GESCHIEDENIS VAN DEN EERSTEN BROEDER VAN DEN BARBIER.

„Sire,” zeide ik tot hem, „mijn oudste broeder, die zich Bacbouc noemde,

en die gebogcheld was, werd van zijn vak kleêrmaker. Nadat hij zijne

leerjaren voleindigd had, huurde hij een' winkel tegenover een' molen;

en dadelijk nog weinig werk hebbende, kostte het hem veel moeite van

zijn' arbeid te leven. De molenaar integendeel was welgesteld, en had

eene zeer schoone vrouw. Eens dat mijn broeder in zijnen winkel zat te

werken en naar boven keek, zag hij de vrouw van den molenaar voor het

open raam staan, dat op de straat uitzag. Hij vond haar zoo schoon, dat

hij er geheel door betooverd werd. Wat de molenaarster betreft, zij

sloeg niet de minste acht op mijn' broeder; sloot haar venster en liet

zich den geheelen dag niet meer zien. Intusschen keek de verliefde

snijder onder zijn werk telkens op naar den molen. Hij pikte zich

onderscheidene malen in de vingers, en op de netheid van zijn werk viel

dien dag niet te roemen. Des avonds, toen het tijd werd zijn' winkel

te sluiten, kon hij daartoe bijna niet overgaan, daar hij nog altoos

hoop had, dat de molenaarster aan het raam zou komen. Hij wachtte met

sluiten, totdat het geheel donker werd, en ging toen al zuchtende naar

zijne woning, waar hij den nacht slapeloos doorbragt. Zoodra de dag

aanbrak, stond hij op, en ijlde naar zijne werkplaats; zoo zeer dreef

hem het ongeduld, om zijne schoone te zien. Hij was echter dien dag niet

gelukkiger dan den voorgaande; de molenaarster vertoonde zich slechts

éénmaal aan het raam, en dat maar voor een oogenblik. Doch dat oogenblik

was voldoende, om hem tot den verliefdste van alle mannen te maken. Op

den derden dag had hij reden, beter tevreden te zijn. De molenaarster

liet bij toeval de oogen op hem vallen, en verraste hem, terwijl hij

zijne smachtende blikken op haar gevestigd hield, waardoor zij ontdekte,

wat er in zijn hart omging. In plaats van daarover verstoord te zijn,

besloot zij er zich mede te vermaken, en lachte hem vriendelijk toe.

Mijn broeder zag haar mede lagchend aan, maar met zulk een koddig

gelaat, dat zij ijlings het venster digt wierp, uit vrees van in lagchen

uit te barsten, en alzoo aan mijn' broeder te verraden, dat zij hem

bespottelijk vond. De onnoozele Bacbouc legde echter hare handelwijze in

zijn voordeel uit, en vleide zich, dat zij hem wederliefde toedroeg.

De molenaarster nam dan, zoo als gezegd is, het besluit zich met mijn'

broeder te vermaken. Zij had een stuk zijde liggen, waarvan zij sinds

lang voornemens was, zich een kleed te laten maken. Dit deed zij in

eenen fijnen geborduurden zakdoek, en zond het hem door eene jonge

slavin, welke zij in haren dienst had. De goed onderrigte slavin, kwam

in den winkel van den kleêrmaker. „Mijne meesteres laat u groeten,”

zeide zij, „en verzoekt u van dit stuk zijde een kleed voor haar te

maken, volgens het model van het hier bijgaande. Zij verandert dikwijls

van kleeding, en dit is eene gewoonte, waarover ook gij reden zult

hebben zeer voldaan te zijn.” Mijn broeder twijfelde nu niet meer, of de

molenaarster was verliefd op hem. Hij geloofde, dat zij hem dit werk

zond, met geen ander doel, dan om hem te kennen te geven, dat zij in

zijn hart had gelezen, en hij ook het hare veroverd had. Gestreeld door

deze voor hem gunstige opvatting, belastte hij de slavin aan hare

meesteres te zeggen, dat hij om harentwil al zijn ander werk ter zijde

leggen, en het kleed reeds den volgenden morgen gereed zijn zou. En

inderdaad hij werkte met zoo veel ijver, dat hij het nog dien eigen dag

afmaakte.

Den volgenden morgen kwam de jonge slavin zien, of het kleed gereed was.

