Alnaschar was, zoo lang onze goede vader leefde, een regte luiaard. In
plaats van den kost met werken te verdienen, schaamde hij zich niet des
avonds te gaan bedelen, en leefde dan den volgenden dag van de giften,
die hij ontvangen had. Onze brave vader stierf in hoogen ouderdom aan
verval van krachten, en liet ons niet meer na dan zevenhonderd zilveren
drachmen. Wij verdeelden deze som onder elkander, zoodat ieder onzer
honderd drachmen voor zijn erfdeel bekwam. Alnaschar, nooit zoo veel
geld op éénmaal in zijn bezit gehad hebbende, bevond zich in groote
verlegenheid over het gebruik, dat hij daarvan zoude maken. Hij
overlegde dit een' langen tijd, en besloot ten laatste zijn geld aan
flesschen en ander glaswerk te besteden, 't welk hij bij een' grossier
in dat vak ging halen. Hij pakte zijne koopwaar in eene traliemand en
huurde een' zeer kleinen winkel, waarin hij zich nederzette, met de mand
voor zich en met den rug tegen den muur geleund, in afwachting dat er
koopers zouden komen. In deze gemakkelijke houding, met de oogen op zijn
glaswerk gevestigd, geraakte hij aan het mijmeren, en in zijne wakende
dromerij hield hij de volgende alleenspraak, luid genoeg, dat daarvan
voor zijn' buurman, een schoenmaker, geen enkel woord verloren ging.
„Deze mand met glas,” zeide hij, „kost mij honderd drachmen, en dat
is mijn geheele rijkdom in de wereld. Ik zal daarvoor, door bij het
stuk uit te verkoopen, wel twee-honderd drachmen maken, en met die
twee-honderd drachmen, die ik weder aan glaswerk wil besteden, zal ik er
vier-honderd verkrijgen. Dus voortgaande, zal ik het door den tijd wel
tot vier-duizend drachmen brengen. Van vier-duizend drachmen kom ik ligt
tot acht-duizend, en wanneer ik tien-duizend drachmen bij elkander heb,
laat ik mijn' glashandel varen, om juwelier te worden. Ik zal dan handel
drijven in diamanten, paarlen en allerlei edelgesteenten. Na korten tijd
in het bezit van een' aanzienlijken schat, zal ik een fraai huis en
landgoed koopen, ik zal mij slaven, gesnedenen en paarden aanschaffen,
op eenen grooten voet leven, vertooning in de wereld maken, muzijkanten,
dansers en danseressen aan mijne woning laten komen, en mijne vrienden
prachtig onthalen. Ik zal het echter bij dat goede leven niet laten
blijven, maar als het Allah behaagt, mijn kapitaal tot honderd-duizend
drachmen op voeren, mij zelven gelijk achten met een' prins, en de
dochter van den groot-vizier ten huwelijk vragen. Indien de vizier, dat
echter niet denkbaar is, onwellevend genoeg mogt zijn, mij zijne dochter
te weigeren, zoo zal ik haar met geweld doen ontvoeren, en zijns ondanks
naar mijne woning laten brengen.
Zoodra ik de dochter van den groot-vizier gehuwd heb, geef ik haar tien
zwarte gesnedenen, de jongste en welgemaaktste, die er te krijgen zijn.
Ik zal mij kleeden als een vorst, en, gezeten op een schoon paard, met
gouden zadel, bezet met paarlen en edelgesteenten, zal ik door de stad
rijden, vergezeld voor en achter mij door een groot aantal kostbaar
uitgedoste slaven. Zoo zal ik mij naar het hôtel van den groot-vizier
begeven, ten aanzien der geheele bevolking van Bagdad, die voor mij in
het stof zal buigen. Ik zal afstijgen voor de woning van den vizier, en
deze binnentreden te midden van mijne bedienden, die aan twee rijen aan
mijne regter- en linkerhand zullen geschaard staan. De groot-vizier zal
niet aarzelen, mij als zijn' schoonzoon te ontvangen en zijne plaats
af te staan, ten einde mij zoo de meeste eer te bewijzen. Indien dat,
zooals ik bijna niet twijfel, gebeurt, zoo zal ik uit de handen van
een' mijner slaven twee beurzen elk van duizend goudstukken nemen en ze
den vizier aanbieden. „Ziehier,” zal ik tot hem zeggen, „twee-duizend
goudstukken, omdat ik uwe dochter tot vrouw genomen heb.” Na zulk eene
daad kan het niet wel anders, of een ieder zal den mond vol hebben van
mijne edelmoedigheid.
