GESCHIEDENIS VAN DEN KLEINEN GEBOGCHELDE.

Te Cachgar, aan de Zuidelijke grenzen van Groot-Tartarije, woonde

voor vele jaren een kleêrmaker, die eene zeer schoone vrouw had. Deze

echtelingen beminden elkander hartelijk, en leefden te zamen zeer

eendragtig. Op zekeren dag, dat de kleêrmaker op zijne snijderstafel met

ijver zat te werken, trad een kleine gebogchelde man binnen, zette zich

voor de tafel, en begon bij de muzijk van eene tambourijn te zingen. De

kleêrmaker hoorde hem met vermaak aan, en kwam op het denkbeeld, hem

naar zijn huis mede te nemen, opdat ook zijne vrouw in zijn genoegen

zou kunnen deelen. „Hij kan ons,” sprak hij bij zich zelven, „dezen

avond met zijne kluchtige zangstukjes regt vermaken,” en hij deed hem

het voorstel daartoe. Toen zulks door den gebogchelde aangenomen werd

sloot hij zijne werkplaats en nam hem mede naar zijne woning.

De vrouw van den snijder had bij hunne aankomst het avondeten gereed, en

zette een' schotel met visch op, welke zij zeer smakelijk had toebereid.

Men plaatste zich aan tafel, doch de gebogchelde at zoo gulzig, dat hem

eene groote graat in de keel bleef zitten, waardoor hij stikte. De

kleêrmaker en zijne vrouw zagen zich hierdoor in groote verlegenheid

gebragt. Zij waren zeer ontsteld, omdat dit ongeval binnen hunne woning

had plaats gehad, en er dus, indien de zaak ruchtbaar werd, bij het

geregt ligtelijk het vermoeden kon ontstaan, dat zij hem vermoord

hadden. Na eenig nadenken vond echter de man een middel, om zich van het

lijk te ontdoen. Hij wist dat er in de nabijheid een Joodsch geneesheer

woonde, en daarop grondde hij zijn plan. Hij nam met zijne vrouw den

gebogchelde op, de eene bij het hoofd, de andere bij de voeten. Zoo

droegen zij hem naar de woning van den geneesheer. Deze woonde op een

bovenhuis, waarheen men met een' buitentrap moest opgaan. De snijder

liet zijne vrouw en het lijk beneden, klom den trap op en klopte aan.

Eene meid deed dadelijk open, zonder dat zij zich den tijd had gegund

licht mede te nemen, en vraagde, wat men verlangde. „Wees zoo goed,”

sprak de kleêrmaker, „en zeg uw' meester, dat wij een' zieke bij ons

hebben, voor wien wij een geneesmiddel verlangen. Zie daar,” vervolgde

hij, haar een geldstuk in de hand drukkende, „geef dit vooraf aan uwen

heer, opdat hij weten moge, dat wij geene onbetaalde diensten van hem

begeeren.” Terwijl de meid naar binnen ging, om den geneesheer dit goede

nieuws over te brengen, droegen de snijder en zijne vrouw het lijk van

den gebogchelde den trap op, lieten hem daar, en spoedden zich weg.

Intusschen had de meid hare boodschap aan den geneesheer overgebragt,

waarbij zij hem het ontvangen geld overgaf. Op het gezigt dezer

vooruitbetaling, werd de doctor zeer verblijd. „Zulk een begin,” dacht

hij, „voorspelt wat goeds! Neem haastig een licht en volg mij,” zeide

hij tot het dienstmeisje. Hij had echter geen geduld genoeg om te

wachten, spoedde zich in het donker vooruit, en den trap willende

afgaan, gaf hij door den haast den gebogchelde zulk een' harden schop,

dat deze van den trap afrolde, en op de straat te regt kwam. Het

scheelde niet veel of de doctor ware hem even spoedig komen narollen,

doch hij greep zich nog aan de leuning vast. „Breng toch spoedig licht,

Abigaël!” schreeuwde hij, „er lag iets op den trap, en ik heb bijna den

hals gebroken.” De meid kwam nu met het licht aanloopen. Zij gingen den

trap af, en vonden, dat hij niets meer of minder dan een lijk den trap

had afgeschopt. Hierop verschrikte de man zoo hevig, dat hij Mozes,

Aäron, Josua, en alle andere profeten van het Oude Verbond aanriep.

