GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN JOODSCHEN GENEESHEER.

„Sire, ten tijde dat ik te Damaskus in de medicijnen studeerde, kwam een

slaaf mij halen, ten einde een zieke te bezoeken bij den gouverneur der

stad. Ik haastte mij derwaarts te gaan, en men bragt mij in eene kamer

bij een jongmensch van eene schoone gestalte, doch zeer neêrslagtig

wegens de kwaal waaraan hij leed. Ik groette hem, en ging bij hem

zitten. Hij sprak echter niet; maar gaf mij met een' oogwenk te kennen,

dat hij mij wachtende en over mijne komst tevreden was. „Heer,” zeide

ik, „wees zoo goed mij de hand te geven, opdat ik uwen pols kan voelen.”

In plaats van mij de regterhand te geven, reikte hij mij de linker toe,

waarover ik mij zeer verwonderde. „Dat is,” dacht ik bij mij zelven,

„een groot bewijs van onbeleefdheid in een fatsoenlijk jongmensch, om

niet eens te weten, dat het gebruikelijk is de regter- en niet de

linkerhand den geneesheer toe te reiken.” Ik voelde hem echter den pols,

en na een recept te hebben geschreven, dat ik achterliet, groette ik hem

en ging heen.

Ik vervolgde mijne visites negen dagen, en telkens als ik hem de pols

wilde voelen, stak hij mij de linkerhand toe. Op den tienden dag bevond

ik hem vrij wel. Ik zeide hem dat hij genoegzaam hersteld was, en verder

niets te doen had, dan een bad te nemen. De gouverneur van Damaskus,

hierbij tegenwoordig, betuigde mij zijne vreugde, en om mij een bewijs

van zijne tevredenheid te geven, deed hij mij een zeer rijk kleed

omhangen, zeggende, dat hij mij tot geneesheer van het stedelijk

gasthuis benoemde en mij tevens tot zijnen lijfarts begeerde, terwijl

zijn huis en zijne tafel ten allen tijde voor mij zouden openstaan.

De jonge man gaf mij ook vele vriendschapsblijken, en hij verzocht mij,

dat ik hem naar het bad zou vergezellen. Toen wij daar kwamen, en zijne

bedienden hem ontkleed hadden, zag ik dat de regterhand hem ontbrak.

Dit had men voor mij verborgen gehouden, en mij alleen geroepen, om

de koorts, die zich sterk openbaarde, tegen te gaan. Ik kon mijne

verwondering en mijn verdriet over deze zijne verminking, die nog van

korte dagteekening scheen te zijn, niet genoeg verbergen. „Doctor,”

zeide hij tot mij, „bevreemdt het u, dat mijne regterhand is afgekapt,

gij zult u nog meer verwonderen, als gij te eeniger tijd met mijne

lotgevallen bekend zult zijn.”

Uit het bad komende, gingen wij aan tafel, en na ons eenigen tijd

onderhouden te hebben, vroeg hij mij of hij, zonder nadeel voor zijne

gezondheid, eene wandeling buiten de stad of in den tuin van den

gouverneur zou kunnen doen. Ik antwoordde, dat hij dit gerust wagen

kon, en dat de frissche lucht hem zelfs goed zou zijn. „Indien dit

zoo is,” hernam hij, „en wanneer gij lust hebt mij op mijne wandeling

te vergezellen, dan zal ik u bij die gelegenheid mijne geschiedenis

verhalen.” Ik betuigde hem, dat ik den geheelen dag ter zijner

beschikking was. Wij gingen daarop naar den tuin van den gouverneur, en

nadat wij een fiksche wandeling hadden gemaakt, liet de jonge man, door

de slaven die ons volgden een tapijt uitspreiden, waarop wij ons onder

de schaduw van een' lommerrijken boom nederzetten, en hij op de volgende

wijze zijn verhaal begon.

„Ik ben,” sprak hij, „geboortig van Moussoul, en mijne familie behoorde

tot de voornaamste van die stad. Mijn vader was de oudste van tien

kinderen, die mijn grootvader bij zijn overlijden achterliet, en die

allen toen reeds gehuwd waren. Maar van al deze broeders was mijn vader

de eenigste, die een kind had, en die eenige zoon ben ik. Hij spaarde

voor mijne opvoeding zorgen noch kosten, en liet mij alles leeren wat

een jongmensch van mijnen stand behoeft te weten.

Ik was reeds een volwassen jongeling, en op het punt om de wereld in te

treden, toen ik mij op een' Vrijdag met mijn' vader en mijne ooms in de

groote moskee van Moussoul bevond tijdens het middaggebed. Nadat het

gebed geëindigd was, verwijderden alle geloovigen zich, uitgenomen mijn

vader en mijne ooms. Zij zetten zich op het tapijt neder, dat op den

vloer lag, en knoopten een gesprek aan, waarvan ook ik toehoorder was.

