„Sire, een burger dezer stad liet mij gisteren op een feest noodigen,
dat hij aan eenige zijner vrienden wilde geven. Ik ging op het bepaalde
uur derwaarts, en trof er een twintigtal personen aan.
Wij wachtten nog alleen op den gastheer, die voor eene onverwachts
opgekomen zaak was uitgegaan, toen wij hem terug zagen komen, vergezeld
door een nog jeugdig vreemdeling, van een goed uitzigt, maar sterk
mank gaande. Wij stonden op en noodigden, om onzen gastheer, naar wij
dachten, genoegen te geven, den jongen vreemdeling uit, zich bij ons op
de sofa neder te zetten. Gereed om hieraan te voldoen, viel zijn oog op
een' barbier die zich in ons gezelschap bevond, waarop hij dadelijk
terugtrad, en zich wilde verwijderen. De gastheer vond dit zeer vreemd,
hield hem tegen, en zeide: „Waar wilt gij heen? Ik nam u met mij, opdat
gij mij de eer zoudt aandoen deel te nemen aan dit vriendenfeest, en
naauwelijks hebt gij den voet in mijne woning gezet, of gij wilt u
verwijderen?” „Heer,” antwoordde de jonge man, „ik smeek u mij dit
niet euvel te duiden, en mij toe te staan, dat ik vertrek. Ik kan den
hatelijken barbier daar onder mijne oogen niet dulden; ofschoon geboren
in een land waar de menschen blank zijn, heeft hij het uitzigt van een'
Ethiopiër, en zijne ziel is nog zwarter en afzigterlijker dan zijn
gelaat.”
Wij waren allen verwonderd over eene beschuldiging zoo regt op den man
aan, en ofschoon wij niet wisten, waarop die gegrond was, nam ons zulks
echter zeer tegen den barbier in. Wij verklaarden zelfs niet aan tafel
te willen zitten met iemand, die ons zoo ongunstig werd afgeschilderd,
en zich dit zoetsappig liet aanleunen. De gastheer verzocht inmiddels
den jongen man, van hem te mogen weten, wat hij tegen den barbier had.
„Zoo verneem dan, mijne heeren,” zeide de jonge vreemdeling, „dat
die verwenschte barbier oorzaak mijner kreupelheid is, en dat hij mij
in eene verlegenheid heeft gebragt, waarbij ik mijn leven ligtelijk
had kunnen verliezen. Daarom heb ik gezworen, mij nimmer met hem in
gezelschap te zullen bevinden, en zelfs de stad te verlaten, waar hij
zijn verblijf houdt! Dit noopte mij uit Bagdad te gaan, waar ik hem
achterliet. Om mij te zekerder en voor altoos van hem te bevrijden, deed
ik eene zeer lange reis en zette mij in deze stad, midden in Tartarijë,
neder. Geheel tegen mijne verwachting is hij echter een der eersten,
die mij hier voor de oogen komt, en dit verpligt mij, mijne heeren, het
genoegen te missen, in uw gezelschap te blijven. Ik heb vast besloten,
deze stad nog heden te verlaten, en elders eene wijkplaats te zoeken,
waar ik hoop van het zoo gehate barbiersgezigt bevrijd te zullen
blijven.” Dit zeggende wilde de vreemdeling vertrekken, maar de gastheer
hield hem andermaal terug, verzocht hem te blijven, en ons mede te
deelen, waardoor zijn groote afkeer van den barbier was ontstaan.
Gedurende dit geheele gesprek hield de barbier de oogen ter aarde
geslagen en bewaarde het stilzwijgen, alsof hem de zaak niet aanging.
Wij inmiddels voegden onze beden bij die van den heer des huizes. De
jonge man, eindelijk voor onzen aandrang zwichtende, zette zich op de
sofa, terwijl hij den barbier den rug toedraaide, en verhaalde ons het
volgende.
„Mijn vader woonde te Bagdad en behoorde tot eenen stand, die hem
aanspraak gaf naar de eerste staatsambten te dingen. Hij stelde echter
meer prijs op een rustig leven, dan op aanzien en vorstengunst. Ik was
zijn eenig kind. Hij liet mij bij zijn overlijden zeer vele goederen na,
en hoewel de jongelingsjaren pas ontwassen, was ik verstandig genoeg de
erfenis mijns vaders niet te verspillen. Ik maakte daarvan zulk een
gebruik, dat ik mij de achting verwierf van alle weldenkende lieden.
Op mijn twintigste jaar wist ik nog niet bij ondervinding, wat
liefde was. Ik geloofde zelfs daarvoor ongevoelig te zijn, en was
nog zoo kinderachtig, het gezelschap der schoonen zoo veel mogelijk
te vermijden. Op zekeren dag, dat ik mij op straat bevond, zag ik
verscheidene jonge meisjes naderen, en sloeg, om haar te ontwijken,
een zijstraatje in, waar ik mij op eene bank voor de deur eener woning
nederzette. Ik had hier het gezigt op een venster tegenover mij,
waarheen mijne aandacht werd getrokken door eene aldaar prijkende vaas
met zeer zeldzame bloemen. Terwijl ik de bloemen bewonderde, werd het
venster geopend door eene jonge dame van betooverende schoonheid. Zij
sloeg eenen blik op mij, voorzag de bloemen van water en wierp mij een'
vriendelijken groet toe. Ik kon de oogen niet van haar afwenden, en
toen zij, vóór het venster te sluiten, mij nog eenen vriendelijken blik
verwaardigde, was ik geheel genezen van mijnen afkeer van de vrouwen, en
zoo verliefd als het maar zijn kan.
Nog lang nadat mijne schoone verdwenen was, zat ik naar haar venster te
turen, en zou daar misschien nog een uur gezeten hebben, indien niet
een gerucht van komende menschen mij in mijne verliefde droomerijen
had gestoord. Ik wendde het hoofd om, en opstaande, zag ik dat het de
eerste kadi der stad was, die op een' muilezel gezeten en vergezeld door
vijf of zes van zijne dienaren naderde. Hij steeg voor de deur van het
huis af, waar ik de schoone jonge dame aan het venster had gezien, en
ging naar binnen, hetgeen mij deed denken dat hij haar vader was.
Bij mijne tehuiskomst bevond ik mij in eene zeer vreemde stemming; mijn
bloed was zoo zeer in beweging geraakt, dat eene hevige koorts zich van
mij meester maakte, en ik mij te bed moest begeven. Mijne bedienden
waren deswegens zeer ontsteld. Zij liepen naar mijne bloedverwanten,
die mij onverwijld kwamen opzoeken, en het mij zeer lastig maakten
met vragen naar de oorzaak van mijne ongesteldheid, die ik mij wel
wachtte hun mede te deelen. Mijne achterhoudendheid vermeerderde hunne
ongerustheid over mijne ziekte, die de geneesheeren niet konden meester
worden; want de geneesmiddelen, welke zij mij toedienden, maakten mij
zieker in plaats van beter. Reeds begon men voor mijn leven te vreezen,
toen eene bejaarde dame, die men van mijne ziekte onderrigt had, mij een
bezoek bragt. Zij sloeg mij met aandacht gade, en na een naauwkeurig
onderzoek, scheen zij, ik weet niet op welke wijze, de oorzaak van mijne
ongesteldheid te raden. Zij verzocht mijne bloedverwanten haar met mij
alleen te laten, en de bedienden te verwijderen.
