal vergoeden.

Maar alvorens waag ik het u te vragen, of gij niets vernomen hebt van

Schemselnihar, sedert ik gedwongen werd van haar te scheiden?”

De juwelier verhaalde alles, wat de vertrouwde hem medegedeeld had. De

prins hoorde hem schreijende en zuchtende aan, zonder een enkel woord

te zeggen. Daarna deed hij eene poging om op te staan, riep twee zijner

bedienden, liet hen eenige groote pakken maken van zijne fraaiste

meubelen en zijn kostbaarst zilverwerk, en gelastte hen, dit ten huize

van den juwelier te brengen. De juwelier weigerde in den beginne dit

geschenk van den prins van Perzië aan te nemen; maar ofschoon hij

betuigde, dat Schemselnihar hem reeds meer had gezonden dan noodig was,

om aan zijne vrienden de geleden schade te vergoeden, de prins verlangde

gehoorzaamd te worden. Zijn' vriend bleef dus niets anders over, dan hem

dank te wijten voor zijne groote goedheid. Tot laat in den nacht bleven

de twee vrienden in druk gesprek.

Alvorens den volgenden morgen te vertrekken, ging de juwelier eerst

nog zien, hoe de prins zich bevond. Deze verzocht hem, zich bij zijne

legerstede neder te zetten, en sprak hem aldus toe: „Gij weet, dat elke

zaak welke men onderneemt, een doel heeft; dat van den minnaar is, het

voorwerp zijner liefde ongestoord te bezitten. Is hem dit onmogelijk,

dan wordt het leven hem een' last. Gij weet, dat ik mij in dezen

treurigen toestand gebragt zie. Tweemaal meende ik het doel mijner

wenschen nabij te zijn, en tweemaal zag ik mij daarvan op het wreedst

verstoken. Sinds dien tijd heeft het leven voor mij geene waarde meer;

ik denk slechts aan den dood, en zou mij dien reeds met eigen hand

gegeven hebben, indien niet de godsdienst den zelfmoord laakte. Het is

ook niet noodig, dat ik mijn noodlot vooruit loop; ik gevoel maar al te

wel mijn einde naderen.” Bij deze woorden zweeg Aboul-Hassan, en barstte

in zuchten en tranen uit.

De juwelier wenschte hem van deze wanhopige gedachte af te brengen. Hij

wist daartoe geen beter middel, dan hem te herinneren aan Schemselnihar,

en hem eenige hoop te geven, dat hij haar zou wederzien. „Wat ik voor u

doen kan,” vervolgde hij, „zal ik niet nalaten. Misschien bevindt de

vertrouwde van Schemselnihar zich reeds ten mijnent, en wie weet, wat

zij mij te zeggen heeft?” „Ga dan,” sprak de prins, „en indien gij haar

ziet, zoo smeek ik u, haar op het hart te drukken, zij aan Schemselnihar

zeggen moet, dat indien ik sterf, zulks alleen uit liefde voor haar is,

en dat ik haar zal beminnen tot mijn' laatsten ademtogt, ja tot in het

graf.”

De juwelier ging naar zijne woning, en bleef te huis, in de hoop,

dat de vertrouwde mogt komen. Na verloop van eenige uren zag hij haar

werkelijk, maar schreijende en in de grootste verwarring. Hierdoor

ontsteld, vroeg hij in drift, wat haar deerde.

„Schemselnihar, de prins van Perzië, gij en ik!” antwoordde de

vertrouwde, „wij allen zijn verloren! Hoor van mij het treurige nieuws,

dat ik gisteren, toen ik in het paleis terugkwam, vernemen moest.

Schemselnihar had eene der twee slavinnen, die haar naar uwe andere

woning vergezeld hebben, doen kastijden, wegens een' misslag, welken

zij begaan had. De slavin, de deur van het paleis open vindende, en

verbitterd over de ondergane harde behandeling, is weggeloopen. Zij

heeft bij een' der gesnedenen van onze wacht, eene wijkplaats gezocht,

en wij twijfelen niet, of zij zal hem alles verteld hebben. Doch dit is

niet alles: ook de andere slavin is ontvlugt, en heeft de wijk genomen

in het paleis van den kalif, aan wien zij zeker alles ontdekt heeft.