Ik zal vervolgens met de zelfde statie naar mijne woning terugkeeren.
Nog niet lang daar, of mijne vrouw zal mij door een' harer slaven laten
bedanken voor het bezoek, dat ik mij verwaardigd heb, aan den vizier
haar' vader te brengen. Ik zal den slaaf een kostbaar kleed doen geven,
en hem met een zeer rijk geschenk voor mijne vrouw terugzenden. Indien
zij zich mogt verpligt achten, mij een tegengeschenk te doen, zoo zal ik
dat niet aannemen, als voor mij te vernederend, en er den brenger mede
terugsturen.
Ik zal niet toestaan, dat zij haar vertrek verlaat, om welke reden zulks
ook zijn moge, zonder dat ik daarvan kennis draag. En indien ik haar
daar met mijn bezoek zal willen vereeren, zoo zal dit zijn op eene
wijze, welke haar ontzag voor mij zal inboezemen. In één woord, er zal
geene beter ingerigte huishouding zijn dan de mijne. Ik zal altijd rijk
gekleed gaan. Wanneer mijne vrouw des avonds aan mij wordt voorgesteld,
neem ik de eereplaats in; ik zal een ernstig gelaat zetten, zonder het
hoofd regts of links te wenden. Ik zal weinig spreken, en terwijl mijne
echtgenoote in alle pracht uitgedost, als eene Oostersche vorstin voor
mij staat, zal ik mij houden, alsof ik haar zelfs niet opmerk. Hare
vrouwen, welke haar omgeven, zullen dan tot mij zeggen: „Goede heer en
meester, zie hier uwe echtgenoote, uwe zeer nederige dienares voor u
staan; zij wacht, dat het u behagen moge, tot haar te spreken, zij is
zeer ter neêrgeslagen dat gij haar zelfs met geen' blik verwaardigt, en
vermoeid van het lange staan. Zeg haar ten minste, dat zij zich kan
nederzetten.” Ik zal op dat verzoek geen antwoord geven, hetgeen hare
verwondering en droefheid nog zal verhoogen. De slavinnen zullen zich
voor mijne voeten werpen, en eerst nadat zij mij oneindig lang gesmeekt
en gebeden zullen hebben, zal ik het hoofd opligten, een' vlugtigen blik
op haar werpen, en daarna mijne vorige houding hernemen. Zij zullen nu
in het denkbeeld verkeeren, dat mijne vrouw in de kleeding, waarin zij
aan mij werd voorgesteld, mij niet behaagt; zij zullen haar met zich
nemen, en haar van kleederen doen verwisselen. Zij zal vervolgens nog
prachtiger dan de eerste maal voor mij verschijnen. Intusschen zal ook
ik een nog kostbaarder kleed aantrekken, en mij als een vorst op een'
troon nederzetten. Zij zullen dan met mijne vrouw terugkomen, mij op
nieuw smeeken en bidden, en eerst nadat dit lang genoeg geduurd zal
hebben, zal ik mijne vrouw aanzien. Reeds op den eersten dag van mijn
huwelijk zal ik een' aanvang maken haar te leeren, op welke wijze ik
verlang, gedurende het overige van haar leven, met haar om te gaan.