Nadat allen het vertrek verlaten hadden, zette zij zich bij mijn rustbed
neder. „Mijn zoon,” sprak zij tot mij, „gij hebt tot heden de oorzaak
van uwe kwaal halstarrig trachten te verbergen, maar ik heb niet noodig,
dat gij mij die zegt. Ik heb ondervinding genoeg om uw geheim te
doorgronden, en gij zult mij niet tegenspreken, indien ik u zeg, dat
het de liefde is, die u ziek maakt. Ik kan u echter tevens genezing
aanbrengen, mits gij mij het meisje doet kennen, dat uwe algemeen
bekende ongevoeligheid aldus deed ophouden.”
De bejaarde dame hield hier op met spreken, en scheen op mijn antwoord
te wachten, maar ofschoon zij een' gunstigen indruk op mij maakte,
durfde ik haar echter de oorzaak van mijn leed niet blootleggen. Ik
bleef haar al zuchtende zwijgend aanzien. „Is het valsche schaamte of
wantrouwen in mij,” hernam zij, „die u weêrhoudt te spreken? Twijfel
niet aan de waarheid van hetgeen ik u heb toegezegd. Ik zou u onder uwe
bekenden meer dan een' kunnen noemen, die zich in uwen toestand bevond,
en die aan mij zijn tegenwoordig geluk verschuldigd is.”
Op deze wijze wist de goede dame mij eindelijk te bewegen, een
hardnekkig stilzwijgen te laten varen, mijnen hartstogt te bekennen,
haar alles mede te deelen, wat daarmede in betrekking stond, en van
hetgeen mij bejegend was, niets te verzwijgen. „Indien gij slaagt,”
zeide ik tot haar, „en mij het geluk verschaft, die lieve schoone te
zien en haar te kunnen spreken over mijne liefde, zoo kunt gij staat
maken op mijne erkentelijkheid.” „Mijn zoon,” antwoordde zij, „ik ken
die jonge schoone van wie gij mij spreekt, zeer goed; zij is inderdaad,
zoo als gij vermoedt, de dochter van den kadi, en zijn eenig kind. Het
verwondert mij niet, dat gij op haar verliefd zijt geworden, zij is de
schoonste en beminnelijkste jonge dame van geheel Bagdad; maar zij is
tevens zeer koud en daardoor moeijelijk te genaken. Gij weet tevens dat
onze regters zeer streng de harde wetten, die onze vrouwen in eenen
lastigen dwang houden, toepassen. Waar het hunne eigene vrouwen of
dochters geldt, doen zij dit nog meer, en de kadi is in dit opzigt de
gestrengste van al zijne ambtgenooten. Daar zij hunne dochters steeds
voorhouden, dat het eene groote misdaad is, zich aan een' man te laten
zien, zijn de meesten zoo bevreesd, dat zij, over straat gaande, slechts
oogen schijnen te hebben, om zich niet aan de steenen te stooten. Ik
weet niet of dit ook het geval is met de dochter van den eersten kadi,
maar toch vrees ik groote moeijelijkheden te zullen ondervinden, zoowel
van haren kant, als bij haren vader. Mogt het Allah behaagd hebben,
dat uw oog op eene andere dame ware gevallen! Ik zou dan met zoo
vele hinderpalen niet te kampen hebben. Intusschen wil ik al mijne
bekwaamheid in het werk stellen, maar gij moet geduld hebben, want dit
zal hier niet het werk van éénen dag zijn. Houdt inmiddels goeden moed,
en vertrouw op mij.”
De oude dame liet mij vervolgens alleen, en mij al de zwarigheden voor
den geest halende, welke zij mij had opgesomd, deed de vrees, dat zij
niet in hare onderneming zoude slagen, mijne ongesteldheid eer toe dan
afnemen. Zij kwam des anderen morgens terug, en ik las op haar gelaat,
dat zij mij niet veel gunstigs te berigten had. Zoo was het ook. „Mijn
zoon,” zeide zij, „ik heb mij niet bedrogen: ik heb geheel iets anders
te bestrijden gevonden, dan de waakzaamheid van eenen vader; gij bemint
een ongevoelig wezen, dat er behagen in schept de mannen verliefd te
maken op hare bekoorlijkheden, zonder hun de minste gunst toe te staan.
Zij hoorde mij met blijkbaar vermaak, zoo lang ik slechts van uw lijden
sprak; maar zoodra had ik niet gerept van uwen wensch, om haar te zien
en te spreken, of zij wierp mij een' vertoornden blik toe, en zeide:
„Gij zijt wel onbeschaamd, mij zulk een voorstel te doen. Indien gij mij
immer weder met iets dergelijks aankomt, zal mijne woning voor altoos
voor u gesloten zijn.”
Dat dit,” vervolgde de bejaarde dame, „u echter niet te zeer bedroeve;
ik laat mij zoo spoedig niet afschrikken. Indien gij slechts geduld wilt
nemen, zoo wanhoop ik geenzins, ook deze moeijelijke zaak tot een goed
einde te brengen.”
De goede oude dame wendde vervolgens nog verscheidene pogingen aan,
zonder het voorwerp mijner liefde gunstig voor mij te kunnen doen
stemmen. De droefheid hierover deed mijne kwaal zoo zeer toenemen, dat
de doctor mij opgaf. Ik werd dus reeds aangemerkt als iemand den dood
nabij, toen de oude mij het leven kwam teruggeven.
Opdat niemand het zou hooren, naderde zij mijn bed, en fluisterde mij op
eene geheimzinnige wijze in het oor: „Denk aan het geschenk, dat gij mij
moet geven voor het goede nieuws dat ik u breng.” Deze woorden bragten
een wonder te weeg. Ik ging terstond overeind zitten, en antwoordde haar
met geestvervoering: „Het geschenk zal niet achterblijven, wat hebt gij
mij voor goeds te zeggen?” „Mijn lieve heer,” antwoordde zij, „gij zult
niet sterven, en ik hoop u weldra gezond te zien. Hoor slechts, gij zult
over mij tevreden zijn. Gisteren middag bezocht ik nogmaals de dochter
van den kadi, en trof haar in eene zeer goede stemming. Daarmede meende
ik mijn voordeel te moeten doen. Ik zette een zeer treurig gezigt,
zuchtte diep, terwijl de tranen mij langs de wangen liepen. „Wat
scheelt u, mijne goede moeder?” vroeg zij. „Helaas! mijne lieve dame,”
antwoordde ik, „ik was zoo even bij den jongen man, van wien ik u
vroeger reeds gesproken heb; het is met hem gedaan, hij sterft van
liefde voor u, uwe hardheid gaat waarlijk te ver.” „Ik begrijp niet,”
hernam zij, „waarom gij wilt dat ik oorzaak van zijnen dood zou zijn.
