Ik maakte van deze gunstige gelegenheid gebruik, om haar de gevoelens
te doen kennen, die zij mij had ingeboezemd; doch, zoodra het woord
liefde over mijne lippen kwam, stond zij op, en ging heen zonder mij te
groeten, even als of zij zich beleedigd achtte door de verklaring, welke
ik haar gedaan had. Ik volgde haar met de oogen, zoo lang ik kon, en
daarop den koopman groetende, verliet ik zijn' winkel en den berestein,
zonder zelfs te weten, waarheen ik ging. Droomend voortgaande, voelde
ik, dat iemand mij aan de kleederen trok. Ik wendde mij om, en zag tot
mijne groote blijdschap voor mij de slavin van haar, die mijne gedachten
geheel bezig hield. „Mijne meesteres,” zeide de slavin, „de jonge dame,
met wie gij zoo even in den winkel gesproken hebt, wilde u nog iets
zeggen. Heb dus de goedheid mij te volgen.” Ik deed dit, en zij bragt
mij bij een' wisselaar, waar hare meesteres op mij wachtte.
Zij deed mij aan hare zijde plaats nemen. „Mijn waarde Heer!” zeide
zij, „laat het u niet bevreemden, dat ik u eenigzins overhaast verlaten
heb. Ik vond het niet goed, in tegenwoordigheid van dien onwellevenden
koopman een gunstig antwoord te geven op uwe vertrouwelijke mededeeling
van de teedere gevoelens, die ik u heb ingeboezemd. Doch, in plaats van
mij daardoor beleedigd te achten, heb ik u met genoegen aangehoord, en
ik beschouw het als een geluk, een' jongen man van uwe verdiensten tot
minnaar te hebben. Ik weet niet, welken indruk ik bij het eerste gezigt
op u maakte; doch dit kan ik u verzekeren, zoodra ik u zag, hadt gij
mijne genegenheid gewonnen. Sedert gisteren heb ik slechts aan u
gedacht, en dat ik dezen morgen zelve kwam om mijne schuld af te
doen, is wel een sterk bewijs, dat uw persoon mij niet mishaagt.”
„Mejufvrouw!” hernam ik, buiten mij zelven van liefde en van blijdschap,
„gij zoudt mij niets aangenamers kunnen zeggen. Niemand kan u meer
beminnen dan ik. Van het eerste oogenblik af dat ik u zag, werden mijne
oogen verblind door uwe bekoorlijkheden, en mijn hart gaf zich over
zonder wederstand te bieden.” „Laat ons,” viel zij mij in de rede, „den
tijd niet met nuttelooze woorden verkwisten; ik ben overtuigd van de
opregtheid uwer liefde, en gij kunt het van de mijne zijn. Wilt gij mij
de eer aandoen ten mijnent te komen? Of wenscht gij, dat ik bij u kom?”
„Mejufvrouw!” antwoordde ik, „ik ben hier vreemdeling en houd mijn
verblijf in eene khan, die de plaats niet is om eene dame van uwen rang
te ontvangen. Het is dus beter, dat gij mij uwe woning opgeeft, en dat
ik u daar kom bezoeken.” De dame stemde dit toe. „Overmorgen,” zeide
zij, „is het Vrijdag, kom dan des namiddags bij mij. Ik woon in de
straat der boetvaardigen; gij hebt slechts te vragen naar het huis van
den voormaligen opperste der emirs, Abandi Schamma, en ieder zal u
teregt wijzen.” Hierop namen wij afscheid, en ik bragt den volgenden
dag in het grootste ongeduld door.
Des Vrijdags stond ik zeer vroeg op, deed mijn beste kleed aan, en stak
eene beurs met vijftig goudstukken bij mij. Zoodra het middag was, klom
ik op den ezel, dien ik reeds daags te voren besproken had, en vertrok,
vergezeld door den eigenaar van dat dier. Toen wij in de straat der
boetvaardigen kwamen, zeide ik tot den ezelverhuurder, dat hij naar de
woning zou vragen, welke ik hem noemde. Men wees hem die, en hij bragt
er mij heen. Ik steeg voor de deur af, gaf hem een goed drinkgeld en
zeide, dat hij naauwkeurig acht moest geven op het huis, waar hij mij
gebragt had, en niet nalaten mij den volgenden morgen te komen afhalen,
om mij naar de khan van Masroun terug te brengen.
Ik klopte aan de poort, en kleine slavinnen, zoo blank als sneeuw,
openden de deur. „Kom binnen, Heer!” zeiden zij, „onze meesteres wacht
u met ongeduld. Sedert twee dagen heeft zij niet opgehouden over u te
spreken.” Ik trad den voorhof binnen, en zag daar een groot paviljoen,
waarheen men met zeven trappen opging, en dat door een traliewerk
gescheiden werd van een' heerlijken tuin. Behalve de boomen, die alleen
dienden om schaduw te geven, waren er een oneindig aantal vruchtboomen,
met rijp fruit beladen. Ik werd verrukt door het liefelijk gezang van
honderden vogels, die in kooijen van zilverdraad aan de takken der
boomen hingen. In het midden van den tuin was eene fontein, die in eene
vierkante marmeren kom stond, op welker hoeken vier vergulde draken
geplaatst waren, die uit hunnen muil water uitwierpen, nog helderder dan
kristal. Reeds deze prachtige hof gaf mij een hoog denkbeeld van den
rang en van het vermogen der dame, wier hart ik veroverd had. De beide
kleine slavinnen deden mij nu in eene prachtig gemeubelde zaal gaan,
en terwijl de eene heen ging om hare meesteres van mijne komst te
verwittigen, bleef de andere bij mij, en deed mij al het schoone van de
zaal opmerken.
Ik behoefde echter niet lang te wachten of de dame, welke ik beminde,
verscheen. De paarlen en diamanten, welke zij droeg, moesten achterstaan
bij den glans harer oogen. Hare ranke gestalte, thans achter geen'
nijdigen sluijer verborgen, scheen mij de schoonste ter wereld. Ik
zal niet spreken van de vreugde, die ons bezielde, toen wij elkander
wederzagen; ik zou u daarvan slechts een zeer flaauw denkbeeld kunnen
geven. Ik zeg u alleen, dat wij ons na den eersten welkomstgroet op
eene sofa plaatsten, en dat de tijd onder een aangenaam gesprek en de
teederste liefkozingen voorbij scheen te vliegen. Eindelijk zetten wij
ons aan eene tafel, die met de uitgezochtste spijzen, de fijnste wijnen
en de heerlijkste vruchten overladen was. Wij aten en dronken bij het
geluid van muzijk-instrumenten, welke de slavinnen met hare stemmen
begeleidden. Ook mijne beminde zong een lied, zoo teeder en schoon, dat
ik er geheel door betooverd werd. Zoo bragten wij den nacht met allerlei
genoegens door.
Den volgenden morgen nam ik afscheid van mijne beminde, na behendig
mijne beurs met vijftig goudstukken onder haar sofa-kussen gelegd te
hebben, zonder dat zij daarvan iets bemerkte. Zij vraagde mij, wanneer
ik dacht terug te komen. „Dierbare!” antwoordde ik, „indien het mij vrij
staat, nog dezen avond.” Zij scheen verrukt over mijn antwoord, deed mij
uitgeleide tot aan de deur, en toen wij scheidden, herinnerde zij mij op
den teedersten toon nog aan mijne belofte. De zelfde man, die mij daar
gebragt had, wachtte met zijn' ezel. Ik steeg op, en kwam in de kahn van
Masroun terug, zoo gelukkig, als iemand slechts zijn kan. Toen ik den
eigenaar van den ezel liet gaan, betaalde ik hem, ten einde te zekerder
te zijn, dat hij dien middag op het bepaalde uur terug zou komen, om mij
af te halen.
Zoodra ik in mijne herberg terug kwam, was mijne eerste zorg een lam en
vele soorten van wildbraad te laten koopen, dat ik door een' drager aan
het huis deed brengen van mijne beminde. Vervolgens hield ik mij met
mijne zaken bezig, tot dat de man met den ezel voorkwam. Wij vertrokken
onmiddelijk, en de dame ontving mij zoo mogelijk met nog meer liefde
en blijdschap dan den vorigen dag. Zij onthaalde mij ook niet minder
voortreffelijk, en toen ik haar den volgenden morgen verliet, verzuimde
ik niet weder eene beurs met vijftig goudstukken achter te laten.
