GESCHIEDENIS, VERHAALD DOOR DEN CHRISTEN KOOPMAN.

„Sire! alvorens een' aanvang te maken met het verhaal, dat uwe majesteit

mij veroorlooft haar mede te deelen, moet ik doen opmerken, dat ik

de eer niet heb in dit rijk geboren te zijn. Ik ben een vreemdeling,

geboortig van Caïro in Egypte, een Copt en belijder van de Christelijke

godsdienst. Mijn vader was makelaar en liet mij bij zijn overlijden een

aanzienlijk vermogen na. Ik volgde hem op in zijn beroep. Op zekeren

dag, dat ik mij te Caïro in eene herberg bevond, waar de graanhandelaars

zich gewoonlijk verzamelden, kwam een jonge koopman, wel gekleed en van

een zeer gunstig voorkomen, naar mij toe. Hij groette mij zeer beleefd,

en zijn zakdoek openende, waarin hij een monster Turksch koren had,

zeide hij: „Hoeveel geldt de groote maat Turksch koren van dezelfde

soort, als gij hier ziet?”

Ik bezag het monster, dat de jonge koopman mij toonde, en gaf ten

antwoord, dat het volgens marktprijs en tegen kontant geld, honderd

zilveren drachmen kon opbrengen. „Zie,” zeide hij, „of gij kooplieden

kunt vinden, die er dien prijs voor willen besteden, en geef er mij

kennis van; ik ben gehuisvest in de khan bij de poort der Overwinning.”

Dit gezegd hebbende, vertrok hij, na mij het monster Turksch koren

gegeven te hebben, dat ik nu aan onderscheidene kooplieden liet zien.

Allen zeiden, dat zij er zooveel van wilden nemen, als ik hun leveren

kon, de groote maat tegen honderd en tien drachmen. Er schoot dus voor

mij, behalve mijn makelaarsloon, tien drachmen per maat over. Aangelokt

door dit aanzienlijk voordeel, begaf ik mij onmiddelijk naar de khan bij

de poort der Overwinning, en ik trof daar ook den jongen koopman aan.

Hij bragt mij in zijn pakhuis, dat tot aan de zoldering met Turksch

koren was opgevuld. Er waren honderd vijftig groote maten, die ik op

ezels liet laden en voor vijftien duizend drachmen zilver verkocht.

„Van die som,” zeide de jonge koopman, toen ik hem het geld bragt, „sta

ik u honderd vijftig drachmen als makelaarsloon toe; en wat het overige

geld aangaat, ik heb dat thans niet noodig, wees dus zoo goed het te

behouden, tot dat ik het u zal opvragen.” Ik antwoordde hem, dat het

geld steeds ter zijner beschikking zou zijn. Wij scheiden met een'

handgroet, en ik verliet hem zeer voldaan over het vertrouwen, dat hij

in mij stelde.

Gedurende eene maand hoorde ik niets van den jongen koopman, doch

na verloop van dien tijd, kwam hij mij in mijne woning opzoeken.

„Waar zijn,” vraagde hij, „mijne veertien duizend acht honderd en

vijftig drachmen, die gij nog in bewaring hebt?” „Zij zijn ter uwer

beschikking,” antwoordde ik, „en ik zal ze u oogenblikkelijk ter hand

stellen.” Daar hij op zijn' ezel zat, verzocht ik hem af te stijgen, en

het middagmaal bij mij te gebruiken. „Neen,” zeide hij, „ik kan van uwe

vriendelijke uitnoodiging dit maal geen gebruik maken; ik heb hier in

den omtrek nog eene belangrijke zaak te verrigten. Bij mijne terugkomst

zal ik mijn geld halen; wees zoo goed het gereed te houden.” Dit gezegd

hebbende, groette hij mij en reed heen.

Ik wachtte hem gedurende eenige dagen, doch er verliep weder eene maand,

vóór dat ik hem terug zag. Ook nu weigerde hij zijn geld mede te nemen,

en liet dit steeds onder mijne berusting blijven. „Zie daar,” dacht ik,

„een jonge koopman, die al heel veel vertrouwen in mij stelt, daar hij

zulk eene aanzienlijke som voortdurend in mijne handen laat, zonder mij

te kennen. Een ander zou zoo niet handelen, maar bevreesd zijn, dat ik

met zijn geld op den loop mogt gaan. Die jonge man moet wel schatrijk

zijn, of hij handelt zeer onvoorzigtig; en als hij dit ook met andere

zaken doet, zal hij meermalen bedrogen uitkomen.”