Na afloop der huwelijksplegtigheid,” vervolgde Alnaschar zijne
alleenspraak, „zal ik uit de hand van een' mijner bedienden, die bij mij
zal staan, eene beurs met vijf-honderd goudstukken nemen, en die aan de
kameniers geven. Zoodra deze zich zullen verwijderen, zal ik mij met
mijne vrouw te bed begeven, maar haar dadelijk den rug toekeeren, en den
nacht voorbij laten gaan, zonder haar een enkel woord toe te spreken.
Zij zal niet nalaten, den volgenden morgen over mijne versmading en
hoogmoed zich bij hare moeder, de vrouw van den groot-vizier, te
beklagen, en in mijn hart zal ik daarover juichen. Hare moeder zal mij
dan een bezoek brengen; mij eerbiedig de handen kussen, en tot mij
zeggen: „Heer” (want om mij schoonzoon te noemen, zal zij niet durven,
uit vrees mij door die gemeenzaamheid te beleedigen), „ik smeek u,
mijne dochter niet te versmaden; ik verzeker u, dat zij niets anders
zoekt dan u te behagen, en dat zij u bemint met geheel haar hart.”
Mijne schoonmoeder zal echter goed praten hebben, ik zal mijnen ernst
behouden, en haar geene' lettergreep antwoorden. Dan zal zij zich aan
mijne voeten werpen, die bij herhaling kussen, en tot mij zeggen: „Laat
toch af mijne dochter dus te grieven, bewijs uwe vrouw de gunst haar
aan te zien, tot haar te spreken, en haar te versterken in de goede
voornemens, welke zij heeft, u in alles te voldoen en te behagen.”
Hierdoor zal ik mij echter niet laten bewegen, en mijne schoonmoeder zal
vervolgens een glas wijn nemen, dit aan hare dochter in de hand geven,
en tot haar zeggen: „Mijn lief kind, bied dezen beker wijn uwen man aan;
hij zal waarschijnlijk de wreedheid niet hebben, zulk eene schoone hand
af te wijzen.” Mijne vrouw zal dan met het glas naar mij toekomen, en al
bevende voor mij blijven staan. Als zij zal zien, dat ik mijn gelaat van
haar afwend en volhoud haar te versmaden, zoo zal zij, met tranen in de
oogen, tot mij zeggen: „Mijne geliefde, mijn tweede ziel, mijn beste
heer, ik bezweer u, mij de gunst te bewijzen dit glas wijn te ontvangen
uit de hand van uwe zeer onderdanige dienstmaagd.” Ik zal mij wel in
acht nemen, haar ook dan nog aan te zien of te antwoorden. „Mijn
allerliefste echtgenoot,” zal zij voortgaan, terwijl hare tranen
verdubbelen en zij mij het glas aan den mond brengt, „ik zal niet
aflaten, vóórdat gij drinkt.” Dan, vermoeid door hare beden, zal ik haar
een' vreeselijken blik toewerpen, haar een' slag op den wang geven, en
een' zoo krachtigen schop toebrengen, dat zij als een bal over den grond
zal rollen. Zoo zal ik doen!” vervolgde mijn broeder, de daad bij de
gedachten voegende; maar tot zijn ongeluk daarbij niet de dochter van
den vizier, waarvan hij droomde, maar de mand met glas, waarvan hij niet
droomde en die voor hem stond, aanrakende. De schop was zoo krachtig,
dat de mand van zijne uitstalling op de straat viel, en al het glaswerk
in duizend stukken brak.
Zijn buurman, de schoenmaker, die zijn zot geklap van woord tot woord
had afgeluisterd, borst, toen hij de mand zag vallen, in een schaterend
lagchen uit. „Aha!” zeide hij tot mijn' broeder, „dat is loon naar
werken, zoo moest gij juist varen. Zijt gij een kerel, gij moest u dood
schamen, eene jonge en schoone vrouw, die u niet de minste reden tot
klagen gaf, zoo barbaarsch te willen mishandelen; gij moet wel wreed
van aard en hardvochtig zijn, om dus te kunnen spotten met de tranen
van zulk een beminnelijk wezen. Indien ik in de plaats was van den
groot-vizier, uw' ingebeelden schoonpapa, ik zou u honderd stokslagen
doen geven, en u door de stad laten rondvoeren, met het lofschrift op de
borst: „Zie hier den grootsten vrouwenbeul!””