Ik ging voort,” vervolgde de jonge koopman, „mijne minnares dagelijks
te bezoeken, en elken morgen liet ik haar eene beurs met vijftig
goudstukken. Dit duurde zoo lang, tot dat de kooplieden, aan welke ik
mijne stoffen ten verkoop had gegeven, en van wie ik getrouw twee malen
per week mijn geld ontving, mij niets meer schuldig waren. Toen bevond
ik mij eindelijk zonder geld, en wist niet, hoe dat te krijgen. Bijna
wanhopig verliet ik de khan en dwaalde zonder eenig bepaald doel rond,
tot dat ik bij het kasteel kwam. Hier zag ik eene groote menigte
menschen bijeen, en ik vernam dat de sultan van Egypte een schouwspel
zou geven. Ik voegde mij bij de menigte, en het toeval wilde dat ik
in de nabijheid van een ruiter te staan kwam, die zeer smaakvol was
uitgedost, en die aan den knop van zijn' zadel een' half geopenden
zak had, waaruit een zijden koordje hing. Toen ik mijne hand, als bij
toeval, op den zak liet rusten, kwam het mij voor, dat dit koordje
tot eene beurs behoorde, die zich daarin bevond. Terwijl ik hierover
nadacht, kwam er aan de andere zijde van den ruiter een houtdrager
voorbij, die eene zware vracht op zijn hoofd droeg, dit noopte mijn
buurman zich met het gelaat naar hem toe te keeren, ten einde zijn'
rijmantel niet aan het hout haken en scheuren zou. Nu werd ik door den
booze verzocht; ik nam het koordje in de eene hand, en met de andere den
zak open houdende, trok ik er de beurs uit, zonder dat dit door een' der
omstanders bemerkt werd. Zij was vrij zwaar, en ik twijfelde niet of er
was goudgeld in.
Toen echter de drager voorbij was, voelde de ruiter, die misschien
eenige verdenking op mij had, terstond in de zak, en de beurs missende,
gaf hij mij, zonder een woord te spreken, een' zoo hevigen slag met
zijne strijdbijl, dat ik op den grond viel. Allen, die deze daad van
geweld zagen, waren er over verontwaardigd. Sommigen grepen zijn paard
bij den teugel en vraagden hem, waarom hij mij had geslagen, en of het
geoorloofd was een' Muzelman dus te mishandelen. „Waar bemoeit gij u
mede,” sprak de ruiter barsch, „ik heb niet zonder reden dus gehandeld,
hij is een dief.” Bij deze woorden rigtte ik mij op, en mijn gunstig
voorkomen gaf aanleiding, dat ieder mijne partij koos, en dat men hem
voor een' leugenaar hield, daar men niet gelooven wilde, dat een jongman
van zulk een fatsoenlijk uiterlijk zich aan eene zoo slechte daad
zou schuldig maken. Wat de ruiter mogt inbrengen, zij beweerden, dat
ik onschuldig was, en zij hielden zijn paard tegen, ten einde mij
gelegenheid te geven om heen te gaan. Doch tot mijn ongeluk kwamen
juist politie-beambten voorbij, en een' hoop volk om den ruiter en mij
verzameld ziende, naderden zij, en vraagden wat er gaande was. Er ging
slechts ééne stem op ter beschuldiging van mijn' tegenstander, omdat hij
mij had mishandeld, onder voorwendsel van hem bestolen te hebben.
De politie-dienaren stoorden zich echter aan dit geschreeuw niet; zij
vraagden den ruiter, of hij niemand anders dan mij verdacht. „Neen,”
hernam hij, en gaf de redenen op, waarom hij juist mij voor den dief
hield. Het hoofd der politiewacht beval nu mij te grijpen en te
onderzoeken. Men deed gelijk hij bevolen had, en vond bij mij de beurs,
die men aan het volk toonde. Ik stierf bijna van schaamte, en viel in
zwijm. Het hoofd der wacht liet zich vervolgens de beurs brengen, en
vraagde aan den ruiter, of hij deze voor de zijne erkende, en hoeveel
geld er in moest zijn. Deze zag dadelijk dat het zijne beurs was, en
verzekerde dat er twintig sequinen in waren.—Een regter opende de
beurs, en daar hij er werkelijk twintig sequinen in vond, gaf hij een en
ander aan den eigenaar terug. Daarop deed hij mij voor zich brengen.
„Jongman!” sprak hij, „beken de waarheid; hebt gij deze beurs aan
den eigenaar ontnomen! Wacht niet, tot dat ik u door de pijnbank tot
bekentenis van uw misdrijf moet brengen.” Toen de oogen neêrslaande,
zeide ik bij mij zelven: „Zoo ik ontken, dan zal de beurs, die bij
mij is gevonden, tegen mij getuigen, en ik een leugenaar zijn.” Om nu
eene dubbele straf te ontgaan, rigtte ik het hoofd op, en beleed mijn
misdrijf. Naauwelijks had ik deze bekentenis afgelegd, of de regter gaf
last, dat men mij de regterhand, waarmede de misdaad bedreven was, zou
afkappen. Dit vonnis werd op staanden voet volbragt, en maakte het
mededoogen der toeschouwers, zelfs dat van den ruiter, gaande. De regter
wilde mij ook nog een' voet doen afhakken, maar ik bad den ruiter
genade voor mij te vragen; hij deed dit, en kreeg die.
Toen de wacht vertrokken was, naderde mij de bestolene. „Ik zie wel,”
zeide hij, mij de beurs aanbiedende, „dat het de nood is, die u eene
daad heeft doen bedrijven, zoo schandelijk en zoo onwaardig voor een
jongmensch van uw voorkomen. Zie hier de noodlottige beurs, ik schenk ze
u, en ik zou wenschen dat ik u ook uwe hand kon wedergeven.” Dit gezegd
hebbende, verliet hij mij, en daar het bloedverlies mij zeer verzwakt
had, namen eenige barmhartige lieden, die in de nabijheid woonden, mij
in huis op, en gaven mij een glas wijn te drinken. Zij verbonden ook
mijnen arm, en deden mijne afgekapte hand in een' linnen doek, dien zij
aan mijnen gordel vastmaakten, opdat ik die zou kunnen medenemen.
Ondertusschen wist ik niet, waarheen ik mij in dezen toestand zou
wenden; in de khan van Masrour kon ik de oppassing, waaraan ik behoefte
had, niet verwachten, en bij mijne minnares durfde ik ook niet gaan.
„Als zij met mijne schande bekend is,” dacht ik, „zal zij mij niet meer
willen kennen.” Echter trok mijn hart mij derwaarts; ik besloot tot haar
te gaan en moest het zijn, door haar veracht, te sterven. Ten einde mij
van de volksmenigte te ontslaan, ging ik door verscheidene afgelegen
straten en stegen, en zoo kwam ik, na een' langen weg afgelegd te
hebben, eindelijk aan het huis van de dochter des emirs. Ik was zoo
verzwakt en afgemat, dat ik dadelijk op eene sofa nederzeeg. Mijn'
regterarm hield ik onder mijn opperkleed verborgen, en droeg wel zorg
dien niet te laten zien. Naauwelijks had mijne beminde vernomen, dat ik
in haar huis was en mij ongesteld bevond, of zij ijlde naar mij toe, en
ziende, dat mijn gelaat bleek en geheel ontdaan was, zeide zij: „Mijn
waarde vriend, in welk een' toestand zie ik u! Ik bid u, zeg mij toch
wat u deert?” „Zware hoofdpijn,” gaf ik ten antwoord, de ware oorzaak
van mijne ongesteldheid verbergende. „Ziedaar wat mij kwelt en allen
lust beneemt.” Zij scheen hierover zeer bedroefd te zijn. „Ga toch weêr
zitten,” hernam zij, „en zeg mij hoe gij die hoofdpijn hebt gekregen. De
laatste keer, dat ik het genoegen had u bij mij te zien, waart gij nog
zoo wel. Er heeft zeker iets plaats gehad, dat gij voor mij tracht te
verbergen, zeg het mij vrij uit.” Ik zweeg hierop, en in plaats van te
antwoorden, vloeiden de tranen mij uit de oogen. „Ik begrijp niet,”
zeide zij, „wat u zoo kan bedroeven, heb ik daartoe misschien onwetend
reden gegeven? En komt gij thans hier om mij te zeggen, dat gij mij niet
meer bemint.” „Dat volstrekt niet,” hernam ik, zwaar zuchtende, „uwe
ongegronde verdenking verhoogt integendeel mijne smart.”
