GESCHIEDENIS VAN DEN TWEEDEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

„Mijn tweede broeder, genaamd Bakbarah de tandelooze, op zekeren dag

door de stad drentelende, ontmoette in eene afgelegen straat, eene

oude vrouw, welke hem staande hield. „Wat verlangt gij van mij?” vroeg

mijn broeder. „Dat zal ik u in weinige woorden zeggen,” zeide de oude.

„Indien gij tijd en lust hebt mij te volgen, zoo zal ik u in een

prachtig paleis brengen, en gij zult daar eene jonge dame zien, zoo

schoon als de dageraad. Zij zal u met voorkomendheid ontvangen, en

vorstelijk onthalen; u meer te zeggen, acht ik overbodig.” „Maar is

hetgeen gij mij daar zegt, wel waar?” vroeg mijn broeder. „Waar heeft

die dame mij gezien? Van waar kent zij mij?” „Dat doet er niet toe,”

hernam de oude, „'t moet u genoeg zijn, dat zij verlangd heeft u bij

zich te zien, en zich met u te vermaken.” „Kan ik u vertrouwen?” sprak

mijn broeder, nog twijfelende, of hij dit alles moest gelooven. „Dat

kunt gij,” zeide de vrouw. „Zie mij niet aan voor eene leugenaarster;

wat ik u gezegd heb, is de zuivere waarheid. Ééne zaak echter vorder ik

van u; gij moet u in haar bijzijn verstandig gedragen en weinig praten,

maar haar zooveel te meer beleefdheden bewijzen, want daar is zij zeer

op gesteld.” Bakbarah nam deze voorwaarde aan. „Volg mij dan,” vervolgde

de oude, „en ik zal u den gelukkigsten der mannen maken; want men kan

mijne meesteres niet zien, zonder haar te beminnen.”

Zij kwamen weldra voor de poort van een fraai paleis, met eene wacht

er voor. De officier van de wacht wilde mijn' broeder afwijzen, maar

naauwelijks had de oude vrouw een paar woorden tot hem gesproken, of hij

gaf last beiden door te laten. Nu gingen zij door een' ruimen marmeren

gang, totdat zij op de binnenplaats van het paleis kwamen. Eindelijk

bragt zij hem in eene allerprachtigste zaal, in welker midden zich

eene wit marmeren kom bevond, met eene fontein van welriekend water;

rondom de kom waren de fraaiste en geurigste bloemen in albasten vazen

geplaatst. De oude deed Bakbarah op eene sofa plaats nemen. „Herinner

u,” zeide zij tot hem, „dat zij, die ik thans van uwe komst zal

verwittigen, onderworpenheid en terughouding bemint; zij kan niet

verdragen, dat men haar tegenspreekt. Indien gij haar echter daarin ter

wille zijt, en u naar hare luimen weet te schikken, zoo kunt gij er

staat op maken, dat gij alles van haar zult verkrijgen, wat gij moogt

begeeren.” Bakbarah bedankte de oude voor haren raad, en beloofde deze

te zullen nakomen; waarop zij heenging, om hem bij hare meesteres aan te

dienen. Mijn broeder, die nog nooit zoo iets gezien had, hield zich

bezig met al de schoone en meestal vreemde zaken, die zich aan zijne

oogen vertoonden, met bewondering te beschouwen; en zijn geluk afmetende

naar de pracht, waardoor hij zich omgeven zag, had hij moeite zijne

blijdschap te bedwingen.