Mijn broeder kwam inmiddels van schrik tot zich zelven, en ziende wat
hem door zijn' hoogmoed was overkomen, sloeg hij zich voor het hoofd,
scheurde zijne kleederen, en jammerde over zijn ongeluk. Dit deed de
voorbijgangers stilstaan, en daar het Vrijdag was en velen tot het
gebed opgingen, was de toeloop zeer groot. De een had medelijden met
Alnaschar, een ander lagchte slechts om zijne dwaasheid. Zijn hoogmoed
was echter te gelijk met het verlies van zijn goed geweken. Hij zat
zijne droomerij en zijn treurig lot nog bitter te beweenen, toen eene
aanzienlijke dame, op een' muilezel gezeten, voorbij reed. De toestand,
waarin zij mijn' broeder zag, wekte haar mededoogen op. Zij vroeg, wie
die man was, en waarom hij zoo bitter schreide. Men zeide haar alleen,
dat het een ongelukkige was, die al zijn geld, zijn geheel klein
vermogen besteed had, om glaswerk in te koopen, en dat de mand, waarin
hij zijne koopwaar gepakt had, was omgevallen, waardoor er geen stuk
heel was gebleven. De dame wendde zich daarop tot den gesnedene, die
haar vergezelde. „Geef hem,” zeide zij, „'t geen gij bij u hebt.” De
gesnedene voldeed aan dezen last, en stelde aan mijn' broeder eene beurs
met vijf-honderd goudstukken ter hand. Alnaschar was van vreugde buiten
zich zelven. Hij gaf de dame duizend zegenwenschen, en na zijn' winkel,
waar zijne tegenwoordigheid thans gemist kon worden, gesloten te hebben,
ging hij naar zijn huis.
Nog zat mijn broeder in zijne woning te peinzen over het gebeurde, toen
er aan de deur werd geklopt. Hij deed open, en zag eene bejaarde vrouw
voor zich staan. „Mijn zoon,” sprak zij, „ik heb eene gunst van u te
vragen. Het is tijd, om tot het gebed op te gaan; ik zou mij gaarne
willen wasschen, ten einde daaraan te kunnen deelnemen. Heb dus de
goedheid mij binnen te laten, en mij eene vaas met water te doen geven?”
Mijn broeder zag de vraagster aan, en bemerkte, dat zij reeds hoog
bejaard was. Ofschoon hij haar nu volstrekt niet kende, bewilligde hij
echter in haar verzoek. Hij gaf haar eene vaas met water, ging toen,
steeds met zich zelven bezig, weder zitten, en deed zijn goud in eene
lange en naauwe beurs, geschikt om die aan zijn' gordelriem vast te
maken en te dragen. De oude deed inmiddels haar gebed, en toen dit ten
einde was, ging zij naar mijnen broeder, wierp zich ter aarde, en
wenschte hem alle mogelijke zegeningen toe.
Daar die vrouw vrij armoedig gekleed was, en zij zich zoo nederig
aanstelde, dacht Alnaschar dat het hare bedoeling was, hem eene aalmoes
te vragen. Hij bood haar daarom twee goudstukken aan. De oude deed eene
trede achterwaarts, en hield zich over die gift verbaasd, even alsof zij
zich daardoor beleedigd achtte. „Wat zal dit beteekenen?” zeide zij.
„Zou het mogelijk zijn, heer, dat gij mij aanziet voor eene van die
ellendigen, welke zich niet ontzien in de huizen binnen te dringen, ten
einde eene aalmoes te vragen? Neem uw geld terug, ik heb daar, Allah zij
geloofd, geene behoefte aan; ik behoor bij eene jonge dame die niet
alleen met eene uitstekende schoonheid is bedeeld, maar tevens zeer rijk
is, en het mij aan niets laat ontbreken.”