Ik kon niet over mij verkrijgen, haar de ware oorzaak mijner droefheid
te verklaren. Toen het avondeten werd opgedischt, verzocht zij, dat ik
mij aan tafel zou zetten, doch daar ik alleen de linkerhand tot mijn
gebruik had, verontschuldigde ik mij, voorgevende dat ik volstrekt
geenen eetlust gevoelde. „Gij zoudt daarover niet te klagen hebben,”
zeide zij, „indien gij mij mededeeldet hetgeen gij met zooveel
halstarrigheid voor mij verbergt. Dat gij geen eetlust hebt, spruit
ongetwijfeld nergens anders uit voort, dan uit de moeite die het u kost
openhartig te zijn.” „Helaas!” hernam ik, „ik zal daartoe wel moeten
besluiten!” Deze woorden had ik naauwelijks nog gesproken, of zij schonk
mij in, en zeide: „Neem dezen beker en drink; dat zal u moed geven.”
Toen ik den beker met de linkerhand had aangenomen,” vervolgde de jonge
man, „verdubbelde mijn schreijen en zuchten. „Wat doet u toch zoo
droevig weenen en klagen,” zeide mijne beminde tot mij, „en waarom neemt
gij den beker met uwe linker- en niet met uwe regterhand?” „Ach!” riep
ik, „ik bid u mij te verontschuldigen; ik heb aan mijne regterhand een
zeer pijnlijk gezwel.” „Laat mij dat gezwel eens zien,” hernam zij,
„opdat ik het doorsteke; dat zal de pijn verligten.” Ik verschoonde mij
daarvan, voorgevende dat het gezwel daartoe nog niet rijp was, en ik
dronk den beker, die zoo groot was, in eene teug ledig. De wijn deed in
den zwakken toestand, waarin ik mij bevond, weldra zijne werking; ik
werd er door bedwelmd en viel in eenen vasten slaap, die tot aan den
morgenstond voortduurde.
Mijne beminde, die weten wilde, wat ik aan mijne regterhand had, maakte
van deze gelegenheid gebruik om hare nieuwsgierigheid te bevredigen. Zij
ligtte de slip van mijn kleed, waaronder ik mijnen arm verborgen had,
op, en zag met ontzettende verbazing, dat mijne hand was afgekapt. Zij
begreep nu gemakkelijk, waarom ik zoo halstarrig geweigerd had, haar met
de ware oorzaak van mijn leed bekend te maken, en bragt den nacht door
met zich te bedroeven over mijn ongeluk, niet twijfelende of ik had mij
dit uit liefde tot haar op den hals gehaald.
Bij mijn ontwaken kon ik aan haar gezigt zien, dat zij den nacht
slapeloos en in de diepste droefheid had doorgebragt. Evenwel om mij
niet te bedroeven, sprak zij van niets. Zij deed mij eenige spijzen
toedienen, en dwong mij te eten en te drinken, opdat ik, zeide zij, de
krachten terug mogt krijgen, waaraan ik behoefte had. Daarna wilde ik
heengaan; maar zij hield mij bij mijn kleed terug. „Ik zal niet dulden,”
sprak zij, „dat gij van hier gaat. Ofschoon gij er mij niets van gezegd
hebt, ben ik overtuigd de oorzaak te zijn van het ongeluk dat gij u
berokkend hebt. De smart, die ik daarover gevoel, zal mij niet toelaten
lang meer te leven; maar vóór mijnen dood, moet ik nog ééne zaak
volbrengen, waartoe ik in uw belang heb besloten.” Daarop liet zij een'
kadi en getuigen komen, en deed eene acte opmaken, waarbij zij mij al
hare goederen vermaakte. Vervolgens opende zij een' groote koffer,
waarin zich al de beurzen bevonden, welke ik haar van het begin onzer
kennismaking af geschonken had. „Zij zijn hier nog allen in haar
geheel,” zeide zij, „ik heb er niet eene van geopend; zie hier den
sleutel van het koffer, gij zijt er meester over.” Ik bedankte haar voor
hare belangelooze edelmoedigheid. „Wat ik voor u doe,” antwoordde zij,
„is weinig, en ik zal niet te vreden zijn vóór dat ik sterf, om u een
bewijs te geven, hoezeer ik u bemin.” Ik bezwoer haar, bij alles wat
de liefde kan ingeven, een zoo noodlottig besluit te laten varen, maar
ik kon haar van dit denkbeeld niet terugbrengen; het verdriet, mij
éénhandig te zien, berokkende haar eene ziekte, waaraan zij na verloop
van vijf of zes weken bezweek. Ik was langen tijd ontroostbaar over
haar verlies, en het koren, dat gij de goedheid hebt gehad voor mij te
verkoopen, maakte een gedeelte uit van de goederen, die bij haren dood
in mijn bezit kwamen.
Hetgeen ik u heb medegedeeld,” besloot de jonge man van Bagdad, „moet
mij bij u verontschuldigen, dat ik met mijne linkerhand heb gegeten; ik
ben u zeer verpligt voor de moeite, die gij u om mijnentwil gegeven
hebt. Uwe trouw kan ik niet genoegzaam erkennen, en daar ik, hoe groot
ook mijne verteringen waren, Allah zij geloofd, nog goederen genoeg
bezit, verzoek ik u, de gelden, die gij onder uwe berusting hebt, als
een geschenk van mij aan te nemen. Bovendien, daar ik na het gebeurde
niet in Caïro kan blijven, en dit voor altoos wil verlaten, heb ik u nog
een voorstel te doen, of gij namelijk genegen zijt, mij op mijne reis te
vergezellen en voor gezamentlijke rekening handel te drijven?”
Dit voorstel,” vervolgde de Christen koopman, „was te voordeelig, dan
dat ik het niet met dankbaarheid aannam. Ik bedankte den jongen koopman
voor zijn geschenk en voor den prijs, dien hij op mijn gezelschap
stelde, terwijl ik hem verzekerde dat zijne belangen mij steeds even
dierbaar als die van mij zelven zouden zijn.
Wij stelden den dag tot ons vertrek vast, en toen deze aangebroken was,
begaven wij ons op weg. Na Syrië en Mesopotamië te zijn doorgetrokken,
doorreisden wij geheel Perzië, en na ons in verscheidene steden
te hebben opgehouden, zijn wij, sire, eindelijk in uwe hoofdstad
aangekomen. Eenigen tijd geleden gaf de jonge koopman mij te kennen, dat
hij plan had naar Perzië terug te keeren en zich aldaar te vestigen.
Wij maakten onze rekening op, en scheidden zeer voldaan over elkander.
Ziedaar de geschiedenis, die ik u had te vertellen: vindt uwe majesteit
ze niet wonderlijker, dan die van den gebogchelde?”
* * * * *
Op deze woorden berstte de sultan van Cachgar in toorn tegen den
Christen koopman los: „Gij zijt wel onbeschaamd mij eene geschiedenis te
durven verhalen, die mijne aandacht zoo weinig waardig is, en deze te
vergelijken met die van mijnen gebogchelde. Hoe kunt gij mij voorpraten,
dat de weinig beteekenende avonturen van een' jongen losbol wonderlijker
zijn dan die van mijnen hofnar? Om mij over zijnen dood te wreken, zal
ik u alle vier doen ophangen.”
Nu wierp de Muzelmansche koopman zich verschrikt voor de voeten des
sultans. „Sire,” sprak hij, „ik smeek uwe majesteit haren geregten toorn
te bedwingen, mij aan te willen hooren, en ons alle vier genade te
schenken, indien de geschiedenis, welke ik uwer majesteit zal vertellen,
boeijender is dan die van den bogchel?” „Ga uw' gang dan,” antwoordde de
sultan, „laat hooren!” De Muzelman nam nu het woord op, en verhaalde de
volgende geschiedenis.
GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN MUZELMANSCHEN KOOPMAN, MAGAZIJNMEESTER
VAN DEN SULTAN VAN CACHGAR.
