GESCHIEDENIS VAN DEN VIERDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

De naam van mijnen vierden broeder was Alcouz. Hij was van beroep

slagter, en bezat de bijzondere gave, om rammen tot den strijd in

het worstelperk af te rigten, waardoor hij in kennis kwam, en de

toegenegenheid won van vele groote heeren, die vermaak vonden in

dergelijke dierengevechten, en daartoe onderscheidene rammen

aanhielden. Daarbij had hij vele klanten, en men vond in zijnen

winkel steeds het beste vleesch, vermits hij zeer rijk was, en

geen geld spaarde, om het schoonste slagtvee magtig te worden.

Op zekeren dag dat mijn broeder zelf in zijnen winkel was, kwam een

grijsaard met eenen grooten witten baard zes pond vleesch halen, hetgeen

hij met zilvergeld betaalde. Alcouz vond dat geld zoo fraai, zoo

blinkend en zoo goed gemunt, dat hij het afzonderlijk in een koffertje

wegsloot, om het te bewaren. Gedurende vijf maanden kwam de grijsaard

dagelijks eene gelijke hoeveelheid vleesch halen, en betaalde steeds met

de zelfde fraaije munt. Mijn broeder ging voort, dit geld steeds in het

koffertje te bergen.

Na verloop van die vijf maanden kocht mijn broeder eene kudde schapen,

en daar hij op dat oogenblik geld te kort kwam, besloot hij tot de

opgespaarde fraaije muntstukken zijne toevlugt te nemen. Hoe groot was

echter zijne verbazing, toen hij, het koffertje opensluitende, in

plaats van geldstukken, niets anders vond dan een' hoop rond afgeknipte

boombladeren. Hij sloeg zich met de vuist voor het hoofd, en schreeuwde

zoo hard, dat de buren kwamen toeloopen. Deze waren niet minder ontsteld

over zulk eene vreemde gedaante-verwisseling. „Mogt het Allah behagen,”

riep mijn broeder in zijne woede, „dat die verraderlijke grijsaard met

zijn huichelachtig gezigt thans eens hier kwam.” Naauwelijks had hij

deze woorden gesproken, of hij zag hem in de verte aankomen. Alcouz

ijlde den bedrieger te gemoet, en greep hem dadelijk bij den kraag.

„Muzelmannen!” schreeuwde hij, „komt mij te hulp. Hoort het schelmstuk

aan, dat deze oude booswicht aan mij bedreven heeft.” Hierop deed hij

aan de hem omringende volksmenigte, een gelijk verhaal, als vroeger aan

zijne buren. Toen hij met spreken ophield, zeide de grijsaard, zonder

eenige verlegenheid aan den dag te leggen, op bedaarden toon tot hem:

„Gij zult zeer wel doen, mij in vrede te laten gaan, en daardoor de

beleediging te herstellen, die gij mij voor het oog van zoo vele

menschen aandoet, uit vrees dat u niet iets ergers overkome, als ik op

mijne beurt zou moeten spreken, hetgeen mij voor u leed zou doen.” „Wel!

wat hebt gij op mij te zeggen, oude grijskop?” riep mijn broeder. „Ik

ben in mijn beroep een eerlijk man, en volstrekt niet bang voor u!” „Gij

wilt dus, dat ik uwe schande openbaar zal maken?” hernam de grijsaard op

den zelfden vasten toon. „Weet dan,” vervolgde hij met stemverheffing,

zich tot het volk wendende, „dat deze eerlijke man, in plaats van zooals

zijn beroep medebrengt schapen te slachten, menschenvleesch verkoopt.”

„Gij zijt een lasteraar!” riep mijn broeder. „Neen, neen!” hernam de

grijsaard, „wat ik zeg, is waarheid; hoe durft gij het ontkennen, daar

gij nog heden een' mensch geslagt, en als een schaap opgemaakt vóór uwen

winkel ten toon hebt gehangen? Wie mij niet gelooven wil, moge er heen

gaan, en zich met eigen oogen overtuigen, dat ik niet gelogen heb.”

Mijn broeder had dien morgen werkelijk een schaap geslagt, en dit

naar gewoonte vóór zijnen winkel ten toon gesteld. Hij kon dus, zoo

meende hij, met volkomen gerustheid staande houden, dat de grijsaard

een aartsschelm en leugenaar was; maar wat hij ook mogt zeggen, de

ligtgeloovige menigte liet zich gemakkelijk innemen tegen een' man, die

van eene zoo afschuwelijke misdaad betigt werd, en wilde daaromtrent

dadelijk ingelicht zijn. Men dwong mijn' broeder den grijsaard los te

laten, maakte zich van hemzelven meester, en voerde hem onder een'

geweldigen oploop mede, tot aan zijnen winkel. Hier meende men werkelijk

een geslacht mensch te zien hangen; want de grijsaard een toovenaar

zijnde, had de oogen van het volk begoocheld, gelijk hij die van mijn'

broeder verblind had, als hij hem boombladeren voor echte zilveren munt

deed aannemen.