Hoe kan ik daartoe iets hebben bijgedragen?” „Dat is nu een vraag!” gaf
ik ten antwoord, „heb ik u niet vroeger reeds gezegd, dat hij zich
tegenover uw raam bevond, toen gij dit opendet, om uwe bloemen te
begieten? Hij zag uwe schoonheid en de bekoorlijkheden, welke uw spiegel
u dagelijks voorhouden. Van dat oogenblik af kwijnt hij, en zijne ziekte
is sedert zoo toegenomen, dat hij thans op sterven ligt.
Gij zult u nog wel herinneren, mejufvrouw,” vervolgde ik na een kort
stilzwijgen, „hoe hard gij mij hebt bejegend, als ik u van zijne
liefde sprak, en u het voorstel deed om hem uit zijn' gevaarlijken
toestand te redden. Toen ik met die treurige boodschap bij hem kwam, dat
gij niets van hem wildet weten en uw hart voor het mededoogen gesloten
was, nam zijne ziekte hand over hand toe, en van dat oogenblik af
verkeert zijn leven in gevaar, en ik weet zelfs niet, of hij nog te
helpen zou zijn, indien gij medelijden met hem wildet hebben.”
Ziedaar, wat ik haar zeide,” vervolgde de oude vrouw. „De vrees, de
oorzaak van uwen dood te zullen zijn, bragt haar aan het wankelen, zij
werd bleek. „Is het wel alles waar,” hernam zij, „wat gij mij daar zegt?
Is hij werkelijk alleen ziek uit liefde tot mij?” „Ach, mejufvrouw,”
antwoordde ik „het is maar al te waar; de hemel gave, dat het anders
ware!” „En gelooft gij,” hernam zij, „dat de hoop mij te zien en te
spreken, zou kunnen bijdragen, om hem uit dien gevaarlijken toestand te
redden?” „Misschien wel,” antwoordde ik, „en indien gij het mij gelast,
zoo wil ik deze genezing beproeven.” „Welnu” zeide zij zuchtende, „geef
hem dan hoop, dat hij mij zien en spreken zal; maar voeg er bij, dat hij
op geene verdere gunsten te rekenen heeft, tenzij hij naar mijne hand
wil dingen, en mijn vader zijne toestemming tot ons huwelijk geeft.”
„Mejufvrouw!” riep ik uit, „gij zijt bijzonder goed; ik ga den jongen
man dadelijk opzoeken en hem zeggen, dat hij de vreugde zal smaken, een
onderhoud met u te hebben. Wanneer wilt gij zulks?” „Ik weet daartoe
geen' beteren tijd,” zeide zij, „dan aanstaanden Vrijdag onder het
middaggebed. Laat hij dan toezien, wanneer mijn vader uitgaat, om zich
naar de moskee te begeven, en zoodra deze de straat uit zal zijn, zich
onder mijn venster vertoonen; ik zelve zal dan afkomen, om hem de deur
te openen. Wij kunnen dan zamen spreken, maar hij moet zich verwijderen,
vóór dat mijn vader te huis komt. Is hij echter Vrijdag nog te ziek, dan
zullen wij een' later uur bepalen.”
Wij hebben heden Dingsdag,” ging de oude voort, „gij hebt dus tot
Vrijdag tijd, om uwe krachten te herstellen.” Naarmate zij met spreken
voortging, voelde ik mijne krachten toenemen, en toen zij geëindigd had,
was ik van mijne ziekte genezen. „Neem dit,” zeide ik, haar eene goed
gevulde beurs gevende, „gij hebt mij genezen, en daarom geloof ik dit
geld beter besteed, dan hetgeen ik aan den geneesheer heb moeten geven,
die mij gedurende mijne ziekte slechts geplaagd heeft.”
Nadat de oude dame vertrokken was, gevoelde ik mij sterk genoeg, om het
bed te verlaten. Ik stond op, en overtuigde mijne bloedverwanten van
mijne geheele herstelling.
Des Vrijdags morgens, terwijl ik bezig was mijn beste kleed aan te
trekken, kwam de oude dame mij bezoeken. „Ik behoef, naar hetgeen ik
hier zie,” zeide zij, „niet te vragen, hoe het u gaat, maar wilt gij
alvorens naar de dochter van den kadi te gaan, niet een bad nemen?”
„Dat zou mij te veel tijd rooven,” gaf ik ten antwoord, „ik zal alleen
een' barbier laten komen, om mij het haar te knippen en den baard te
scheren.” Te gelijker tijd gaf ik aan een' van mijne slaven last, een'
bekwamen barbier te gaan opzoeken.
De slaaf bragt mij den misselijken vent, dien gij hier ziet. Hij groette
mij en zeide: „Heer, aan uw gelaat te zien, zou ik denken dat gij niet
wel waart.” Ik antwoordde, dat ik ziek geweest was. „Ik wensch,” hernam
hij, „dat Allah u voortaan van alle kwalen mag bevrijden, en dat zijne
gunst u bijblijve al uwe levensdagen.” „En ik hoop,” antwoordde ik, „dat
uw wensch vervuld mag worden.” „Daar gij herstellende zijt,” ging hij
voort, „zoo zal ik Allah bidden, dat gij geheel moogt beteren. Zeg mij
thans, wat er van uwe dienst is, ik heb mijne scheermessen en lancetten
mede gebragt; wilt gij, dat ik u zal scheren of aderlaten?” „Ik heb u
reeds gezegd,” hernam ik, „dat ik ziek ben geweest; gij kunt dus wel
denken, dat ik u alleen noodig heb, om mij te scheren; haast u dan, en
laat ons geen' tijd verliezen met praten, want mijne oogenblikken zijn
mij kostbaar; men wacht mij tegen het middaguur.”
De barbier maakte veel tijd zoek met zijn' scheerzak te openen en zijne
messen aan te zetten; en in plaats van water in het bekken te doen,
haalde hij uit zijn' scheerzak een astrolabium te voorschijn, ging de
kamer uit naar het voorhof, waar hij met deftigen ernst de hoogte der
zon ging opnemen. Hij kwam met den zelfden langzamen tred terug, en
zeide bij het binnen treden: „Gij zult blijde zijn, mijnheer, van mij te
vernemen, dat wij heden den 18en Vrijdag van de maand Safar hebben, in
het 653e jaar sedert de vlugt van onzen grooten Profeet van Mekka naar
Medina, en in het 7320e van den grooten Iskender met twee horens;
terwijl de vereeniging van Mars en Mercurius beteekent, dat gij geen
gelukkiger oogenblik, dan het tegenwoordige zoudt kunnen uitkiezen,
om den baard te laten afnemen. Maar van den anderen kant is deze
vereeniging der beide planeten Mars en Mercurius voor u een slecht
voorteeken; zij onderrigt mij, dat u op dezen dag een groot gevaar boven
het hoofd hangt. Niet dat uw leven daarbij bedreigd wordt, maar het
geldt hier eene verminking, die u tot aan het graf zal bijblijven.