„Sire, gisteren werd ik door een aanzienlijk heer alhier uitgenoodigd op
de bruiloft van eene zijner dochters. Ik bleef niet in gebreke, mij op
het bepaalde uur ten zijnent te begeven, en vond daar een gezelschap
van geleerden, raadslieden en andere zeer hooggeplaatste personen.
Na de gewone pligtplegingen werden wij aan tafel genoodigd, die met
de uitgezochtste geregten overladen was. Ieder at en dronk naar zijn
verlangen. Van alle spijzen vond een schotel met ragout, toebereid met
knoflook, eenen bijzonderen aftrek. Daar wij echter bemerkten, dat een
der gasten dien schotel onaangeroerd liet, ofschoon deze voor hem stond,
noodigden wij hem uit, ons voorbeeld te volgen en toe te tasten. „Ik
zal mij wel wachten,” antwoordde hij, „eenige ragout te proeven, die met
knoflook is toebereid; ik heb nog niet vergeten, wat mij het nuttigen
daarvan eens berokkend heeft.” De gastheer nam met deze verklaring
echter geen genoegen, en zeide: „Doet gij op deze wijze mijne tafel
eer aan? De ragout is uitmuntend, bewijs mij de gunst er van te eten,
zooals alle anderen, en wees niet zoo zonderling.” „Heer,” antwoordde de
gast, een koopman uit Bagdad, „geloof niet dat eene gril mij aldus doet
handelen; ik wil u wel gehoorzamen, indien gij het volstrekt wilt, doch
onder beding, dat ik daarna mijne handen veertig maal kan wasschen in
loogzout, veertig maal met de as van die zelfde plant, en even dikwijls
met zeep. Gij zult mij dit zonderlinge beding ten goede houden, indien
ik u zeg, dat ik door eenen eed gebonden ben geen knoflook te eten, dan
op de bovengenoemde voorwaarde.”
De gastheer, die den koopman van Bagdad niet wilde ontslaan om van
zijne ragout met knoflook te eten, gelastte een' zijner bedienden een
bekken met water en loogzout, een ander met as van de zelfde plant, en
een derde met zeep en water te brengen, ten einde zijn gast zich zou
kunnen wasschen, zoo dikwijls als hij mogt goedvinden. Vervolgens wendde
hij zich tot den koopman en zeide: „Doe als wij en eet. Het loogzout, de
as van de zelfde plant en de zeep zullen u niet ontbreken.”
De koopman, verstoord wegens den dwang die hem werd aangedaan, strekte
de hand uit, nam een klein stukje, dat hij bevende aan zijnen mond
bragt, en at dit met blijkbaren tegenzin op. Maar wat ons nog meer
verwonderde, wij bespeurden thans voor het eerst, dat hij slechts vier
vingers en geen' duim aan zijne hand had, waarop niemand onzer tot dus
verre gelet had, hoewel wij hem van andere spijzen hadden zien nemen.
De gastheer nam terstond het woord op: „Gij hebt geen' duim,” zeide
hij, „door welk toeval hebt gij dien verloren? Het komt mij voor, dat
dit bij eene vrij zonderlinge gelegenheid heeft plaats gehad, vreemd
genoeg om het gezelschap met het verhaal daarvan te vermaken.” „Heer,”
antwoordde hij, „niet slechts aan mijne regterhand, maar ook aan de
linker ontbreekt de duim!” Nu liet hij ons om zijne woorden te staven,
ook zijne linkerhand zien. „En dit is nog niet alles,” vervolgde hij,
„ook de groote teenen ontbreken aan mijne voeten. Gij kunt mij gerust
gelooven. De verminking heeft plaats gehad op eene tot dusverre
ongehoorde wijze, die ik, indien gij het geduld hebt mij aan te hooren,
bereid ben u te verhalen, en die evenzeer uwe verwondering als uw
medelijden zal opwekken. Doch veroorloof mij eerst mijne handen te
wasschen.” Dit zeggende, stond hij van tafel op, en na zich de handen
honderd twintig maal gewasschen te hebben, nam hij weder plaats, en
verhaalde ons zijne geschiedenis op de volgende wijze.
„Gij moet weten, mijne heeren, dat ik geboren ben te Bagdad, onder de
regeering van den kalif Haroun-al-Raschid. Mijn vader ging door voor
een' der rijkste kooplieden dier stad. Doch daar hij op grooten voet
leefde, zich aan vele buitensporigheden overgaf, en zijne zaken slecht
bestuurde, liet hij mij bij zijn overlijden, in plaats van een groot
vermogen, meer schulden dan geld na, zoodat ik met overleg en zuinigheid
te werk moest gaan, om zijne eer op te houden. Ik slaagde er echter in
al zijne nagelaten schulden te voldoen en door vlijt en oppassendheid
namen mijne zaken allengskens een' gunstigen keer.
Op zekeren dag, dat ik mijnen winkel opende, reed eene dame, op een'
muilezel gezeten en vergezeld door een' gesnedene en twee slavinnen,
voorbij. Zij hield in de nabijheid stil, en liet zich, geholpen door den
gesnedene die haar de hand bood, van haren ezel glijden. „Heb ik u niet
gezegd, mevrouw,” sprak deze tot haar, „dat wij te vroeg zouden komen;
gij ziet dat er nog niemand op den berestein is; indien gij mij hadt
willen gelooven, zoo zoudt gij u de moeite hebben gespaard van te moeten
wachten.” Zij zag overal rond, en bemerkende dat er werkelijk nog geen
enkele winkel buiten de mijne geopend was, naderde zij, groette mij en
verzocht ten mijnent te mogen uitrusten, tot dat de kooplieden gekomen
zouden zijn. Ik beantwoordde haren groet met de verschuldigde
beleefdheid.
De dame zette zich in mijnen winkel neder, en bespeurende dat er, buiten
mij en den gesnedene, geen enkele man op den berestein was, ontsluijerde
zij haar gelaat om lucht te scheppen. Van bewondering opgetogen over
hare schoonheid, kon ik van dat oogenblik af mijne oogen niet meer van
haar afwenden. Ook dacht mij, dat mijne oplettendheid en bewondering
haar niet ongevallig waren, want eerst toen de vrees van door anderen
gezien te worden haar daartoe verpligtte, bedekte zij haar gelaat.
Nadat zij haren sluijer had laten vallen, gaf zij mij te kennen, dat
zij eenige zeer schoone en rijke stoffen zocht, welke zij mij opnoemde,
vragende of ik daarvan voorzien was. „Helaas, mevrouw,” antwoordde
ik, „ik ben een nog jong koopman, die zijne zaken eerst kort geleden
begonnen heeft, niet rijk genoeg een' zeer grooten voorraad op te slaan.
Het is voor mij eene groote teleurstelling, niets in mijnen winkel te
hebben, van hetgeen gij op den berestein zoekt, doch ten einde u de
moeite te besparen om van magazijn tot magazijn te gaan, zal ik met uw
goedvinden, zoodra de kooplieden er zijn, de stoffen, die gij verlangt,
bij hen halen. Zij zullen mij den naasten prijs opgeven, en gij kunt
hier uwe inkoopen doen, zonder dat gij er een' voet verder om behoeft te
verzetten.” Zij stemde hierin toe, en ik had een onderhoud met haar, dat
zoo lang duurde als ik haar kon doen gelooven, dat de kooplieden, bij
wie ik mij moest vervoegen, zich nog niet op den berestein bevonden.
Ik was niet minder opgetogen over hare geestelijke vermogens dan over
haar schoon gelaat; doch eindelijk moest ik dit genoegelijk onderhoud
afbreken. Ik ging de stoffen halen, welke zij mij had opgenoemd, en toen
zij daaruit naar haar genoegen eene keus had gedaan, maakten wij den
prijs op, welk eene waarde bedroeg van vijf duizend zilveren drachmen.
Van het door haar gekochte werd een pak gemaakt, en zulks aan den
gesnedene gegeven, die het onder zijnen arm nam. De dame stond nu op,
nam afscheid van mij en vertrok. Ik volgde haar met mijne oogen, tot dat
zij de poort van den berestein bereikt, en haren muilezel bestegen had.