„Ongelukkige, die ik ben!” jammerde hij, de handen wringende, „waarom

moest ik ook zonder licht naar beneden gaan? Ik heb den zieke gedood,

dien men ter genezing tot mij bragt! ik ben oorzaak van zijn' dood, en

een verloren man. O hemel! O hemel! Ach, Mozes! kom mij te hulp! Weldra

zal het geregt komen, en ik gehangen worden als iemand, die een'

doodslag begaan heeft.”

Doch hoe ontsteld ook de Joodsche geneesheer was, hij behield nog

genoeg tegenwoordigheid van geest, om den gebogchelde naar binnen te

slepen en zijne deur te sluiten, daar hij vreesde, dat, zoo een der

voorbijgangers bemerkte, wat er was voorgevallen, hij hem bij het

geregt mogt aanklagen. Daarna nam hij het lijk op zijne schouders en

bragt het in de kamer van zijne vrouw, die, toen zij hem met zulk een'

zonderlingen last zag binnenkomen, van schrik in flaauwte meende te

vallen. „Vader Abraham, vader Izaäk, vader Jacob! wat zal ons nu

overkomen,” gilde zij, „een lijk! Indien de dag aanbreekt, de politie

onderzoek doet, en het lijk bij ons vindt, dan zijn wij verloren. Welk

eene ramp! Hoe zijt gij er toe gekomen, man, om dezen mensch te dooden?”

„Dat is thans de vraag niet,” hernam de Jood, „de hoofdzaak is om een

middel tegen het ons dreigend gevaar te vinden.”

De geneesheer en zijne vrouw beraadslaagden nu, hoe zich gedurende den

nacht van het lijk te ontdoen. De eerste wist hierop niets te vinden,

doch zijne vrouw, vindingrijker dan hij, zeide: „Daar valt mij iets

in. Laat ons het lijk op het platte dak van ons huis brengen, en

vervolgens neêrlaten door den schoorsteen van onzen buurman, die een

goed Muzelman is. Deze zal wel een middel weten, om er zich door te

redden, terwijl men ons, integendeel, in dit heidensche land met alle

gestrengheid zal behandelen. Wat denkt gij daarvan, man?” „Gij zijt

waardig, vrouw!” sprak de doctor, „om in goud te worden beslagen. Uw

raad zullen wij volgen. Onze buurman is koopman in olie, boter en smeer,

en klaagt er vreeselijk over, dat de ratten en de muizen zoo bij hem

huishouden; als hij nu den doode ziet, zal hij denken dat het eene

rat op twee beenen is, die hem heeft willen bestelen, maar die door

den schoorsteen is gevallen, en zijne onderneming met den dood heeft

bekocht.” Zoo gezegd zoo gedaan. De geneesheer en zijne vrouw bragten

den gebogchelde op het plat van hunne woning, deden hem een touw onder

de armen, en lieten hem door den schoorsteen in de voorraad-kamer van

den koopman afzakken, zoodat hij op zijne voeten te staan kwam, regt

tegen den muur. Daarna trokken zij de touwen weder omhoog, en lieten het

aan den koopman over, zich met den doode te verstaan; hij mogt hem dan

voor een' dief of voor een' schoorsteenveger aanzien.