Heden morgen toch heeft de kalif Schemselnihar door twintig gesnedenen

laten ophalen, en naar zijn paleis voeren. Ik heb eene gelegenheid

gevonden, te ontkomen, om u van dit alles berigt te kunnen geven. Wat

er verder gebeurd is, weet ik niet; maar ik vrees het ergste. Hoe dit

zij, en wat er van komen moge, ik bezweer u ons geheim goed te bewaren.

Ga tevens,” vervolgde zij, „zonder tijdverlies den prins van Perzië

opzoeken, en hem van deze treurige gebeurtenis kennis geven; opdat hij

zich op alles voorbereide, en weten moge, hoe te moeten handelen.” Dit

gezegd hebbende, verwijderde zij zich schielijk, zonder zelfs eenig

antwoord af te wachten.

Wat zou de juwelier ook geantwoord hebben? Hij stond als aan den grond

genageld, en toch begreep hij, dat de zaak dringend was. Zich met geweld

beheerschende, liep hij naar den prins van Perzië. Op zijn bleek en

onthutst gelaat kon men reeds zien, dat hij overbrenger eener kwade

boodschap was. „Prins,” zeide hij, „wapen u met onderwerping, volharding

en moed, en bereidt u voor op het ergste, dat u zou kunnen overkomen.”

„Zeg mij toch spoedig, wat er eigenlijk is,” sprak de prins; „indien het

noodig is, ben ik bereid te sterven.”

De juwelier deelde hem nu mede, wat hij van de vertrouwde had vernomen.

„Gij ziet hieruit prins,” vervolgde hij, in eenen adem voortgaande, „dat

gij een verloren man zijt. Sta op, en vlugt zoo spoedig mogelijk; de

tijd is kostbaar. Gij moet u niet blootstellen aan den toorn van den

kalif, en nog minder aan het gevaar, van op de pijnbank tot bekentenis

te worden gebragt.” Het scheelde niet veel, of de prins had van

droefheid, ontsteltenis en schrik op het oogenblik zelf den geest

gegeven. Hij herstelde zich echter, en vroeg aan den juwelier, welk

besluit hij in deze omstandigheden moest nemen. „Er blijft u niets

over,” hernam deze, „dan zonder verwijl te paard te stijgen, en den weg

naar Ambar in te slaan, waar gij morgen vóór het aanbreken van den dag

kunt aankomen. Neem zoo vele bedienden mede, als gij noodig oordeelt,

zorg voor goede paarden, en veroorloof mij, u op uwe vlugt te

vergezellen.”

Aboul-Hassan, geen ander middel vindende, gaf bevel alles tot hunne

vlugt ten spoedigste in gereedheid te brengen, voorzag zich van goud

en edelgesteenten, en na afscheid van zijne moeder genomen te hebben,

vertrok hij, en verwijderde zich haastig van Bagdad, met den juwelier en

eenige van zijne getrouwste bedienden. Zij reden den geheelen dag en een

groot gedeelte van den nacht door, zonder ergens op te houden. Twee of

drie uren vóór het aanbreken van den dag, waren echter zoowel ruiters

als paarden zoo afgemat van den langen rid, dat zij zich genoodzaakt

zagen halt te houden. Zij stegen van hunne paarden, en terwijl deze om

hen heen liepen te grazen, gingen zij in het gras zitten, om een weinig

uit te rusten.

Naauwelijks hadden zij den tijd gehad tot adem te komen, toen zij door

eene sterke rooverbende werden aangevallen. Zij verdedigden zich eenigen

tijd met groote dapperheid; al de bedienden sneuvelden. Eindelijk zagen

de prins en de juwelier zich echter gedwongen, de wapens neêr te leggen,

en zich over te geven. De roovers schonken hun het leven; maar nadat

zij de paarden opgevangen en zich van de goederen meester gemaakt

hadden, kwamen zij terug en ontnamen hun ook hunne kleederen, waarna

zij met den gemaakten buit wegreden. „Wat zegt gij nu,” sprak thans de

prins mistroostig tot den juwelier, „van ons ongelukkig lot, en van den

jammerlijken toestand, waarin wij gebragt zijn? Ware het niet beter

geweest in Bagdad te blijven, en daar den dood af te wachten, in welke

gedaante hij zich ook mogt vertoonen.” „Prins,” hernam de juwelier,

„Allah schijnt besloten, ons deze verschrikkelijke beproeving op te

leggen. Wij mogen niet morren, en gelijk wij het goede van zijne hand

ontvangen hebben, moeten wij ook het kwade, dat hij ons toezendt, met

onderwerping dragen. Verspillen wij den tijd niet met nuttelooze

klagten, maar laat ons elders eene wijkplaats zoeken, waar men welligt

medelijden met ons ongeluk zal hebben.”