Zoodra zij echter uit mijn gezigt verdwenen was, bemerkte ik, dat de
liefde mij eene groote fout had doen begaan. Mijn geest was daardoor
zoo in verwarring gebragt, dat ik er niet eens op had gelet, dat zij
heenging zonder mij te betalen, en dat ik haar zelfs niet gevraagd had,
wie zij was of waar zij woonde. Ik zag evenwel in, dat ik jegens
verscheidene kooplieden voor eene aanzienlijke som verantwoordelijk
was, en dat zij er misschien niet best mede gediend zouden zijn, lang
naar hun geld te wachten. Ik ging mij daarom bij hen zoo goed mogelijk
verontschuldigen, zeggende, dat de dame zeer goed bij mij bekend was.
Zoo kwam ik in mijnen winkel terug, even verliefd, als bezwaard over
mijne groote schuldvordering aan eene mij geheel onbekende schoone.
Ik had, mijne heeren,” vervolgde de koopman van Bagdad, „mijne
schuldeischers verzocht, acht dagen geduld te hebben. Toen de achtste
dag daar was, bleven zij niet in gebreke bij mij op voldoening aan te
dringen. Ik bad hen mij nogmaals een uitstel van ééne week te verleenen,
waarin zij eindelijk bewilligden. Doch reeds den volgenden dag, zag ik
de dame op haren muilezel gezeten aankomen, op het zelfde vroege uur als
den voorgaanden keer.
Zij ging regt op mijnen winkel aan. „Ik heb u een weinig laten wachten,”
zeide zij, „maar eindelijk breng ik u het geld voor de stoffen, die ik
voor eenige dagen heb medegenomen; zend het naar den wisselaar, opdat
hij zien moge of de munt goed is en de som uitkomt.” Ik begaf mij met
den gesnedene derwaarts, en bevond dat de rekening in orde was. Daarna
smaakte ik andermaal het geluk, mij met de dame te onderhouden, tot dat
al de winkels op den berestein geopend waren. Hoewel ons gesprek slechts
over dagelijksche zaken liep, wist zij daaraan echter eene geheel nieuwe
wending te geven, waaruit mij bleek, dat ik bij ons eerste onderhoud
juist geoordeeld had, en dat zij uitmuntende verstandelijke vermogens
bezat.
Toen de andere kooplieden hunne winkels geopend hadden, haastte ik
mij, mijne schulden af te doen, en het kostte mij geene moeite hen te
bewegen, mij weder andere stoffen toe te vertrouwen, waarnaar de dame
mij gevraagd had. Ik nam daarvan voor duizend goudstukken, en de schoone
koopster liet deze andermaal wegdragen, zonder te betalen en zonder mij
iets te zeggen of zich bekend te maken. Dit verwonderde mij, want van
hare zijde waagde zij niets, terwijl zij mij liet borg blijven bij de
kooplieden, zonder dat ik de minste zekerheid van betaling had. Het is
waar, zij had mij eene aanzienlijke som voldaan, maar die zij mij
schuldig bleef, was nog veel grooter. Mogt het eene bedriegster zijn, en
zij de eerste som slechts hebben betaald om mij te beter op te ligten,
dan was ik een verloren man, want de kooplieden kenden haar niet, en
zouden zich alleen aan mij houden. Hoe sterk ook mijne liefde was,
kon ik toch dergelijke onrustwekkende gedachten niet geheel van mij
afzetten, en toen er nu eene volle maand verliep, zonder dat de dame
iets van zich liet hooren of zien, begon ik wezentlijk te denken, dat
zij mij had afgezet.
De kooplieden verloren hun geduld: zij verklaarden niet langer te willen
wachten, en ik stond op het punt al het mijne te verkoopen, ten einde
hunne schuldvorderingen te voldoen, toen de dame eindelijk weder op een'
vroegen morgen aan mijnen winkel kwam. „Neem uw goudgewigt,” zeide zij
bij het inkomen, „om het goud te wegen, dat ik voor u heb medegebragt.”
Deze woorden maakten een einde aan mijne vrees, en deden mijne liefde
verdubbelen. Alvorens mij de goudstukken toe te tellen, deed zij mij
onderscheidene vragen, onder anderen of ik reeds gehuwd was, waar ik
ontkennend op antwoordde. Toen gaf zij het goud aan den gesnedene, en
zeide tot hem: „Verleen mij uwe bemiddeling om onze zaak af te doen.”
De gesnedene begon te lagchen, en mij ter zijde nemende, liet hij mij
het goud wegen. Terwijl ik hiermede bezig was, fluisterde hij mij in
het oor: „Vergis ik mij niet, dan bemint gij mijne meesteres, en het
verwondert mij, dat gij den moed niet hebt, haar dit te zeggen; want
zij bemint u niet minder sterk dan gij haar. Geloof niet, dat zij uwe
stoffen noodig heeft, zij komt nergens anders om hier, dan omdat zij in
eene vurige liefde voor u ontstoken is. Daarom ook vroeg zij u, of gij
gehuwd waart. Gij behoeft slechts te spreken, en indien gij wilt, zal
het alleen van u afhangen, haar tot vrouw te hebben.” „Ik zal niet
ontkennen,” antwoordde ik hem, „dat ik reeds van het eerste oogenblik,
dat ik haar zag, liefde voor uwe meesteres heb opgevat, maar ik durfde
niet op het geluk hopen, haar te zullen behagen. Ik ben intusschen
geheel ter harer beschikking; wat zij wenscht, zal steeds mijn' wensch
zijn; en wat u betreft, de tijd zal komen, dat ik de dienst, die gij mij
thans bewijst, dankbaar zal weten te vergelden.” Ik ging inmiddels voort
het goud te wegen, en terwijl ik dit weder in den zak deed, wendde de
gesnedene zich tot zijne meesteres, en zeide tot haar, dat ik voldaan
was. Dit was het woord dat zij met elkander afgesproken hadden; de dame
stond op en vertrok, terwijl zij mij toevoegde, dat zij den gesnedene
tot mij zou zenden, en ik niets anders te doen had, dan na te komen,
hetgeen hij mij uit haren naam zeggen zou.
Zoodra de dame vertrokken was, bragt ik aan de kooplieden het goud,
dat ik hun schuldig was, en gedurende eenige dagen zag ik met groot
verlangen de komst van den gesnedene te gemoet. Eindelijk kwam hij. Ik
bewees hem de meest mogelijke vriendschap, en vroeg met belangstelling
naar tijding van zijne meesteres. „Gij zijt,” antwoordde hij, „de
gelukkigste der minnaars, want zij is ziek van liefde. Zij hijgt van
verlangen om u te zien, en indien zij over hare handeling vrij kon
beschikken, zou zij u komen opzoeken, en met vreugde haar geheele leven
bij u doorbrengen.” „Ik kon wel merken,” hernam ik, „dat zij van eene
aanzienlijke familie is.” „Hierin hebt gij u niet bedrogen,” antwoordde
de gesnedene, „zij is de eerste gunstelinge van Zobeïde, de gemalin van
den kalif, welke haar te meer lief heeft, omdat zij haar van hare
kindschheid af heeft opgevoed. Zij verlaat zich geheel op haar bij alle
inkoopen, die zij doen wil. Omtrent haar plan van te huwen, heeft zij
aan de gemalin van den beheerscher der geloovigen te kennen gegeven, dat
zij de oogen op u heeft laten vallen, en hare toestemming gevraagd.
Zobeïde heeft haar geantwoord, dat zij er in bewilligde, maar dat zij u
eerst wilde zien om te kunnen beoordeelen, of hare gunstelinge eene
goede keuze had gedaan, terwijl zij in dat geval de kosten van haar
huwelijk dragen, en voor haren uitzet zorgen zou. Gij kunt daarom van uw
geluk zeker zijn. Daar gij aan de favorite behaagt, zult gij dit ook aan
hare meesteres, want deze wil niets anders dan haar genoegen geven, en
hare keuze geheel vrij laten. Gij hebt u dus slechts naar het paleis te
begeven, en ik heb last u daartoe uit te noodigen; neem nu een spoedig
besluit.” „Dat is reeds genomen,” sprak ik, „ik ben bereid u overal
te volgen, waar gij mij wilt heen brengen.” „Dat is in zoo verre goed
en wel,” hernam de gesnedene, „maar gij weet, dat het aan geen' man
geoorloofd is, in de vrouwenvertrekken van het paleis te vertoeven. De
favorite heeft hare maatregelen genomen om er u in het geheim binnen
te brengen; doch van uwen kant wordt voorzigtigheid en geheimhouding
vereischt, daar bij eene ontdekking uw leven op het spel staat.”
