Dl. III, pag. 147.]

Deze woeste man had eene schoone vrouw, en het was geene zeldzaamheid,

dat hij, op zijne rooftogten uitgaande, mijn' broeder met haar alleen

te huis liet. Alsdan trachtte deze vrouw Schacabac zoo veel in haar

vermogen was, over zijne harde slavernij te troosten. Dit wekte al

spoedig jaloerschheid bij den Arabier op. Op zekeren keer te huis

komende, ontstak hij in hevige woede, wierp zich op mijn' broeder,

mishandelde hem op eene verschrikkelijke wijze, zette hem toen op

een' kameel, en bragt hem op den top van eenen hoogen en woesten

berg, waar hij hem achterliet. Deze berg lag gelukkig aan den weg

van Bagdad, zoodat eenige reizigers, die Schacabac daar ontmoet

hadden, mij berigtten, waar mijn broeder zich ophield. Ik begaf mij

zonder tijdverzuim derwaarts, en vond den ongelukkige in eenen

beklagenswaardigen toestand. Ik bewees hem de hulp, waaraan hij behoefte

had, en bragt hem weder in de stad.”

Ziedaar mijne heeren,” vervolgde de barbier, „de geschiedenissen, die

ik de eer had aan den kalif Mostanser Billah te verhalen. Deze vorst

gaf mij zijne tevredenheid door een schaterend lagchen te kennen. „Ik

moet toegeven,” zeide hij tot mij, „dat men u met het grootste regt

den bijnaam van „den zwijger” heeft gegeven; niemand zal daarvan het

tegendeel kunnen beweren. Om zeker bijzondere redenen echter beveel ik u

onmiddelijk de stad te verlaten. Ga, en zorg dat ik nimmer meer van u

hoor spreken.” Ik bukte voor de noodzakelijkheid, en heb vele jaren in

vreemde landen omgezworven. Eindelijk kwam mij ter ooren, dat de kalif

Mostanser Billah overleden was. Ik keerde daarop naar Bagdad terug, waar

ik niet een' van mijne broeders meer in leven vond. Het was bij mijne

terugkomst in deze stad, dat ik in de gelegenheid kwam aan den jongen

kreupele de gewigtige dienst te bewijzen, waarvan gij gehoord hebt. Gij

zijt echter tevens getuige geweest van zijne ondankbaarheid en van de

beleedigende wijze, waarop hij mij behandeld heeft. In plaats van mij

zijne erkentelijkheid te betoonen, heeft hij integendeel besloten, mij

te ontwijken en zijn vaderland te verlaten. Toen ik nu vernam, dat hij

niet meer in Bagdad was, heb ik, hoewel geheel in het onzekere waarheen

hij zich had begeven, niet geaarzeld op reis te gaan, om hem op te

zoeken. Lang heb ik van de eene plaats naar de andere gereisd, zonder

zijn spoor te kunnen vinden; totdat ik hem heden, terwijl ik daar het

minst op verdacht was, hier mogt aantreffen. Ik was er niet op gewapend,

hem zoo vertoornd op mij te zien.”

* * * * *

Toen de barbier,” zoo vervolgde de snijder tot den sultan van Cachgar,

„aldus zijne geschiedenis geëindigd had, waren wij éénstemmig van

oordeel, dat de jonge kreupele geen ongelijk had hem te beschuldigen een

groote prater te zijn. Niettemin wilden wij hem wel toestaan, dat hij in

ons gezelschap bleef, en deel nam aan het ons toebereide feestmaal. Wij

gingen aan tafel, en bragten den tijd in vrolijkheid door tot één uur

vóór zonsondergang. Daarna scheidden wij van elkander, en ik ging naar

mijn' winkel om nog te werken, tot dat de tijd daar zou zijn, in mijne

woning terug te keeren.

Het was toen, dat de kleine gebogchelde half beschonken zich voor mijne

werkplaats liet zien, en zoo mooi zong en op de tambourijn speelde, dat

het een lust was hem aan te hooren. Ik meende daarom mijne vrouw een

genoegen te verschaffen, door hem mede te nemen naar mijn huis. Dit deed

ik. Mijne vrouw zette ons een' schotel met visch voor, en ik diende

daarvan een stuk aan den gebogchelde toe, die dit gretig binnenslokte,

zonder te letten dat er eene graat in zat. Wij wenden alles aan, om hem

te helpen, maar niets mogt baten; hij was aan de graat gestikt en dood.