„Laat mij met rust sterven,” hernam de prins; „het is mij het zelfde,

hier of elders mijn graf te vinden. Misschien is Schemselnihar, terwijl

wij spreken, reeds niet meer, en ik wil haar niet overleven.” De

juwelier verkreeg echter door lang aanhouden zoo veel op Aboul-Hassan,

dat deze zich liet leiden. Zij gingen eenigen tijd voort, en kwamen aan

eene moskee, die open was. Hier traden zij binnen, en bragten er het

overige van den nacht door.

Met het aanbreken van den dag kwam er iemand in de moskee. Hij deed zijn

morgengebed, en werd vervolgens den prins van Perzië en den juwelier

gewaar, die zich in een' afgelegen hoek hadden terug getrokken. Hij ging

naar hen toe, en groette hen zeer beleefd. „Vergis ik mij niet,” zeide

hij, „dan zijt gij vreemdelingen.” De juwelier nam hierop het woord, en

antwoordde: „Gij bedriegt u niet; wij komen van Bagdad en werden dezen

nacht door roovers overvallen en uitgeplunderd; zij hebben ons in dezen

toestand gebragt. Wij hebben hulp noodig, maar weten niet, tot wien wij

ons zullen wenden.” „Indien gij u de moeite wilt geven, mede naar mijn

huis te gaan,” hernam de man, „zoo zal ik u ondersteunen, zoo veel in

mijn vermogen is.”

Op dit vriendelijk aanbod wendde de juwelier zich tot Aboul-Hassan,

en fluisterde hem in het oor: „Deze man schijnt ons niet te kennen.

Het komt mij dus voor, dat wij zijne hulp moeten aannemen.” „Ik laat

alles aan u over,” hernam de prins, „wat gij doet, is mij wel.” De man,

bemerkende dat de juwelier en de prins te zamen beraadslaagden, meende

dat zij zwarigheid maakten zijn voorstel aan te nemen. Hij vroeg dus,

hoe zij wilden. „Wij zijn gereed u te volgen,” antwoordde de juwelier,

„doch wat ons verlegen maakt, is dat wij geene kleederen hebben, en ons

dus schamen voor den dag te komen.”

Bij geluk had hij zoo veel kleêren aan, dat hij ieder hunner een stuk

kon medegeven. Dit deed hij, en nam hen toen mede naar zijne woning.

Zoodra zij daar kwamen, deed de gastheer aan beiden een pak kleêren

geven, en daar hij vermoedde, dat zij wel honger hebben, en gaarne

alleen zijn zouden, liet hij hun door een' slaaf verscheidene schotels

voorzetten. Zij aten evenwel bijna niets, en de prins was zoo

neêrslagtig en afgemat, dat de juwelier voor zijn leven begon te

vreezen.

De vriendelijke gastheer bezocht hen dien dag verscheidene malen, om te

zien, of zij ook ergens behoefte aan hadden, en tegen den avond gaf hij

hun vroegtijdig gelegenheid zich ter ruste te begeven; daar hij begreep,

dat zij die wel noodig zouden hebben. De juwelier was echter weldra

verpligt hem te roepen, ten einde bij het afsterven van den prins

tegenwoordig te zijn. Hij bemerkte, dat de ademhaling kort en haastig

werd, en dit deed hem denken, dat het einde naderde. Hij ging bij zijn

bed, en de prins zeide langzaam tot hem: „Gij ziet dat mijn einde

nadert, en ik ben blijde, dat gij in mijn stervensuur bij mij zijt.