Ik verzekerde hem dat ik alles zou nakomen, wat mij bevolen werd. „Zorg
dan,” zeide hij, „heden met het vallen van den avond in de moskee te
zijn, welke Zobeïde aan den oever van den Tigris heeft laten bouwen, en
blijf daar tot dat men u komt halen.” Ik bewilligde in alles wat hij
verlangde, zag den avond met ongeduld te gemoet, en vertrok zoodra het
donker begon te worden. Ik woonde het avondgebed in de moskee bij, en
bleef daar, nadat reeds alle geloovigen vertrokken waren.
Weldra zag ik eene boot naderen, die door gesnedenen geroeid werd. Zij
landden en bragten onderscheidene groote koffers in de moskee, waarna
zij op één na weder vertrokken, in wien ik weldra den mij bekenden
gesnedene herkende. Vervolgens zag ik ook de dame binnen komen. Ik ging
haar te gemoet, en betuigde haar dat ik gereed was hare bevelen te
ontvangen. „Wij hebben geen' tijd te verliezen,” gaf zij ten antwoord,
opende een' der koffers en beval mij daarin te gaan liggen. „Dit,”
voegde zij er bij, „is noodig tot ons beider veiligheid. Vrees niet,
en laat verder alles aan mij over.” Ik was te ver gegaan, om terug te
treden en deed dus zoo als mij gezegd werd. Zij sloot den koffer, en
stak den sleutel bij zich. De gesnedene, haar vertrouwde, riep nu de
anderen terug; liet hen den koffer weder in de boot dragen, en scheepte
zich met zijne meesteres in. Naauwelijks was deze aan boord, of de
roeijers stelden zich in beweging, om mij naar het verblijf van Zobeïde
te brengen.
Gedurende dit watertogtje maakte ik in mijnen koffer de ernstigste
opmerkingen, en het gevaar waarin ik verkeerde in overweging nemende,
had ik berouw mij daaraan te hebben blootgesteld. Ik bad en deed
geloften van niet weder zoo dwaas te zullen zijn; maar deze kwamen te
laat: ik was nu eenmaal in het schuitje en moest mij laten roeijen.
De boot legde bij de Waterpoort van het paleis des kalifs aan; en de
koffers werden naar binnen gedragen in het vertrek van den opperste der
gesnedenen, die belast was niets den harem te laten binnen gaan, zonder
een gestreng onderzoek. Deze officier had zich reeds ter rust begeven;
men moest hem dus gaan wekken. Ontstemd, omdat men hem in zijnen slaap
gestoord had, beknorde hij de favorite, dat zij zoo laat terugkwam. „Gij
zult er,” zeide hij, „zoo gemakkelijk niet afkomen, als gij u welligt
voorstelt; niet een van deze koffers zal doorgaan, voor dat ik ze heb
doen openen en den inhoud onderzocht.” Te gelijker tijd beval hij den
gesnedenen, ze stuk voor stuk bij hem te brengen. Zij maakten een begin
met den koffer, waarin ik mij bevond, namen dien op, en bragten ze voor
hem. Bij deze handelwijze werd ik door een' onuitsprekelijken schrik
bevangen; ik dacht dat het laatste oogenblik mijns levens daar was.
De gunstelinge, welke den sleutel in haar bezit had, weigerde dien af
te geven, en betuigde niet te zullen dulden, dat deze koffer geopend
werd. „Gij weet zeer goed,” zeide zij, „dat ik niets laat komen dan
voor Zobeïde, uwe en mijne meesteres, en deze koffer in het bijzonder
bevat kostbaarheden, welke mij door nieuw aangekomen kooplieden zijn
toevertrouwd. Ook zijn er eenigen flesschen in met water uit de bron
Zemzem, van Mekka naar hier gebragt. Zoo iemand het ongeluk had, daar
eene van te breken, dan zouden de andere koopwaren daardoor bedorven
worden, en gij er verantwoordelijk voor zijn. De gemalin van den
beheerscher der geloovigen zou zich weten te wreken over uw beleedigend
wantrouwen.” Om kort te gaan, zij sprak op een' zoo fermen toon, dat de
opperste der gesnedenen den moed niet had, op het openen der koffers
verder aan te houden, ofschoon hij ten dien aanzien in zijn goed regt
was. „Laat ze dan doorgaan,” sprak hij in toorn, „ga!” Men opende nu het
verblijf der vrouwen, en droeg er al de koffers binnen.
Naauwelijks was dit geschied, of ik hoorde roepen: „De kalif, de kalif!”
Dit deed mijnen angst zoo hoog klimmen, dat het mij nog dikwijls
verwondert, toen niet van schrik te zijn gestorven. Intusschen kwam de
kalif werkelijk. „Wat brengt gij toch in die koffers hier binnen?” vroeg
hij aan de favorite. „Beheerscher der geloovigen,” antwoordde zij, „het
zijn nieuw aangekomen stoffen, welke de gemalin van uwe majesteit
wenscht te bezigtigen.” „Doe open,” hernam de kalif haastig, „ik moet
die ook eens zien.” Zij wilde zich verontschuldigen, door op te merken
dat de koffers slechts vrouwenzaken bevatten, en hij daardoor zijne
gemalin van het vermaak zou berooven, er hem mede te verrassen. „Doe,
wat ik u gezegd heb,” hernam de kalif, „ik beveel het!” Nogmaals hield
zij hem voor, dat indien zijne majesteit haar hiertoe dwong, zij dan
aan hare verpligting omtrent hare meesteres te kort deed en haren toorn
te vreezen zou hebben. „Neen!” hernam hij, „ik beloof u, dat zij u
deswegens niet het minste verwijt zal doen. Open de koffers en laat mij
niet langer wachten.”
Zij moest gehoorzamen, en ik verkeerde in eene vreeselijke spanning en
angst. De kalif zette zich neder, en de favorite liet alle koffers, den
eenen na den anderen, voor hem brengen, en sloot die open. Ten einde dit
werk op de lange baan te schuiven, maakte zij hem opmerkzaam op de
schoonheid van ieder stuk, dat zij ontpakte. Zij wilde op die wijze zijn
geduld uitputten, doch dit mislukte haar.
Daar echter haar belang, even zeer als het mijne, vorderde, den koffer
niet te openen, waarin ik mij bevond, maakte zij ook geene haast dezen
te laten voorbrengen, doch ook dit baatte niet. „Laat ons gedaan maken,”
sprak de kalif, „en nog zien wat deze laatste kist bevat.” Ik gevoelde
op dat oogenblik naauwelijks meer of ik nog leefde, dan reeds dood was,
het dreigende gevaar verpletterde mij.
Toen de gunstelinge van Zobeïde zag,” vervolgde de koopman van Bagdad,
„dat de kalif volstrekt begeerde, dat zij den koffer, waarin ik was, zou
openen, zeide zij: „Wat eindelijk nog deze koffer betreft, zoo moet ik
uwe majesteit smeeken, mij de gunst toe te staan, die niet te openen,
dan in tegenwoordigheid van mijne meesteres. Er zijn zaken in, waarmede
zij eene verrassing voorheeft, die ik niet mag openbaren.” „Dat zij
dan zoo,” sprak de kalif, „ik ben thans voldaan; laat den koffer
wegbrengen.” Zij liet dien nu dadelijk opnemen en op hare kamer
plaatsen. Hier begon ik weder vrijer adem te halen.
Zoodra de gesnedenen, die den koffer gedragen hadden, waren heên
gegaan, haastte mijne beminde zich hem te ontsluiten. „Kom” sprak zij,
mij met den vinger naar de deur van eene bovenkamer wijzende, „klim
dien trap op en blijf mij daar wachten.” Zij sloot de deur achter mij
digt, en niet zoodra was dit geschied, of de kalif trad binnen en zette
zich op den zelfden koffer neder, welke ik een oogenblik te voren
verlaten had. De aanleiding tot dit bezoek kwam echter voort uit eene
nieuwsgierigheid, waarbij ik niet betrokken was. De monarch wilde aan
de favorite eenige vragen doen, over hetgeen zij in de stad gezien en
opgemerkt had. Dit onderhoud duurde eenen geruimen tijd. Eindelijk stond
hij op, en begaf zich naar zijn vertrek.