Naauwelijks waren zij weder op hunne kamer, toen de koopman te huis

kwam. Hij was op eene vrolijke partij geweest, en had eene lantaarn in

de hand. Toen hij zijne kamer opende en het licht op den gebogchelde

viel, was de goede man niet weinig verbaasd, een' vreemden gast in zijn

huis te vinden, die zijne plaats onder den schoorsteen had genomen,

waardoor hij waarschijnlijk, toen hij de voordeur gesloten vond, was

binnengekomen. Doch hoe verwonderd de koopman was, greep hij toch, daar

het hem niet aan moed ontbrak en daar hij dacht een' dief voor zich te

hebben, een' dikken stok, ging regelregt op den gebogchelde af en zeide:

„Ha, ha, kameraad! Ik heb gemeend, dat het de ratten en muizen waren,

die zoo met mijne boter en mijn vet huis hielden; maar zijt gij het, die

door den schoorsteen komt om mij te bestelen? Ik beloof u, dat gij er

voor den tweeden maal geen lust toe zult krijgen.” Dit zeggende sloeg

hij dapper op den gebogchelde toe, zoo lang, tot dat deze zijn evenwigt

verloor en op den grond viel. De koopman hield echter niet op met slaan,

tot dat hij eindelijk bemerkte, dat er in den man geene beweging meer

was. Hij onderzocht den ongelukkige nader, maar er was geen leven meer

in te vinden. Nu kreeg de vrees de overhand op zijn' toorn. „Wat heb

ik gedaan?” klaagde hij, „ik heb een mensch omgebragt! Ach! ik ben

te ver gegaan in mijne gramschap. O Allah! O Mohamed! indien gij geen

mededoogen met mij hebt, is het met mijn leven gedaan. Duizendmaal

verwenscht zijn het vet, de olie en de boter, die de oorzaak zijn, dat

ik zulk eene strafwaardige daad begaan heb.” Bleek en ontdaan van schrik

bleef hij als roerloos staan; in zijne verbeelding zag hij reeds de

geregtsdienaars komen, die hem naar de strafplaats zouden slepen. Het

klamme zweet brak hem uit, en hij wist niet wat te doen.

Nogmaals onderzocht hij het lijk, en nu ontdekkende, dat hij met een'

gebogchelde had te doen gehad, borst hij in nieuwe verwenschingen uit,

zonder te bedenken, dat alleen zijn verregaande toorn er de schuld van

was. „Verwenschte bogchel!” riep hij, „haddet gij maar, al wat ik heb,

gestolen, en hadde ik u hier maar niet ontmoet, dan zou ik mij niet in

deze verlegenheid bevinden. Lichten des hemels,” vervolgde hij, „laat uw

licht in dit dreigende gevaar alleen voor mij schijnen.” Dit zeggende,

laadde hij het lijk op zijne schouders, ging tot aan het einde der

straat en plaatste het overeind tegen een der winkels, die op dat uur

allen nog gesloten waren. Daarop keerde hij naar zijne woning terug,

zonder achterom te zien.

Eenige oogenblikken vóór dat de dag aanbrak, wilde een rijke Christen

koopman, die den nacht in zwelgerij had doorgebragt, zich naar het bad

begeven. Hoewel half beschonken, bemerkte hij echter, dat de nacht ten

einde spoedde en men de geloovige Muzelmannen weldra tot het morgengebed

zou oproepen. Dit deed hem zijne schreden verhaasten, uit vrees dat hij

door een' Muzelman, die naar de Moskee ging, ontmoet, door dezen als

een' dronkaard aangehouden en aan de politie overgeleverd zoude worden;

want het was te Cachgar, op straffe van gevangenschap, verboden, zich in

beschonken toestand op straat te vertoonen.

Toevallig bleef hij echter bij den winkel, waartegen het lijk was

neergezet, een oogenblik staan, en wel met het ongelukkig gevolg, dat

hij tegen den doode stiet, en deze hem tegen het lijf viel. De koopman

denkende, dat hij door een' straatroover werd aangevallen, gaf het lijk

een' zoo geduchten vuistslag, dat dit ter aarde viel, en zich daarna al

slaande op hetzelve werpende, begon hij te roepen: „Dieven! Dieven!”

