Er blijft mij thans niets meer u te verhalen over, sire,”” ging de
barbier in een' adem voort, „„dan de lotgevallen van mijn' zesden
broeder, genaamd Schacabac met de gespleten lippen. Hij wist in den
aanvang met de honderd drachmen, welke hem even als zijne andere
broeders als erfdeel waren te beurt gevallen, zeer wel zijn voordeel te
doen, zoodat hij goede zaken maakte; maar de fortuin keerde hem den rug
toe, en spoedig zag hij zich genoodzaakt, zijn brood te gaan bedelen.
Hij kweet zich hiervan met behendigheid, en legde het er vooral op
toe, zich in de gunst van dienstboden te dringen, ten einde den vrijen
toegang tot hunne meesters te hebben, wier medelijden hij dan wist
gaande te maken. Mijn broeder Schacabac was dus, zelfs als bedelaar, in
zijn vak een knap man.
Eens nu, dat hij voorbij een prachtig huis kwam, waarvan de groote
hooge poort open stond, en hem het gezigt vrij liet tot op de ruime
binnenplaats, waar eene menigte rijk uitgedoste dienstboden en slaven op
en neêr liepen, naderde hij een' van dezen en vroeg hem, aan wien dit
prachtige gebouw behoorde. „Goede man,” antwoordde de bediende, „uit
welken hoek der wereld komt gij, dat gij mij zulk eene vraag doet? Kunt
gij uit alles, wat gij hier ziet, niet opmaken, dat dit het verblijf
is van een' Barmeyer?” Mijn broeder, aan wien de edelmoedigheid en
milddadigheid der Barmeyers niet onbekend was, wendde zich nu tot een'
der portiers, want er waren er verscheidenen, en verzocht hem om eene
aalmoes. „Ga naar binnen,” zeiden zij, „niemand weêrhoudt u, en vervoeg
u in persoon bij den meester des huizes; hij zal u niet onvoldaan laten
heengaan.”
Schacabac had zulk eene vriendelijke behandeling niet verwacht; hij
bedankte er den portier voor, en trad het hôtel binnen, hetgeen zoo
groot was, dat hij een geruimen tijd noodig had, om de vertrekken van
den Barmeyer te bereiken. Eindelijk kwam hij aan een vierkant gebouw van
de schoonste bouworde, en trad een met wit marmer bevloerd voorportaal
binnen, dat in een' zeer fraaijen tuin uitzigt gaf. Links en regts waren
de deuren, die tot de benedenvertrekken toegang gaven. Mijn broeder
trad op goed geluk af eene van deze kamers binnen, en werd getroffen
door de hier heerschende pracht; vooral trok het behangsel van
hemelsblaauwe zijde, met gouden bladeren doorweven, zijne bewondering.
Hij had echter den tijd niet, om zijn schoonheidsgevoel den vrijen loop
te laten, want zich omkeerende, zag hij op eene prachtige sofa een'
man met een' langen sneeuwwitten baard zitten, van een indrukwekkend
voorkomen. Zijn vermoeden, dat dit de meester des huizes zou zijn, was
gegrond. Op verpligtende wijze heette deze hem welkom, en vroeg hem, wat
hij verlangde. „Heer,” antwoordde mijn broeder, op klagenden toon, „ik
ben een arm mensch, die behoefte heeft aan de hulp van vermogende en
edelmoedige menschenvrienden zooals gij.”
De grijsaard scheen verwonderd over het antwoord van mijn' broeder, en
de beide handen op de hoogte van zijne maag brengende, als wilde hij tot
een teeken van droefheid zijne kleederen verscheuren, riep hij uit: „Is
het mogelijk dat, terwijl ik in Bagdad woon, een man als gij zich in
zulke behoeftige omstandigheden bevindt, zooals gij mij daar gezegd
hebt? Ziedaar iets, dat ik niet kan, noch wil dulden.” Deze uitval
deed mijn' broeder verwachten, dat hij hem van zijne milddadigheid een
uitstekend blijk wilde geven, en daarom wenschte hij hem reeds bij
voorraad duizend zegeningen en alles goeds toe. „Het zal niet gezegd
worden,” hernam de grijsaard, „dat ik u aan uw lot overlaat; en ik zal
evenmin gedoogen, dat gij mij verlaten zult.” „Heer,” hervatte mijn
broeder, „ik bezweer u, dat ik heden nog niets gegeten heb.” „Kan het
waar wezen,” hernam hij, „dat gij op dit ver gevorderd uur van den dag
nog nuchteren zoudt zijn? Ach, gij arme man, gij zult nog van honger
omkomen. Hola! jongen,” ging hij met stemverheffing voort, „dat men
spoedig een bekken en water brenge, opdat wij onze handen kunnen
wasschen.”
