Mijn derde broeder, Bakbac genaamd, was blind: en zijn kwaad gesternte
hem tot den bedelstaf voorbeschikt hebbende, ging hij van huis tot huis
om eene aalmoes te vragen. Het was zijne vaste gewoonte aan de deuren te
kloppen, en wat men ook roepen of vragen mogt, geen antwoord te geven,
vóór dat men had opengedaan. Eens trof het, dat hij aan de deur klopte
van eene woning, waarvan de eigenaar of huurder alleen te huis was.
„Wie is daar?” riep hij van boven. Mijn broeder gaf geen antwoord, en
klopte voor de tweede maal. De bewoner mogt zijne vraag herhalen, hij
kreeg geen bescheid, en het kloppen hield aan. Ten laatste kwam hij naar
beneden, deed open, en vroeg aan mijn' broeder, wat hij verlangde. „Eene
kleine gift om Gods wil,” zeide Bakbac. „Gij zijt blind, naar het mij
toeschijnt?” „Helaas, ja,” antwoordde mijn broeder. „Steek dan de hand
uit!”
Mijn broeder deed dit, in de meening eene aalmoes te zullen ontvangen,
doch de ander greep alleen zijne hand, om hem den trap op te helpen naar
zijne kamer. Bakbac geloofde, dat zulks was, om hem ten eten te houden,
zooals hem wel eens meer gebeurde. Toen zij beiden op de kamer waren,
liet de bewoner zijne hand los, nam zijne plaats weder in, en vroeg
opnieuw, wat hij toch begeerde. „Ik heb u reeds gezegd,” gaf Bakbac
ten antwoord, „dat ik u eene aalmoes vraag, ter liefde Gods.” „Goede
blinde,” hernam de andere, „alles wat ik voor u doen kan, is Allah
bidden, dat hij u het gezigt teruggeve.” „Dat hadt gij mij wel aan
de deur kunnen zeggen,” gromde mijn broeder, „dan zoudt gij mij de
moeite bespaard hebben van trappen te klimmen.” „En waarom, onnoozele,
gaaft gij dan geen antwoord, toen ik, nadat gij de eerste maal hadt
aangeklopt, vroeg, wie er was? Waarom dwingt gij de lieden, op die wijze
u te komen opendoen?” „Dat is zoo mijne gewoonte. Maar wat hebt gij nu
met mij voor?” „Ik herhaal nogmaals mijn antwoord, dat ik niets heb,
om u te geven.” „Help mij dan naar beneden gaan,” sprak min broeder,
„gelijk gij mij bij het naar boven gaan behulpzaam zijt geweest.” „De
trap is voor u vrij,” hernam de bewoner, „gij kunt gaan, wanneer het u
behaagt, mits gij het alleen doet.” Dat behaagde mijn' broeder wel niet,
maar hij moest ditmaal van den nood eene deugd maken. Toen hij eenige
treden was afgegaan, glipte zijn voet uit, en hij gleed naar beneden,
niet zonder zijn hoofd en zijnen rug te bezeeren. Het kostte hem moeite,
om weder op de been te komen; en al grommende en zich beklagende over
den bewoner van dat huis, die hem hartelijk uitlachte, ging hij heen.
Twee andere blinden, die op dat oogenblik daar voorbij kwamen, en mijnen
broeder aan zijne stem herkenden, bleven staan, en vroegen, waarom hij
dus klaagde en steunde. Hij verhaalde hun, wat hem bejegend was, en
dat hij den ganschen dag nog niets had ontvangen. „Ik verzoek u dus,”
vervolgde hij, „met mij naar mijne woning te gaan, opdat ik in uwe
tegenwoordigheid eenig geld neem uit onze gemeenschappelijke kas,
ten einde daarvoor mijn avondmaal te kunnen doen.” Zijne kameraden
bewilligden hierin; en hij bragt hen naar zijne kamer.