Gij moet mij alzoo ten hoogste verpligt zijn voor mijne waarschuwing,
waardoor gij u in acht kunt nemen tegen een ongeluk, dat mij groot leed
zou doen, indien het u overkwam.”
Gij kunt oordeelen, mijne heeren, over mijnen spijt, in de handen
gevallen te zijn van zulk eenen praatzuchtigen en onbeschaamden barbier!
Welk knellend tijdverlies voor een' minnaar, die zich gereed maakt,
zijne geliefde te bezoeken! Ik was buiten mij zelven van kwaadheid. „Wat
gaan mij,” riep ik in toorn uit, „uwe waarschuwingen en voorspellingen
aan! Ik heb u niet laten roepen, om sterrekundige waarnemingen te doen,
maar om mij den baard af te nemen; scheer mij dus, of ga van hier, en
ik zal een' ander laten komen.”
„Heer,” gaf hij ten antwoord met eene kalme bedaardheid, om mij het
geduld nog meer te doen verliezen, „welke reden hebt gij, om u boos te
maken? Weet gij wel, dat niet alle barbiers aan mij gelijk zijn, en dat
gij, om er zoo eene te vinden, hem eerst zoudt moeten maken. Gij hebt
slechts naar een' barbier gevraagd, en in mij hebt gij gevonden den
besten barbier uit geheel Bagdad, een' geneesheer, die ondervinding
heeft en zijn vak verstaat, een' chimist, die in de diepste geheimen
der scheikunde is doorgedrongen, een' sterrekundige die zich nog nooit
in zijne berekeningen bedrogen heeft; een' taalkundige zonder weêrga,
een' volmaakten rhetoricus, een' spitsvindigen redekunstenaar, een'
mathematicus volleerd in de meetkunde en in de moeijelijkste stellingen
der algebra, een' geschiedschrijver, die bekend is met de geschiedenis
van alle koningrijken en volken der aarde! Bovendien ben ik te huis in
alle vertakkingen der wijsbegeerte; onze wetten en overleveringen staan
in mijn geheugen geschreven als in een boek, er ontbreekt niets aan. Ik
ben dichter, bouwkundige, maar wat is er, dat ik niet ben? Er is niets
in de natuur, dat voor mij verborgen is. Wijlen mijnheer uw vader, aan
wien ik niet kan denken, zonder tranen te storten, als een offer aan
zijne nagedachtenis, was overtuigd van mijne verdiensten; hij beminde
mij, bewees mij alle vriendschap, en waar hij zich in gezelschap bevond,
daar sprak hij van mij als van den grootsten man, die ooit onder den
hemel leefde. En ik wil, uit dankbaarheid en uit liefde voor hem, mij
aan u verbinden, u onder mijne bescherming nemen, en u behoeden voor al
de ongelukken, waarmede de sterren u mogen bedreigen.”
Bij dit gesprek kon ik, niettegenstaande mijnen toorn, mij niet van
lagchen onthouden. „Zijt gij nu haast ten einde, onophoudelijke
babbelaar!” riep ik uit, „en zal het u nu behagen mij te scheren?”
„Heer,” hernam hij, „gij hebt ongelijk, mij een' babbelaar te noemen;
ieder, die mij kent, geeft mij integendeel den eervollen titel van den
zwijger. Ik heb zes broeders gehad, die gij met regt babbelaars hadt
kunnen noemen. Om u eenigzins met hen bekend te maken, zoo weet, dat de
oudste werd genaamd Bacbouc, de tweede Bakbarah, de derde Bakbac, de
vierde Alcouz, de vijfde Alnaschar en de zesde Schacabac. Dat waren
allen lastige praters, maar ik, die hun jongste broeder ben, ik ben
ernstig en beknopt in mijne gesprekken.”
Ik bid u, mijne heeren, stelt u voor een oogenblik in mijne plaats, wat
moest ik doen, om ontslagen te worden van een' mensch, door wien ik mij
aldus op de folterbank zag gebragt? „Geef hem drie goudstukken,” zeide
ik tot een' mijner slaven, die met de uitgaven van mijn huis belast was,
„opdat hij heenga, en mij met rust late; ik wil heden niet geschoren
worden.” „Mag ik u vragen, heer, hoe gij dat verstaat?” hernam de
barbier, „ik heb u niet opgezocht, maar gij hebt mij hier laten
ontbieden; en dit zoo zijnde, zoo zweer ik u bij mijn geloof als
Muzelman, dat ik uw huis niet zal verlaten, alvorens u geschoren te
hebben. Dat gij mijne verdiensten niet kent, kan ik niet helpen. Wijlen
mijnheer uw vader liet mij beter regt wedervaren; zoo menigmaal als hij
mij deed roepen, moest ik naast hem gaan zitten, en het was dan een
vermaak aan te hooren, welke schoone zaken ik hem vertelde. Ik wist hem
in eene voortdurende verwondering te houden, ik nam hem geheel in, en
wanneer ik geëindigd had, „O!” riep hij dan uit, „uw hoofd is eene
onuitputtelijke bron van wetenschappen! Er is geen mensch op de wereld,
die bij u in diepte van kennis halen kan.” „Mijn goede heer,” antwoordde
ik dikwijls, „gij doet mij meer eer aan, dan ik verdien. Heb ik iets
schoons gezegd, ik ben dat verschuldigd aan het goedgunstige gehoor, dat
gij mij geeft; het zijn uwe goedheden, die mij de schrandere denkbeelden
ingeven, waarmede ik de eer heb, u te behagen.” Op zekeren tijd, dat uw
vader geheel in verrukking was, over het bewonderenswaardige gesprek,
dat ik tot hem gevoerd had, riep hij uit: „Dat men hem honderd stukken
goud geve, en hem omkleede met mijn beste kleed.” Ik ontving deze
geschenken gaarne, en trok dadelijk zijn' horoscoop, die ik bevond zeer
gelukkig te zijn.”
Denkt echter niet mijne heeren,” vervolgde de jonge kreupele van Bagdad,
„dat de barbier het daarbij liet, neen, hij knoopte nu een ander gesprek
aan, dat meer dan een half uur duurde. Vermoeid van hem aan te hooren,
en ontevreden, dat de tijd inmiddels voorbij ging, zonder dat ik iets
verder kwam, wist ik bijna niet meer, wat tegen dezen grooten kwelgeest
te moeten zeggen. „Neen,” riep ik eindelijk uit, „het is niet mogelijk,
dat er een tweede mensch op aarde gevonden wordt als gij, die er vermaak
in schept, de lieden dol te maken.” Daar echter ook dit niet hielp,
besloot ik te beproeven, of ik misschien met zachtheid bij hem verder
zou komen, dan door mijn ongenoegen te laten blijken. „In naam van den
grooten Profeet, bid ik u,” sprak ik tot hem, „uwe schoone gesprekken
achterwege te laten, en mij spoedig te helpen; eene belangrijke zaak,
gelijk ik u reeds gezegd heb, vereischt mijne tegenwoordigheid elders.”