Hoewel er geen jongen kwam opdagen, en mijn broeder noch bekken, noch
water zag, liet echter de grijsaard niet na zijne handen te wrijven,
even als iemand daarover water had gegoten, en dit doende zeide hij tot
mijn' broeder: „Kom toch hier, en wasch u met mij.” Schacabac besloot
hieruit, dat deze oude man veel van eene grap hield. Daar ook hij, als
het op gekscheren aankwam geen kind was, en bovendien zeer wel wist, dat
de arme lieden inschikkelijk moeten zijn en zich voegen naar de grillen
der rijken, willen zij hun eigen voordeel behartigen, trad hij nader, en
deed zooals hem gezegd werd.
„Men brenge het eten op,” riep vervolgens de grijsaard, „en late ons
niet wachten.” Dit zeggende, zette hij zich aan tafel, en ofschoon er
nog niets was opgedragen, deed hij alsof hij iets uit eenen schotel nam,
bragt dit aan den mond, en begon te kaauwen, terwijl hij tot mijn'
broeder sprak: „Ik bid u, eet dan, mijn gast, en ontzie u niet, doe
alsof gij ten uwent waart; voor een uitgehongerd mensch eet gij als
zeer weinig en langzaam, naar het mij voorkomt.” „Verschoon mij heer,”
antwoordde Schacabac zijne bewegingen navolgende, „gij ziet, dat ik
geen' tijd verlies en mijn uiterste best doe.” „Wat zegt gij van dit
brood,” vroeg de oude man, „vindt gij het niet lekker?” „Wat dat
betreft, heer,” hernam mijn broeder, die noch brood noch vleesch zag,
„ik moet u betuigen nooit zulk wit en heerlijk brood gegeten te hebben.”
„Doe er u dan te goed aan,” sprak hij weder, „ik verzeker u, dat ik de
slavin, welke mij dit keurige brood bakt, met vijf honderd stukken goud
betaal.”
De Barmeyer,”” vervolgde de barbier, „„liet het echter bij brood alleen
niet blijven. „Jongen,” riep hij, „breng ons een' anderen schotel. Mijn
beste gast,” vervolgde hij, zich tot mijn' broeder wendende, „neem dan
toch iets van deze nieuwe spijze, en zeg mij openhartig of gij ooit van
een schaap hebt gegeten, dat zoo keurig was toebereid als dit?”. „Het
is overheerlijk,” zeide mijn broeder, „en daarom zal ik zoo vrij zijn,
er goed van te eten.” „Dat zal mij een groot vermaak zijn,” hernam hij,
„en daar dit geregt zoo zeer in uwen smaak schijnt te vallen, zoo bid
ik u, er niets van over te laten.” Een oogenblik daarna riep hij om
eene gans, toebereid met azijn, honig, erwten en gedroogde rozijnen en
vijgen. „De gans is ter dege vet,” bemerkte de grijsaard, ofschoon deze
hem evenmin gebragt was, als vroeger het schapenvleesch, „eet dus alleen
een' vleugel of een stukje van de borst. Gij moet op éénmaal niet te
veel van uwe maag vergen, want er zullen ons nog verscheidene andere
spijzen worden voorgezet.”
Werkelijk vroeg hij nog om verschillende schotels, waarvan mijn broeder,
hoewel bijna flaauw van honger, zich nogtans hield, iets te nemen en te
eten. Maar wat de Barmeyer boven alles aanprees, was een lam opgevuld
met pimpernoten, dat hij nu beval op te dragen, maar dat evenmin op
tafel werd gebragt als de vorige spijzen. „Wat dit kostje aangaat,”
zeide hij, „ik wil, dat gij er genoeg van eet.” Dit zeggende, deed hij
weder alsof hij een stuk in de hand nam en voor den mond van mijn'
broeder bragt. „Neem en proef,” vervolgde hij, „en gij zult kunnen
oordeelen of ik ongelijk heb, u dezen schotel aan te prijzen.” Schacabac
rekte den hals uit, opende den mond, veinsde het stuk aan te nemen, te
kaauwen, en met een onbeschrijfelijk genoegen door te slikken. „Niets
ter wereld kan overheerlijker zijn,” sprak mijn broeder, „ronduit
gesproken, uwe tafel is onovertreffelijk in uitgezochte spijzen.” „Dat
men thans de ragout opdrage,” schreeuwde de oude, „ik vlei mij, gij
daarover niet minder zult te vreden zijn, dan over het lam. Welnu! wat
zegt gij?” „Die ragout is onverbeterlijk,” antwoordde mijn broeder, „men
proeft er den amber, de kruidnagelen, de gember, de peper en andere
geurige kruiden uit. Welk eene lekkernij!” „Doe mijne ragout dan eer
aan,” hernam de man met den grijzen baard, „eet er goed van, als ik u
bidden mag. Hola! jongen,” vervolgde hij, „dat men eene andere ragout
opdrage!” „Neen, liefst niet,” viel mijn broeder in, „waarlijk heer, het
is mij onmogelijk meer te eten.”