Ik leg mijn leven met vreugde af; de reden waarom, behoef ik u niet

te zeggen; gij kent die. Wat mij alleen bedroeft, is dat ik niet mag

sterven in de armen van mijne geliefde moeder, zij heeft mij altoos

teeder liefgehad, en ik heb haar steeds de achting betoond, welke ik

haar schuldig ben. Zij zal zeer bedroefd zijn, den troost te moeten

missen, mij de oogen toe te drukken en zelve mijn ligchaam in het

lijkkleed te wikkelen. Betuig haar vooral, hoezeer mij dat smart, en

smeek haar uit mijnen naam, dat zij mijn lijk naar Bagdad doe komen,

opdat zij op mijn graf zal kunnen weenen, en mij in hare gebeden

gedenken.” Hij vergat ook zijn' gastheer niet, bedankte hem voor zijne

edelmoedige hulp, en verzocht hem als laatste gunst, zijn lijk in

bewaring te houden, totdat men dit zou komen halen. Daarop gaf hij den

geest.

Reeds den volgenden morgen na het overlijden van den prins van Perzië,

maakte de juwelier van eene gelegenheid gebruik, om zich bij eene

karavaan van kooplieden, welke naar Bagdad ging, aan te sluiten. Hij

kwam behouden ten zijnent aan, en na van kleeding verwisseld te hebben,

ging hij onmiddelijk naar de woning van den prins van Perzië. Zijne

aankomst zonder den prins bragt daar alles in beweging. Hij verzocht,

dat men hem bij de moeder van Aboul-Hassan zou aandienen, daar hij haar

wenschte te spreken. Men bragt hem in eene prachtige zaal, waar die dame

zich met vele harer vrouwen bevond. „Mevrouw,” sprak de juwelier op een'

toon en in eene houding, welke de treurige boodschap, die hij overbragt,

reeds aankondigden: „Allah spare uw leven, en overlade u met zijne

weldaden. Gij weet echter, dat hij over ons en over ons leven beschikt

naar zijn welbehagen, en.......”

De dame liet den juwelier niet verder voortspreken. „Ach,” riep zij

uit, „gij komt mij den dood van mijn' zoon aanzeggen!” Zij begon hevig

te weenen, en was geheel troosteloos. Ook hare vrouwen deelden in

hare smart, en de juwelier kon zich niet van schreijen onthouden. Het

duurde een' geruimen tijd, alvorens zij hare droefheid in zoo verre kon

beheerschen, om hem te verzoeken, met zijne mededeeling voort te gaan,

en niets voor haar te verbergen, wat betrekking had op dit treurig

sterfgeval. Toen hij geëindigd had, vroeg zij hem of de prins, haar

zoon, in zijne laatste oogenblikken hem niets belast had, wat in het

bijzonder haar betrof. De juwelier gaf haar de verzekering, dat de prins

geen grooter verdriet gekend had, dan van haar verwijderd te sterven;

terwijl zijne eenigste begeerte was, dat zij zorg zou dragen, zijn lijk

naar Bagdad werd overgebragt. Reeds den volgenden morgen zeer vroeg

begaf zij zich op weg, vergezeld door hare vrouwen en een groot getal

slaven.

Terwijl de juwelier, in treurige gedachten verdiept, naar zijne woning

terugkeerde, hield eene vrouw hem staande. Hij sloeg de oogen op, en

herkende de vertrouwde van Schemselnihar, die schreide. Op dit gezigt

stortte hij op nieuw tranen, zonder haar echter in het minst toe te

spreken. Hij ging zwijgend door naar zijne woning, waar de vertrouwde

met hem binnenging.

Zij zetten zich neder, en de juwelier het eerst het woord opvattende,

vroeg met een' diepen zucht aan de vertrouwde, of zij reeds bekend was

met het overlijden van den prins van Perzië, en of zij daarom weende.

„Helaas! neen,” riep zij, „is die goede prins dood? Hij heeft dan zijne

lieve Schemselnihar niet lang overleefd. Reine zielen,” vervolgde

zij, „waar gij thans zijt, moet gij wel gelukkig wezen, van elkander

voortaan zonder hinderpalen te kunnen beminnen! Uwe ligchamen waren een

struikelblok voor uwe wenschen; de hemel heeft u daarvan verlost, om u

te vereenigen!”

De juwelier, die niets wist van den dood van Schemselnihar, en er nog

geen acht op had geslagen, dat de vertrouwde rouwkleederen droeg, werd

door dit nieuwe sterfgeval tot in de ziel getroffen. „Wat!” riep hij

uit, „Schemselnihar ook dood!” „Zij heeft deze wereld verlaten,” hernam

de vertrouwde, op nieuw in tranen losbarstende. „De omstandigheden,

welke bij en vóór haren dood plaats hadden, zijn zeer merkwaardig, en

verdienen, dat ik ze u mededeel; maar ik smeek u, mij eerst te verhalen,

wat er bij den dood van den prins van Perzië heeft plaats gevonden.”