Op dit mijn zeggen, begon hij te lagchen. „Het zou zeer lofwaardig
zijn,” sprak hij, „indien wij onzen geest altijd meester bleven, en
immer wijs en voorzigtig waren; ik wil echter aannemen, dat uw toorn
jegens mij meer de schuld van uwe ziekte, dan van uwe inborst is. In
dezen toestand hebt gij echter behoefte aan eene goede leiding, en gij
kunt niet beter doen, dan het voetspoor drukken van uwen vader en
grootvader; zij kwamen mij spreken in alle gewigtige zaken, en ik kan
zonder grootspraak zeggen, dat zij zich bij mijne raadgevingen steeds
zeer wel bevonden. Gij moogt daaruit leeren, dat men, om in eene
moeijelijke onderneming wel te slagen, den raad van lieden moet vragen,
die kennis van zaken bezitten en ondervinding hebben. Het spreekwoord
zegt niet te vergeefs: Wie verstandig wil wezen, moet den raad van een'
verstandig mensch inroepen. En wat mij betreft, ik ben hierin geheel tot
uwen dienst, gij hebt slechts te spreken.” „Kan ik dan niet van u
verkrijgen,” viel ik ongeduldig in, „dat gij die lange gesprekken
achterwege laat, die geene andere uitwerking hebben, dan mij het hoofd
te vermoeijen, en die mij beletten te gaan, waar mijne zaken mij roepen?
Scheer mij toch, of vertrek!” Dit zeggende stond ik vol spijt op, en
trapte met den voet op den grond, dat de vloer dreunde.
Toen mijn kwelgeest zag, dat ik in ernst kwaad was, zeide hij: „Maak u
niet boos: wij zullen een begin maken.” Werkelijk ligtte hij mijn hoofd
op, en ving aan met scheren. Maar naauwelijks had hij vier streken met
het scheermes gedaan, toen hij ophield, om tot mij te zeggen: „Heer, gij
zijt opvliegend, gij moet die ondeugd, die alleen het werk des duivels
is, bedwingen. Ik verdien, dat gij eerbied voor mij hebt, uithoofde van
mijne jaren, mijne veelzijdige kennis en mijne uitstekende deugden, die
. . . . . . .”
„Ga voort mij te scheren,” viel ik andermaal luide in, „en spreek geen
woord meer!” „Dat wil zoo veel zeggen,” hernam de barbier, „als dat gij
eene dringende zaak hebt te verrigten, ik wil wedden, dat ik mij niet
vergist heb.” „Reeds twee uur geleden,” antwoordde ik met drift, „heb
ik u dit gezegd, waarom maakt gij dan niet voort.” „Matig uwe haast,”
hernam hij, „misschien hebt gij de zaak nog niet rijpelijk overwogen,
die gij te verrigten hebt, en wat men met overhaasting doet, heeft
bijna altoos berouw ten gevolge. Gij zoudt beter doen, mij te vertellen
welke zaak u dus dringt, dan kan ik er mijn gevoelen over zeggen.
Overigens hebt gij nog drie uur tijd, daar men u eerst tegen den middag
verwacht.” „Ik behoef mij daaraan niet te binden,” zeide ik tot hem,
„mannen van eer en woord zorgen vóór den bepaalden tijd ter plaatse te
zijn, ten einde niet welligt op zich te laten wachten. Maar door aldus
met u te redeneren, zou ik gevaar loopen zelf een babbelachtige barbier
te worden; ik zwijg dus, en verzoek u, mij spoedig verder te scheren.”
Hoe meer haast ik aan den dag legde, hoe minder spoed hij maakte. Hij
legde zijn scheermes neêr, om zijn astrolabium te krijgen, dan had hij
het eene, dan het andere in de handen, tot dat hij eindelijk weder met
zijn astrolabium in de hand naar buiten ging, om den juisten tijd van
den dag op te nemen, terwijl hij mij half geschoren zitten liet. „Heer,”
zeide hij, terug komende, „het is nog drie uur vóór den middag, ik ben
daar zeker van, of alle regelen der sterrekunde moeten falen.” „Geregte
hemel!” riep ik uit, „mijn geduld is ten einde, ik kan mij niet langer
inhouden. Verwenschte barbier, wat let mij u te verwurgen!” „Zacht wat,
zacht wat!” zeide hij met de grootste koelbloedigheid, zonder zich aan
mijne oploopendheid te storen, „vergeet niet, dat gij ziek zijt geweest.
Maak u niet driftig, gij zult binnen een oogenblik geholpen zijn.” Dit
zeggende borg hij het astrolabium in zijn barbierskoker, vatte zijn
scheermes op, dat hij eenige malen over den scheerriem streek, en ving
weder aan mij te scheren; maar onder de hand kon hij toch het praten
niet nalaten. „Indien gij mij wildet zeggen,” sprak hij, „welke zaak gij
dezen middag te verrigten hebt, ik zou u een' goeden raad geven, waarbij
gij u wel zult bevinden.” Om hem tevreden te stellen, gaf ik voor, dat
mijne vrienden mij dien middag verwachtten op een feestmaal, dat zij ter
eere van mijne herstelling aanrigtten.
Zoodra de barbier van een feestmaal hoorde spreken, riep hij eensklaps
uit: „Dat Allah u zegene, nu en eene lengte van dagen! Gij herinnert
mij daar, dat ik vier of vijf van mijne vrienden heb uitgenoodigd, om
dezen middag bij mij te komen eten. Dit was mij geheel door het hoofd
gegaan; zoodat ik nog volstrekt geene toebereidselen tot hunne ontvangst
gemaakt heb.” „Laat u dit niet verlegen maken,” zeide ik, „hoewel ik
dezen middag buitenshuis ga eten, is mijn provisiekamer echter goed
voorzien, en al wat zij bevat, is geheel tot uwen dienst. In mijn'
kelder heb ik voortreffelijken wijn, waarvan ik u zal doen geven, zoo
veel als gij verlangen zult; alleen haast u nu, mij verder te scheren;
bedenk, dat ik u deze geschenken niet geef zooals mijn vader, om u te
hooren spreken, ik geef ze om u te doen zwijgen.”
Hij scheen aan mijn woord alleen echter niet genoeg te hebben. „Allah
zal u vergelden!” riep hij uit, „al het goede dat gij mij bewijst; maar
toon mij dadelijk dien voorraad, opdat ik zal kunnen zien, of er genoeg
is om mijne vrienden te onthalen; want ik wil, dat zij over mij tevreden
zullen zijn.” „Er is,” zeide ik, „een lam, er zijn zes kalkoenen, een
dozijn kuikens, en genoeg om voor het eerste geregt vier vleeschschotels
toe te bereiden.” Een' mijner slaven beval ik, dit alles binnen te
brengen, en daarbij vier groote kruiken wijn te voegen. „Dat zal wel
genoeg zijn,” hernam de barbier, „maar de vruchten en de kruiden, om bij
het vleesch te gebruiken, ontbreken.” Ik liet hem ook deze nog geven.