In de verlegenheid, waarin dit treurige voorval ons bragt, en bevreesd

voor de gevolgen, werden wij er op bedacht ons van het lijk te ontdoen.

Wij wisten dit op eene behendige wijze aan den Joodschen doctor in

handen te spelen. De Joodsche geneesheer liet het door den schoorsteen

in de kamer van den magazijnmeester zakken. Deze laatste bragt het op de

straat, ter plaatse waar men meende, dat de Christenkoopman den armen

gebogchelde versloeg. Dit is het, sire,” vervolgde de kleêrmaker, „wat

ik te zeggen heb, om uwe majesteit tevreden te stellen. Het staat thans

aan u, ons genade te verleenen of uwen toorn te doen ondervinden.”

Bij deze woorden vertoonde zich op het gelaat van den sultan van

Cachgar een trek van tevredenheid, die aan den armen kleêrmaker en zijne

lotgenooten goede hoop deed koesteren. „Ik kan niet ontkennen,” sprak de

sultan, „meer getroffen te zijn door de mij verhaalde geschiedenissen,

dan door het ongelukkig lot van mijn' hofnar. Maar alvorens u alle

vier te laten heêngaan, en vóór dat men het lijk van den gebogchelde

begraaft, begeer ik dien barbier te zien, aan wien gij hoofdzakelijk uwe

vergiffenis te danken hebt. En daar hij zich in mijne hoofdstad bevindt,

is het eene gemakkelijke zaak mijne nieuwsgierigheid te bevredigen.” Te

gelijker tijd beval hij een' zijner dienaren met den snijder, die wist

waar de barbier zich doorgaans ophield, hem herwaarts te brengen.

De bode en de snijder kwamen reeds spoedig terug, en bragten den barbier

mede, dien zij aan den sultan voorstelden. De barbier was reeds een

grijsaard van negentig jaar, zijn baard en zijne wenkbraauwen waren zoo

wit als sneeuw, zijn neus was buitengewoon lang, en de oorlellen hingen

hem tot op de schouders. De sultan sprak hem aldus aan: „Zwijgend

mensch,” zeide hij, „ik heb vernomen, dat gij zulke verwonderlijke

geschiedenissen kunt vertellen; zoudt gij er mij wel eene willen

verhalen?” „Sire,” antwoordde de barbier, „dat wij met uw goedvinden

de geschiedenissen voor het tegenwoordige laten rusten. Ik smeek uwe

majesteit zeer nederig, mij te veroorloven haar te vragen, wat deze

Christen, deze Jood, deze Muzelman en deze doode gebogchelde, dien

ik daar op den grond zie liggen, hier te maken hebben.” De sultan

glimlachte om de vrijheid, die de barbier zich veroorloofde, en zeide

tot hem: „Wat belang hebt gij daarbij?” „Sire,” hernam de barbier; „ik

wil uwe majesteit toonen, dat ik niet, gelijk sommigen mij ten onregte

nageven, een groote prater ben, maar een man, die met het volste regt

den naam draagt van „den zwijger.””

De sultan van Cachgar moest op nieuw lagchen; hij beval echter aan de

nieuwsgierigheid van den barbier te voldoen, door hem de geschiedenis

van den kleinen bogchel mede te deelen. Toen de barbier ze had

aangehoord, schudde hij zijne lange ooren, alsof hij te kennen wilde

geven, dat er in die geschiedenis iets lag opgesloten, daar hij geene

hoogte van kon krijgen. „Waarlijk,” schreeuwde hij, „deze gebeurtenis is

zeer verwonderlijk; maar ik ben blijde den doode van nabij te kunnen

onderzoeken.” Hij naderde het lijk; ging op den grond zitten, nam het

hoofd op zijne knieën, en beschouwde dit met opmerkzaamheid. Eensklaps

borst hij nu in lagchen uit, en dit met zoo weinig terughouding, dat

hij zich achterover op den grond liet vallen, zonder in aanmerking te

nemen, zich voor den sultan van Cachgar te bevinden. Daarna zich weder

oprigtende, zonder evenwel zijn lagchen te staken, riep hij uit: „Men

zegt, en niet zonder reden, dat de dood eene oorzaak moet hebben. Indien

ooit eene geschiedenis waardig is geweest, in gouden letteren beschreven

te worden, zoo is het deze van den gebogchelde.”