Weldra hoorde hij een groot geraas, veroorzaakt door eene menigte rijk

gekleede slavinnen, die hem luid lagchende te gemoet traden. In hun

midden bespeurde hij eene jonge dame van uitstekende schoonheid, wier

kleed van edelgesteenten schitterde. Hieraan, en aan den eerbied welke

de anderen haar bewezen, kon mijn broeder ligtelijk gissen, dat zij de

meesteres was. Bakbarah, die gedacht had met de jonge dame alleen te

zullen zijn, was echter zeer bevreemd en volstrekt niet in zijn' schik,

toen hij haar in zulk een talrijk gezelschap zag komen. Inmiddels

bragten de slavinnen, naarmate zij hem naderden, hun gelaat in eene

ernstige plooi, en zoodra de jonge dame bij de sofa kwam, waarop mijn

broeder gezeten was, stond deze op en maakte eene diepe buiging. Zij nam

de eereplaats in, en gaf mijnen broeder een' wenk, dat ook hij zich weêr

zou nederzetten, terwijl zij op lagchenden toon tot hem zeide: „Ik ben

verrukt u te zien, en wensch u alles goeds toe.” „Mejufvrouw,” gaf

Bakbarah ten antwoord, „ik zou geen grooter geluk kunnen wenschen, dan

de eer die mij te beurt valt, voor u te mogen verschijnen.” „Het komt

mij voor,” hernam zij, „dat gij zeer opgeruimd zijt. Het zal u dus niet

onaangenaam zijn, wanneer wij den tijd te zamen genoegelijk

doorbrengen.”

Zij gaf thans last, dat men eenige spijzen zou opdragen. Hieraan werd

terstond voldaan, en het ontbrak niet aan het fijnste fruit en het

lekkerste gebak. De jonge dame deed Bakbarah tegenover zich plaats

nemen, terwijl de slavinnen naar rang en ouderdom hare plaatsen aan

tafel innamen. Bij het eerste stuk, dat mijn broeder in den mond stak,

zag de jonge dame, dat hij geene tanden had, waarop zij ook hare

slavinnen opmerkzaam maakte, die er van ganscher harte om moesten

lagchen. Bakbarah, die zich nu en dan verstoutte een' steelschen blik

op zijne schoone overbuur te werpen, en haar zag lagchen, schreef dit

toe aan hare vreugde over zijne komst, en vleide zich, dat zij hare

slavinnen weldra weg zou zenden, ten einde met hem onder vier oogen

te zijn. De jonge dame scheen zijne gedachte te raden, en schepte er

vermaak in, hem in zijne aangename dwaling te doen blijven. Zij zeide

hem allerlei aardigheden, en bediende hem met eigen hand van het beste,

dat op tafel was.

Na eenige ververschingen gebruikt te hebben, stond men al spoedig van

tafel op. Tien slavinnen kregen muzijkinstrumenten, en vingen aan te

spelen en te zingen; anderen dansten. Mijn broeder en zelfs de jonge

dame namen werkdadig deel in deze vermaken. Toen het dansen eenigen tijd

geduurd had, werd er eene pauze gehouden. De jonge dame liet zich een'

beker wijn geven, en wierp mijn' broeder een vriendelijk lachje toe, om

hem te kennen te geven, dat zij op zijne gezondheid dronk. Hij stond

dadelijk op, en bleef in die houding, tot dat zij den beker geledigd

had. Nu liet zij den bokaal, in plaats van dien terug te geven, weder

inschenken, en bood hem mijn' broeder aan, opdat hij haar bescheid zou

doen. Bakbarah kuste de schoone hand, waaruit hij den beker ontving, en

dronk dien staande uit, als een blijk, hoezeer hij de hem bewezen gunst

op prijs stelde. Vervolgens noodigde de jonge dame mijn' broeder uit, om

zich naast haar neder te zetten, en begon hem te liefkozen. Zij sloeg

den arm om zijnen hals, en gaf hem van tijd tot tijd een' klap op zijn'

wang. Verrukt over deze kleine vrijheden, welke zij zich veroorloofde,

achtte Bakbarah zich den gelukkigsten man van den ganschen aardbodem.

Hij had moeite zich te bedwingen, en de liefkozingen der bekoorlijke

dame niet op gelijke wijze te beantwoorden; maar hij durfde zich die

vrijheid niet veroorloven in tegenwoordigheid van hare slavinnen, die

de oogen steeds op hem gevestigd hadden, en niet ophielden met hem te

gekscheren. De jonge dame ging intusschen voort, hem hoe langer hoe

harder klappen te geven, totdat zij hem eindelijk een' zoo duchtigen

oorvijg gaf, dat zijn wang er van gloeide. Mijn broeder werd zoo rood in

zijn gelaat als een gekookte kreeft; hij stond in toorn op, ten einde

zich buiten het bereik te stellen van zulk eene hardhandige minnares.