Zoodra was dit niet gedaan, of hij hield op, mij te scheren, ten einde
alles stuk voor stuk na te zien, en daar dit onderzoek bijna een half
uur duurde, begon ik te vloeken en hem te verwenschen. Maar hoe meer
leven ik maakte, hoe minder hij zich haastte. Eindelijk echter nam
hij het scheermes weder in handen, en schoor mij gedurende een paar
seconden. Toen hield hij plotseling nogmaals op. „Ik had nooit durven
denken, heer,” zeide hij, „dat gij zoo mild waart, thans echter zie ik,
dat uw vader in zijn' zoon herleeft. Zeker ik verdien de goedheden
niet, waarmede gij mij overlaadt, en ik beloof, er u eeuwig dankbaar
voor te zullen zijn. Want, waarom dit voor u te verbergen; ik bezit
niets, dan hetgeen ik van edelmoedige menschen, gelijk gij zijt, ten
geschenke krijg. Ik sta gelijk met Zoutout, die de badgasten moet
wrijven; met Sali, die met geroosterde graauwe erwten door de straten
van Bagdad te koop loopt; met Salouz, die boonen verkoopt; met Akerska,
die in groenten handelt; met Abou-Mehares, die de straten besproeit, om
het stuiven te voorkomen, en met Cassem, die tot de wacht van den kalif
behoort. Geen dezer lieden is droefgeestig; zij zijn noch ligtgeraakt,
noch twistzoekend, en beter tevreden met hun lot, dan de kalif in al
zijn' rijkdom en overvloed. Altoos zijn zij opgeruimd en liefhebbers
van zang en dans. Ieder hunner heeft zijne eigene zangwijze, en eene
bijzondere soort van dans, waarmede zij de inwoners van Bagdad weten te
vermaken. Maar wat ik in hen boven alles moet prijzen, zij zijn geene
groote praters, evenmin als uw slaaf, die de eer heeft tot u te spreken.
Hoor aandachtig,” vervolgde de barbier, „naar het lied, en let op den
dans van Zoutout, die de badgasten wrijven moet; ziet eens, of ik hem
niet sprekend weet na te bootsen.” De barbier,” vervolgde de jonge
kreupele, „zong nu het lied en danste den dans van Zoutout; wat ik ook
mogt zeggen, om hem met deze gekheden te doen ophouden, hij liet niet
af, vóór dat hij ook zijne andere door hem opgenoemde vrienden had
nageäapt. Hierop zich tot mij wendende, zeide hij: „Heer, al deze brave
lieden zal ik ten mijnent laten komen, en indien gij mij een genoegen
wilt doen, zoo wees ook van de onzen, en laat uwe vrienden loopen.
Misschien zijn dat groote praters, die u met hunne vervelende gesprekken
het hoofd op hol brengen, en nog zieker maken dan gij geweest zijt;
terwijl gij bij mij niets dan vermaak te wachten hebt.”
Hoe boos ik was, ik moest echter om zijne dwaasheid lagchen. „Het spijt
mij,” zeide ik, „mijn woord reeds gegeven te hebben, anders zou ik
gaarne van uw aanbod gebruik maken, en den dag met u en uwe vrienden
doorbrengen. Nu moet ik u echter verzoeken, mij daarvan te ontslaan; op
een' anderen dag kunt gij over mij beschikken. Maar scheer mij nu af,
en haast u naar uw huis te gaan, waar uwe vrienden misschien reeds op
u wachten.” „Mijn goede heer,” hernam hij, „weiger mij de gunst niet,
waarom ik u verzoek. Kom u vermaken met het uitgelezene gezelschap, dat
ik verwacht. Indien gij slechts éénmaal met deze lieden kennis gemaakt
hebt, zult gij zoo over hen tevreden zijn, dat gij, om hun bijzijn te
genieten, gaarne van uwe andere vrienden afziet.” „Laat ons daar niet
verder over praten,” antwoordde ik, „ik kan heden op uw feest niet
tegenwoordig zijn.”
Ook met zachtheid kon ik echter op dien stijfkop niets winnen. „Daar gij
volstrekt niet ten mijnent wilt komen,” hernam hij, „zoo zult gij het
voor lief moeten nemen, dat ik met u ga. De voorraad, dien gij mij hebt
gegeven, zal ik naar mijne woning brengen. Mijne vrienden kunnen dan
eten en drinken naar hartelust; doch ik zelf kom dadelijk terug. Ik zal
mij wel wachten, zoo onbeleefd te zijn, om u alleen te laten gaan; gij
hebt het wel aan mij verdiend, dat ik u deze beleefdheid bewijs.”
„Hemel!” riep ik uit, „is er dan geene mogelijkheid, mij van dezen
lastigen man te ontslaan. Bij Allah,” sprak ik tot hem, „houd op, mij
lastig te vallen! Ga naar uwe vrienden, eet, drink en vermaak u, doch
laat mij in vrijheid de mijnen bezoeken. Ik wil alleen gaan, en begeer
geen gezelschap. Ook moet ik u nog zeggen, dat ik ergens verwacht word,
waar uwe tegenwoordigheid niet gewenscht zou zijn, men verlangt alleen
_mij_ daar.” „Nu schertst gij met mij, heer,” hernam de barbier, „indien
uwe vrienden u op een feest genodigd hebben, wat zou u dan kunnen
beletten, mij mede te nemen? Gij zult hun, daar ben ik verzekerd van,
integendeel veel vermaak doen, een' man mede te brengen, die op zijn pas
een geestig woord weet te zeggen, dat de lachspieren in beweging brengt,
en die er zich op verstaat een geheel gezelschap aangenaam bezig te
houden, al zou hij ook de eenige spreker aan tafel zijn. Wat gij er dan
ook tegen zeggen moogt, het is eene afgedane zaak; ik vergezel u, of gij
er vrede mede hebt of niet.”
Deze halstarrigheid van den barbier, mijne heeren, bragt mij in
groote verlegenheid. „Hoe mij te ontslaan van dien verwenschten
baardschrapper,” zeide ik tot mij zelven. „Indien ik voortga hem te
wederspreken, zoo komt er geen einde aan.” Ook werd er reeds voor de
eerste maal tot het middaggebed geroepen, en het was voor mij hoog tijd,
om te gaan. Ik besloot alzoo, mij van de zaak af te maken door in schijn
toe te geven, en hield mij, alsof ik er in toestemde, dat hij mij
vergezellen zou. Nu schoor hij mij eindelijk af. Zoodra dit gedaan
was, zeide ik tot hem: „Neem eenige van mijne slaven, opdat zij dezen
voorraad naar uwe woning brengen, en kom terug, zoodra gij uwe vrienden
zult gesproken hebben; ik zal u wachten.”