Bacbouc stelde het haar ter hand, zeggende: „Ik stel er te veel belang

in, uwe meesteres genoegen te doen, dan dat ik iets zou verzuimd hebben,

haar het werk heden te leveren. Ik wensch door mijne spoedige bediening

haar aan te moedigen, in het vervolg geen' anderen kleêrmaker dan mij

te gebruiken.” De jonge slavin deed een paar schreden achterwaarts,

als wilde zij heengaan, doch plotseling terugkomende, zeide zij tot

hem op fluisterenden toon: „Wacht eens, ik zou haast vergeten mij van

de boodschap te kwijten, die mij is opgedragen. Mijne meesteres heeft

mij belast u hare groete te doen, en te vragen, hoe gij den nacht hebt

doorgebragt. Wat haar aangaat, de arme vrouw bemint u zoo sterk, dat

zij er niet van heeft kunnen slapen.” „Zeg haar,” antwoordde mijn dwaze

broeder met geestdrift, „dat mijne liefde voor haar zoo hevig is, dat ik

reeds sedert vier nachten geen oog heb toegedaan.”

Er was nog geen kwartier uurs verloopen, sedert de slavin mijn' broeder

had verlaten, of hij zag haar terugkomen met een stuk satijn onder den

arm. „Mijne meesteres,” zeide zij, „is zeer tevreden over het door u

gemaakte kleed; het zit haar allerliefst, doch daar het zeer mooi is,

wil zij het niet dragen dan met een' nieuwen onderrok, en zij verzoekt u

van dit stuk satijn er eene te maken.” „Zeer goed,” antwoordde Bacbouc,

„die zal nog heden klaar zijn, vóór dat ik mijn' winkel sluit; gij kunt

ze tegen den avond halen.” De molenaarster liet zich dien dag dikwijls

aan het venster zien, om mijn' broeder bij zijnen arbeid te bemoedigen.

Het was een lust, hem te zien werken, en de onderrok was dan ook weldra

klaar. De jonge slavin kwam dien halen, maar bragt den armen snijder

geen geld, noch voor de gemaakte japon en onderrok, noch voor zijne

gedane verschotten. Intusschen had deze ongelukkige minnaar, met wien

men zich vermaakte, zonder dat hij er iets van merkte, den geheelen dag

nog niet gegeten, en hij moest eenig geld leenen, om zijn avondmaal te

bekostigen. Den volgenden morgen was hij naauwelijks in zijn' winkel, of

de jonge slavin kwam zeggen, dat de molenaar hem verlangde te spreken.

„Mijne meesteres,” voegde zij er bij, „heeft hem zooveel goeds van u

gezegd, dat gij ook voor hem zult werken. Zij heeft dit hoofdzakelijk

gedaan, om u met haren man in kennis te brengen, waarin zij het beste

middel ziet, om uwen en haren wensch naderbij te komen.” Mijn goede

broeder liet zich bepraten, en nam alles voor goede munt aan. Hij ging

zelfs onmiddelijk met de slavin mede, om niet van onverschilligheid

verdacht te worden. De molenaar ontving hem zeer wel, en liet hem een

stuk linnen zien. „Ik heb,” zeide hij, „broeken noodig, zie hier linnen;

ik wensch, dat gij er mij twintig maakt, wat er van overschiet, kunt gij

mij teruggeven.”

Mijn broeder,”” vervolgde de barbier, „„had aan die twintig broeken

voor den molenaar vier à vijf dagen werk, en toen kreeg hij er nog een

stuk stof bij, om even zoo vele hemden te maken. Toen alles gereed was,

ging hij met zijn werk naar den molenaar, die hem vroeg, wat hij hem

schuldig was. Mijn broeder antwoordde, dat hij zich met twintig

zilveren drachmen vergenoegen zou. De molenaar riep oogenblikkelijk de

jonge slavin, en beval haar een goudschaaltje te brengen, om te zien of

de munt het juiste gewigt had. De slavin echter gaf mijn' broeder te

kennen, dat hij door geld aan te nemen, zijne zaak bederven zou. De

sukkel stelde hierin geloof, en weigerde de hem aangeboden betaling,

hoezeer hij daarom ook verlegen was; want reeds had hij geld moeten

leenen om het garen te koopen, dat hij voor de hemden en broeken

gebruiken moest. Toen hij den molen verliet, ging hij naar mijne woning,

en smeekte mij, hem iets te leenen, zeggende, dat hij geene dadelijke

betaling ontving. Ik gaf hem eenige koperen muntstukken, alles wat ik

in mijne beurs vond. Dit deed hem weder eenige dagen voortleven, hoewel

zeer sobertjes.

Op zekeren dag trad mijn broeder bij den molenaar binnen. Deze staakte

terstond zijn werk, en ging heen, om geld te krijgen. Maar de jonge

slavin fluisterde den snijder toe, dat hij zich wel moest wachten, iets

aan te nemen. Mijn broeder deed, zooals hem werd ingeblazen, en zeide,

toen de molenaar terugkwam, dat hij daar niet om gekomen was, maar

alleen om hem een bezoek te brengen. De molenaar bedankte hem voor zijne

oplettendheid, en gaf hem weder een stuk stof, om er een overkleed uit

te maken. Bacbouc bragt het reeds den volgenden morgen terug. Nogmaals

haalde de molenaar zijne beurs voor den dag, maar de jonge slavin zag

mijn' broeder gedurig aan, zoodat deze meende, ook nu weder het geld

te moeten weigeren. „Buurman,” zeide hij tot den molenaar, „daar is

volstrekt geen haast bij, wij zullen later wel afrekenen.” Zoo keerde

deze arme stakkert naar zijn' winkel terug, met drie zware ziekten,

namelijk: verliefd, uitgehongerd, en geen geld in den zak.