Mijn broeder was niet geslepen genoeg, om de slechte oogmerken van de
oude te vatten, die de twee goudstukken slechts had geweigerd, om op
eene andere wijze meer te bekomen. Hij vroeg haar, of zij hem niet de
gelegenheid zou kunnen verschaffen om die dame te zien? „Gaarne,”
antwoordde zij, „mijne meesteres zal waarschijnlijk wel met u willen
huwen, en u daardoor in het bezit stellen van al hare goederen. Neem dus
uw geld, en volg mij.” Opgetogen over zijn geluk van dien dag (eerst
eene groote som gelds, welke hem als in den schoot werd geworpen, en nu
eene jonge, schoone en rijke vrouw, die om te trouwen, slechts op hem
scheen gewacht te hebben), was hij doof en blind voor elke verstandige
overweging en liep als eene mol in den val. Hij nam de beurs met
vijf-honderd goudstukken, hing die aan zijnen gordel, en liet zich door
de oude geleiden.
Zij ging vóór hem tot aan de poort van een groot huis, waar zij
aanklopte. Eene jonge Grieksche slavin deed open. De oude liet Alnaschar
het eerst binnengaan, en bragt hem over het met marmeren steenen belegde
voorhof, in eene zaal, waarvan het huisraad hem moest versterken in de
gunstige gedachte, welke zij hem van den rijkdom der eigenares had
ingeboezemd. Terwijl de oude hem bij hare meesteres ging aandienen,
nam Alnaschar op de sofa plaats, en verhit van het loopen, ontdeed
hij zich van zijnen tulband. Niet lang daarna zag hij eene jonge dame
binnenkomen, wier schoonheid hem nog meer verbaasde, dan hare rijke
kleeding. Hij stond dadelijk op, om haar te begroeten. De dame verzocht
hem met een vriendelijk lachje zijne plaats te hernemen, en nam naast
hem plaats. Zij betuigde hem hare verrassing over zijn frisch en
mannelijk voorkomen. „Maar,” vervolgde zij, „wij zijn hier niet genoeg
op ons gemak, geef mij den arm, dan zal ik u in eene andere kamer
brengen.” Dit zeggende, geleidde zij Alnaschar naar een afgelegen
vertrek; waarna zij hem alleen liet, belovende binnen ééne minuut terug
te zullen komen. Mijn broeder wachtte met reikhalzend verlangen, doch in
plaats van zijne schoone trad een reusachtige zwarte slaaf met ontbloote
sabel in de hand binnen. Hij zag mijnen broeder met een' vreeselijken
blik aan, en zeide op barschen toon: „Wat hebt gij hier te doen?”
Alnaschar was zoo verschrikt, dat hij niet kon antwoorden. De slaaf
greep hem aan, ontnam hem het goud, dat hij bij zich had, kleedde hem
geheel uit, en bragt hem vervolgens verscheidene sabelhouwen toe. Mijn
ongelukkige broeder viel, in zijn bloed wentelende, ter neder, en bleef
zonder beweging liggen, hoewel hij nog bij kennis was. De slaaf meende
nu hem gedood te hebben, doch zich daarvan willende verzekeren, riep hij
om zout. De Grieksche slavin kwam met een' grooten bak vol aandragen.