Zoo raakte ik eindelijk van hem ontslagen; hij ging heen, met belofte
van spoed te zullen maken. Naauwelijks had hij mij den rug toegekeerd,
of ik kleedde mij verder aan, en daar men reeds voor de laatste maal
tot het gebed riep, begaf ik mij zonder tijdverzuim op weg. Maar de
boosaardige barbier, mijn oogmerk, om hem te misleiden, doorgrondende,
was niet verder gegaan dan tot in het gezigt zijner woning, welke hij
den slaven aanwees. Hierop was hij teruggekeerd, en hield zich schuil om
den hoek eener straat, ten einde mij gade te slaan en te volgen. Toen
ik mij nu voor de woning van den kadi bevond, en omkeek, zag ik mijn'
kwelgeest de straat inslaan. Ik verwenschte hem tot in den diepsten
afgrond.
Inmiddels had ik geen' tijd te verliezen; de deur van de woning des
kadi's stond op een' kier. Ik trad binnen, en werd door de oude dame
ontvangen. Zij bragt mij in het vertrek van het door mij zoo zeer
beminde meisje. Wij hadden echter naauwelijks eenige woorden gewisseld,
toen zich in de straat gerucht liet hooren. De jonge dame ging naar het
venster, en zag dat haar vader van het gebed terugkwam. Ook ik keek uit;
de kadi zat op dezelfde plaats, waar ik gezeten was, toen ik mijne
geliefde voor de eerste maal zag.
Er waren twee zaken, die mij vrees aanjoegen: de komst van den kadi en
de tegenwoordigheid van den schelmschen barbier. Omtrent het eerste
punt stelde de jonge dame mij gerust, zeggende, dat haar vader uiterst
zeldzaam op hare kamer kwam, en dat zij overigens, op de mogelijkheid
daarvan bedacht, hare maatregelen voor mijne veiligheid genomen had.
Mijne grootste vrees bleef dus de aanwezigheid van den hatelijken
barbier, van wiens onbedachtzaamheid en praatzucht ik het ergste
duchtte. Het zal u blijken, mijne heeren, dat dit niet zonder grond was.
Zoodra de kadi zijne woning binnentrad, telde hij met eigen hand aan
een' zijner slaven, die iets verzuimd had, eenige stokslagen toe. De
slaaf hief een groot gekerm aan, zoodat men hem aan het andere einde van
de straat kon hooren. De barbier geloofde nu, dat men mij mishandelde,
en begon op eene barbaarsche wijze te schreeuwen, verscheurde zijne
kleederen, wierp stof op zijn hoofd, riep om hulp, en bragt de geheele
buurt in beweging. Weldra school er een hoop volks om hem zamen, waarvan
sommigen vroegen, wat hem deerde, en of hij hulp begeerde. „Ach!” riep
hij, „men vermoordt mijn' meester, mijn' waarden patroon!” Zonder iets
meer te zeggen, liep hij al jammerende naar mijn huis, en kwam terug,
gevolgd door al mijne slaven, die met stokken gewapend waren. Zij
sloegen als razenden op de huisdeur van den kadi. Deze gelastte een'
zijner bedienden te gaan zien, wat er te doen was, die verschrikt in
allerijl tot zijnen meester terugkeerde. „Heer,” zeide hij, „meer dan
tienduizend gewapende mannen staan gereed, om met geweld uwe woning
binnen te dringen, reeds zijn zij bezig de deur open te breken.”
De kadi begaf zich nu zelf naar voren, opende eigenhandig de deur, en
vroeg wat men van hem verlangde. Zijn eerwaardig voorkomen was zelfs
niet in staat, mijnen slaven ontzag in te boezemen. „Verwenschte kadi,
hond van een' kadi!” riepen zij op barschen toon, „welke reden hebt gij,
om onzen meester te vermoorden? Wat heeft hij u gedaan?” „Goede lieden,”
antwoordde de kadi, „waarom zou ik uwen meester vermoorden, dien ik
volstrekt niet ken, en die mij dus ook niet beleedigd kan hebben? Mijn
huis staat voor u open, gaat binnen, doorzoekt alles, en overtuigt u.”
„Gij hebt hem stokslagen doen geven,” zeide de barbier, „ik heb hem daar
zoo even nog hooren schreeuwen.” „Maar nog eens,” hernam de kadi, „welke
beleediging kan uw meester mij hebben aangedaan, waardoor ik verpligt
zou geweest zijn, met hem te handelen, zooals gij daar zegt? Is hij
dan in mijn huis? Voor zoover ik weet, niet, en is hij er, hoe is hij
dan binnen gekomen, of wie heeft hem hier gebragt?” „Gij zult mij niet
van de wijs afbrengen met uwen grooten baard, deugniet van een' kadi!”
hernam de barbier, „ik weet zeer goed, wat ik zeg. Uwe dochter bemint
onzen meester, en zij heeft hem onder het middaggebed bij zich
ontvangen. Daar hebt gij de lucht van gekregen; gij zijt naar huis
gegaan, vroeger dan men u verwachtte; gij hebt hem overvallen, en toen
door uwe slaven stokslagen doen geven. Maar gij zult er niet ongestraft
afkomen. De kalif zal er kennis van dragen, en men zal kort en goed
regt met u maken. Breng onzen meester voor den dag, en geef hem dadelijk
aan ons over, zoo niet, dan zullen wij zelven hem gaan zoeken.” „Het is
niet noodig, zoo vele woorden te gebruiken,” hernam de kadi, „noch zoo
veel opschudding te maken; indien hetgeen gij zegt waarheid is, zoo
moet gij slechts naar binnen gaan en hem zoeken. Ik geef er u volkomen
vrijheid toe.” De kadi had naauwelijks uitgesproken, of de barbier en
mijne slaven drongen als razenden in het huis, en liepen mij overal
zoeken.