Doch de oude, welke hem daar gebragt had, wierp hem een' verwijtenden

blik toe, dat hij hare waarschuwing en zijne belofte van onderworpenheid

aan de grillen van hare jonge meesteres reeds zoo spoedig vergeten had.

Hij zag zijne fout in, en om deze te herstellen, zette hij zich terstond

weder neder, even als of er niets gebeurd was. De schoone plaagster trok

hem bij den arm naar zich toe, en ging voort hem duizenderlei ondeugende

trekken te spelen. De slavinnen, geen ander oogmerk hebbende dan hare

meesteres te vermaken, begonnen nu ook mede te doen: de eene trok hem

bij de ooren, de andere kneep hem in den wang, een derde knipte hem

voor den neus, terwijl de overigen hem duchtig duwden en sloegen. Mijn

broeder stond dat alles met verwonderlijk geduld door, en gaf zich

zelfs moeite een vrolijk gezigt te zetten, terwijl hij de oude dame met

een' gedwongen lach zacht toevoegde: „Gij hebt wel gelijk gehad te

zeggen, dat ik eene dame zou aantreffen, zoo schoon als de dageraad,

zeer beminnelijk, en lieftallig als eene duif. Wat ben ik u veel

verpligt!” „Dat alles is nog van weinig beteekenis,” antwoordde de

oude, fluisterende, „laat haar slechts begaan, en gij zult nog heel wat

anders zien.” Nu nam de jonge dame het woord op, en zeide tot mijnen

broeder: „Gij zijt een man naar mijn hart en naar mijne wenschen; ik

ben verrukt bij u zooveel geduld en toegevendheid te vinden voor mijne

grillen; uw karakter stemt geheel met het mijne overeen.” „Mejufvrouw,”

hernam Bakbarah, door deze toespraak geheel in vervoering gebragt, „ik

behoor mij zelven niet meer; beschouw mij met ziel en ligchaam als uw

eigendom, en beschik over mij naar uw welbehagen.” „Gij doet mij het

allergrootste vermaak;” hernam de jonge dame, „door mij dit bewijs van

uwe onderworpenheid te geven. Ik ben ten hoogste over u tevreden, en wil

dat gij dit ook over mij zult zijn. Dat men,” vervolgde zij, „hem het

reukwerk brenge, en het rozenwater!” Twee der slavinnen verwijderden

zich, om dit bevel te volvoeren. Zij kwamen weldra terug, de eene met

een zilveren reukvat van het uitgezochtste aloëhout, waarmede zij

Bakbarah bevochtigde; de andere met het rozenwater, dat zij hem in het

gelaat en over de handen wierp. Mijn broeder gloeide van vermaak, zoo

was hij in zijn' schik over de eer, die hem wedervoer.

Na deze plegtigheid, gelastte de jonge dame aan de slavinnen, welke

vroeger reeds gespeeld en gezongen hadden, haar concert te hervatten.

Inmiddels riep zij eene andere slavin, aan welke zij beval met mijn'

broeder naar buiten te gaan. „Doe hem,” sprak zij, „hetgeen u bekend

is, en als gij gereed zijt, breng hem dan weder hier.” Toen Bakbarah

met zijne geleidster buiten de zaal kwam, vroeg hij aan de oude, die

hen vergezelde, wat men met hem voorhad te doen. „Mijne meesteres,”