Zij wreven hiermede de wonden van Alnaschar in, die, niettegenstaande
een' onuitstaanbaren pijn, de tegenwoordigheid van geest bezat, niet het
minste teeken van leven te geven. Nadat de zwarte slaaf en de Grieksche
slavin hun werk verrigt en zich verwijderd hadden, kwam de oude, welk
hem in den val gelokt had, binnen, nam het gewaande lijk bij de beenen,
sleepte het naar een valluik, dat zij opligtte, en wierp het naar
beneden. De zware val bedwelmde in den beginne mijn' broeder. Toen hij
weder tot bewustzijn kwam, zag hij zich in een' diepen kelder, te midden
van de gedeeltelijk ontbonden lijken der ongelukkigen, die vóór hem in
dit moordhol gelokt en omgebragt waren. De wonden, die hij ontvangen
had, waren niet verder dan het vleesch doorgedrongen, en daar het
bloeden door het zout gestremd was, had mijn broeder aan die pijnlijke
inwrijving het behoud van zijn leven te danken. Van lieverlede keerden
zijne krachten terug, zoodat hij zich kon oprigten, en na verloop van
twee dagen 's nachts den trap opkomen, en het valluik opligten. In het
donker rondtastende, vond hij eindelijk eene plaats, waar hij zich tot
het aanbreken van den dag meende te kunnen verbergen. Zoodra het licht
werd, zag hij het verwenschte oude wijf voorbijgaan; zij begaf zich naar
de poort, ontgrendelde deze, en ging de straat op, waarschijnlijk om
eene nieuwe prooi te zoeken. Zij liet de deur aan staan, en toen mijn
broeder oordeelde, dat zij ver genoeg zou zijn, om hem niet te zien,
verliet hij het huis, en kwam bij mij zijne toevlugt nemen.
Door de krachtige en onfeilbare geneesmiddelen, welke ik hem toediende,
was Alnaschar na verloop van eene maand van al zijne wonden genezen. Hij
besloot nu zich op de oude, welke hem zoo snood had bedrogen, te wreken.
Tot dat einde maakte hij eene beurs van de grootte van vijf-honderd
goudstukken, en vulde die met rond afgesneden glasscherven.
Mijn broeder,”” vervolgde de barbier, „„maakte de beurs met glas aan
zijnen gordelriem vast, verkleedde zich als eene bejaarde vrouw, hing
een' sluijer over zijn gelaat, en verborg een scherp zwaard tusschen de
plooijen van zijne rokken. Dus vermomd had hij reeds op den derden dag,
het was nog vroeg in den morgen, het geluk de oude te ontmoeten, terwijl
zij door de stad slenterde, naar gelegenheid zoekende, om den een' of
anderen onnoozele eene poets te spelen. Hij klampte haar aan, en eene
vrouwenstem nabootsende, vroeg hij: „Zoudt gij mij ook kunnen zeggen,
waar ik eene goudschaal koopen of leenen kan? Ik ben eene hier onbekende
Perzische vrouw, en zou gaarne willen weten of de vijf-honderd
goudstukken, die ik uit mijn land heb medegebragt, allen het goede
gewigt hebben.” „Goede vrouw,” gaf de oude minzaam ten antwoord,
„gij kunt u niet beter vervoegen, dan tot mij. Ik heb een' zoon, die
geldwisselaar is; hij zal het goud met liefde voor u willen wegen, en
u zoo de moeite besparen, dit zelve te doen. Laat ons dus geen' tijd
verliezen, ten einde hem te huis te treffen, alvorens hij naar zijn
kantoor gaat.” Mijn broeder volgde zijne oude bekende naar het zelfde
huis, waar zij hem de eerste maal gebragt had; ook de poort werd door de
zelfde Grieksche slavin geopend.
De oude bragt mijn' broeder in de zaal, waar zij hem verzocht een
oogenblik te wachten, terwijl zij haren zoon zou waarschuwen. De
voorgewende zoon verscheen dan ook weldra, maar in de gestalte van den
boosaardigen zwarten slaaf. „Verwenscht oud wijf,” sprak hij norsch tot
mijn' broeder, „sta op, en volg mij!” Dit zeggende ging hij vooruit,
om Alnaschar naar de plaats te brengen, waar hij hem wilde dooden.
Alnaschar stond op, en volgde den zwarte; doch naauwelijks hadden zij
de moordkamer bereikt, of hij haalde zijne sabel plotseling van onder
zijn kleed te voorschijn, en bragt zijn' vijand een' zoo welgerigten
slag in den hals toe, dat het hoofd er afvloog. Nu nam hij het lijk en
het hoofd, sleepte ze naar het valluik, en wierp ze in den kelder.