Op zulk eenen zoo weinig betamenden uitroep zag ieder den barbier voor

een' spotvogel aan, of voor een' grijsaard, die kindsch was. „Zwijgend

mensch,” zeide de sultan tot hem, „zeg mij, wat hebt gij, dat u zoo

onzinnig doet lagchen?” „Sire,” antwoordde de barbier, „ik zweer u, dat

deze bogchel niet dood is. Hij leeft nog, en ik wil voor krankzinnig

doorgaan, als ik u dit niet op het oogenblik doe zien.” Dit zeggende,

kreeg hij uit zijn medicijn-kistje, dat hij altijd bij zich droeg, een

klein fleschje met olie, waarmede hij eenen geruimen tijd den hals van

den gebogchelde inwreef. Vervolgens nam hij uit zijnen koker een zeker

instrument, dat hij hem tusschen de tanden zette, om den mond open te

houden, en trok met een tangetje, dat hij hem diep in de keel bragt, het

stuk visch met graat en al er uit. Terstond daarop begon de bogchel te

niezen, rekte de armen en beenen uit, opende de oogen, en gaf andere

teekenen, dat hij in het land der levenden was teruggekeerd.

De sultan van Cachgar en allen, die van deze goed gelukte operatie

getuige waren, wisten niet waarover zij zich het meest moesten

verwonderen, over het herleven van den bogchel, die nu bijna

vier-en-twintig uren voor dood had gelegen, of over den barbier,

die hem weder tot bewustzijn had teruggebragt, en dien men thans,

niettegenstaande zijne gebreken, voor een groot man begon aan te zien.

De sultan, opgetogen van vreugde en bewondering, gaf bevel, dat de

geschiedenis van den barbier, te gelijk met die van den kleinen bogchel,

zou worden beschreven, opdat de herinnering daaraan mogt bewaard

blijven. Hij liet het daarbij echter niet: de snijder, de Joodsche

geneesheer, de Muzelmansche magazijnmeester en de Christenkoopman

moesten eene blijde herinnering hebben aan de gebeurtenis, die hen door

de gulzigheid van den bogchel was bejegend. De sultan liet hen niet van

zich gaan, zonder aan elk hunner een zeer rijk kleed te geven, dat zij

in zijne tegenwoordigheid moesten aantrekken. Wat de barbier betreft,

aan dezen gaf hij een groot pensioen, en hield hem aan zijn hof.

GESCHIEDENIS VAN ABOUL-HASSAN ALI EBN BECAR EN SCHEMSELNIHAR, BEMINDE

VAN DEN KALIF HAROUN-AL-RASCHID.

Onder de regering van den kalif Haroun-al-Raschid woonde er te Bagdad

een drogist, Aboul-Hassan Ebn Thahar genaamd. Deze man was zeer rijk, en

welgemaakt van persoon, aangenaam in den omgang, geestig en wellevend,

terwijl zijne eerlijkheid, rondborstigheid en vrolijk gestel hem bij een

ieder bemind maakten. De kalif stelde in dezen man een blind vertrouwen.

Hij achtte hem zoo hoog, dat hij aan hem overliet, de dames van het

serail van al het noodige te voorzien. Ebn Thahar moest haar kleederen,

juweelen, meubelen enz. kiezen, en hij kweet zich van zijne taak

uitmuntend.

Deze goede eigenschappen van Ebn Thahar en de gunst, waarin hij bij

den kalif stond, gaven aanleiding, dat zijn gezelschap gezocht werd

door de zonen der emirs en van andere hooggeplaatste personen. Zijn

huis werd als het ware de verzamelplaats van alle hovelingen. Onder de

jongelieden, die hem dagelijks bezochten, bevond er zich een, die boven

alle anderen in zijne achting stond aangeschreven, en met wien hij eene

bijzondere vriendschap onderhield. Deze jonge man heette Aboul-Hassan

Ali Ebn Becar, en stamde af van eene oude koninklijke familie in Perzië.

Die familie bestond nog te Bagdad, nadat de Muzelmannen met geweld van

wapenen het koningrijk Perzië veroverd hadden. De natuur scheen er

vermaak in te scheppen onzen jongen prins met hare schoonste gaven te

bedeelen, zoowel naar den geest als naar het ligchaam. Zijn gelaat was

zoo fraai en fijn gevormd en zijne gestalte zoo edel, dat de grootste

schoonheidkenners in zijn' persoon geene enkele fout konden aanwijzen.