Naauwelijks was de gunstelinge van Zobeïde vrij in hare handelingen of
zij kwam mij opzoeken, en verontschuldigde zich wegens al de angsten,
welke zij mij had veroorzaakt. „Mijne bezorgdheid,” zeide zij tot mij,
„was niet minder groot dan de uwe zijn kon. Gij behoeft daaraan niet te
twijfelen, want ik leed voor u en voor mij zelve, daar wij bij eene
ontdekking een gelijk gevaar liepen. Menigeen zou in mijne plaats den
moed niet gehad hebben, om zich uit eene zoo netelige zaak te redden.
Er behoorde daartoe niet minder onverschrokkenheid dan tegenwoordigheid
van geest; of liever, men moet eene liefde hebben, zoo als ik u die
toedraag, ten einde daarin de kracht te putten, om uit zulk eene
ongelegenheid te geraken. Doch stel u gerust, er is thans niets meer te
vreezen.” Na een teeder onderhoud van meer dan een uur, zeide zij: „Het
is thans tijd, dat gij rust neemt, ga dus te bed. Ik zal niet in gebreke
blijven u morgen aan Zobeïde, mijne meesteres, voor te stellen. Zij
heeft den dag geheel vrij, want de kalif bezoekt haar alleen 's avonds.”
Hierdoor gerustgesteld, sliep ik dien nacht vrij goed, en werd mijn'
slaap nu en dan gestoord, het waren slechts aangename beelden, die mij
bezig hielden, mij ingegeven door de hoop, weldra in het gerust bezit
te zullen zijn van eene gade, die zoo schoon en zoo verstandig was.
Den volgenden morgen kwam de gunstelinge van Zobeïde reeds vroegtijdig,
ten einde mij te onderrigten, hoe ik mij in tegenwoordigheid van hare
meesteres moest gedragen. Zij stelde mij de vragen voor, welke deze
waarschijnlijk tot mij rigten zou, en gaf mij de daarop passende
antwoorden in den mond. Na dit onderrigt bragt zij mij in eene zeer
prachtige zaal. Ik was daar nog niet lang geweest, toen twintig reeds
bejaarde, doch rijk gekleede slavinnen uit het vertrek van Zobeïde, dat
aan de zaal grensde, binnentraden. Zij schaarden zich aan twee rijen ter
zijde van den troon, die zich in het midden der zaal bevond. Twintig
andere jonge slavinnen, die op gelijke wijze doch smaakvoller gekleed
waren, volgden haar. Te midden van deze laatsten bevond zich Zobeïde,
kenbaar aan hare majestueuse gestalte, en door een schat van paarlen en
edelgesteenten, welke zij droeg. Zij nam plaats op den troon, en mijne
beminde bleef aan hare regterzijde staan, terwijl de overige slavinnen
zich op een' eerbiedigen afstand hielden.
Zoodra de gemalin van den beheerscher der geloovigen zich op den troon
had gezet, gaven de slavinnen, die het eerst in de zaal waren gekomen,
mij een teeken, dat ik nader moest treden. Ik ging door de beide rijen
welke zij vormden en mij voor den troon nederwerpende, raakte ik met
mijn hoofd het tapijt aan, waarop de voeten van de vorstin rustten. Zij
beval mij op te staan, en bewees mij de eer naar mijnen naam, naar mijne
familie en naar den staat van mijn vermogen te vragen, waaraan ik zeer
ten haren genoegen voldeed. „Ik ben zeer verblijd,” zeide zij, „dat
mijne dochter, want als zoodanig beschouw ik haar, eene keus gedaan
heeft, waarover ik tevreden kan zijn; en geef dus mijne toestemming tot
uw huwelijk. Ik zelve zal de toebereidselen voor uwe bruiloft in orde
doen maken; maar vooraf gevoel ik behoefte mijne dochter nog tien dagen
alleen te bezitten. Inmiddels zal ik met den kalif spreken, en zijne
toestemming tot uw huwelijk verwerven. Gij kunt zoo lang hier blijven,
men zal zorg voor u dragen.” Ik bleef dus tien dagen in den harem van
den beheerscher der geloovigen verborgen, en moest gedurende al dien
tijd het bijzijn van de gunstelinge missen. Men onthaalde mij echter op
hare bevelen zoo goed, dat ik overigens alle reden tot tevredenheid had.
Zobeïde onderhield intusschen den kalif over haar voornemen, om hare
favorite uit te huwelijken. Deze liet haar daarin geheel vrij, en stond
bovendien eene zeer groote som als huwelijks uitzet toe. Toen de tien
dagen verloopen waren, deed Zobeïde het huwelijks-kontrakt opmaken,
en de toebereidselen voor de bruilofts-dagen in orde brengen. De
muzijkanten, dansers en danseressen werden ontboden, en gedurende negen
dagen heerschte er in het paleis eene onafgebroken vreugde. Op den
tienden dag, die tot sluiting van het huwelijksfeest bestemd was, bragt
men mijne aanstaande en mij, ieder in een bad. Tegen den avond werd ons
een soupée voorgezet, bestaande uit de keurigste geregten, waaronder ook
eene ragout voorkwam, die even als deze met knoflook was toebereid. Zij
smaakte mij zoo lekker, dat ik de andere spijzen bijna onaangeroerd
liet. Maar van tafel opstaande, droogde ik tot mijn groot ongeluk alleen
mijne handen af, in plaats van die te wasschen, een verzuim waaraan ik
mij nooit te voren had schuldig gemaakt.
Intusschen werden de feestelijkheden voortgezet. Alles was prachtig
verlicht. De muzijk liet zich hooren, men danste en rigtte spelen aan,
en het geheele serail weêrgalmde van vreugdekreten. Men bragt mij en
mijne vrouw in eene groote zaal, waar men ons op twee troonen deed
plaats nemen. Slavinnen deden mijne echtgenoote onderscheidene malen van
kleed verwisselen, en blanketten haar gelaat op verschillende wijzen,
zoo als dit op den huwelijksdag gebruikelijk is; telken male als zij van
gewaad veranderd had, kwam men haar aan mij voorstellen.
Nadat al deze plegtigheden waren afgeloopen, bragt men ons in de
bruidskamer. Zoodra wij ons daar alleen bevonden, naderde ik mijne
echtgenoote om haar te omhelzen; maar in plaats van mijne liefde te
beantwoorden, stootte zij mij met kracht van zich af, en slaakte zulke
vreeselijke kreten, dat weldra al de vrouwen van den harem kwamen
toeschieten, om te vernemen wat haar deerde. Wat mij betreft, mijne
verbazing was zoo groot, dat ik de kracht niet had, naar de oorzaak
van dit zonderlinge gedrag mijner gade te vragen; ik dacht, dat zij
plotseling krankzinnig was geworden. „Lieve zuster!” zeiden de vrouwen,
welke kwamen binnenstroomen, „wat is u toch overkomen in de weinige
oogenblikken sedert wij u verlaten hebben? Zeg het ons, opdat wij u
helpen mogen.” „Neemt,” schreeuwde zij, „dien onwellevenden man van voor
mijne oogen weg!” „Maar! mevrouw,” sprak ik, „waardoor heb ik het
ongeluk gehad uwen toorn op mij te laden?” „Gij zijt zeer onwellevend,”
antwoordde zij in woede, „gij hebt knoflook gegeten, en uwe handen niet
gewasschen! Gelooft gij, dat ik zoo iemand tot man wil hebben? Werpt
hem op den grond,” vervolgde zij, zich tot de vrouwen wendende, „en dat
men mij een bollepees brenge!” De slavinnen grepen mij aanstonds aan,
wierpen mij ter neder, en terwijl sommigen mij bij de armen, anderen bij
de voeten vasthielden, sloeg mijne vrouw, welke op hare wenken bediend
was geworden, mij aller ongenadigst met den bollepees, zoo lang, tot
haar de krachten ontbraken. Toen zeide zij tot de vrouwen: „Nu weg met
hem naar den regter, opdat deze hem de hand, waarmede hij
knoflook-ragout heeft gegeten, doe afhouwen.”