De Grieksche slavin, daarop afgerigt, kwam weldra met een' bak zout
aandragen; maar toen zij Alnaschar, die den sluijer had afgerukt, daar
zag staan met de sabel in de vuist, wierp zij den bak neder en nam de
vlugt. Mijn broeder haalde haar spoedig in, en sloeg ook haar het hoofd
af. Op het gemaakte gerucht kwam de oude toeloopen; mijn broeder greep
haar dadelijk bij de keel. „Verraderlijk wijf,” schreeuwde hij, „herkent
gij mij?” „Ach! Heer,” antwoordde zij bevende, „wie zijt gij? Ik
herinner mij niet, u ooit gezien te hebben.” „Ik ben,” sprak Alnaschar,
„degene, bij wien gij u voor eenige weken vervoegdet, om uwe handen te
wasschen en uw huichelachtig gebed te doen; herinnert gij het u thans?”
De oude vrouw wierp zich nu op de knieën en had om genade, maar
Alnaschar hieuw haar in vier stukken.
Er bleef thans niemand over dan de jonge dame, welke nog niets wist, van
hetgeen er in huis voorviel. Mijn broeder zocht het geheele gebouw door,
en vond haar op hare slaapkamer. Toen zij Alnaschar zag, verschrikte zij
hevig. Zij bad hem haar leven te sparen, en hij had de edelmoedigheid
zulks te doen. „Mejufvrouw,” zeide hij, „hoe kondet gij zamen wonen
met zulke booze menschen, als die, waarop ik mij zoo even vreeselijk
gewroken heb?” „Ik was,” antwoordde zij hem, „de gade van een' eerlijken
koopman, en deze ondeugende oude vrouw, wier boosaardigheid mij onbekend
was, kwam mij dikwijls bezoeken. „Mevrouw,” zeide zij op zekeren keer
tot mij, „mijn zoon houdt morgen bruiloft, en indien gij ons dan met uw
bijzijn wilt vereeren, zult gij u regt vermaken.” Ik liet mij overhalen,
trok mijn beste kleed aan, stak eene beurs met honderd goudstukken bij
mij, en ging met haar mede. Zij bragt mij in dit huis, waar ik dezen
zwarte aantrof, die mij met geweld hier heeft gehouden; het is nu drie
jaar, dat ik tot mijn groot verdriet gevangen ben.” „Te oordeelen naar
de snoode handelingen, waarvan die verwenschte zwarte zich bediende,”
hernam mijn broeder, „moet hij groote schatten hebben verzameld.” „Er is
hier zoo veel,” antwoordde zij, „dat gij voor altoos rijk zult zijn,
indien gij ze kunt medenemen. Kom, en zie zelf.” Zij bragt hem nu in
eene kamer, waar zij verscheidene koffers aanwees, die allen met goud
gevuld waren.
„Ga,” zeide zij vervolgens, „en haal eenige dragers, om dezen schat naar
uwe woning over te brengen. Als gij mij slechts zoo veel laat, dat ik
elders afgezonderd kan leven, zal ik u dankbaar zijn.” Mijn broeder liet
zich dit geen tweemaal zeggen. Zijn droombeeld was verwezentlijkt, hij
zou plotseling een schatrijk man zijn. Of hij daarbij ook weder dacht,
om de dochter van den groot-vizier ten huwelijk te vragen, heeft hij mij
nooit verteld; maar wel dat hij zich haastte met een tiental gespierde
mannen, die hij weldra bijeen had, terug te komen. Hij was echter niet
weinig verwonderd, de deur open te vinden, en nog hooger klom zijne
verbazing, toen hij op de kamer kwam, waar hij de koffers met goud had
gezien, en daarvan niets meer te vinden was. De jonge dame, beter voor
deze zaak berekend en vlugger dan mijn broeder, had ze reeds laten
weghalen, en was ook zelve verdwenen. Bij gebrek van beter, en om niet
met ledige handen van daar te gaan, liet nu mijn broeder het kostbaarste
huisraad, en alles wat waarde had, bijeenpakken en naar zijne woning
brengen. De waarde van een en ander bedroeg veel meer, dan de
vijf-honderd stukken goud, die hem ontroofd waren. Het huis verlatende,
vergat hij echter de deur te sluiten. Dit, en de haastige manier van
verhuizen, waarvan zij getuigen waren, kwam aan de buren verdacht voor.