Het verdient hier opmerking, dat de bewoner van het huis, bij wien
mijn broeder een zoo slecht onthaal had gevonden, een boosaardig mensch
en een afgeriste dief was. Hij hoorde, uit zijn raam leggende, alles
aan wat Bakbac tot zijne makkers zeide, waarop hij naar beneden ging,
hen van nabij volgde, en te gelijk met hen de onaanzienlijke woning
binnendrong, waar mijn broeder zijnen intrek had. De blinden gingen
dadelijk zitten, maar Bakbac zeide; „Niet zoo haastig broeders, laat
ons eerst de deur sluiten, en ons overtuigen, dat zich geen onbekende
hier bevindt.” Hierop was de dief niet verdacht geweest, en geraakte
in groote verlegenheid; maar een touw ziende, dat tot het een of ander
doeleinde aan de zoldering hing, klom hij daartegen op, en hield zich
zoolang in de hoogte, totdat de blinden de deur gesloten en het vertrek,
met hunne stokken rondtastende en voelende, onderzocht hadden. Toen
dit onderzoek was afgeloopen en de blinden zich weder ter neder gezet
hadden, liet ook de dief zich om laag zakken, en nam koelbloedig plaats
aan de zijde van mijn' broeder. Bakbac geene andere gedachten hebbende,
dan dat hij zich met de beide blinden alleen bevond, nam nu het woord
op, en sprak hen aldus toe: „Broeders, daar gij mij tot bewaarder hebt
gekozen van onze gemeenschappelijke kas, zoo zal ik u het bewijs geven,
dat ik het vertrouwen, hetwelk gij in mij gesteld hebt, niet onwaardig
ben. Gij weet, dat toen wij de laatste maal onze rekening opmaakten, er
tien duizend drachmen in kas waren, en dat wij die in tien zakken deden.
Ik zal u overtuigen, dat zij nog ongeschonden zijn.” Dit zeggende,
tastte hij met de hand onder een' hoop oude kleêren, haalde de zakken
één voor één te voorschijn, en gaf die aan zijne makkers. „Hier zijn ze
alle tien,” vervolgde hij, „hunne zwaarte zal u overtuigen, dat zij nog
vol zijn, of zoo gij dit verlangt, dan zullen wij den inhoud natellen.”
Zijne kameraden zeiden echter, dat zij hem genoeg vertrouwden. Hierop
maakte mijn broeder een' der zakken open, en nam daar tien drachmen uit;
de beide andere kregen ieder voor hun aandeel evenveel.
Mijn broeder borg nu de zakken weder op hunne oude plaats, en wilde
zich verwijderen om zijn' avondmaaltijd te gaan nuttigen, maar een der
blinden hield hem daarvan terug, zeggende, dat dit niet noodig was,
daar hij dien dag, door de liefdadigheid van goede lieden, zooveel had
opgedaan, dat er meer dan genoeg zou zijn voor hun drieën. Te gelijker
tijd haalde hij uit zijn' bedelzak brood, kaas en eenige vruchten te
voorschijn, en spreidde dat alles op de tafel uit; waarna zij begonnen
te eten. De dief, aan de regterhand van mijn' broeder gezeten, deed
als de anderen, doch zorgde het beste voor zich uit te kippen. Hoe
voorzigtig hij echter ook te werk ging, Bakbac hoorde hem kaauwen en
riep dadelijk: „Wij zijn verraden; er is een vreemdeling bij ons!” Te
gelijker tijd stak hij de hand uit, en greep den dief bij den arm. Deze
trachtte zich los te rukken, maar mijn broeder wierp zich op hem,
overlaadde den schelm met vuistslagen, en riep uit alle magt: „Een
dief, een dief!” De andere blinden riepen even hard, en sloegen mede
dapper op den dief los, die van zijnen kant zich kloekmoedig te weêr
stelde. Daar hij sterk en vlug was, en het gezigt in zijn voordeel had,
bragt hij nu aan den eenen, dan aan den anderen blinde zeer gevoelige
slagen toe, en riep, zoo dikwijls hij de keel vrij had, nog harder dan
zijne aanvallers: „Help, help! Dieven, dieven!” De buren kwamen weldra
op dit geschreeuw toeschieten; zij liepen de deur open, en trachtten de
vechters te scheiden. Dit had niet zonder veel moeite plaats, want zij
schenen allen razend. Naar de oorzaak van dezen hevigen twist vragende,
riep mijn broeder, die den dief nog steeds vasthield: „Mijn vrienden, de
kerel dien ik bij den kraag heb, is een dief, en hier met ons binnen
geslopen, om ons te berooven van het weinige geld, dat wij hebben.” De
dief, die zoodra hij de buren zag binnenkomen, de oogen had gesloten,
en zich als blind hield, riep nu op zijne beurt: „Ik zweer u mijne
vrienden, bij onzen grooten Profeet, en bij het hoofd van den kalif, dat
het onwaar is, wat deze man daar zegt. Ik behoor tot hun gezelschap,
maar zij willen mij mijn regtmatig aandeel in onze gemeenschappelijke
kas onthouden, en ten dien einde hebben zij alle drie tegen mij
zamengespannen.” De buren wilden zich in dezen moeijelijk te beslissen
twist niet mengen, en bragten hen alle vier voor den regter.