Zij spraken over de reizen, die zij gedaan hadden, en gaven zeer hoog

op van de vele schoone zaken, welke zij in andere landen gezien en

daarvan gehoord hadden. Een van mijne ooms beweerde, dat indien men

aan verhalen van reizigers geloof wilde hechten, er op den geheelen

aardbodem geen heerlijker land was dan Egypte, en geen schoonere rivier

dan de Nijl; zoodat hetgeen hij daarvan mededeelde, mij een zoo hoog

denkbeeld van dat land gaf, dat ik van stonden af lust gevoelde

derwaarts te reizen. Wat mijne andere ooms ook mochten zeggen van de

voorkeur, die zij aan Bagdad en aan den Tigris gaven, noemende Bagdad de

stad der steden, waar het Mohamedisme zijn' hoofdzetel had, zulks maakte

op mij niet den indruk van Egypte. Mijn vader kleefde het gevoelen aan

van dengene zijner broeders, welke ten voordeele van Egypte gesproken

had, hetgeen mij eene groote vreugde was. „Wat men ook mag zeggen!” riep

hij uit, „wie Egypte niet gezien heeft, heeft het schoonste der wereld

niet gezien. De aarde is er van goud, dat wil zeggen zoo vruchtbaar, dat

zij hare inwoners onnoemelijk rijk maakt. De vrouwen trekken u aan door

hare schoonheid en hare bevallige manieren. Spreekt gij mij van den

Nijl, is er eene meer bewonderenswaardige rivier op geheel de aarde?

Welk water kan in zuiverheid en klaarheid met het zijne wedijveren?

Zelfs het slijk, dat hij bij zijne overstroomingen achterlaat, dient

tot vruchtbaarmaking der landerijen, en doet deze zonder eenige moeite

duizend malen meer vruchten voortbrengen, dan elders de met de meeste

zorg bebouwde akkers. Luister wat een dichter, die Egypte verpligt was

te verlaten, tot de Egyptenaren zegt.

„Uw Nijl overlaadt u dagelijks met weldaden; Hij schijnt alleen voor u

in het verre Zuiden te ontspringen. Helaas! nu ik mij van u verwijderen

moet, zullen mijne tranen vloeijen, als zijne wateren. Gij zult u in

zijne weldaden kunnen verheugen, terwijl ik mij veroordeeld zie daarvan

verstoken te zijn.”

Indien gij de oogen wendt,” vervolgde mijn vader, „naar de kusten van

het eiland, dat door de twee hoofdtakken van den Nijl gevormd wordt,

welk eene schakering van groen en bloemen, van koren en maïsvelden, van

kanalen, van bloeijende steden, dorpen en gehuchten, doet zich daar aan

u voor! Slaat gij den blik naar het zuiden, naar den kant van Ethiopië,

hoe vele wonderen vertoonen zich ook hier aan uwe oogen! Ik kan de

groene beemden, de vruchtbare met kanalen doorsneden velden, die

hun water uit den Nijl ontvangen, niet beter vergelijken, dan bij

schitterende smaragden in zilver gezet. Is er eene stad op de aarde,

gelijk in uitgestrektheid, in bevolking, in rijkdom en in weelde aan het

groote Caïro? Welke prachtige paleizen en gebouwen ziet men daar! Nadert

gij in uwe gedachten de Pyramiden, die gedenkstukken van eene grijze

oudheid, en van de magt en den rijkdom der Pharao's, gij zult verbaasd

staan, dat die hemelhooge, uit groote marmerblokken zaâmgestelde, de

eeuwen trotserende steenhoopen, door menschenhanden daar bijeen zijn

gebragt. Waar leeft in onzen tijd de vorst, zoo groot, zoo magtig en zoo

rijk, dat hij zulke gedenkteekenen voor het laatste nageslacht zou

kunnen stichten. Ik spreek niet van de magtige zeesteden, waarop Egypte

bogen mag, van Damiate, van Alexandrië en anderen, in welker haven men

de vlaggen ziet wapperen van alle handeldrijvende volken der aarde. En

dit alles heb ik niet van hooren zeggen, ik heb in dat schoone land in

mijne jeugd eenige jaren doorgebragt, en ik beschouw die nog heden als

de aangenaamste mijns levens.”

Mijne ooms hadden mijn' vader hierop niets te antwoorden,” vervolgde de

jonge man van Moussoul. „Zij moesten met hem instemmen, omtrent alles

wat hij gezegd had van den Nijl, van Caïro en van geheel het Egyptische

koningrijk. Wat mij betreft, mijne gedachten waren daarmede zoo vervuld,

dat ik dien nacht geen oog kon sluiten. Niet lang daarna gaven ook

mijne ooms het bewijs, hoezeer zij door dit gesprek van mijnen vader

getroffen waren geworden. Zij stelden hem voor, om gezamentlijk eene

reis naar Egypte te doen, hetgeen hij aannam, en daar zij rijke

kooplieden waren, zoo besloten zij eene menigte goederen in te slaan,

ten einde die te Caïro met winst te verkoopen. Ik smeekte mijn' vader

met tranen in de oogen, om hem te mogen vergezellen, en ook aan mij, om

zelf handel mede te drijven, eenige koopmansgoederen af te staan. „Gij

zijt,” antwoordde hij, „nog te jong om de lange reis naar Egypte mede te

maken, de vermoeijenissen daaraan verbonden zijn voor u te zwaar, en wat

uwen handel betreft, bij uw gebrek aan ondervinding, zoudt gij daarbij

slechte zaken maken.” Deze afwijzing doofde echter mijn' reislust niet

uit, ik nam mijne toevlugt tot de voorspraak van mijne ooms, die zoo

veel op mijnen vader verkregen, dat ik tot aan Damaskus mede gaan, en

daar achterblijven zou, totdat zij uit Egypte terugkwamen. „De stad

Damaskus,” zeide mijn vader, „heeft ook hare schoonheden, en ik wensch,

dat hij zich zal te vreden stellen met de vergunning, ons tot daartoe te

mogen vergezellen.” Hoe groot nu ook, naar hetgeen ik hem er van had

hooren verhalen, mijn verlangen was, om Egypte te bezoeken, hij was mijn

vader, en ik onderwierp mij aan zijnen wil.