Op dit ingebeeld zien van een geslagt mensch gaf een dergenen, die

hem vasthielden, aan Alcouz een' geduchten vuistslag, zeggende: „Ha!

booswicht, is het op deze wijze, dat gij ons menschenvleesch te eten

geeft?” De grijsaard, die niet van de zijde mijns broeders was geweken,

bragt hem een' slag in het gezigt toe, zoo dat het eene oog er

uitspatte. Op deze wijze werd Alcouz door ieder mishandeld, die slechts

tot hem kon doordringen, en hiermede nog niet tevreden, sleepten zij

hem, ook het gewaande lijk medevoerende, tot voor het huis van den

regter. „Heer,” zeide nu de toovenaar, voor allen het woord doende,

„zie hier een' man die de barbaarschheid heeft, de menschen in

zijnen winkel te lokken, als beesten te slagten, en hun vleesch voor

schapenvleesch te verkoopen. Het volk hier tegenwoordig verlangt dat

deze menschen-slagter, tot een' afschrik voor andere booswichten, streng

gestraft zal worden.” De regter riep hierop mijn' broeder voor zich, en

hoorde zijne verdediging met geduld aan; maar de geschiedenis van het

geld, dat in bladeren was veranderd, kwam hem zoo weinig geloofwaardig

voor, dat hij Alcouz voor een' listigen bedrieger hield, en zich

verlatende op hetgeen zijne oogen zagen, liet hij hem vijfhonderd

stokslagen geven.

Vervolgens dwong hij mijn' ongelukkigen broeder hem de plaats te zeggen,

waar hij zijn geld had geborgen, beroofde hem daarvan, en verbande hem

voor zijn leven, nadat men hem gedurende drie dagen, op een' kameel

gezeten, tot een afschrikkend voorbeeld voor jong en oud door de stad

had rondgeleid.

Toen dit treurige voorval met mijnen armen broeder plaats had,”

vervolgde de barbier, „bevond ik mij niet te Bagdad. Hij zocht eene

eenzame wijkplaats op, waar hij verborgen bleef tot dat zijn rug, die

bijna geheel ontveld en bont en blaauw was van de ontvangen stokslagen,

geheeld zou zijn. Zoodra hij zich weder in staat bevond, om te kunnen

loopen, begaf hij zich langs binnenwegen naar eene stad, waar niemand

hem kende, en nam zijn' intrek bij arme lieden, zonder bijna zijne

ellendige woning te verlaten, zoo menschenschuw was hij geworden.

Eindelijk echter verdroot het hem, steeds als een gevangene binnen vier

muren te zitten, en waagde hij het eene wandeling in eene der voorsteden

te doen. Plotseling werd hij verschrikt door het gerucht eener naderende

ruiterbende, welke hem achterop kwam rijden. Hij bevond zich op dat

oogenblik voor de deur van een groot huis; en daar hij, na het ongeluk

dat hem had getroffen, overal gevaar zag, vreesde hij dat die ruiters

hem achtervolgden en gevangen wilden nemen. In die vrees stootte hij de

deur, die niet gesloten was, open, ten einde zich te verbergen, totdat

de ruiters voorbij zouden zijn. Maar naauwelijks had hij de deur achter

zich gesloten, en de voeten in het voorhof gezet, toen een tweetal

bedienden kwamen toeschieten en hem bij den kraag pakten. „Allah zij

geprezen!” riepen zij, „dat gij u dus zelven aan ons overlevert! Gij

hebt ons reeds zoo veel zorg verwekt, dat wij de laatste drie nachten

niet te bed zijn geweest; en hadden wij niet opgepast, gij zoudt ons nog

om het leven hebben gebragt.”

Gij kunt wel denken, sire, dat mijn broeder over deze ontvangst zeer

verwonderd was. „Goede lieden,” zeide hij tot hen, „ik weet niet

wat gij van mij hebben wilt; gij hebt zeker een' verkeerde voor.”

„Neen,” antwoordden zij, „wij weten zeer goed, dat gij tot eene bende

straatroovers behoort. Het was u niet genoeg onzen meester te bestelen

en tot armoede te brengen, gij wildet hem nu ook nog het leven benemen.