Zoodra zij daar gekomen waren, nam de dief, steeds den blinde spelende,
zonder dat hem iets gevraagd werd, het woord: „Heer,” sprak hij, „daar
gij zijt aangesteld, om het regt te handhaven in naam van den kalif,
wiens magt Allah moge uitbreiden over geheel de bewoonde aarde, zoo
dringt mijn geweten mij, u te verklaren, dat wij allen, zooals wij hier
voor u staan, mijne drie makkers en ik, even zeer misdadig zijn. Maar
daar wij ons onderling door een' eed verbonden hebben, niets te zullen
bekennen dan onder den stok, zoo hebt gij, om met onze misdaad bekend
te worden, niets anders te doen, dan te bevelen dat men ons stokslagen
geve, en met mij een begin te maken.” Mijn broeder wilde nu ook spreken,
doch hem werd het zwijgen opgelegd.
Intusschen werd de dief, volgens zijn verlangen, onder den stok gelegd.
Hij had de standvastigheid zich twintig of dertig slagen te doen geven.
Toen echter veinsde hij zich door de smart te laten overwinnen, deed
eerst het eene oog, en kort daarna ook het andere open, terwijl hij
luide om genade riep, en den regter smeekte, de strafoefening te doen
ophouden. Dezen bevreemdde het zeer, dat de gewezen blinde hem met twee
goede oogen aanstaarde. „Deugniet!” zeide hij, „wat moet dit zoogenaamde
wonder beteekenen?” „Heer,” antwoordde de dief, „dit staat in verband
met een gewigtig geheim; wanneer gij mij straffeloosheid toezegt, en
zulks bevestigt door mij uwen zegelring, dien gij aan den vinger draagt,
tot pand te geven, zoo zal ik u alles ontdekken.”
De regter deed de strafoefening staken, gaf den ring, en beloofde den
dief, hem genade te zullen schenken. „In vertrouwen op uwe belofte van
straffeloosheid, heer,” hernam deze, „zal ik u dan bekennen, dat mijne
kameraden en ik, wij alle vier, zeer goed kunnen zien. Wij veinsden
slechts blind te zijn, ten einde te vrijer in de huizen te worden
toegelaten, in de vertrekken der vrouwen binnen te dringen, en met
haar zwakheden ons voordeel te doen. Ik belijd u ook nog, dat wij
door die veinzerij tien duizend drachmen hebben overgewonnen, die ons
gezamentlijk eigendom zijn. Ik vroeg heden aan mijne makkers, om mijn
aandeel ten bedrage van vijf en twintig honderd drachmen; zij weigerden
mij dit uit te keeren, omdat ik mij van hen wilde scheiden, en zij dan
bevreesd waren, dat ik hen zou verklappen. Ik bleef evenwel sterk
aandringen. Zij wierpen zich toen alle drie op mij, en mishandelden
mij, zooals deze lieden, die ons voor u gebragt hebben, kunnen
getuigen. Ik verwacht van uwe regtvaardigheid, heer, dat gij zult
zorgen, mij die vijf en twintig honderd drachmen geworden. Wilt gij, dat
mijne kameraden de waarheid van mijne bekentenis zullen staven, doe hen
dan driemaal zoovele stokslagen geven, als ik heb ontvangen, en gij zult
zien, dat ook zij de oogen wel zullen open doen.”