Op deze woorden, riep ik uit: „Groote Profeet! Ik ben gevoelloos en
verbrijzeld door de ontvangen slagen, en tot overmaat van leed,
veroordeelt men mij nog, om de hand te worden afgehouwen! En waarom?
Omdat ik van eene knoflook-ragout gegeten en verzuimd heb, mijne handen
te wasschen. De drommel moge de knoflook-ragout halen! Verwenscht zij de
kok, die ze toebereid, en hij die ze mij voorgediend heeft!”
Al de vrouwen,” vervolgde de koopman van Bagdad, „die mij duizend slagen
met den bollepees hadden zien toedienen, gevoelden medelijden met mij,
toen zij hoorden zeggen, dat mij ook nog de hand zou worden afgekapt.
„Lieve zuster,” zeiden zij tot mijne vrouw, „gij drijft uwe gevoeligheid
te ver. Deze man heeft, het is waar, getoond dat hij zich niet
betamelijk weet te gedragen, hij heeft de achting vergeten, welke
hij aan eene dame van uwen rang verschuldigd is; maar wij smeeken u,
daar verder geen acht op te slaan, en hem te vergeven.” „Ik ben nog
niet voldaan,” hernam mijne vrouw, „ik wil dat hij zal leeren, zich
behoorlijk te gedragen, en dat het hem altoos zal heugen ragout met
knoflook te hebben gegeten, zonder daarna zijne handen te wasschen.” De
vrouwen lieten zich echter door deze weigering niet afschrikken; zij
wierpen zich voor hare voeten en kusten hare hand. „In naam van Allah,”
zeiden zij, „matig uwen toorn, en sta ons de gunst toe, die wij van u
verzoeken” Mijne echtgenoote antwoordde niet, maar zich oprigtende,
wierp zij mij duizend beleedigingen naar het hoofd, en verliet in
gramschap de kamer. Al de vrouwen volgden haar, en lieten mij alleen
achter in een' zeer beklagenswaardigen toestand, daarbij de vrees
koesterende, dat mijne vrouw ook hare laatste bedreiging verwezentlijken
zou.
Gedurende tien dagen zag ik niemand dan eene oude slavin, welke mij te
eten bragt. Ik vroeg haar naar mijne vrouw. „Zij is ziek,” beet mij
de oude slavin in het oor, „van den vergiftigen reuk, dien gij haar
hebt doen inademen. Waarom hebt gij geene zorg gedragen uwe handen te
wasschen, na eene ragout van knoflook te hebben gegeten?” „Is het
mogelijk,” dacht ik bij mij zelven, „dat die dames zoo fijngevoelig
zijn, en tevens zoo wraakzuchtig over een zoo gering vergrijp?” Mijne
liefde was echter zoo groot, dat ik mijne vrouw, hoe wreed zij ook
jegens mij gehandeld had, beklaagde, nu ik vernam dat zij ziek was.
Op zekeren dag zeide de slavin tot mij: „Uwe gade is genezen, zij gaat
heden naar het bad, en heeft mij gezegd, dat zij u morgen zal komen
zien. Heb dus tot zoo lang geduld, en denk er om, u in alles naar haren
wensch te voegen, want zij is deugdzaam, verstandig en zeer bemind bij
al de dames, welke onze veel geachte meesteres, Zobeïde, omgeven.”
Inderdaad des anderen daags kwam mijne vrouw bij mij. „Ik moet wel zeer
goed zijn,” zeide zij tot mij, „u nog te komen zien, na de beleediging,
welke gij mij hebt aangedaan. Maar ik kan er niet toe besluiten mij
geheel met u te verzoenen, vóór dat ik uw vergrijp naar verdienste
gestraft zal hebben.” Dit zeggende, klapte zij in de handen, en beval
aan de vrouwen, die binnenkwamen, mij op den grond te werpen en stevig
aan handen en voeten te binden. Nu nam zij een scheermes, en had de
wreedheid mij eigenhandig de beide duimen en de groote teenen af te
snijden. Eene der vrouwen bediende zich van een zeker kruid, dat zij
tegen de wond hield om het bloeden te stelpen; maar dit belette niet,
dat ik van smart en bloedverlies in flaauwte viel.
Toen ik van mijne bezwijming bijkwam, gaf men mij, om mijne
levensgeesten op te wekken, wijn te drinken. „Ach, mevrouw,” zeide ik
nu met eene klagende stem, „indien ik immer weder ragout met knoflook
moet eten, zoo zweer ik u, dat ik mijne handen, in plaats van éénmaal,
honderd en twintig malen zal wasschen, met loogzout, met de as van die
zelfde plant, en met zeep.” „Welnu dan,” hernam zij, „op die voorwaarde
wil ik het verledene vergeten, en met u als met mijn' man leven.”
Zie daar, mijne heeren,” vervolgde de koopman van Bagdad, zich tot het
gezelschap rigtende, „de reden, waarom ik geweigerd hebt van de ragout
met knoflook te eten, welke voor mij geplaatst was. Deze heeft mij
éénmaal eenen zoo kwaden bruiloftsnacht bezorgd, dat ik er nog de
teekens van draag.
Intusschen leefde ik na mijne herstelling en onze verzoening met mijne
vrouw zoo eendragtig, als of ik nooit knoflook-ragout gegeten had. Maar
daar ik gewoon was in vrijheid te leven, verdroot het mij weldra in het
paleis van den kalif te zijn opgesloten. Ik nam mij intusschen wel in
acht deswegens iets te laten blijken, uit vrees van mijne echtgenoote
te mishagen, en in toorn wenschte ik haar niet gaarne nogmaals te zien;
ik had aan het eerste proefje genoeg gehad. Zij scheen echter mijne
wenschen te raden, en daar zij er eveneens over dacht, zoo wist zij hare
meesteres Zobeïde te overreden, aan ons verlangen toe te geven. Eene
maand na ons huwelijk kwam zij met een groot aantal gesnedenen, die
ieder een' grooten zak met geld droegen, bij mij, en zeide: „Gij hebt
mij niets laten blijken van de verveling, welke het u baart in dit
paleis als opgesloten te zijn; ik heb dit echter opgemerkt, en het is
mij mogen gelukken het middel te vinden, om u te bevredigen. Zobeïde,
mijne meesteres, staat ons toe, dit paleis te verlaten; zie hier vijftig
duizend sequinen, die zij ons ten geschenke geeft, om ons in staat te
stellen, in de stad op een' goeden voet te kunnen leven. Neem daarvan
tien duizend, en ga heen om er een huis voor te koopen.”
Ik had voor die som weldra eene woning gevonden, en liet die prachtig
in orde brengen, waarna wij er onzen intrek namen. Wij hielden een
groot aantal slaven en slavinnen, en leefden op eenen rijken voet. Maar
deze gelukkige tijd was slechts van korten duur. Na verloop van een
jaar kreeg mijne vrouw eene ziekte, waaraan zij binnen weinige dagen
overleed. Ik had kunnen hertrouwen en te Bagdad op een' ruimen voet
blijven leven; maar de lust bekroop mij, om de wereld in te gaan.
Ik verkocht mijn huis en al mijne bezittingen, sloeg eene menigte
koopmansgoederen in, en voegde mij bij eene karavaan, die naar Perzië
ging. Van daar nam ik mijnen weg naar Samarcande, waarna ik mij in deze
stad heb neêrgezet.”
* * * * *
Zie daar, sire,” zeide de Muzelmansche koopman tot den sultan van
Cachgar, „hetgeen de koopman van Bagdad gisteren aan ons gezelschap
vertelde.” „Deze geschiedenis,” hernam de sultan, „heeft wel iets
buitengewoons, maar zij is niet gelijk te stellen met die van den
kleinen gebogchelde.” De Joodsche doctor hierop voortredende, wierp zich
voor den vorstelijken troon, en zeide: „Sire, indien uwe majesteit de
goedheid wil hebben mij aan te hooren, zoo vlei ik mij, dat zij over de
geschiedenis, welke ik haar te vertellen heb, ten hoogste voldaan zal
zijn.” „Welnu, spreek!” zeide de sultan „maar vlei u niet dat ik u het
leven zal schenken, tenzij uwe geschiedenis verwonderlijker is dun die
van den gebogchelde.”
De Joodsche geneesheer nam nu aldus het woord op.