De juwelier voldeed aan het verlangen van de vertrouwde, en nadat hij

haar alles verhaald had, tot aan het vertrek van de moeder van den prins

van Perzië naar Ambar, om het lijk van haren zoon af te halen en naar

Bagdad over te brengen, voldeed ook de vertrouwde aan hare belofte. „Gij

weet,” ving zij aan, „dat ik u gezegd heb, de kalif Schemselnihar op

zijn paleis deed komen. Wat wij vermoed hadden, bevestigde zich; de

Beheerscher der geloovigen had de beide slavinnen, elk in 't bijzonder

ondervraagd. Zij hadden hem niets verzwegen omtrent de minnarijen van

Schemselnihar en den prins van Perzië. Gij zult nu, even als ook ik

gedacht heb, meenen, dat hij aan zijne jalousie en zijnen toorn den

vrijen teugel zou vieren, en slechts op eene bloedige wraak bedacht

zijn. Niets van dit alles; aan den prins van Perzië scheen hij geheel

niet te denken. Hij beklaagde alleen Schemselnihar; en het is te

gelooven, dat hij het gebeurde geheel toeschreef aan de vergunning, die

hij aan mijne meesteres had gegeven, om vrij door de stad te mogen gaan,

zonder van hare gesnedenen vergezeld te zijn. Men kon althans geene

andere reden vinden voor de buitengewone wijze, waarop hij de zaak

behandelde, gelijk gij nu zult hooren.

De kalif ontving mijne meesteres met een vriendelijk gelaat, en toen hij

hare droefgeestigheid zag, welke aan hare schoonheid evenwel geen nadeel

toebragt, zeide hij met eene goedheid, zijner waardig: „Schemselnihar,

ik kan niet dulden, dat gij in eene zoo treurige stemming voor mij

verschijnt; dit bedroeft mij. Gij weet, dat ik u altoos hartstogtelijk

bemind heb; de gegeven blijken mijner liefde moeten u daarvan overtuigd

hebben. Ik ben niet veranderd ten dezen opzigte, en bemin u meer dan

ooit. Gij hebt vijanden, en deze hebben mij uw gedrag als berispelijk

voorgesteld, maar wat zij ook tot uw nadeel spreken mogen, het heeft

op mij niet den minsten indruk gemaakt. Laat dus die treurigheid

varen, opdat gij in staat moogt zijn mij dezen avond, volgens gewoonte,

genoegelijk bezig te houden.” Hij liet haar daarop naar een prachtig

vertrek gaan, dat aan het zijne grensde, met verzoek hem daar te

wachten.

De treurende Schemselnihar was zeer gevoelig voor zoo vele blijken van

zijne liefde en goedheid; hoe meer zij echter dacht aan de verpligting,

welke zij aan den kalif had, te dieper gevoelde zij haar ongeluk,

misschien voor altoos van den prins van Perzië gescheiden te zullen

zijn, zonder wien zij niet meer kon leven.

Deze zamenkomst tusschen den kalif en zijne hem zoo dierbare

Schemselnihar, had plaats in mijne afwezigheid, en ik vernam de

bijzonderheden daarvan uit den mond van mijne vriendinnen, die er bij

tegenwoordig waren. Maar zoodra ik terugkwam, voegde ik mij weder bij

mijne meesteres, en was getuige, van hetgeen er dien avond verder

voorviel. Ik vond haar in het vertrek, waarvan ik u zoo even sprak. Daar

zij niet twijfelde, of ik was bij u geweest, wenkte zij mij bij haar te

komen, en zonder dat iemand het hoorde, zeide zij tot mij: „Ik ben u

zeer dankbaar voor den dienst, welken gij mij weder hebt bewezen; ik

gevoel wel, dat dit de laatste zijn zal.” Verder liet zij zich niet uit,

en het was daar de plaats ook niet, om te trachten haar een troostrijk

woord toe te voegen.