De wacht uit die buurt kwam op zijn geschreeuw toeschieten, en

bemerkende dat het een Christen was, die een' Muzelman mishandelde,

vroeg men hem wat daartoe aanleiding gaf. „Hij wilde mij berooven,” gaf

de koopman ten antwoord, „en wierp zich op mij, om mij bij de keel te

vatten.” „Dan hadt gij regt,” sprak de wacht, „doch laat de man nu met

rust; gij hebt u genoeg gewroken.” Dit zeggende, trok hij hem bij een'

arm terug. Daarna stak hij de hand uit om den gebogchelde op de been te

helpen; maar dit was onnoodig; de man was dood. „Niet van deze plaats!”

riep thans de wacht, terwijl hij den koopman in de borst greep, „ik moet

u voor den regter brengen. Het zal u duur te staan komen, Christenkind!

dat gij een' Muzelman gedood hebt.”

Men liet den koopman in de gevangenis brengen, tot dat het den regter

gelegen zou komen, hem in verhoor te nemen. De schrik had den koopman

nuchter gemaakt, maar hoe meer hij over de zaak nadacht, hoe minder

hij kon begrijpen, dat eenige vuistslagen een mensch het leven hadden

benomen; iets, wat volstrekt zijne bedoeling niet geweest was.

Toen de regter de wacht gehoord had, liet hij het lijk van den

verslagene voor zich brengen. Daarna moest de Christen koopman

voorkomen, en ondervroeg men hem. Deze kon de misdaad, waarvan men hem

betigtte, niet ontkennen, ofschoon hij die inderdaad niet begaan had.

Daar de gebogchelde herkend werd als een' der hofnarren van den sultan

achtte de regter het zijn pligt, om, eer hij den koopman ter dood deed

brengen, deswege den wil van zijn' vorst te vernemen. Hij begaf zich te

dien einde naar het paleis en deelde den sultan den gepleegden doodslag

door den Christen koopman aan zijn' hofnar mede. De sultan, die veel van

zijn' nar hield, ontstak in hevigen toorn! „Ga,” zeide hij, „en doe uw'

pligt. Voor een' Christen, die een' Muzelman gedood heeft, heb ik geene

genade.” Hiermede was het doodvonnis van den Christen koopman geveld.

Men liet eene galg oprigten, en de omroepers door de geheele stad bekend

maken, dat een Christen, die een' Muzelman gedood had, zou worden

opgehangen.

Men haalde den koopman uit de gevangenis, en zette hem onder de galg,

met den strop om den hals, ten toon. De beul wachtte slechts op een

teeken van den regter om het vonnis te voltrekken, toen een koopman in

boter buiten adem kwam aanloopen en zich een' weg door de volksmenigte

baande, terwijl hij luidkeels riep: „Houd op, houd op, overhaast u

niet! Deze mensch is onschuldig; ik ben de man, die den doodslag begaan

heeft.” De regter deed den koopman voor zich komen, en deze verhaalde

hem zeer naauwkeurig, op welke wijze hij den gebogchelde aangetroffen,

met stokslagen afgemaakt, en vervolgens het lijk van den verslagene

voor een' winkel geplaatst had, waar het door den Christen koopman

was gevonden. „Gij zoudt dus,” vervolgde hij, „een' onschuldige doen

sterven, daar hij onmogelijk een lijk kon dooden. Wat mij betreft, het

is mij reeds smartelijk genoeg in mijn' toorn een' Muzelman verslagen te

hebben, en wensch niet daarbij den dood op mijn geweten te laden van

dezen Christen koopman, die geene misdaad heeft begaan.”

Daar de koopman alzoo zich zelven in het openbaar aanklaagde, en zijne

misdaad genoeg had gestaafd, kon de regter niet wel anders doen, dan

aan den Christen regt te doen wedervaren. „Laat,” zeide hij tot den

scherpregter, „dien Christen gaan, en neem dezen man in zijne plaats,

daar het uit zijne eigene bekentenis blijkt, dat hij de schuldige is.”

De beul liet den Christen los en deed den strop om den hals van den

Muzelman; doch op het oogenblik, dat hij hem wilde optrekken, drong de

Joodsche doctor door tot aan den voet van de galg, verhief zijne stem

en smeekte, dat men het vonnis zou opschorten, tot dat men ook hem zou

gehoord hebben. Voor den regter gebragt, sprak de Jood hem aldus aan:

„Gestrenge Heer! De Muzelman, dien gij wilt doen hangen, heeft niets

gedaan, waardoor hij den dood verdiend heeft; ik alleen ben schuldig.