Hij had tevens iets zoo innemends, dat men hem niet kon zien en niet

tevens liefhebben. De klank van zijne stem was zeer welluidend, en de

woorden die hij sprak, droegen steeds het kenmerk van een juist oordeel,

zooals men dit weinig bij jongelieden van zijne jaren aantreft. Bij al

deze uitstekende hoedanigheden bezat hij de zeldzame deugd, zich daarop

volstrekt niets te laten voorstaan.

Het is dus niet te verwonderen dat Ebn Thahar, bekend met zijne

uitstekende hoedanigheden, aan dezen jongeling de voorkeur gaf, boven

andere jongelieden, die voor het meerendeel meer ondeugden dan deugden

bezaten. Eens nu, dat deze prins weder bij Ebn Thahar was, zagen zij

eene dame aankomen, op een' half witten en half zwarten muilezel

gezeten, omgeven door tien slavinnen, die alle te voet gingen en

zeer rijk gekleed waren. De dame droeg een' prachtigen rooskleurige

gordel, bezet met diamanten en paarlen van buitengewone grootte.

Hare schoonheid, voor zoo ver geen nijdige sluijer ze bedekte, deed

vermoeden, dat ze die harer slavinnen verre overtreffen moest. Zij had

eenige bestellingen te doen, waarover zij Ebn Thahar wilde spreken;

zij liet zich daarom van haar muildier glijden, en trad den ruimen en

prachtigen winkel binnen. Ebn Thahar groette haar en ontving haar met

den diepsten eerbied. Hij verzocht de schoone aan het hooger einde op

eene met zijden kussens belegde sofa plaats te nemen.

Inmiddels liet de prins van Perzië deze gelegenheid, om aan eene dame

van rang een bewijs van zijne wellevendheid te geven, niet ongebruikt

voorbijgaan. Hij schudde het met gouddraad doorweven rugkussen, dat haar

tot steun moest dienen, op, en trad toen met eene buiging terug, ten

einde voor haar plaats te maken. Daarop groette hij door het tapijt te

kussen, waarop hare voeten rustten, rigtte zich vervolgens weder op, en

bleef voor haar staan aan het lager einde der sofa. Daar deze dame met

Ebn Thahar zeer bekend was, deed zij haren sluijer af, en liet aan den

prins van Perzië een paar oogen zien, van een' zoo schitterenden gloed,

dat hij er tot in het hart door getroffen werd. Van haren kant, kon ook

de dame zich niet onthouden den prins aan te zien, wiens beminnelijk

voorkomen op haar een' gelijken indruk maakte. „Heer,” zeide zij op

eene verpligtende wijze, „ik bid u, ga zitten.” De prins van Perzië

gehoorzaamde, en zette zich op den rand der sofa. Hij kon de oogen niet

van haar afwenden, en zoog het zoete vergif der liefde met lange teugen

in. Zij bemerkte weldra, wat er in zijne ziel omging, en deze ontdekking

deed ook hare liefde voor hem te meer ontvlammen. Zij stond op, naderde

Ebn Thahar, zeide hem fluisterend, wat zij te bestellen had, en vroeg

vervolgens naar den naam van den prins van Perzië. „Mevrouw,” antwoordde

Ebn Thahar, „deze jongeling heet Aboul-Hassan Ali Ebn Becar, en is een

prins van koninklijk bloed.”

De dame was verrukt te vernemen, dat de persoon dien zij beminde van

zulke hooge afkomst was. „Gij wilt ongetwijfeld zeggen,” hernam zij,

„dat hij afstamt van de oude koningen van Perzië.” „Ja Mevrouw,”

antwoordde hij, „de laatste Perzische koningen zijn zijne voorouders,

en na den ondergang van dat rijk, hebben hunne vorsten zich aan het hof

van den kalif steeds door hunne deugden achtenswaardig gemaakt.” „Gij

verschaft mij een groot genoegen,” zeide zij, „mij met dezen jongen

prins in kennis te brengen. Indien ik deze vrouw bij u zend,” vervolgde

de dame, op eene harer slavinnen wijzende, „om u te zeggen, wanneer ik u

bij mij wensch te zien, zoo verzoek ik u hem mede te brengen. Ik ben

verlangend hem de pracht van mijne woning te doen zien, opdat hij zich

overtuige, dat onder de aanzienlijken te Bagdad de gierigheid geene

heerschappij voert. Gij hebt wel verstaan, wat ik u gezegd heb. Blijf

dus niet in gebreke; anders zou ik zeer boos op u zijn, en in uw leven

zoudt gij mij niet weder hier zien.”