De kalif kwam dien avond binnen, terwijl de vrouwen van Schemselnihar

speelden. Men bragt terstond het collation op. De Beheerscher der

geloovigen nam Schemselnihar bij de hand, en liet haar naast zich op

eene sofa nederzitten. Zij deed dit; maar moest zich zoo veel geweld

aandoen, dat zij weinige oogenblikken daarna den geest gaf. De kalif

dacht, dat zij slechts eene flaauwte had, en wij allen meenden zulks,

maar zij kwam niet weder tot zich zelve. Ziedaar, op welke wijze wij

haar verloren.

De kalif weende bitter, en alvorens naar zijn paleis terug te keeren,

gaf hij bevel al de muzijkinstrumenten stuk te breken, dat ook dadelijk

geschiedde. Ik bleef den geheelen nacht bij het lijk, waschte het, en

wond het in een laken, terwijl ik het met mijne tranen besproeide. Den

volgenden morgen werd het laatste overschot van Schemselnihar, op bevel

van den kalif, bijgezet in de prachtige graftombe, welke hij in den tuin

van zijn paleis had laten zetten. Daar gij nu zegt,” vervolgde zij, „dat

het lijk van den prins van Perzië naar Bagdad zal worden overgebragt,

heb ik besloten mijn best te doen, dat dit in de zelfde graftombe worde

gelegd, opdat deze gelieven, gescheiden gedurende hun leven, in het graf

vereenigd mogen zijn.”

De juwelier was zeer verbaasd over dit besluit van de vertrouwde.

„Denk daar niet aan,” zeide hij, „de kalif zal zulks nimmer dulden.”

„Gij gelooft, dat de zaak onmogelijk is,” hernam de slavin, „maar zij

is dit niet; gij zult mij dit zelf moeten toestemmen, als ik u zeg,

dat de kalif aan al de slavinnen van Schemselnihar de vrijheid heeft

geschonken, met een jaargeld, waarvan zij ruimschoots kunnen leven, en

mij belast heeft met de zorg, om de graftombe te bewaken en in goeden

staat te houden, waaraan een zeer aanzienlijk inkomen verbonden is.

Bovendien zal de kalif, die, gelijk ik u gezegd heb, niet onbekend is

met de liefde tusschen den prins van Perzië en Schemselnihar, en zich

daarover niet verstoord heeft getoond, aan de dooden niet misgunnen,

wat hij aan de levenden niet kon toestaan.” De juwelier moest dit alles

toestemmen; hij verzocht tevens de vertrouwde, hem bij de graftombe van

Schemselnihar te brengen, om daar zijn gebed te doen. Groot was zijne

verwondering, toen hij bij zijne komst bijna de halve bevolking van

Bagdad, zoo mannen als vrouwen, om de tombe verzameld zag. Hij kon die

slechts van verre naderen, en na zijn gebed verrigt te hebben, zeide hij

tot de vertrouwde: „Volbreng, wat gij zoo goed bedacht hebt. Wij hebben

toch slechts den dood van den prins van Perzië bekend te maken, die

bijna gelijk met Schemselnihar gestorven is, en geheel Bagdad zal den

kalif smeeken, dat hunne lijken in het zelfde graf mogen rusten.”

Dit deden zij, en de uitkomst beantwoordde geheel aan hunne verwachting.

Wat de gansche bevolking van Bagdad zoo vurig begeerde, en van hem

verzocht, wilde Haroun-al-Raschid niet afwijzen; hij gaf zijne

toestemming. Eene groote menigte ging nu het lijk van den prins van

Perzië te gemoet; de vertrouwde wachtte het aan de poort van Bagdad op,

en toen voor zijne moeder tredende, smeekte zij deze in naam van de

gansche stad, dat ook zij mogt toestaan, de lijken der twee gelieven,

die van het eerste oogenblik, dat zij elkander leerden kennen, slecht

één hart en ééne ziel waren geweest tot aan hunnen dood toe, in het

zelfde graf mogten rusten. Aboul-Hassan's moeder bewilligde, en het lijk

werd naar de graftombe van Schemselnihar gebragt, begeleid door eene

lange rij van Bagdads inwoners, en naast dat van Schemselnihar bijgezet.

Van dat tijdstip af kwamen niet alleen de inwoners van Bagdad, maar ook

vreemdelingen, uit alle oorden der wereld, waar Muzelmannen waren, op

de tombe dezer minnenden, die elkander tot in den dood getrouw waren

geweest, hunne gebeden doen.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 17 / 19 题