Den volgenden keer kwam hij eerst na de derde maand terug. Hij zat weder

op zijn' ezel, maar was veel prachtiger gekleed, dan de vorige malen.

Toen ik den jongen koopman zag aankomen, ging ik hem te gemoet, verzocht

hem weder af te stijgen, en vraagde hem of hij niet begeerde, dat ik hem

zijn geld zou ter hand stellen. „Daar is geen haast bij,” antwoordde

hij met een blij en tevreden gelaat, „ik weet immers, dat het in goede

handen is; ik zal het komen halen, als ik alles doorgebragt heb, wat ik

bezit, en mij dus niets anders meer overblijft. Wees gegroet,” vervolgde

hij, „en wacht mij in de aanstaande week.” Dit zeggende, gaf hij den

ezel een slag met zijne rijzweep, en was weldra uit mijn gezigt. „Wel is

waar,” overlegde ik bij mij zelven, „hij zegt, dat ik hem in de volgende

week verwachten moet, maar uit zijn overig praten zou men opmaken, dat

er wel een jaar kan voorbijgaan, eer ik hem wederzie. Ik zal inmiddels

zijn geld uitzetten of er handel mede drijven; dat kan mij een aardig

voordeel opleveren.”

Ik had mij niet vergist; het jaar ging voorbij, zonder dat de jonge

koopman iets van zich liet hooren. Eindelijk verscheen hij, even rijk

gekleed als de laatste maal, maar ik meende een' droefgeestigen trek

op zijn gelaat te bemerken. Ik vroeg hem weder mij de eer te bewijzen

binnen te komen. „Dat wil ik ditmaal wel doen,” antwoordde hij, „doch

onder beding, dat gij om mij volstrekt geene kosten maakt.” „Ik zal in

alles naar uw verlangen handelen,” hernam ik, „bewijs mij alleen de

gunst het bij mij voor lief te nemen.” Hij steeg nu af en trad bij mij

binnen. Ik liet zijn' ezel op stal brengen, en gaf last den maaltijd

gereed te maken. In afwachting daarvan, spraken wij over handelszaken,

zonder dat hij zich echter uitliet, of het hem sedert onze laatste

ontmoeting voor- of nadeelig was gegaan. Toen de spijzen waren

opgedragen, zetten wij ons aan tafel. Reeds bij het eerste, dat hij in

den mond stak, merkte ik op, dat hij met de linkerhand at, en zich in

het geheel niet van de regter bediende. Dat verwonderde mij zeer, en ik

wist niet, wat ik er van denken moest. Zoo lang ik hem kende, had hij

zich steeds als een wellevend en hoogst beschaafd jong mensch gedragen;

handelde hij thans tegen alle regels der welvoegelijkheid uit minachting

voor mij? Of om welke andere reden bediende hij zich niet van zijne

regterhand? Zulks bleef mij duister.

Nadat de spijzen afgenomen en de bedienden vertrokken waren, gingen wij

op de sofa zitten, en ik bood hem een glas met fijne likeur aan. Hij nam

dit, maar wederom met de linkerhand. „Heer,” zeide ik toen, „vergeef mij

de vrijheid, die ik mij veroorloof, maar mag ik vragen, waarom gij u

niet bedient van uwe regterhand; waarschijnlijk is die gekwetst.” In

plaats van mij te antwoorden, loosde hij een' zwaren zucht, en zijn'

regterarm van onder zijn opperkleed te voorschijn brengende, liet hij

mij zien, dat daaraan de hand ontbrak, waarover ik zeer ontstelde.

„Gij hebt het zeker euvel opgenomen,” zeide hij, „dat ik mij aan den

maaltijd van de linkerhand bediende; maar oordeel nu, of ik anders heb

kunnen handelen.” „Mag ik vragen,” hernam ik, „door welk ongeluk gij uwe

regterhand verloren hebt?” Op deze vraag barstte hij in tranen uit, en

verhaalde hij mij zijne geschiedenis, gelijk ik de eer zal hebben, die

aan uwe majesteit mede te deelen.