Ebn Thahar had te veel doorzigt, om niet uit deze woorden tot de

gevoelens, welke de schoone koesterde, te besluiten. „Mijne prinses,

mijne koningin,” hernam hij, „Allah beware mij, dat ik u immer reden zou

geven om verstoord op mij te worden! Het zal mij steeds eene wet zijn,

uwe bevelen na te komen.” Bij dit antwoord nam de dame met eene ligte

hoofdbuiging afscheid van Ebn Thahar; en, na aan den prins van Perzië

een' welwillenden blik te hebben toegeworpen, besteeg zij haar muildier

en vertrok.

De prins van Perzië reeds tot gek wordens toe verliefd, volgde de dame

met zijne oogen, zoo lang hij haar zien kon, en zelfs nog eenen geruimen

tijd daarna stond hij te turen naar den kant, waar zij verdwenen

was. Ebn Thahar waarschuwde hem ten laatste, dat hij de aandacht der

voorbijgangers trok, die hem stonden aan te gapen, en hij lachte om het

dwaze figuur dat de prins maakte. „Ach!” zuchtte deze, „gij zoudt mij

veeleer beklagen, indien gij wist, dat die schoone dame mijn hart heeft

gestolen. Ik bezweer u, zeg mij,” vervolgde de verliefde prins, „wie is

zij toch, die de mannen dwingt haar te beminnen, zonder hun tijd van

bedaard overleg te laten.” „Heer,” antwoordde Ebn Thahar, „het is de om

hare schoonheid alom bekende Schemselnihar, beminde van den kalif.”

„Zij wordt teregt zoo genoemd,” viel de prins in, „daar zij inderdaad

schooner is, en de glans harer behoorlijke oogen meer kracht uitoefent,

dan de middagzon aan een' onbewolkten hemel.” „Dat is waar,” hernam

Ebn Thahar, „en om die reden wordt zij ook door den Beheerscher der

geloovigen boven al zijne andere vrouwen bemind, ja aangebeden. Hij

heeft mij bevolen, haar alles te verschaffen, wat hare oogen begeeren,

en zoo mogelijk hare wenschen te raden en te voorkomen.”

Hij zeide dit met het oogmerk, om den jongen prins terug te houden,

aan eene liefde toe te geven, die slechts zijn ongeluk ten gevolge kon

hebben, maar het was olie in het vuur gegoten. „Ik had er reeds een

voorgevoel van, bekoorlijke Schemselnihar,” riep hij uit, „dat het mij

niet geoorloofd zou zijn, de oogen tot u op te heffen. Ik gevoel echter

dat, hetzij dan ook zonder hoop uwe liefde te verwerven, ik nimmer zal

ophouden u te beminnen. Ik wil u liefhebben en mijn noodlot zegenen,

dat mij tot den slaaf heeft gemaakt van het schoonste wezen op den

aardbodem.”

Terwijl de prins van Perzië zoo sprak over de schoone Schemselnihar,

dacht ook zij in het naar huis gaan aan niets anders, dan aan een middel

om den prins bij zich te zien en zich met hem te onderhouden. Zoodra

zij zich ten harent bevond, zond zij de door haar aangeduide vrouw naar

Ebn Thahar, met bevel haar met den prins te komen bezoeken. De slavin

kwam dus reeds in den winkel van Ebn Thahar terug, toen deze nog met

den prins aan het praten was, en hem zocht terug te brengen van de

dwaasheid, om zijne liefde te vestigen op de beminde van den Beheerscher

der geloovigen. Daar de slavin hen bij elkander vond, sprak zij beiden

aan, zeggende: „Mijne heeren, de door mij hooggeschatte Schemselnihar,

de beminde van den beroemden kalif Haroun-al-Raschid laat u verzoeken

in haar paleis te komen, waar zij op u wachtende is.” Ebn Thahar stond

dadelijk op, en toonde zich gereed de slavin te volgen, hoewel de

zaak als zaak hem geheel niet naar den zin was. Wat de prins betreft,

hij dacht volstrekt niet aan het gevaar, waarmede een dergelijk

bezoek vergezeld ging. Een minnaar is zelden vreesachtig; en de

tegenwoordigheid van zijn' vriend, die vrijen toegang in het serail had,

verminderde ook het gevaar aanmerkelijk. Beide volgden dus op staanden

voet de slavin, welke voor hen uitging. Zij kwamen even na haar aan het

paleis van den kalif, en haalden haar in bij het kleine paleis van

Schemselnihar, waarvan de poort reeds open stond. De slavin bragt hen

nu in eene groote zaal, waar zij hen verzocht plaats te nemen.