Zoo vertrok ik met mijne ooms en met mijn' vader van Moussoul. Wij

gingen door Mesopotamië, trokken over den Euphraat, en kwamen te Aleppo.

Hier vertoefden wij eenige dagen, en begaven ons van daar naar Damaskus.

Wij namen onzen intrek in dezelfde khan of herberg. Ik zag in Damaskus

eene groote, welbevolkte en goed versterkte stad, waarin vele rijke

lieden woonden. Wij besteedden eenige dagen, om de omstreken te

bezoeken, vermaakten ons met in de schoone lusthoven te wandelen,

welke men daar heeft, en moesten allen toestemmen, dat men teregt van

Damaskus zeide, dat het te midden van een paradijs is gelegen. Alvorens

mijn vader en mijne ooms de reis naar Egypte voortzetten, droegen de

laatsten zorg de koopwaren, welke ik van Moussoul had mede genomen,

aan den man te brengen. Zij deden dit op eene voor mij zoo voordeelige

wijze, dat ik vijf tegen één won. Die verkoop verschafte mij dus eene

aanzienlijke som, waarover ik zeer verheugd was.

Mijn vader en mijne ooms zetten nu hunne reis voort, en lieten mij te

Damaskus achter. Ik droeg evenwel, nu aan mij zelven overgelaten, wel

zorg mijn geld niet nutteloos te verkwisten. Ik huurde een prachtig

huis, geheel van marmer opgetrokken, met een fraaijen tuin, waarin

zich zeer schoone fonteinen bevonden. Ook de vertrekken van binnen

waren prachtig beschilderd en behangen, hemelsblaauw met goud afgezet.

Het huisraad, dat ik mij aanschafte, hoewel ik daarbij niet karig te

werk ging, was echter niet zoo rijk, als de pracht van mijne woning

vereischte. Deze had vroeger toebehoord aan een der voornaamste heeren

uit de stad, genaamd Medoun Abdalraham, en was thans het eigendom van

eenen rijken juwelier, aan wien ik slechts twee goudstukken per maand

betaalde. Ik hield eene menigte bedienden, leefde op een' goeden voet,

en onthaalde nu en dan mijne bekenden aan mijne tafel, of ging bij hen

eten. Op deze wijze bragt ik, in afwachting dat mijn vader terug kwam,

mijn' tijd te Damaskus door. Geen enkele hartstogt verstoorde mijne

rust, en de omgang met fatsoenlijke lieden was mijne eenigste

uitspanning.

Eens nu, dat ik, om frissche lucht te scheppen, voor de deur van mijne

woning zat, trad eene welgekleede dame van eene schoone gestalte naar

mij toe, met de vraag, of ik ook zijden stoffen verkocht. Dit zeggende,

trad zij te gelijker tijd mijne woning binnen. Ik stond op, deed de deur

digt, en liet haar in de zaal gaan, waar ik haar verzocht op eene sofa

plaats te nemen. „Mevrouw,” zeide ik tot haar, „ik heb stoffen gehad,

die geschikt zouden zijn om u te worden voorgelegd, maar voor het

tegenwoordige kan ik u daaraan tot mijn leedwezen niet helpen, ik leef

hier thans zonder handel te drijven.” Zij nam nu den sluijer af, die

haar gelaat bedekte, waardoor ik een paar oogen zag schitteren, zoo

schoon en met zulk een vuur bezield, dat alleen op een gezigt daarvan

eene tot dus verre ongekende gewaarwording zich van mij meester maakte.

„Ik heb,” antwoordde zij met een schalksch lachje, „geene behoefte aan

zijden of andere stoffen; ik kom alleen om u, en om den avond met u door

te brengen, indien u dit welgevallig is. Met het geringste onthaal ben

ik tevreden.”

Verblijd over deze gelukkige ontmoeting, gaf ik aan mijne bedienden

last, om eenige flesschen wijn en fijne vruchten te brengen. Wij

waren spoedig aan tafel geschikt, aten, dronken en vermaakten ons tot

middernacht, in een woord, ik had gedurende mijn geheele leven nog

geenen zoo aangenamen avond doorgebragt. Den volgenden morgen namen wij

afscheid, terwijl zij mij beloofde, over drie dagen met zonsondergang

terug te zullen komen.

Zij bleef niet in gebreke na drie dagen op het door haar bepaalde uur

ten mijnent te verschijnen, en ik beijverde mij haar goed te onthalen.

Wij bragten den avond als de vorige maal door, en toen zij den volgenden

morgen heenging, beloofde zij andermaal over drie dagen terug te zullen

komen.