„Dat men dan afneme,” beval de Barmeyer, „en fruit opzette!” Hij wachtte
een oogenblik, als om aan de bedienden den tijd te geven het dessert
op te dragen, waarna hij het woord weder opnam. „Bedien u van deze
amandelen,” vervolgde hij, „zij zijn goed en versch geplukt.” Beiden
deden nu, alsof zij amandelen pelden en aten. Hierop noodigde de
grijsaard mijn' broeder uit, zich ook van de andere schotels te
bedienen. „Zie hier,” zeide hij, „alle soorten van vruchten, versche en
gedroogde oranje-appelen, perziken, rozijnen en bovendien confituren.
Kies naar uwen smaak. Doch laat mij eerst u dit eens aanbieden,”
vervolgde hij, eene beweging met de hand makende, alsof hij iets opnam
en het hem aanbood. „Deze tabletten zijn uitnemend, om de spijsvertering
te bevorderen.” Schacabac maakte de beweging er van te nemen en te eten.
„Heer,” zeide hij, „de muskaat ontbreekt er niet in.” „Deze soort van
kruidkoekjes worden hier gemaakt,” antwoordde de Barmeyer; „en daarbij,
gelijk trouwens met alles wat in mijn huis is toebereid, wordt niets
gespaard. Voor een man,” vervolgde hij, „die nog nuchteren was, toen hij
aan tafel ging, dunkt mij, dat gij bijna niets gegeten hebt.” „Heer,”
sprak mijn broeder, wiens kakebeenen reeds zeer deden van het kaauwen
met een' ledigen mond, „ik verzeker u, mijne maag zoo goed voorzien is,
dat het mij niet mogelijk zou zijn, nog een enkel stukje te gebruiken.”
„Mijn gast,” hernam de Barmeyer, „ik zal u dan het eten niet verder
opdringen; maar na zoo goed gespijsd te hebben, zal het drinken niet te
onpas komen. Gij drinkt immers wel een glas wijn?” „Heer,” antwoordde
mijn broeder, „met uw goedvinden, zal ik geen' wijn gebruiken, daar
onze wet mij dit verbiedt.” „Gij zijt al te gemoedelijk,” meende de
grijsaard, „doe zoo als ik.” „Ik zal dan uit beleefdheid voor u een glas
drinken,” hernam Schacabac, „want ik bemerk, dat gij niet wilt, er iets
aan uw feestmaal zal ontbreken; maar daar ik niet gewoon ben wijn te
drinken, zoo vrees ik, hij mij naar het hoofd zal stijgen, en ik dan
welligt tegen de wellevendheid zondigen, of zelfs den eerbied vergeten
zou, die ik u verschuldigd ben. Uit dien hoofde verzoek ik u nogmaals,
mij van het wijndrinken te verschoonen; ik zal mij met water
vergenoegen.” „Neen, neen,” riep de Barmeyer, „zoo laat ik u niet gaan;
gij moet wijn drinken.” Te gelijker tijd beval hij wijn aan te brengen,
maar deze was niet beter te zien dan het vleesch en de vruchten. Toch
maakte hij de beweging van in te schenken, en het eerst te drinken;
daarna deed, hij alsof hij ook voor mijn' broeder inschonk, en hem het
glas aanbood. „Drink op mijne gezondheid,” zeide hij, „en proef tevens,
of gij dezen wijn goed vindt.” Mijn broeder hield zich, het glas aan
te nemen, en dat van nabij te bekijken, als om te zien of de wijn eene
schoone kleur had; hij bragt het onder den neus om te ruiken, of ook de
geur aangenaam was. Daarna eene diepe hoofdbuiging makende, ten teeken
dat hij de vrijheid zou nemen, op de gezondheid van zijn' gastheer te
drinken, bootste hij de bewegingen na van iemand, die met smaak zijn
glas leêg drinkt. „Heer,” zeide hij toen, „ik vind dezen wijn
uitmuntend; maar, naar het mij voorkomt, is hij niet zeer krachtig.”