Zij gaven er den regter kennis van. Mijn broeder bragt dien nacht in
onverstoorde rust door, maar des morgens willende uitgaan, vond hij
zijne deur bezet met een twintigtal geregtsdienaars, die hem staande
hielden, en tot hem zeiden: „Ga eens met ons; onze meester moet u
spreken.” Mijn broeder bad hun een oogenblik geduld te hebben, en bood
hun geld aan, om hem te laten ontkomen. Zij wilden hiernaar echter niet
hooren, maar bonden hem de handen op den rug, en dwongen hem in hun
midden mede te gaan In zekere straat ontmoette Alnaschar een' ouden
vriend, die hem staande hield, en naar de reden vroeg, waarom hij dus
behandeld werd. Hij bood den geregtsdienaars eene vrij aanzienlijke
geldsom aan, indien zij mijn' broeder in vrijheid wilden stellen, en aan
den regter zeggen, dat zij hem niet hadden kunnen vinden: maar ook hij
kon niets van hen verkrijgen.
Toen de geregtsdienaars,”” vervolgde de barbier; „„Alnaschar voor den
regter gebragt hadden, zeide deze tot hem: „Ik wil gaarne van u weten,
van waar gij al die meubelen hebt, welke gij gisteren naar uwe woning
hebt laten overdragen?” „Heer,” antwoordde Alnaschar, „ik ben bereid u
de volle waarheid te zeggen; maar vooraf neem ik de vrijheid mij op uwe
goedertierenheid te beroepen, en u te smeeken mij uw woord te geven, dat
mij geen leed zal wedervaren.” „Dat geef ik u,” zeide de regter. Nu
verhaalde mijn broeder, zonder iets achter te houden, alles wat hem
was overkomen, en wat hij gedaan had, sedert de oude bij hem was
binnengedrongen, tot zijne laatste ontmoeting met de jonge dame, die hij
in het leven had gespaard, na den zwarte, de Grieksche slavin en het
verraderlijke oude wijf aan zijne billijke wraak te hebben opgeofferd.
Met betrekking tot het door hem weggedragen huisraad, smeekte hij
den regter, hem daarvan althans een gedeelte te laten behouden, als
vergoeding voor de vijf-honderd goudstukken, welke hem ontstolen waren.
De regter, zonder iets te beloven, zond nu eenige van zijne dienaren
naar mijn broeders woning, om alles weg te halen. Nadat zij hem berigt
hadden, dat het huis leeg was, en alles zich ten zijnent bevond, beval
hij Alnaschar om onmiddelijk de stad te verlaten, en daarin zijn leven
lang niet weder terug te keeren. De regter deed dit uit vrees, dat mijn
broeder, indien hij te Bagdad bleef, hem wegens zijne onregtvaardigheid
bij den kalif mogt aanklagen. Intusschen gehoorzaamde Alnaschar zonder
morren aan dit onregtvaardige en harde bevel. Hij verliet de stad, om
zich naar eene andere plaats te begeven; maar onder weg werd hij door
roovers overvallen, die hem geheel uitschudden. Ik had naauwelijks van
deze laatste ramp kennis gekregen, of ik nam een kleed mede, en ging hem
opzoeken. Na den ongelukkigen Alnaschar zoo veel in mijn vermogen was,
getroost te hebben, bragt ik hem langs zijwegen in stilte weder in de
stad, waar ik zoowel voor hem als voor zijn andere broeders zorg droeg.