Toen zij voor de derde maal bij mij kwam, en de kracht van den wijn

ons beiden naar het hoofd steeg, sprak zij tot mij: „Mijn geliefde,

wat dunkt u van mij? Ben ik niet schoon en bekoorlijk?” „Deze vraag,”

antwoordde ik, „is overbodig, al de u gegeven liefdeblijken moeten u

overtuigd hebben, dat ik u teeder bemin. Ik ben verblijd u bij mij te

zien en u te bezitten; gij zijt mijne koningin, mijne sultane, gij

maakt het geluk van mijn leven uit!” „En echter,” hernam zij, „ben ik

verzekerd, dat gij eene geheel andere taal zult voeren, indien gij eene

mijner vriendinnen gezien hebt, die jonger en nog schooner is. Zij

heeft een zoo vrolijk karakter, dat zij zelfs den droefgeestigste doet

lagchen. Ik heb met haar over u gesproken, en naar hetgeen ik van u

gezegd heb, sterft zij van verlangen om u te zien. Zij heeft mij

gebeden, haar dat vermaak te verschaffen, maar ik wilde dit niet doen,

zonder er u over gesproken te hebben.” „Mevrouw,” hernam ik, „doe zoo

als gij zult goedvinden; maar wat gij mij ook zeggen moogt van uwe

vriendin, het zal haar niet mogelijk zijn, u mijn hart te ontrooven,

reeds zoo sterk aan u gehecht, dat niets ter wereld dien band kan

verbreken.” „Let op u zelven,” herhaalde zij, „en op mijn zeggen; ik

verzeker u, dat ik u op eene zware proef zal stellen.”

Wij lieten het daarbij, en den volgenden morgen, toen zij vertrok, zeide

zij, dat ik over twee dagen nog eene gast zou hebben. „Denk er om,”

vervolgde zij, „ons goed te onthalen; wij zullen zorg dragen op het

gewone uur met zonsondergang ten uwent te zijn.” Ik deed de zaal

feestelijk opsieren, en eenen voortreffelijken maaltijd bereiden voor

den dag, dat zij komen zouden.

Zij kwamen op het vastgestelde uur mij bezoeken, en ontsluijerden zich

beide. Was ik getroffen door de schoonheid van de mij bekende dame,

nu ik hare vriendin zag, geraakte ik buiten mij zelven van verbazing,

zij was schoon als de dageraad, de liefde scheen haren zetel op hare

lippen te hebben gekozen, en hare oogen flikkerden van zulk een' gloed,

dat ik er den glans bijna niet van kon verdragen. Ik betuigde haar

mijnen dank voor de eer, die zij mij aandeed ten mijnent te komen, en

verontschuldigde mij, dat ik haar niet kon onthalen, zooals zij dit

waardig was. „Laat ons alle pligtplegingen achterwege laten,” sprak zij

met het beminnelijkste gelaat ter wereld, „anders zou het aan mij zijn,

u die te maken, daar gij de goedheid gehad hebt aan mijne vriendin toe

te staan, dat zij mij medebragt. Laat ons nu om niets anders denken, dan

om ons te vermaken.”

Zoodra het eten gereed was, zetten wij ons aan tafel. Ik zat naast

mijne beminde en tegenover hare vriendin, die niet ophield mij lonkjes

en lachjes toe te werpen. Ik kon aan hare betooverde blikken geen'

weêrstand bieden, en zij veroverde mijn hart, eer ik er op bedacht was.

Zij wist zich zoo weinig te bedwingen, dat zij mij dingen zeide, die in

bijzijn van eene verklaarde medeminnares beter gezwegen waren.

Mijne minnares, die ons naauwkeurig gadesloeg, lachte in het eerst met

ons mede, en zeide tot mij: „Ik heb het u wel gezegd, dat gij mijne

vriendin allerliefst zoudt vinden, en ik bemerk, dat gij den eed van

onveranderlijke trouw, mij gezworen, reeds hebt verbroken.” „Mevrouw,”

antwoordde ik, ook lagchender wijze, „gij zoudt reden hebben u over mij

te beklagen, indien ik te kort schoot in wellevendheid jegens eene dame,

die uwe vriendin is en die gij genegen zijt; gij beiden zoudt mij dan

kunnen verwijten, dat ik de eer van mijn huis niet naar behooren wist op

te houden.”

Wij gingen inmiddels voort met drinken, en naarmate de wijn ons

verhitte, spraken de laatst gekomen dame en ik met zoo weinig

terughouding, dat hare vriendin deswegens eene woedende jaloezij

opvatte, waarvan wij spoedig de noodlottige gevolgen ondervonden. Zij

stond op en zeide, zich slechts voor een oogenblik te verwijderen, en

dadelijk terug te zullen komen. Maar naauwelijks was zij vertrokken,

of de andere dame, die bij mij was gebleven, werd door hevige

stuiptrekkingen aangetast, en het duurde niet lang of zij gaf in mijne

armen den geest. Ik ging terstond buiten de kamer en vroeg naar de

andere dame, doch de dienstboden zeiden mij, dat zij zich verwijderd

had, zonder iets te zeggen. Nu kwam ik dadelijk op het vermoeden, dat

zij schuld had aan den plotselingen dood van hare vriendin. En dit was,

helaas, maar al te waar. Zij had de behendigheid gehad, een dadelijk

werkend vergif te mengen in den beker wijn, dien zij hare vriendin

eigenhandig had toegereikt.