Mijn broeder en de beide andere blinden wilden zich verdedigen en deze
valsche beschuldigingen van zich afwerpen, maar de regter verwaardigde
zich zelfs niet, hen aan te hooren. „Schelmen,” zeide hij tot hen, „het
is dan op die wijze, dat gij de blinden speelt, om anderen te bedriegen,
en allerlei slechte daden te bedrijven?” „Dat is niets dan logen en
laster,” riep mijn broeder, „het is onwaar, dat wij niet blind zouden
zijn. Wij nemen Allah daarbij tot getuige!”
Wat echter mijn broeder mogt inbrengen, 't hielp niet; hij en zijne
makkers, zij ontvingen elk tweehonderd stokslagen. De regter verkeerde
steeds in de verwachting, dat zij de oogen zouden openen, en schreef
aan hardnekkigheid toe, 't geen hun onmogelijk was te doen. Intusschen
zeide de dief tot de blinden, als gevoelde hij medelijden met hen:
„Onnoozelen, die gij zijt, opent toch de oogen, en wacht niet, totdat
gij onder de stokslagen zult bezwijken en sterven.” Na deze tergende
en natuurlijk vruchtelooze aanmaning, wendde hij zich tot den regter.
„Heer,” sprak hij, „ik zie wel, dat zij besloten hebben in hunne
boosheid tot het uiterste te volharden; zij zullen zich liever dood
laten slaan, dan de oogen te openen, en zich daardoor aan den spot en de
verachting prijs geven van allen, die hen als blinden gekend hebben. Het
zal dus wel het beste zijn, hen met de nu ontvangen gevoelige kastijding
vrij te laten, en mij iemand mede te geven, om de tien duizend drachmen
op te halen, die wij verborgen hebben.”
De regter leende hiernaar het oor; hij gaf den dief een' van zijne
dienaren mede, en weldra kwamen zij terug met de tien zakken. Hij liet
aan den dief twee-duizend vijf-honderd drachmen uittellen, en hield het
overige van den buit voor zich zelven. Vervolgens vergenoegde hij zich,
mijn' broeder en zijne makkers, nadat zij reeds half lam geslagen waren,
uit de stad te verbannen, zonder verder onderzoek te doen, of zij
werkelijk blind waren, of zien konden. Zoodra mij ter ooren kwam, wat
den armen Bakbac overkomen was, ging ik hem opzoeken. Hij verhaalde mij
zijn ongeluk, en ik bragt hem in stilte weder in de stad. Ik zou hem bij
den regter misschien wel hebben kunnen regtvaardigen, en den dief naar
verdienste doen straffen, maar ik durfde dat niet aan, uit vrees van mij
zelven iets kwaad op den hals te halen. Ik begreep namelijk, dat de
regter niet veel lust zou hebben, het gedeelte van den buit, dat hij
zich reeds had toegeëigend weder af te staan; en in dergelijke gevallen
is het gevaarlijk, met magtige heeren pruimen te eten; zij gooijen met
de pitten.”
Zoo,” vervolgde de barbier, „eindigde ik het treurige verhaal van mijn'
armen blinden broeder. De kalif moest hier niet minder om lagchen, dan
om de beide verhalen, welke hij reeds gehoord had. Hij gaf andermaal
bevel mij iets te geven; maar zonder aan hen, dien hij dit bevolen had,
den tijd te laten, hunnen last te volbrengen, maakte ik een' aanvang met
de geschiedenis van mijnen vierden broeder.