antwoordde deze al fluisterende, „is nieuwsgierig te weten, hoe gij

er in vrouwengewaad zult uitzien, en uwe geleidster heeft last, uwe

wenkbraauwen te verwen, uwe knevels af te scheren, en u als eene vrouw

te kleeden.” „Men kan mij de wenkbraauwen schilderen, zoo veel men

wil,” bragt mijn broeder in, „daar heb ik vrede mede, maar om mij te

scheren, gij kunt er staat op maken, dat ik het niet zal dulden. Hoe zou

ik zonder knevel onder de oogen mijner vrienden durven komen?” „Draag

zorg, u niet te verzetten tegen hetgeen men van u verlangt,” sprak de

oude; „want dan zoudt gij uwe zaken, die thans op zoo schoonen voet

staan, geheel en al bederven. Men bemint u, men wil u gelukkig maken;

zult gij nu om een' leelijken knevel het geluk dat u wacht, met de

voeten schoppen?” Bakbarah liet zich door de oude heks bepraten, en

zonder er iets tegen te zeggen, volgde hij de slavin naar eene der

kleedkamers, waar men hem de wenkbraauwen rood schilderde. Men schoor

hem den knevel weg, en wilde nu ook zijnen baard laten vallen. Zoo ver

ging echter de leidzaamheid van mijnen broeder niet. „Ho wat!” riep

hij, „den knevel heb ik er aan gegeven, maar van mijn' baard zult gij

afblijven!” De slavin stelde hem voor, dat het tot niets diende, hem den

knevel te hebben weggeschoren, indien niet ook de baard volgde, daar een

gebaard gezigt geheel niet paste bij een vrouwenkleed; en dat zij niet

kon begrijpen, hoe een man, die op het punt stond de schoonste jonge

dame uit geheel Bagdad te zullen bezitten, nog iets aan zijn' baard kon

hechten. De oude kwam de slavin te hulp; zij bragt nog nieuwe redenen

bij, en bedreigde mijn' broeder met de ongenade van de jonge dame,

indien hij haar het offer van zijn' baard niet brengen wilde, en daar

meer prijs op stelde, dan op haar bezit. Om kort te gaan, zij bepraatte

hem zoo mooi, dat hij met zich liet doen, wat men verlangde.

Toen Bakbarah, na aldus beschilderd, van zijn' knevel en baard beroofd

en in vrouwen-kleederen gestoken te zijn, voor de jonge dame werd

gebragt, viel zij, hem ziende, van lagchen achterover op hare sofa.

De slavinnen lachten even hard, en klapten in de handen, zoodat mijn

broeder met zich zelven verlegen werd, en niet meer wist, hoe hij het

had, noch hoe hij zich moest houden. De jonge dame, zonder echter haar

lagchen te kunnen bedwingen, stond op, en zeide tot hem: „Na de

inschikkelijkheid, die gij voor mij gehad hebt, zou ik ondankbaar moeten

zijn, indien ik u nu niet met geheel mijn hart beminde. Evenwel verlang

ik van uwe liefde nog één bewijs te zien, namelijk, dat gij voor mij

zult dansen, zooals gij daar zijt.” Mijn broeder voldeed hieraan op het

eigen oogenblik. De jonge dame en de slavinnen dansten met hem, waarbij

zij het van lagchen uitproesten. Doch hierbij lieten zij het niet. Na

eenigen tijd met Bakbarah te hebben rond gesprongen, wierpen zij zich

allen als uitgelaten bacchanten op den ongelukkige, en gaven hem zoo

vele oorvijgen, vuistslagen en schoppen, dat hij ten laatste bijna zijn

besef verloor en onder den voet geraakte. De oude hielp hem weder op

de been, en ten einde hem den tijd niet te geven, zich over deze ruwe

behandeling te verstoren, fluisterde zij hem in het oor: „Troost u,

gij zijt thans het einde van uw lijden nabij, en zult er den prijs

voor ontvangen. Er blijft u,” vervolgde zij, „nog slechts eene zaak te

doen over, en dat is voor u maar kinderspel. Weet, dat mijne meesteres

wanneer zij een weinig gedronken heeft, zooals thans, zich niet laat

liefkozen door hen, die zij bemint, alvorens zij zich van hunne

bovenkleederen ontdaan hebben. Als zij zich nu in dien toestand

bevinden, dan neemt zij eenige passen op hen vooruit, en loopt voor hen

heen over de galerij van kamer tot kamer, zoolang totdat zij haar

gegrepen hebben. Dit is,” zooals ik zeide, „eene gril, die ingewilligd

moet worden. Voor een' man van uwe gesteldheid, en zoo vlug ter been,

heeft dit echter niets te beteekenen. Hoe vele passen zij ook vooruit

moge nemen, gij zult haar weldra ingehaald en gevangen hebben. Werp dan

uwe boven-kleederen zonder den minsten schroom af.”