Ik was zeer bedroefd en ontsteld over dit treurige voorval ten mijnen

huize. „Wat moet ik doen,” dacht ik bij mij zelven, „wat zal er van mij

worden?” De vrees dreef mij om geen oogenblik te verliezen; ik liet door

mijne bedienden bij het maanlicht, op het plein mijner woning, een' der

marmeren steenen opnemen, en een graf maken, waarin wij het lijk van de

jonge dame nederlieten. Nadat dit met aarde bedekt en de steen weder op

zijne plaats gebragt was, gaf ik mijnen dienstboden hun loon met eenige

geschenken, en liet hen vertrekken. Toen trok ik een reisgewaad aan,

deed het voorhanden geld in een valies, sloot al de vertrekken, benevens

de voordeur, hing mijn zegel daaraan, en verwijderde mij met spoed.

Ik begaf mij naar den juwelier, die de eigenaar van mijne woning was,

betaalde de verschuldigde huur en een jaar vooruit, en gaf hem den

sleutel in bewaring. „Eene gewigtige zaak,” zeide ik tot hem, „dringt

mij onmiddelijk op reis te gaan, en mijne ooms te Caïro op te zoeken.”

Een oogenblik later steeg ik te paard en vertrok naar Egypte.

Mijne reis,” vervolgde de jonge man van Moussoul, „was zeer gelukkig, ik

kwam zonder eenige onaangename ontmoeting te Caïro aan. Mijne ooms waren

zeer verwonderd mij daar te zien. Ik gaf ter mijner verontschuldiging

voor, dat het mij verdroten had langer op hen te wachten, en dat,

volstrekt geene tijding krijgende, ongerustheid mij tot deze reis

gedrongen had. Zij ontvingen mij zeer wel, en beloofden het bij mijnen

vader goed te zullen maken, dat ik Damaskus zonder zijne toestemming had

verlaten. Ik nam mijn' intrek in de zelfde khan, en bezigtigde alles wat

Caïro aan schoons aanbood. Daar mijne ooms inmiddels hunne handelswaren

verkocht hadden, begonnen zij er van te praten om naar Moussoul terug

te keeren, en maakten zij toebereidselen tot vertrek. Mijne begeerte om

meer van Egypte te zien was echter zoo groot, dat ik besloot een ander

verblijf in Caïro op te zoeken, en mij daar verborgen te houden, tot dat

mijne ooms zouden zijn afgereisd. Zij zochten mij door de geheele stad,

maar mij niet vindende, dachten zij eindelijk dat het berouw, van tegen

den wil mijns vaders in Egypte te komen, mij bewogen had, dadelijk naar

Damaskus terug te keeren. Zij vertrokken dus derwaarts, in de hoop er

mij te zullen aantreffen, en van daar naar Moussoul mede te nemen.

Ik bleef op deze wijze na hun vertrek in Caïro achter, en hield mij daar

gedurende drie jaren op, ten einde geheel te voldoen aan mijnen wensch,

om al de wonderen van Egypte te zien. Gedurende mijn verblijf aldaar,

droeg ik zorg aan den juwelier te Damaskus geld voor de huishuur over te

maken, met verzoek zijne woning voor mij open te houden, daar het mijn

plan was, die later weder te betrekken. Te Caïro had ik geene ontmoeting

waardig om u te verhalen; maar gij zult zeer zeker ten hoogste verbaasd

zijn, over hetgeen mij bij mijne terugkomst te Damaskus bejegend is.

Bij mijne aankomst in deze stad steeg ik bij den juwelier af, die mij

met blijdschap welkom heette, en zich de moeite getroostte, mij naar

mijne woning te vergezellen, om mij te doen zien, dat alles zich nog in

den zelfden toestand bevond, als ik het bij mijn vertrek gelaten had.

Werkelijk waren de zegels op alle sloten nog ongeschonden, waarover ik

hoogst voldaan was. Toen ik nu met het opruimen en schoonmaken der zaal,

waar ik met de beide dames gegeten had, een begin liet maken, raapte een

mijner bedienden een gouden halsketen op, waarin tien zeer groote en

fijne paarlen gezet waren. Hij bragt ze mij, en ik herkende haar als

het halssieraad van de vergiftigde jonge dame. Ik vermoedde, dat ze los

geraakt en op den grond moest zijn gevallen, zonder dat ik daarvan iets

gemerkt had. Ik kon de keten niet aanzien, zonder tranen te storten over

het treurige lot van de beminnelijke vrouw, die ze gedragen had, en die

ik in mijne armen had zien sterven. Ik wikkelde de keten in een' zijden

doek, en droeg ze tot een aandenken op mijn hart.

De eerste dagen wijdde ik aan de rust toe, ten einde van de

vermoeijenissen der reis te bekomen. Vervolgens ging ik mijne oude

vrienden en bekenden weder opzoeken, en leidde een vrolijk en

genoegelijk leven. De verteringen, die ik maakte waren echter te groot

voor mijn vermogen, en zoo zag ik mij na eenigen tijd in eene dringende

geldverlegenheid. In plaats van mijne meubelen te verkoopen, besloot ik

mij van het gevonden juweel te ontdoen, maar geene de minste kennis van

paarlen hebbende, overlegde ik mijne zaak zeer slecht, zoo als gij nu

zult hooren.