„Gij moet weten,” zoo ving hij aan, „dat ik geboortig ben van Bagdad,

en de eenige zoon van een schatrijken vader, die in die gansche stad

om zijne deugden en zijn' rang geacht werd. Naauwelijks was ik de

wereld ingetreden, of ik kwam in kennis met kooplieden, die veel

gereisd hadden, en die mij van Egypte, vooral van het wereldberoemde

Caïro, bijzonderheden verhaalden, welke mij lust inboezemden eene reis

derwaarts te doen; doch mijn vader was nog in leven en ik had den moed

niet, hem daartoe het voorstel te doen. Kort daarop had ik het ongeluk

hem te verliezen, en nu meester over mijne daden, besloot ik aan mijn

verlangen te voldoen en naar Caïro te gaan. Ik besteedde te Bagdad en

te Moussoul eene groote som aan fijne stoffen, en begaf mij op weg.

Bij mijne aankomst te Caïro nam ik mijn' intrek in de karavanserij,

welke den naam draagt van de khan van Masroun. Ik huurde aldaar eene

vrije kamer en een pakhuis, om daarin mijne waren op te slaan, die ik op

kameelen had mede gebragt. Toen ik dit bezorgd had, ging ik naar mijne

kamer, om van de vermoeijenissen der reis uit te rusten, terwijl mijne

bedienden, aan wie ik geld had gegeven, levensmiddelen kochten en den

maaltijd toebereidden. Na het eten, ging ik het kasteel, eenige moskeën,

en andere openbare gebouwen bezigtigen. Den volgenden morgen kleedde ik

mij zorgvuldig, en zocht eenige stukken zeer schoone en rijke stoffen

uit mijn' voorraad, om daarmede naar den berestein[1] te gaan en te

zien, wat men er mij voor bieden zou. Ik deed die stoffen door eenige

mijner slaven dragen, en begaf mij naar den berestein der Circassiers.

Ik zag mij weldra omringd door eene menigte makelaars, die reeds berigt

van mijne aankomst hadden ontvangen. Ik verdeelde de monsters van mijne

stoffen onder hen, en zij maakten er dadelijk werk van om ze aan den man

te brengen, maar niet één koopman op den berestein wilde er zoo veel

voor bieden, als zij mij bij inkoop gekost hadden. Dit verdroot mij, en

daar ik mijn ongenoegen aan de makelaars liet blijken, zeiden zij tot

mij: „Wij kunnen de kooplieden niet dwingen, maar indien gij ons wilt

vertrouwen, zullen wij u een middel aan de hand doen, waardoor gij op

uwe stoffen niets zult behoeven te verliezen.”

[1] Berestein is eene overdekte marktplaats in Turksche steden.

Ik vraagde hun,” vervolgde de jonge koopman, „waarin dat middel bestond?

„Verdeel,” zeiden zij, „uwe waren onder verscheidene kooplieden, opdat

zij die in het klein voor u uitverkoopen; gij kunt dan twee malen per

week, Maandags en Donderdags, zoo als hier gebruikelijk is, uw geld

ophalen voor hetgeen zij verkocht zullen hebben. Op die wijze hebt gij

winst in stede van verlies te verwachten, en de kooplieden zullen ook

iets verdienen, terwijl gij er uw vermaak van kunt nemen, en de stad en

omstreken bezigtigen.”

Ik besloot hun' raad te volgen, en nam hen mede naar mijn pakhuis, liet

al mijne waren er uitdragen en naar den berestein vervoeren, waar ik ze

verdeelde onder verscheidene kooplieden, welke zij mij als vertrouwde

lieden aanwezen, en die mij een bewijs van ontvangst gaven, door

getuigen onderteekend, intusschen op voorwaarde, dat ik hun de eerste

maand niet om geld zou vragen.