De prins van Perzië meende zich in een der paleizen te bevinden, zooals

deze aan de Muzelmannen in een volgend leven beloofd zijn. Hij had

nog nooit iets gezien, dat te vergelijken was met de hier heerschende

pracht. De tapijten, de kussens op de sofa's, en alle andere meubels

waren even rijk als smaakvol. Zij hadden nog niet lang daar vertoefd,

toen eene zwarte slavin eene tafel dekte, en de keurigste geregten

opdroeg, hen uitnoodigende daarvan gebruik te maken. Zoodra de maaltijd

afgeloopen was, gaf men aan beide gasten een gouden bekken en eene met

water gevulde vaas, om de handen te wasschen. Vervolgens bragt men

reukwerk en aloéhout op draagbare gouden komforen, om hunnen baard en

hunne kleederen te berooken. Ook de welriekende wateren werden niet

vergeten; men goot hun het reukwater in beide handen, waarmede zij,

volgens Oostersch gebruik, den baard en geheel het gelaat inwreven. Toen

namen zij hunne plaats weder in, maar zij waren naauwelijks gezeten,

of de slavin verzocht hun op te staan en haar te volgen. Zij ontsloot

voor hen eene deur in het vertrek, waar zij zich bevonden, en nu kwamen

zij in eene veel grootere prachtig ingerigte zaal. Honderd marmeren

kolommen, in glans en witheid aan het zuiverste albast gelijk,

schraagden het koepelvormig verwulfsel. Tusschen elke kolom was eene

kleine sofa, terwijl de oogen als het ware verblind werden door een

ontelbaar aantal groote met goud en edelgesteenten versierde vazen van

porselein, kristal, jaspis, albast, porphyr en agaatsteen. De zaal had

het uitzigt in den bekoorlijksten tuin, welken men zich kan voorstellen.

De lanen waren ingelegd met steentjes van verschillende kleuren, terwijl

het oog getrokken werd door eene rots waaruit twee beken vloeiden, welke

haar helder en doorschijnend water als twee zilveren armen, over een

bruin veld, in eene marmeren kom uitstortten. Duizende vogels lieten

van tusschen het loover hun betooverend gezang hooren.

Ofschoon al die pracht en al het schoone, dat zich hier aan hen

voordeed, voor Ebn Thahar niet geheel nieuw was, deelde hij toch in

de bewondering van den prins van Perzië, wiens blik spoedig een ander

rustpunt vond. Wat zijne aandacht trok, waren eenige rijk gekleede

slavinnen, van verschillende muzijkinstrumenten voorzien, die zich in

de nabijheid van de koepelzaal nederzetten, en slechts op een teeken

schenen te wachten, om met spelen te beginnen.

De prins en Ebn Thahar plaatsten zich bij een der ramen, waar zij de

slavinnen regt voor zich hadden. Maar, waar het den prins om te doen

was, de schoone Schemselnihar zag hij niet. Aan haar alleen denkende,

zeide hij tot Ebn Thahar: „Wat u aangaat, gij zijt een man van verstand

en van een onbevangen oordeel. Uw gevoel voor schoonheid kan dus in al

deze pracht voedsel en voldoening vinden. Wat echter mij betreft, ook ik

vind dit alles verwonderlijk fraai; maar indien ik daarbij bedenk, dat

dit prachtige gebouw tot verblijf verstrekt aan de al te beminnelijke

Schemselnihar, en dat het de magtigste monarch der geheele aarde is, die

haar hier houdt, zoo moet ik u bekennen, dat ik mij te midden van al

deze schoonheid zeer ongelukkig gevoel. Is er wel een wreeder lot dan

het mijne, haar te beminnen, die zich geheel in de magt bevindt van een'

alles vermogenden mededinger; zoo magtig, dat ik, bij eene ontdekking

van mijn vertoeven alhier mijn leven niet zeker acht.”