De molenaarster was gierig en ondeugend. Zij stelde zich niet tevreden,

mijn' broeder te onthouden, hetgeen zij hem verschuldigd was, maar zette

bovendien haren man aan, wraak te nemen over de voor haar opgevatte

liefde van den ongelukkigen kleêrmaker. Ziehier hoe zij dit aanlegde. De

molenaar liet Bacbouc uitnoodigen, het avondmaal bij hem te gebruiken.

Na hem zoo sober mogelijk onthaald te hebben, zeide hij tot hem:

„Buurman, het is voor u te laat geworden, om naar huis te gaan; blijf

dus van nacht hier.” Zoo voortpratende bragt hij hem op eene plaats,

waar men een bed had gespreid. Hij liet hem daar, en begaf zich met

zijne vrouw naar de kamer, waar zij gewoon waren te slapen. Midden in

den nacht stond de molenaar op, en ging naar mijn' broeder: „Buurman,”

zeide hij, hem aanstootende, „slaapt gij? Mijn ezel is ziek, en ik heb

veel koren te malen; zoudt gij mij niet het genoegen willen doen, in

zijne plaats den molen te draaijen.” Bacbouc, verblijd hem een bewijs

van zijne dienstvaardigheid te kunnen geven, antwoordde, dat hij daartoe

bereid was, en hij hem alleen te onderrigten had, wat hem te doen stond.

Daarop deed de molenaar hem een' touw om den middel, en maakte hem vast,

gelijk hij gewoon was zijnen ezel te doen, als deze in den molen liep.

Toen gaf hij hem een' fikschen zweepslag met de woorden: „Vooruit

buurman, vooruit!” „Wel, waarom slaat gij mij?” vroeg mijn broeder,

een pijnlijk gezigt trekkende. „Dat is alleen, om u aan te moedigen,”

antwoordde de molenaar, „zonder die aansporing wil mijn ezel niet

loopen.” Bacbouc was zeer verwonderd over deze behandeling; zij viel

volstrekt niet in zijn' smaak. Niettemin durfde hij zich daarover niet

beklagen. Nadat hij vijf of zes malen den molen had rond gegaan, wilde

mijn broeder eens rusten; maar de molenaar gaf hem een twaalftal

zweepslagen, die ter dege raak waren, zeggende: „Houd moed, buurman, en

sta niet stil, als ik u verzoeken mag; gij moet loopen zonder ophouden,

anders zoudt gij mijn koren bederven.”

De molenaar dwong mijn' broeder,”” vervolgde de barbier, „„gedurende

het overige van den nacht in den molen te loopen, en telkens als hij

verflaauwde, spoorde zijn kwelgeest hem met vernieuwde zweepslagen aan.

Met het aanbreken van den dag ging de molenaar, zonder mijn' armen

broeder los te maken, naar de kamer zijner vrouw, waar zij zich te zamen

over den ongelukkigen minnaar vrolijk maakten. Bacbouc moest inmiddels

in zijn' lastigen toestand blijven, totdat eindelijk de jonge slavin hem

bevrijdde. „Ach! wat hebben wij u beklaagd, mijne goede meesteres en

ik!” riep zij verraderlijk. „Wij hebben volstrekt geen deel aan deze

ondeugende behandeling.” Bacbouc gaf hierop volstrekt geen antwoord, hij

was daartoe te afgemat, en zijne van de zweepslagen nog gezwollen armen

en beenen bij beurten wrijvende, hompelde hij al steunende naar zijne

woning, waar hij het kloekmoedig besluit nam, niet meer aan de

molenaarster te zullen denken.”

Het verhaal van deze geschiedenis,” vervolgde de barbier, „deed den

kalif lagchen. „Ga,” sprak hij, „naar uw huis; men zal u van mijnentwege

iets geven, waarmede gij u zult kunnen troosten, wegens het gemis van

het onthaal, waarop gij u gespitst hadt, toen gij de tien roovers voor

fatsoenlijke lieden hieldt.” „Beheerscher der geloovigen,” hernam

ik, „ik smeek uwe majesteit mij toe te staan, dat ik niets ontvang,

alvorens haar ook verhaald te hebben de geschiedenissen van mijne andere

broeders.” De kalif toonde mij door zijn stilzwijgen, dat hij gestemd

was, mij aan te hooren, en ik vervolgde op deze wijze.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 9 / 19 题