Daar ik alles gehoord had, wat de barbier tot den kadi zeide, zoo zag ik
naar eene plaats om, ten einde mij te verbergen. Ik vond geene andere
schuilplaats dan een' grooten ledigen koffer, waarin ik mij neêrlegde,
en welks deksel ik digt liet vallen. De barbier kwam eindelijk ook in de
kamer, waar ik mij bevond. Hij naderde den koffer, ligtte het deksel op,
en had mij naauwelijks nog gezien, of hij nam de kist op zijne schouders
en droeg er mij mede weg. Langs den steilen trap kwam hij gelukkig
beneden, bereikte de voordeur, en liep nu zoo hard hij maar kon, met
mij de straat over. Het ongeluk wilde echter, dat het deksel van den
koffer open ging, zoodat ik aan den spot en de lachlust van den ons
vergezellenden volkshoop werd prijsgegeven. Dit was mij onverdragelijk;
ik sprong uit mijne gevangenis op straat, en deed zulks met zoo veel
overhaasting, dat ik mijn been erg bezeerde. Op dat oogenblik echter
voelde ik geene pijn, en rigtte mij dadelijk op, ten einde mij door
eene spoedige vlugt, aan de nieuwsgierige blikken der mij uitjouwende
menigte te onttrekken. Ik haalde mijne beurs, die goed gevuld was, te
voorschijn, en strooide het goud en zilver met handen vol onder het volk
uit, dat nu aan het grabbelen ging. Op die wijze kwam ik den volkshoop
vooruit, en, door eene zijstraat in te slaan, uit het gezigt. Maar van
dien verwenschten barbier kon ik mij niet ontslaan. Hij liet het volk
grabbelen, wierp den nu ledigen koffer op straat en volgde mij op de
hielen, mij naschreeuwende: „Sta toch stil, heer, waartoe loopt gij zoo
hard? Indien gij eens wist, hoe bedroefd ik geweest ben over de slechte
behandeling, welke de kadi u heeft doen ondergaan, aan u, die zoo
grootmoedig zijt, en aan wien wij, mijne vrienden en ik, zulk eene dure
verpligting hebben! Maar heb ik het u niet gezegd, dat gij door uwe
hoofdigheid, om onvergezeld te willen uitgaan, uw leven in gevaar zoudt
stellen? Wat u dus overkomen is, hebt gij aan u zelven te wijten, en
indien ik van mijnen kant niet bedaard had volgehouden, u te volgen, en
te zien waar gij heen gingt, wat zou er dan van u geworden zijn? Waar
wilt gij toch heen, heer? Wacht mij toch!”
Zoo schreeuwde die armzalige barbier mij op de straat na. Hij hield
zich niet tevreden mij in de buurt, waar de kadi woonde, zulk een groot
schandaal gemaakt te hebben; de gansche stad moest er kennis van dragen.
In mijne woede gevoelde ik grooten lust, hem op te wachten en te worgen;
maar daardoor zou ik mij slechts in nog grooter ongelegenheid gebragt
hebben. Ik koos dus een ander middel, om mij van hem, en van de door
zijn geschreeuw overal te voorschijn komende en uitkijkende menschen te
ontslaan. Ik trad eene khan binnen, waarvan de portier mij zeer goed
kende. Hij stond aan de deur, waar het straatrumoer hem had heen gelokt.
„Bij Allah!” zeide ik, „bewijs mij de dienst, dien razende hier niet
binnen te laten.” De man beloofde het mij, en hield woord. Het kostte
hem echter groote moeite den barbier, die met geweld bij mij wilde zijn,
af te wijzen; deze ging niet heen, zonder hem uitgemaakt te hebben, voor
al wat leelijk was. In het naar huis gaan moest hij ieder, dien hij
ontmoette en slechts van aanzien kende, vertellen, welk eenen grooten
dienst hij mij, naar zijne meening, bewezen had.
Ziedaar, hoe ik eindelijk van dien lastigen mensch ontslagen werd. Ik
vroeg in de khan, om voor mij een vertrek in gereedheid te brengen, waar
ik tot aan de genezing van mijn been zou kunnen blijven. „Mijnheer,”
zeide men, „zoudt gij in uwe woning niet meer op uw gemak zijn dan
hier?” „Dat weet ik niet,” luidde mijn antwoord, „maar al wist ik het,
ik zou naar mijn huis niet willen terugkeeren, want die verfoeijelijke
barbier zou niet nalaten, mij daar te komen opzoeken; ik zou alle dagen
met hem opgeschept zijn; en hem voor mijne oogen te moeten zien, zou mij
van verdriet doen sterven. Bovendien, na hetgeen mij heden is overkomen,
kan ik niet besluiten, langer in deze stad te blijven. Ik zal gaan,
waar het ongeluk mij heen voert.” Ik hield hierin woord. Zoodra ik
genezen was, bragt ik zoo veel geld bijeen, als ik dacht, op mijne
reizen noodig te hebben, en mijne andere goederen stond ik af aan mijne
bloedverwanten. Zoo vertrok ik van Bagdad, mijne heeren, en ben tot hier
gekomen. Ik had alle reden te verwachten, dat ik in een land, zoo ver
verwijderd van mijne geboorteplaats, dien hatelijken barbier niet zou
aantreffen, en toch vind ik hem in uw gezelschap. Gij kunt zelven
oordeelen, welk een' onaangenamen indruk het gezigt van eenen man op
mij maakt, door wiens overdreven ijver ik kreupel ben, en mij tot de
treurige noodzakelijkheid veroordeeld zie, een zwervend leven te leiden,
ver verwijderd van mijne bloedverwanten, van mijne vrienden en van
mijn vaderland.” Dit zeggende, stond de jonge kreupele op, maakte eene
buiging voor ons, en vertrok. Onze gastheer deed hem uitgeleide tot
aan de deur, en gaf onder het gaan derwaarts te kennen, hoezeer het
hem speet, dat hij, zonder dit te willen, hem zulk eene onaangename
ontmoeting bezorgd had.
Toen de jonge kreupele vertrokken was,” vervolgde de snijder, „gaven wij
elkander onze verwondering te kennen over zijne levensgeschiedenis;
onze oogen waren daarbij op den barbier gerigt, en wij zeiden tot hem
dat, indien alles waarheid was, wat wij gehoord hadden, hij dan groot
ongelijk had. „Mijne heeren,” antwoordde hij zijn hoofd oprigtende,
hetgeen tot dusverre steeds naar den grond gekeerd was, „het
stilzwijgen, dat ik bewaard heb, zoo lang de jonge man sprak, moet u
overtuigen, dat hij u niets heeft verhaald, waarmede ik niet instem.
Maar wat hij ook mogt beweren, ik blijf er bij, dat ik gehandeld heb,
zoo als ik moest handelen; ik wil u zelven hierover laten oordeelen.
Heeft hij zich niet, ofschoon ik hem gewaarschuwd had, in het gevaar
begeven? en zou hij zonder mijne hulp er wel zoo goed zijn afgekomen?
Hij mag zich gelukkig rekenen, het er met een kreupel been te hebben
afgebragt. En wiens schuld was het dan nog, heb ik hem misschien laten
vallen? Neen, was hij rustig in zijn' koffer gebleven, ik zou hem
ongedeerd in zijn huis hebben gebragt. Kon ik het helpen, dat hij er
uitsprong en zijn been bezeerde? Heb ik mij niet aan een groot gevaar
blootgesteld, om hem uit een huis te halen, waar ik mij verbeeldde dat
hij mishandeld werd? Heeft hij dan regt, zich over mij te beklagen,
en mij zulke grove beleedigingen te zeggen? Doch ziedaar, wat men er
bij wint, als men eenen dienst bewijst aan ondankbare menschen. Hij
beschuldigt mij een babbelaar te zijn; dit is enkel laster! Van ons
zeven broeders ben ik het minst praatachtig, en daarbij de verstandigste
en knapste. Om u hiervan te overtuigen, mijne heeren, is er niets anders
noodig, dan dat ik u onze geschiedenissen vertel. Vereer mij daarbij met
uwe aandacht.