Ik ging naar den berestein, en vervoegde mij bij een' makelaar, aan

wien ik mijne keten liet zien. Ik zeide hem, dat ik die wenschte te

verkoopen, en hij ze aan de voornaamste juweliers kon aanbieden. De

makelaar, verbaasd over de kostbaarheid van de halsketen, gaf zijne

verwondering te kennen door den uitroep: „O hoe schoon!” Hij kon zich

niet verzadigen de paarlen te aanschouwen, en verzekerde mij, dat de

juweliers als om strijd er naar dingen zouden ze te koopen, zoodat ik

gewis een' hoogen prijs zou maken. Hij bragt mij in een' winkel, en wel

toevallig in dien van den eigenaar mijner woning. „Wacht mij hier,”

sprak hij, „ik zal u weldra meer kunnen zeggen.”

Terwijl de makelaar van koopman tot koopman ging, om onder het zegel van

geheimhouding mijn juweel te laten zien, zette ik mij bij den juwelier

neder, en onderhield mij met hem over verschillende zaken, tot dat de

makelaar terugkwam, en mij ter zijde nam. In plaats van mij te zeggen,

dat men de halsketen op minstens twee duizend goudstukken gewaardeerd

had, verzekerde hij mij, dat men er niet meer dan vijftig voor wilde

geven. „Dit komt,” voegde hij er bij, „omdat de paarlen niet echt zijn;

bedenk u nu, of gij ze voor dien prijs wilt laten.” Ik geloofde den man

op zijn woord, en daar ik zeer om geld verlegen was, zeide ik: „Ga,

ik verlaat mij op hetgeen gij zegt, en op het woord van hen, die meer

kennis van paarlen hebben dan ik; lever het halssnoer voor den u geboden

prijs, en breng mij dadelijk het geld.”

De makelaar had mij vijftig goudstukken geboden op last van een' der

rijkste juweliers van den berestein, die mij dit bod deed, ten einde mij

op de proef te stellen, of ik ook met de waarde bekend was van hetgeen

ik ter verkoop liet aanbieden. Naauwelijks had hij dus mijn antwoord

van den makelaar vernomen, of hij ging met hem naar den commissaris van

policie, aan wien hij het halssnoer liet zien. „Heer,” zeide hij „zie

hier eene keten, welke men mij heeft ontstolen; de dief, zich voor een'

koopman uitgevende, heeft de onbeschaamdheid gehad, ze op den berestein,

waar hij zich nog bevindt, te koop aan te bieden. Hij vergenoegt zich,”

voegde de juwelier er bij, „met vijftig goudstukken voor een juweel, dat

onder kenners twee duizend waard is; bewijs genoeg, dat hij een' dief

moet zijn.”

De commissaris van policie zond terstond eenige zijner dienaren om

mij op te halen, en toen ik voor hem werd gebragt, toonde hij mij het

halssnoer en vroeg mij of het niet datgene was, hetwelk ik op den

berestein te koop had laten veilen. Ik kon dit niet ontkennen. „Is het

ook waar,” vervolgde hij, „dat gij dit kleinood voor vijftig goudstukken

missen wilt?” Ik stemde ook dit toe. „Wel nu,” sprak hij op spottenden

toon, „dat men hem stokslagen geve; hij zal ons' met zijn fraai

koopmanskleed, spoedig belijden, dat hij slechts een onhandige dief

is; sla er op los, tot dat hij de waarheid bekend heeft.” De smart

der stokslagen, die als hagel op mij nederstortten en mijne leden

radbraakten, deed mij eene leugen zeggen; ik beleed, tegen de waarheid

in, dat ik het halssnoer gestolen had, waarop de commissaris van policie

mij terstond de regterhand deed afkappen.

Dit voorval maakte op den berestein een groot gerucht, en naauwelijks

had ik mijne woning bereikt, of de eigenaar liet zich daar ook vinden.

„Mijn zoon,” sprak hij, „gij komt mij voor als een verstandig en

welopgevoed jongmensch. Hoe is het mogelijk, dat gij u aan eene zoo

onwaardige daad hebt schuldig gemaakt, als waarvan ik op den berestein

heb hooren spreken. Gij hebt mij gezegd, en ik wil u gelooven, dat uw

vader een rijk man is. Waart gij in verlegenheid, waarom mij niet om

geld gevraagd? Ik zou het u geleend hebben. Maar na hetgeen nu is

voorgevallen, mag ik u in mijn huis niet langer laten wonen, draag dus

zorg u van eene andere woning te voorzien.” Ik werd door deze woorden

zeer ter neêr geslagen, en smeekte den juwelier met tranen in de oogen

mij dan toch te vergunnen, nog drie dagen in zijn huis te blijven,

hetgeen hij mij toestond.

„Helaas!” riep ik uit, „hoe groot is mijn ongeluk en mijne schande! Zal

ik naar Moussoul durven terugkeeren? Zal wel iets in staat zijn mijn'

vader te overtuigen, dat ik als een dief gestraft, toch onschuldig ben?”