Mijne zaken dus geregeld hebbende, was ik op niets anders bedacht,

dan om mijn vermaak te zoeken. Ik knoopte vriendschap aan met

onderscheidene jonge lieden van mijne jaren, die zorg droegen, dat ik

den tijd genoegelijk doorbragt. Toen de eerste maand verstreken was,

ging ik mijne kooplieden tweemaal in de week bezoeken, vergezeld door

een' openbaar beambte, die hunne boeken nazag, en door een' wisselaar,

die over de deugd en de waarde van de munt, waarmede men mij betaalde,

moest oordeelen. Reeds op den eersten betaaldag, kwam ik met eene goed

gevulde beurs in de khan van Mousroun terug. Op de overige dagen van

de week, bragt ik van tijd tot tijd bij dezen en genen koopman een

morgenbezoek, en vond er vermaak in, mij met hen te onderhouden en gade

te slaan, wat er op den berestein zoo al omging.

Op zekeren dag, dat ik den winkel bezag van een' koopman, die zich

Bredradan noemde, trad eene dame, naar het uiterlijk aanzien van hoogen

stand, zijn magazijn binnen, en zette zich in mijne nabijheid neder. Zij

was rijk en met smaak gekleed, en ook de slavin, die haar vergezelde,

was kostbaar uitgedost. Dit uiterlijk, gepaard met eene natuurlijke

bevalligheid, die in elke harer bewegingen doorstraalde, nam mij

dadelijk voor haar in, en deed den wensch bij mij ontstaan, nader met

haar bekend te worden. Ik wist niet zeker, of zij het bemerkte, dat ik

haar met buitengewoone belangstelling gadesloeg, en of haar dit niet

ongevallig was; maar zij hief het krip op, dat voor den mousselinen

sluijer hing, die haar gelaat bedekte, en liet mij een paar groote

zwarte oogen zien, door wier glans ik als betooverd werd[2]. In één

woord, die oogen, hare liefelijke stem en hare bevallige manieren, dit

alles maakte mij smoorlijk verliefd.

[2] In den sluijer der Turksche vrouwen zijn openingen, die de oogen

vrijlaten, waarover zij, als zij uitgaan, een krip dragen.

Zij scheen den koopman goed te kennen, want, nadat zij hem gegroet had,

vraagde zij naar zijne gezondheid, sedert zij hem het laatst gezien had,

en onderhield zich eenigen tijd met hem over onverschillige zaken.

Eindelijk gaf zij te kennen, dat zij eene stof zocht met een' grond van

gouddraad, en zeide, dat zij meende, die wel bij hem te zullen vinden,

daar zijn winkel het best voorzien was van allen op den geheelen

berestein. Bredradan liet haar onderscheidene stukken zien, en tot eene

van die bepaalde zich hare keus. Zij vraagde hem naar den prijs, en hij

liet haar dat stuk voor elf honderd drachmen zilver. „Met dien prijs

neem ik genoegen,” zeide zij, „maar ik heb geen geld bij mij. Ik denk

echter, dat gij mij wel crediet zult verleenen tot morgen, en mij het

stuk toevertrouwen; ik beloof u, dat ik u de elf honderd drachmen morgen

zal zenden.” „Mejufvrouw,” gaf Bredradan ten antwoord, „ik heb alle

vertrouwen in u, en zou u gaarne deze stof afstaan, indien die mijn

eigendom ware, maar zij behoort aan dezen jongen koopman, en het is

heden de dag, waarop ik met hem moet afrekenen.” „Wel!” hernam de dame,

ten hoogste verbaasd, „hoe komt het, dat gij heden zoo met mij handelt?

Ben ik niet gewoon uw' winkel te bezoeken en heb ik niet dikwijls bij

u gekocht, zonder dadelijk te betalen? Kunt gij mij verwijten, dat ik

ooit achterlijk ben gebleven mijne belofte na te komen en u het geld

den volgenden dag te zenden?” „Dat is alles waar, dame!” hernam hij,

„maar ik ben heden om geld verlegen.” „Welnu,” zeide zij, hem het stuk

toewerpende, „zie daar dan uwe stof. Maar dat Allah u verdelge, u en al

wat koopman heet. Gij zijt allen met het zelfde water overgoten, en weet

iemand de achting niet te bewijzen, die hem toekomt.” Dit zeggende,

stond zij driftig op en verliet in hevigen toorn den winkel.

Toen ik zag,” vervolgde de jonge koopman, „dat de dame heen ging,

bespeurde ik, dat mijn hart voor haar pleitte; ik riep haar terug.