„Indien gij krachtiger wijn begeert,” antwoordde de Barmeyer, „gij hebt
dit slechts voor het zeggen, mijn wijnkelder is goed voorzien. Proef
eens, of gij met dezen tevreden zijt?” Bij deze woorden maakte hij de
beweging, uit eene andere flesch in te schenken, eerst voor zich zelven
en daarna voor mijn' broeder. Hij herhaalde dit zoo dikwijls, dat
Schacabac, dit spel moede wordende, veinsde te veel gedronken te hebben,
en terwijl hij de bewegingen van een dronken mensch nabootste, ligtte
hij de hand op, en gaf zijn' gastheer zulk een duchtige oorveeg, dat
deze over den grond tuimelde. Hij wilde hem nu verder zijne plagerijen
betaald zetten, maar de Barmeyer, wien dit spel te grof ging, stak de
hand uit, om de slagen af te weren, en riep: „Wordt gij gek?” Mijn
broeder zich toen oprigtende, zeide: „Heer, gij hebt de goedheid gehad
uwen slaaf bij u te ontvangen, en hem een groot feestmaal te geven; gij
hadt u daarmede moeten vergenoegen, en mij niet moeten dwingen wijn te
drinken, want ik heb u vooraf gewaarschuwd, dat ik dan wel eens den
eerbied zou kunnen vergeten, dien ik u verschuldigd ben. Ik heb er veel
spijt van, en vraag u duizendmaal om verschooning.”
Naauwelijks had mijn broeder deze woorden geëindigd of de Barmeyer, in
plaats van zich boos te maken, begon hartelijk te lagchen. „Ik zoek
reeds sedert lang,” riep hij uit, „een' man van uwe geaardheid.” Hij
bewees aan Schacabac duizend vriendelijkheden. „Niet alleen,” sprak
hij, „dat ik u den mij toegebragten slag vergeef, ik wil, dat wij van
stonden aan vrienden zullen zijn, en dat gij geen ander thuis zult
hebben dan het mijne. Gij hebt de inschikkelijkheid gehad; u naar mijne
luimen te voegen, en het geduld ons gekscheren ten einde toe vol te
houden; ofschoon ik erkennen moet, dat de doorgestane proef voor een
hongerig mensch niet van de prettigsten was. Daarom zullen wij nu in
werkelijkheid maaltijd houden.” Vervolgens klapte hij in de handen, en
beval aan den toeschietenden bediende, de tafel te dekken en op te
dragen. Hij werd in een' oogwenk gehoorzaamd, en mijn broeder kon zich
thans verzadigen aan dezelfde spijzen, die hij eerst slechts denkbeeldig
genoten had. Nadat er was afgenomen, bragt men wijn op, en te gelijker
tijd traden eene menigte slavinnen, allen van groote schoonheid en rijk
gekleed, met muzijkinstrumenten de eetzaal binnen, en verlustigden onze
twee vrienden met muzijk, zang en dans. Schacabac had dus alle reden,
over het onthaal van den Barmeyer voldaan te zijn, die hem op zeer
gemeenzamen voet behandelde, en hem uit zijne eigene kleêrkamer een
nieuw kleed liet geven.
De Barmeyer vond in mijnen broeder zoo veel verstand en zoo veel
schranderheid in alle zaken, dat hij, reeds na weinige dagen, hem het
beheer over zijn huis en al zijne bezittingen opdroeg. Schacabac kweet
zich van zijne vereerende betrekking, gedurende twintig jaren, zeer wel,
tot den dood van zijn' edelmoedigen meester. Daar de Barmeyer geene
erfgenamen naliet, werden al zijne goederen ten voordeele van den vorst
verbeurd verklaard. Men ontnam zelfs mijn' broeder alles, wat hij in
zijne twintigjarige dienst had opgespaard; zoodat hij weder tot armoede
verviel, en zich voegde bij eene karavaan van pelgrims, die naar Mekka
ging, daarbij rekenende op de milddadigheid zijner meer gegoede
togtgenooten.
Tot zijn ongeluk werd deze karavaan door eene bende zwervende Arabieren
aangevallen en uitgeplunderd. Mijn broeder werd als slaaf weggevoerd,
door zijn' meester zeer wreed behandeld, en kreeg dagelijks stokslagen,
om hem dus te nopen zich los te koopen. Schacabac betuigde, dat hij hem
te vergeefs mishandelde. „Ik ben,” zeide hij, „uw slaaf; gij kunt met
mij naar willekeur handelen, maar ik verklaar u, dat ik doodarm en niet
bij magte ben mij los te koopen.” Mijn broeder mogt zich echter op zijne
armoede beroepen en trachten, zijn meester door smeeken en schreijen
te vermurwen, de Arabier bleef onverbiddelijk. Spijtig, zich in zijne
verwachting op een welligt aanzienlijk losgeld teleurgesteld te zien,
nam hij zijn mes, en spleet den armen Schacabac de lippen vaneen, ten
einde zich door deze onmenschelijke daad te wreken over het verlies, dat
hij meende geleden te hebben.
[Illustratie: De Zesden Broeder van den Barbier.