Gisteren nacht kwamen twee onbekende lieden, een man en eene vrouw, aan

mijne deur kloppen, en bragten mij een' zieke. Mijne dienstmeid ging

zonder licht naar voren, en ontving een stuk geld, met last mij dit

te geven en te verzoeken, dat ik zou afkomen om den zieke te zien.

Terwijl zij mij deze boodschap overbragt, moeten zij den zieke den trap

opgedragen hebben en daarna vertrokken zijn, want toen ik in haast naar

beneden ging, zonder te wachten tot de meid het licht had ontstoken,

schopte ik tegen iets zwaars, dat den trap afrolde, en zoo ik mij

niet aan de leuning vastgegrepen had, zou ik mede gevallen zijn. Bij

onderzoek bleek mij, dat ik den zieke naar beneden had geschopt, en dat

hij dood was. De vrees voor de gevolgen van dit ongeval deed mijne vrouw

eene list uitvinden om ons van het lijk te ontdoen. Wij bragten den

doode op het plat van ons huis, en lieten het lijk in den schoorsteen

van onzen buurman den koopman afzakken. Deze meende een' dief voor zich

te hebben, heeft den doode op stokslagen onthaald, en verkeerde in den

waan hem gedood te hebben, hetgeen echter, gelijk uit mijn verhaal

blijkt, eene vergissing is. Ik alleen ben, hoewel zonder mijne schuld,

de oorzaak van den dood des gebogchelden; en ik wil mijn geweten niet

bezwaren met een ander voor mijne onvoorzigtigheid te laten boeten.

Moet er dus een offer zijn, zoo laat dezen onschuldige gaan, en neem

mij in zijne plaats.” „Dat zal geschieden,” sprak de regter, wien het

misschien niet ongevallig was een' Jood in plaats van een' Muzelman,

zijn' geloofsgenoot, te kunnen doen ophangen.