Drie dagen na de ondergane straf, zag ik tot mijne verwondering eene

menigte lieden, waaronder de eigenaar van mijn huis en de koopman, die

mij valsch beschuldigd had, met den commissaris van policie mijne woning

binnendringen. Ik vroeg hen, wat zij van mij begeerden, maar in plaats

van te antwoorden, kwamen de geregtsdienaren naar mij toe, en bonden mij

de armen op den rug, terwijl men mij allerlei beleedigingen zeide. De

geregtsdienaren gaven mij te kennen, dat zij mij voor den gouverneur van

Damaskus moesten brengen, aan wien het noodlottige halssnoer vroeger

had toebehoord, en die het, te gelijk met eene van zijne dochters, nu

bijna drie jaren geleden vermist had. Gij kunt denken, hoe ik bij dit

nieuwe gevaar, dat mij bedreigde, te moede werd. Ik nam evenwel terstond

mijn besluit. „Ik zal,” sprak ik in mij zelven, „den gouverneur de volle

waarheid zeggen, het zal dan van hem afhangen mij vergiffenis te

schenken, of mij te doen sterven.”

Toen men mij voor den gouverneur gebragt had, bemerkte ik, dat hij

eenen mededoogenden blik op mij vestigde, waardoor ik eenige hoop

begon te koesteren op een' goeden uitslag. Hij deed mij van mijne

banden bevrijden, en zich vervolgens wendende tot den juwelier, mijn'

aanklager, en tot mijn' huisheer, vroeg hij: „Is dit de man, die het

halssnoer te koop heeft laten veilen?” Naauwelijks hadden zij dit met

ja beantwoord, of hij vervolgde: „Ik ben echter overtuigd dat hij het

halssnoer niet heeft gestolen, en het bevreemdt mij zeer, dat men hem

zoo onregtvaardig heeft behandeld.” Bemoedigd door deze woorden, wierp

ik mij aan zijne voeten en zeide: „Heer, gij hebt wel gezegd, ik

zweer u dat ik aan den diefstal geheel onschuldig ben. Zelfs heb

ik de overtuiging, dat het snoer paarlen nooit aan mijn' aanklager

toebehoorde, wiens verfoeijelijk bedrog de oorzaak is, dat ik op eene

zoo onwaardige wijze behandeld ben geworden. Het is waar, ik heb beleden

het gestolen te hebben, maar ik deed dit onder de mijne leden martelende

stokslagen, die men mij toedeelde, tegen de waarheid in. Ook bestond

daarvoor nog eene andere reden, die ik bereid ben u mede te deelen,

indien gij de goedheid wilt hebben mij aan te hooren.” „Ik weet genoeg,”

hernam de gouverneur, „om u reeds thans een gedeelte van het regt te

laten wedervaren, waarop gij aanspraak hebt. Dat men,” vervolgde hij,

een' verpletterenden blik op den juwelier werpende, „den valschen

beschuldiger van hier brenge, en de zelfde straf doe ondergaan, die

hij dezen jongeling berokkende, voor wiens onschuld ik insta.”

Het bevel van den gouverneur werd dadelijk ten uitvoer gebragt. Men

leidde den koopman in juweelen naar buiten, en hij onderging zijne

welverdiende straf. Hierop liet de gouverneur allen vertrekken, waarna

hij zich tot mij wendde, en zeide: „Mijn zoon, verhaal mij thans zonder

beschroomdheid, op welke wijze het halssnoer in uw bezit is gekomen,

en verheel niets voor mij.” Ik deelde hem nu al het gebeurde mede,

en beleed, dat ik liever voor een' dief had willen doorgaan, dan het

treurspel, dat ten mijnent was voorgevallen, aan het daglicht brengen.

„O Allah!” riep de gouverneur, zoodra ik met spreken geëindigd had, „uwe

oordeelen zijn ondoorgrondelijk, en wij moeten er ons aan onderwerpen,

zonder te morren. Ik ontvang met diepe onderwerping den slag, waarmede

het u behaagt heeft mij te treffen.” Daarop het woord tot mij rigtende,

vervolgde hij: „Mijn zoon; nu ik de oorzaak van uw ongeluk ken, wil ik u

ook een verhaal doen van het mijne. Verneem dan, dat ik de vader ben der

twee dames, waarover gij mij gesproken hebt. Weet,” ging hij zuchtende

voort, „dat de eerste dame, welke de schaamteloosheid had, u in uwe

woning te komen opzoeken, mijne oudste dochter was. Ik had haar aan een'