„Mejuffrouw!” zeide ik op beleefden toon, „bewijs mij de gunst nog een

oogenblik te blijven, misschien ken ik het middel om u beiden tevreden

te stellen.” Zij kwam terug, verklarende, dit alleen te doen uit achting

voor mij. „Heer Bredradan!” zeide ik nu tot den koopman, „voor hoeveel

zegt gij, dat gij deze stof, welke mij toebehoort, wilt verkoopen?”

„Voor elf honderd drachmen zilver,” antwoordde hij, „ik kan ze niet

minder geven.” „Lever ze dan aan deze dame,” hernam ik, „en laat haar

ze vrij mede nemen. Ik zal u honderd drachmen voordeel geven en een

bewijs, dat gij dat stuk met mij verrekend hebt.” Hierin nam hij gaarne

genoegen, en ik haastte mij de dame de stof aan te bieden. „Gij kunt

die mede nemen, dame!” zeide ik, „en wat het geld betreft, dit kunt

gij morgen of op een' anderen dag zenden, of, zoo ik u niet beleedig,

veroorloof mij dan, u deze stof ten geschenke aan te bieden.” „Dat is

mijne bedoeling niet,” antwoordde zij, „maar gij zijt zoo verpligtend

jegens mij, dat ik u daarvoor gaarne mijne erkentenis betuig. Dat Allah

er u voor beloone; hij vermeerdere uwe goederen, schenke u een lang

leven, en ontsluite u na uw' dood de poort van het paradijs. Moge de

stad gewagen van uwe edelmoedigheid!”

Deze woorden maakten mij stoutmoedig. „Mejufvrouw!” sprak ik tot haar,

„laat mij, tot loon voor het genoegen, dat ik u verschaft heb, uw gelaat

zien, en ik zal met woeker betaald zijn.” Zich nu tot mij keerende, hief

zij den sluijer op, die haar gezigt bedekte, en liet mij een gelaat

aanschouwen, dat mij in verrukking bragt. Ik werd er zoo door getroffen,

dat ik geene woorden kon vinden om haar mijne gedachten te kennen te

geven. Nimmer zou ik moede geworden zijn haar aan te staren; maar zij

liet spoedig haren sluijer weder vallen, ten einde niet door anderen

te worden opgemerkt. Zij gaf nu de stof aan hare slavin, en verliet

den winkel, waar zij mij in eene geheel andere gemoedsgesteldheid

achterliet, dan die, waarin ik daar gekomen was. Gedurende een' geruimen

tijd verkeerde ik in eene vreemde verwarring, en vóór ik heen ging,

vroeg ik aan den koopman, of hij die dame kende? „Ja,” antwoordde hij,

„zij is de dochter van een' emir, die haar een ontzaggelijk vermogen

heeft nagelaten.”

Toen ik in de khan van Masroun terugkwam, maakten mijne lieden het

avondmaal gereed; maar ik gebruikte er niets van. Gedurende den nacht

kon ik den slaap niet vatten. Die nacht scheen mij toe eene eeuwigheid

te zijn, en zoodra het dag werd, stond ik op, in de hoop, het voorwerp,

dat mijne rust verstoorde, te zullen wederzien. Ik kleedde mij nog

prachtiger dan den vorigen dag, en toen het eenigzins gevoegelijk kon

geschieden, ging ik naar den winkel van Bredradan.

Ik was daar nog niet lang, of ik zag de dame aankomen, gevolgd door hare

slavin, en nog rijker gekleed dan den vorigen dag. Zij verwaardigde zich

niet den koopman aan te zien, maar zich terstond tot mij wendende, zeide

zij: „Gij ziet, dat ik mijn woord houd. Ik kom alleen hier, om u het

geld te brengen, waarvoor gij, zonder mij te kennen, borg zijt gebleven;

eene grootmoedigheid, die ik nimmer zal vergeten.” „Mejufvrouw!” gaf ik

ten antwoord, „ik had geen vrees voor mijn geld en het doet mij leed,

dat gij u daarmede zoo gehaast hebt.” „Het zou niet billijk zijn,”

hernam zij, „indien ik van uwe goedheid misbruik hadde gemaakt.” Dit

zeggende, stelde zij mij het geld ter hand, en zette zich bij mij neder.

[Illustratie: Geschiedenis verhaald door den Christen Koopman.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 4 / 19 题