Reeds had de beul den Jood den strop om den hals gedaan, toen de snijder

kwam aanloopen en voor den regter trad. „Heer,” sprak hij, „het scheelde

weinig, of gij zoudt drie onschuldige menschen het leven hebben doen

verliezen; doch indien gij zoo goed wilt zijn mij aan te hooren, zoo zal

ik u de waarheid doen kennen. Moet de dood van dezen gebogchelde met het

leven van iemand geboet worden, dan zal het met het mijne zijn. Gisteren

avond, terwijl ik vrolijk in mijn' winkel op mijne werktafel zat te

naaijen, zette de gebogchelde, in half beschonken toestand, zich bij de

deur neder. Hij zong eenige vrolijke liederen, waarin ik behagen vond,

en ik noodigde hem uit, den avond in mijn huis door te brengen. Hij

stemde daarin toe, en ik nam hem, na mijn' winkel gesloten te hebben,

mede naar mijne woning. Wij zetten ons aan tafel, waarop onder anderen

een schotel met visch kwam. Hiervan at onze gast zoo gulzig, dat hem

eene graat in de keel bleef zitten, en hij daarin stikte. Mijne vrouw

en ik zochten hem te helpen, maar hij stierf in onze armen. Wij waren

zeer ontsteld over zijn' dood, en de vrees, dat wij zouden verdacht

worden daaraan schuldig te zijn, deed ons het lijk voor de deur van den

Joodschen geneesheer brengen. Ik klopte aan en zeide tot de meid, die

open deed, dat zij spoedig naar haren meester zou gaan, om hem te

verzoeken, dat hij mogt afkomen, om naar een' zieke te zien, dien wij

hadden medegebragt. Opdat wij hieraan te gereeder zouden voldoen, gaf

ik haar een stuk geld, met last hem dit onmiddelijk, bij wijze van

vooruitbetaling, ter hand te stellen. Zoodra de meid vertrokken was,

plaatste ik het lijk op de bovenste trede van den trap en maakte mij met

mijne vrouw uit de voeten. Toen de doctor den trap wilde afgaan, deed

hij den gebogchelde, zoo als ik zeer goed kan begrijpen, naar beneden

rollen, en hem dood vindende, moest dit hem in den waan brengen, dat de

val, dien hij hem had laten doen, daarvan de oorzaak was. Daar nu de

zaak zich heeft toegedragen, zoo als ik u verhaald heb, zoo laat den

Jood gaan, en indien men des doods schuldig is, omdat iemand, dien men

te gast heeft genoodigd, aan eene vischgraat stikt, zoo ben ik de man,

die sterven moet.”

Zoowel de regter als de omstanders konden zich niet genoeg verwonderen

over de vreemde gebeurtenissen, welke de dood van den gebogchelde ten

gevolge had gehad. „Laat dan,” zeide de regter tot den beul, „den Jood

los, en hang den snijder op, daar hij zelf zijne misdaad heeft beleden.

Ik moet echter toestemmen, dat deze geschiedenis zeer buitengewoon is,

en waardig met gouden letters te worden opgeschreven. Het regt moet

zijn' loop hebben.” Toen dus de beul den doctor los gemaakt had, deed

hij het touw om den hals van den kleêrmaker.

Terwijl nu de scherpregter aanstalten maakte om den kleêrmaker de

doodstraf te doen ondergaan, was het den sultan van Cachgar ter oore

gekomen, dat zich, buiten den Christen koopman, nog drie anderen hadden

opgedaan, die allen verklaarden den gebogchelde gedood te hebben. Dit

kwam hem zoo zonderling voor, dat hij besloot zelf onderzoek naar die

zaak te doen. „Ga,” sprak hij tot een' der wachten van het paleis, „ga,

in alle haast en beveel den regter, dat hij onmiddelijk de beschuldigden

voor mij brenge en ook het lijk van den armen gebogchelde, dat ik nog

eenmaal zien wil.” De wachter vertrok en kwam op de strafplaats aan,

toen de beul het koord reeds in de hoogte trok, om den snijder op te

hangen. De dienaar des sultans schreeuwde uit al zijne magt, en de beul,

hem herkennende, had den moed niet met zijn werk voort te gaan; hij

liet den snijder weder zakken, en maakte het touw los van zijn' hals,

om hem adem te doen scheppen. De vorstelijke bode naderde nu den

regter en maakte hem met den wil des sultans bekend. De regter, hieraan

onmiddelijk gevolg gevende, begaf zich op weg naar het paleis, met den

snijder, den Joodschen geneesheer, den Muzelman en den Christen koopman;

hij liet het lijk van den gebogchelde door vier van zijne dienaren

derwaarts overbrengen.

Zoodra zij voor den sultan kwamen, wierp de regter zich aan de voeten

van dezen monarch, en zich weder oprigtende, deelde hij hem alles mede

wat met den gebogchelde na diens dood had plaats gehad. De sultan vond

dit zoo merkwaardig, dat hij zijn' bijzonderen geschiedschrijver last

gaf, alles naauwkeurig te boek te stellen; en zich vervolgens tot al

de aanwezenden rigtende, zeide hij: „Heeft wel iemand uwer ooit iets

zonderlinger gehoord?” De Christen koopman, zich met het voorhoofd ter

aarde buigende, nam toen het woord. „Magtige monarch!” zeide hij, „mij

is eene geschiedenis bekend, nog wonderlijker, dan die van uw' hofnar;

indien uwe majesteit mij daartoe verlof geeft, zal ik de eer hebben,

haar die te verhalen. De daarin voorkomende gebeurtenissen zijn van dien

aard, dat niemand ze kan aanhooren, zonder er door getroffen te worden.”

De sultan stemde in zijn verzoek toe, en de koopman ving aldus aan.

Duizend en één Nacht. Arabische vertellingen. Derde deel · 第 3 / 19 题