zoon mijns broeders te Caïro uitgehuwelijkt. Na den dood van haren man,

kwam zij bij mij terug, verdorven door allerlei ondeugden, welke zij

gedurende haar verblijf in Egypte had aangeleerd. Vóór hare komst had

mijne tweede dochter, die op eene zoo beklagenswaardige wijze in uwe

armen is gestorven, een onbesproken leven geleid. Hare oudste zuster

verbond zich ten naauwste met haar, en maakte haar van lieverlede

even slecht, als zij zelve was. Toen ik haar op den dag na haren

rampspoedigen dood niet aan tafel zag verschijnen, vroeg ik aan mijne

oudste dochter of zij niets van haar wist, doch in plaats van mij te

antwoorden, begon zij zoo bitter te weenen, dat ik voor het ergste

beducht werd. Ik drong er sterk op aan, dat zij mij op mijne vraag zou

antwoorden. „Vader,” zeide zij nu snikkende, „al wat ik zeggen kan, is

dat mijne zuster gisteren in haar beste kleed, en met haar schoonste

parelsnoer uitgegaan, en sedert niet teruggekomen is.” Ik liet door de

gansche stad naar mijne dochter zoeken, maar ik kon van haar ongelukkig

lot niets te weten komen. Intusschen beweende mijne oudste dochter hare

zuster dag en nacht; ongetwijfeld gevoelde zij berouw over hare in

woedende jaloezij begane misdaad, althans zij weigerde alle voedsel,

en maakte op die wijze een einde aan haar rampzalig leven.

Zie daar het lot der menschen. Gelukkig hij, wiens leven geene

aaneenschakeling van rampen is! Maar mijn zoon,” vervolgde hij, „want

als zoodanig beschouw ik u van dit oogenblik af, laat ons het ongeluk

als mannen dragen, en elkander zoo veel mogelijk trachten te troosten,

over hetgeen wij niet veranderen kunnen. Ik zal u mijne derde en jongste

dochter ten huwelijk geven, die van een geheel ander gedrag is, dan dat

hare zusters waren. Zij is niet alleen schoon, maar heeft een zoo zacht

en beminnelijk karakter, dat ik verzekerd ben, dat zij u gelukkig zal

maken. Gij zult zamen bij mij wonen, tot troost en vreugde in mijnen

ouderdom, en na mijnen dood zult gij mijne eenigste erfgenamen zijn.”

„Heer,” zeide ik tot den gouverneur, „ik ben verlegen over uwe goedheid,

en ik zal die nimmer genoeg kunnen erkennen.” „Spreek mij daar niet

van,” viel hij mij in de rede, „laat ons den tijd niet met woorden

verbeuzelen.” Dit gezegd hebbende, liet hij den kadi en getuigen

ontbieden, en nog dien zelfden dag werd ik met zijne dochter in den echt

verbonden.

De gouverneur vergenoegde zich niet alleen den juwelier, die mij valsch

beschuldigd had, te straffen, hij liet ook al zijne bezittingen, die

zeer groot waren, ten mijnen voordeele verbeurd verklaren. In één woord,

hij heeft mij lief als een eigen zoon, en gij zelf hebt gezien, hoe

verblijd hij over mijne herstelling is. Nog moet ik u zeggen, dat mijne

ooms iemand naar Egypte zonden om mij daar op te zoeken. Deze bode vond

mij op zijne terugreis, en stelde mij een' brief van hen ter hand. Mijn

ooms berigtten mij het overlijden van mijn' vader, en noodigden mij uit

te Moussoul te komen om zijne nalatenschap, die zeer aanzienlijk is, te

aanvaarden. Ik kon echter niet besluiten mijnen schoonvader te verlaten,

en heb derhalve aan den mij gezonden bode eene volmagt voor een' mijner

ooms ter hand gesteld, ten einde deze die zaak voor mij zou kunnen

regelen. Na al hetgeen ik u verhaald heb, hoop ik, dat gij mij de

onwellevendheid zult vergeven, dat ik gedurende mijne ziekte, als gij

mij den pols wildet voelen, u steeds de linkerhand aanbood in plaats

van de regter.”

* * * * *

Zie daar sire,” zeide de Joodsche geneesheer tot den sultan van Cachgar,

„wat mij de jonge man van Moussoul verhaalde. Ik bleef te Damaskus, zoo

lang de gouverneur leefde, maar na zijn overlijden, nog in den bloei

mijns levens zijnde, kreeg ik lust te gaan reizen. Ik trok door geheel

Perzië, een gedeelte van Indië en Tartarijë, en heb mij eindelijk in uwe

hoofdstad neêrgezet, waar ik mijn vak, zoo ver mij bekend is, steeds met

naauwgezetheid heb uitgeoefend.”

De sultan van Cachgar vond in deze geschiedenis meer behagen, dan in de

beide voorgaande verhalen. „Ik moet toestemmen,” zeide hij tot den Jood,

„dat hetgeen gij mij daar verteld hebt, verwonderlijk is, maar ronduit

gezegd, de geschiedenis van den gebogchelde, is dit in nog hoogere mate.

Reken er dus niet op dat ik u, met de anderen, het leven zal schenken;

ik zal u integendeel alle vier doen ophangen.” „Niet zoo haastig, sire,

als ik u bidden mag!” riep de snijder, terwijl hij vooruitdrong, en

zich voor den troon des sultans nederwierp. „Daar uwe majesteit op

vermakelijke geschiedenissen gesteld is, zal die, welke ik te verhalen

heb, haar zeker niet mishagen.” „Ik wil ook u nog wel aanhooren,” zeide

de sultan, „maar vlei u niet, dat ik u zal laten leven, tenzij gij mij

eene fraaijere geschiedenis mededeelt, dan die van mijnen hofnar.” De

kleêrmaker, als ware hij zeker van zijne zaak, nam met zelfvertrouwen

het woord op, en ving aldus aan.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 6 / 19 题