Mijn' broeder was te ver gegaan, om thans terug te treden. Hij volgde

den hem gegeven raad, terwijl ook de jonge dame zich van eenige harer

kleederen ontdeed, ten einde te vlugger te kunnen loopen. Toen beiden in

staat waren, om den wedloop te kunnen beginnen, nam de jonge dame een

twintig passen vooruit, en ving haren loop met verbazende snelheid aan.

Mijn broeder liep haar zoo hard achterna, als zijne beenen maar voort

wilden, en dit onder het luid gelach en oorverdoovend handgeklap der

slavinnen. De jonge dame intusschen, in plaats van grond te verliezen,

behaalde nog eenig voordeel op mijn' broeder. Zij liet hem drie à vier

malen de galerij rond loopen, en ijlde toen in eene donkere laan den hof

in, waarna zij verdween. Bakbarah, die altoos volgde, doch haar nu uit

het gezigt verloor, moest wegens de daar heerschende donkerheid zijnen

loop matigen. Hij tastte in den donker rond, doch bemerkte eindelijk in

de verte een licht, en hervatte nu zijnen loop in die rigting. Eene

openstaande deur deed hem denken: „Daar zal zij zijn!” Vol hoop snelt

hij ter deure in, die terstond achter hem wordt toegeworpen. Verbeeld u,

hoe dwaas mijn broeder stond te kijken, als hij zich in plaats van bij

zijne schoone, midden op straat bevond, in de hem wel bekende buurt der

lederbereiders. Deze lieden waren intusschen niet minder verwonderd,

mijn' broeder in zijne onderkleederen in hun midden te zien, met

roodgeschilderde wenkbraauwen, van knevel en baard beroofd. Eenige

jongens begonnen in de handen te klappen, en hem na te schreeuwen;

terwijl anderen hem achterna liepen, en zijn' rug met stukken leder

behingen. Weêr anderen hielden hem zelfs staande, en zetten hem op een'

ezel, dien zij bij toeval ontmoetten; terwijl zij hem door de stad deden

rondrijden, onder het gelach en gejuich van eenen joelenden volkshoop.

Een ongeluk, zegt men, komt zelden alleen; mijn reeds beklagenswaardige

broeder moest dit thans ondervinden. Toen de schreeuwende troep de

woning van een' regter voorbij trok, kwam deze de deur uit, en vroeg

naar de oorzaak van den oploop. De lederbereiders zeiden tot hunne

verschooning: „Wij hebben dezen man, uitgedost zooals gij hem ziet, uit

een poortje zien komen van den harem des groot-viziers, dat in onze

straat uitkomt. Hij zag er zoo vreemd uit, dat wij een loopje met hem

genomen hebben.” „Wij zullen hem die kunsten wel afleeren,” sprak de

regter, en liet aan den ongelukkigen Bakbarah honderd stokslagen geven,

waarna hij hem uit de stad deed brengen, met verbod daar weder in te

komen.

Ziedaar beheerscher der geloovigen,” zeide ik tot den kalif Mostanser

Billah, „de geschiedenis van mijn' tweeden broeder, die ik aan uwe

majesteit wilde verhalen. Bakbarah wist niet, dat de vrouwen van onze

voorname heeren, zich somtijds op deze wijze vermaken met jongelieden,

die dwaas genoeg zijn, zich dus bij den neus te laten nemen. Mij zou zoo

iets niet gebeurd zijn. Laat mij thans de eer hebben,”” vervolgde de

barbier in éénen adem voortsprekende, „„u te zeggen, hoe het mijnen

derden broeder gegaan is.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 10 / 19 题