Laat ons eens zien of gij het mes niet bij u draagt, dat gij in de

hand hield, toen gij ons gisteren nacht achtervolgdet.” Dit zeggende

betastten zij hem, en bevonden dat hij werkelijk een mes bij zich had.

„Aha!” riepen zij, en ontnamen hem het mes, „durft gij thans nog zeggen

geen straatroover en moordenaar te zijn?” „Nu nog fraaijer,” antwoordde

mijn broeder, „kan men geen mes bij zich dragen, zonder een straatroover

te zijn? Hoor mijne geschiedenis,” vervolgde hij, „en in plaats van

zulke slechte gedachten van mij te koesteren, zult gij begaan zijn met

mijn ongeluk.” Wel verre van hem aan te hooren, wierpen zij hem op den

grond, en scheurden hem de kleêren van 't lijf. De lidteekens op zijnen

rug vielen hen daarbij in het oog. „Ha, hond,” riepen zij nu, hunne

slagen verdubbelende, „wilt gij ons nog vertellen, dat gij een eerlijk

man zijt? Uw rug wijst het wel anders uit!” „Helaas,” kermde mijn

broeder, „mijne zonden moeten wel groot wezen, dat ik, na reeds éénmaal

zoo onregtvaardig mishandeld te zijn; dit nu voor de tweede maal

ondervinden moet, zonder eenige schuld te hebben.”

De bedienden werden door zijne klagten niet het minst bewogen; zij

bragten hem voor den regter, en deze zeide tot hem: „Wat heeft u zoo

stout gemaakt, bij deze menschen in huis te dringen, en hen met het mes

in de hand te vervolgen?” „Heer,” antwoordde de arme Alcouz, „zie in mij

den onschuldigsten en tevens den ongelukkigsten mensch van den ganschen

aardbodem. Indien gij geen mededoogen hebt, en mij niet geduldig wilt

aanhooren zoo ben ik verloren.” „Heer,” viel thans een der bedienden in,

„zult gij gehoor geven aan de woorden van een' lagen straatroover, die

in de huizen sluipt, om de bewoners te berooven en te vermoorden? Indien

gij ons niet wilt gelooven, zoo bezie slechts zijnen rug!” Dit zeggende

ontblootte hij den rug van mijnen broeder, en liet dien aan den regter

zien. Deze beval hierop, zonder dat hij in een nader onderzoek trad of

op de herhaalde betuigingen van onschuld van mijn rampzaligen broeder

verder acht sloeg, hem onmiddelijk honderd slagen op de schouders te

geven. Hij liet hem vervolgens op eenen kameel door de stad rondleiden,

terwijl een omroeper voor hem uitging en riep: „Zoo worden degenen

getuchtigd, die met geweld of list in eens anders woning binnendringen.”

Nadat men hem aldus had rondgevoerd, werd Alcouz buiten de stad

gebragt, met streng verbod daarin immer weder terug te mogen komen.

Eenige lieden, die mijn' broeder kenden en hem na dit tweede ongeluk

ontmoetten, gaven mij berigt van de plaats, waar hij zich ophield. Ik

ging hem daar opzoeken, en bragt hem in stilte weder te Bagdad, waar ik

hem naar mijn beste vermogen ondersteunde.

De kalif Mostanser Billah,” vervolgde de barbier, „moest over deze

geschiedenis niet zoo lagchen als over de vorigen. Hij had de goedheid

den ongelukkigen Alcouz te beklagen, en wilde mij andermaal iets doen

geven en mij heên laten gaan, maar zonder daarop acht te slaan, nam ik

nogmaals het woord op en zeide: „Geëerbiedigd opperheer, gij zult nu

de overtuiging hebben, dat ik karig in mijne woorden en in 't geheel

niet praatziek ben; en daar uwe majesteit de goedheid heeft gehad, mij

tot dus verre aan te hooren, zoo smeek ik haar, ook aan het verhaal

der lotgevallen van mijne beide andere broeders een gunstig oor te

verleenen. Ik hoop dat zij u niet minder genoegen zullen geven dan de

voorgaanden. Zoo zult gij tevens in de gelegenheid worden gesteld,

daarvan eene volledige geschiedenis te laten maken, die niet onwaardig

zal zijn, als iets zeldzaams in uwen boekenschat te worden opgenomen, om

voor het nageslacht bewaard te blijven. Ik zal dus de eer hebben u te

zeggen, dat mijn vijfde broeder Alnaschar genoemd werd.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 12 / 19 题