Onder de regeering van den kalif Mostanser Billah,” vervolgde de
barbier, „een vorst beroemd door zijne milddadigheid jegens de armen,
werden de omstreken van Bagdad onveilig gemaakt door een tiental
roovers, die zich sedert lang aan de stoutste diefstallen en aan
ongehoorde wreedheden schuldig maakten. De kalif, hieraan een einde
willende maken, liet den oppersten regter, eenige dagen vóór dat het
Baïramsfeest inviel, bij zich ontbieden, en gelastte hem, op verbeurte
van zijn leven, alle tien dieven voor hem te brengen.
De regter stelde al het mogelijke in het werk, en bragt zoo veel volk
op de been, dat de tien roovers op den dag zelven van het Baïramsfeest
gevat werden, juist toen ik eene wandeling aan den oever van den Tigris
maakte. Ik zag daar namelijk tien rijk gekleede lieden in eene boot
gaan. Ligtelijk zou ik hen als roovers herkend hebben, indien ik acht
had gegeven op de wachten, die hen vergezelden, maar ik lette daar zoo
weinig op, dat ik tegelijk met hen in de boot stapte, in de hoop op die
wijze eenen genoegelijken dag in hun gezelschap te smaken. Wij voeren
den Tigris af, en men deed ons voor het paleis van den kalif aanleggen.
Nu eerst bemerkte ik, dat ik mij deerlijk bedrogen had. Zoodra wij de
boot verlieten, werden wij door andere wachten omringd; gekneveld en
voor den kalif gebragt. Ik had mij gelijk de anderen laten binden zonder
iets te zeggen; wat zou het mij gebaat hebben, indien ik mij verzet had?
Dit zou den regten weg geweest zijn, om mij door de wachters te doen
mishandelen, die toch niet naar mij zouden geluisterd hebben. Ik bevond
mij onder de roovers, en dit was voldoende, om hun te doen denken, dat
ik er ook een was.
Zoodra wij voor den kalif verschenen, sprak hij het vonnis uit over de
tien booswichten: „Dat men,” zeide hij, „deze tien roovers het hoofd
afsla!” De scherpregter plaatste ons terstond op eene rij binnen het
bereik van zijn zwaard; bij geluk was ik de laatste. Hij sloeg de tien
roovers achtereenvolgens het hoofd af, maar toen de beurt aan mij kwam,
liet hij zijn zwaard zakken. De kalif werd toornig. „Heb ik u niet
bevolen,” sprak hij, „aan tien roovers het hoofd af te slaan? Waarom
doet gij dit slechts aan negen?” „Beheerscher der geloovigen,”
antwoordde de beul, „Allah beware mij, dat ik het bevel van uwe
majesteit niet volvoerd zou hebben. Tien hoofden heb ik afgeslagen, en
er liggen tien ligchamen ter aarde, gij kunt ze doen natellen.” Nadat de
kalif zich nu met eigen oogen overtuigd had, dat de beul waarheid sprak,
zag hij met bevreemding op mij. Mijn uitzigt behaagde hem, hij vond er
niets rooverachtigs in. „Goede grijsaard,” zeide hij tot mij, „door
welk toeval zijt gij onder deze ellendelingen geraakt, die den dood
duizendmalen verdiend hebben?” „Beheerscher der geloovigen,” gaf ik hem
ten antwoord, „ik zal u de volle waarheid doen kennen. Heden morgen zag
ik deze tien roovers, wier teregtstelling de regtvaardigheid van uwe
majesteit op nieuw zoo schoon heeft doen uitblinken, in eene boot gaan.
Ik scheepte mij met hen in, meenende dat het lieden waren, die zich te
zamen gingen vermaken, om dezen grooten feestdag te vieren.” De kalif
kon zich niet onthouden, eens hartelijk om mijne ontmoeting te lagchen,
en in tegenstelling van den jongen kreupele, die mij als een' babbelaar
heeft doen voorkomen, bewonderde hij mijne koelbloedigheid en mijn
voortdurend zwijgen. „Beheerscher der geloovigen,” hernam ik, „het
moet uwe majesteit niet verwonderen, dat ik gezwegen heb, bij eene
gelegenheid, die anderen zou doen praten. Ik heb mij op het zwijgen
bijzonder toegelegd, en het is door deze deugd, dat ik den fraaijen
titel draag van „den zwijger.” Men noemde mij dus, om mij te
onderscheiden van zes broeders, die ik had. Deze stilzwijgendheid is de
vrucht mijner wijsbegeerte; ik stel daar al mijn' roem en mijn hoogste
geluk in.” „Het strekt mij tot een groot genoegen,” zeide de kalif
glimlagchende, „dat men u eenen titel heeft gegeven, waarvan gij een
zoo schoon gebruik weet te maken. Maar zeg mij, welke soort van lieden
waren uwe broeders, stonden zij met u op eene lijn?” „In geenen deele,”
antwoordde ik, „het waren allen babbelaars, de een zoowel als de ander.
Zelfs wat het uiterlijke aangaat, bestond er tusschen hen en mij een
groot verschil; de eerste was gebogcheld, de tweede tandeloos, de derde
blind, de vierde éénoogig, den vijfde waren de ooren afgesneden, en de
zesde had gespleten lippen. Hunne lotgevallen zijn zeer zonderling, en
gij zult daaruit over hunne karakters kunnen oordeelen, indien ik de eer
mag hebben, die aan uwe majesteit te verhalen.” Daar het mij toescheen,
dat den kalif niets aangenamer zou zijn, dan die aan te hooren, ging ik,
zonder op zijn bevel te wachten, aldus voort.