„Heer,” zeide Ebn Thahar, den prins aldus hoorende spreken, „mogt het

in mijne magt staan, u zoo gelukkig te doen zijn in uwe liefde, als

ik u de verzekering kan geven betreffende de veiligheid van uw leven!

Hoewel dit prachtige gebouw het eigendom van den kalif is, die het voor

Schemselnihar heeft laten optrekken, onder den naam van _Paleis van het

altoosdurende vermaak_, en hoewel het aan zijn eigen paleis grenst,

zoo moet gij tevens weten, dat deze dame hier in volle vrijheid leeft.

Zij wordt niet bewaakt door gesnedenen, die op hare handelingen moeten

letten, maar is geheel vrij in al haar doen en laten. Zij kan uitgaan en

te huis komen wanneer zij wil; en nooit brengt de kalif haar een bezoek,

zonder haar daarvan vooraf verwittigd te hebben door Masrour, den

opperste zijner gesnedenen, teneinde haar den tijd te laten, zich daarop

voor te bereiden. Stel u dus gerust, en schenk uwe onverdeelde aandacht

aan de muzijk, waarmede ik bemerk, dat Schemselnihar u wil verrassen.”

Terwijl Ebn Thahar dus sprak, zagen zij de vertrouwde slavin komen, die

aan de andere slavinnen het bevel van hare meesteres overbragt, om met

spelen een' aanvang te maken. Dadelijk begonnen allen gelijktijdig hunne

instrumenten te stemmen. Hiermede gereed, trad eene harer vooruit, en

zong, daarbij op de luit spelende, een lied, waarvan de woorden en de

uitdrukking geheel toepasselijk waren op den gemoedstoestand van den

prins van Perzië. Hij kon zich dan ook niet onthouden, haar toe te

juichen en aldus aan te spreken: „Is het mogelijk, dat gij de gave zoudt

bezitten, om in de harten te lezen? Ik zou mij van geene andere woorden

bediend hebben.” De slavin antwoordde op deze toespraak niet. Zij ging

voort met spelen, en zong nog verscheidene coupletten, waardoor de prins

zich zoo getroffen gevoelde, dat hij de woorden daarvan met tranen in de

oogen herhaalde, en zoo zijne goedkeuring blijken liet.

Toen zij haar lied geeindigd had, stonden ook al hare gezellinnen op,

en zongen in koor, door hunne woorden te kennen gevende, dat de volle

maan weldra in al haren luister aan den hemel zou verschijnen, en de zon

zou naderen, hetwelk in Oostersche beeldspraak zoo veel beteekende, dat

Schemselnihar zich weldra vertoonen, en de prins van Perzië het genoegen

smaken zou, haar te aanschouwen.

Ebn Thahar en de prins van Perzië nu den blik naar het voorhof

wendende, zagen werkelijk de vertrouwde van Schemselnihar verschijnen,

gevolgd door een tiental zwarte slavinnen, die met groote moeite eenen

kunstig bewerkten troonzetel van massief zilver droegen, en dien op

eenigen afstand van de koepelzaal nederzetten, waarna zij tusschen het

geboomte verdwenen. Zij werden gevolgd door twintig blanke slavinnen,

alle op de zelfde wijze zeer rijk gekleed, welke den troon naderden, en

zich in twee rijen aan weêrszijden schaarden. Vervolgens zag men tien

andere, even prachtig uitgedoste slavinnen, met muzijkinstrumenten in

de hand, verschijnen, welke bij de poort post vatten, waarschijnlijk

om hare meesteres, de beminde van den kalif, op te wachten, die zich

ook weldra vertoonde en zich in haar midden plaatste. Men kon in haar

gemakkelijk de gebiedster erkennen, zoowel aan haar fier en majestueus

voorkomen, als aan eenen hemelsblaauwen met gouden sterren bezaaiden

mantel, welke zij aan den schouder gehecht had, en die in bevallige

plooijen over haar niet minder prachtig opperkleed afhing. Hare

versierselen in paarlen, diamanten en robijnen waren minder in groote

menigte, maar meer met smaak aangebragt en van eene onschatbare waarde.

Zij ging met statigen tred voorwaarts, niet ongelijk aan de zon, welke

de wolken, die haar bij haren loop omgeven, met hare stralen verlicht,

en zette zich op den zilveren troon, welken men aldaar voor haar

geplaatst had, neder.

[Illustratie: Aboul-Hassan en Schemselnihar.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 15 / 19 题