....Dien morgen kwamen Kalinina en Elizarowa mij met een der ruime,
sterke auto's van het Uitvoerend Komité der R. S. F. S. R.--»de auto
van Lenin«, zooals het in den volksmond heet,--halen om een groot
kinderfeest te zien in een kolonie ongeveer 30 werst van Moskou
verwijderd. Met een vaart ging het over de hobbelige keien van den
grooten weg naar het zuiden; eerst door triestige, vervallen
voorsteden, toen langs velden en bosschen. Het had de laatste dagen
veel geregend; het gras aan de bermen van den weg, de akkers en de
boomen zagen er frisch en verzadigd uit. Een paar keer passeerden we
een dorp; maar het echte platteland was dit nog niet: van de povere
houten huizen behoorden niet velen aan boeren, het waren optrekjes
voor den zomer, zoogenaamde datschas. Er stonden er nogal wat leeg: de
moeilijkheden met de voedselvoorziening hielden veel menschen er van
terug, naar buiten te gaan; in de stad werkte de rantsoeneering beter.
Of ze zich dan niet op het land zelf konden voorzien, vroeg ik. In den
omtrek van Moskou zeker niet, luidde het antwoord, daar was sedert
lang alles kaalgevreten; men moest dan véél dieper het binnenland
ingaan.
Even voorbij een klein stationnetje, eenzaam tusschen de bosschen,
boog onze auto van den grooten weg af. Wij sloegen een van die
verrukkelijke landwegen in, zooals men ze enkel in Rusland vindt, héél
breed,--drie of vier karresporen naast elkaar--en bezoomd met
prachtige, statige berken. In voor- en najaar zijn die wegen niet te
berijden, maar nu ging het best, al was er wel eens een diepe met
modder gevulde kuil, die de auto noodzaakte zijn vaart te minderen. Nu
moest onze towaritschbestuurder, evenals op de vorige tocht, telkens
naar de juiste route informeeren: hij kwam uit Petrograd, was nog maar
kort te Moskou in dienst. En er zijn er zooveel van die breede, met
berken bezoomde lanen, en ze lijken allemaal zoo op elkaar! Echter, de
menschen van de streek wisten allemaal waar »de kinderkolonie van de
Tarasowka« lag, en zoo kwamen we dan, met veel vragen en slechts
weinig dwalen, ten slotte waar we moesten zijn.
Langs de lanen waar we nu doorreden had men kleinere of grootere
stukken bosch--van een halve tot een paar hectaren schatte ik
ze--omgeven door vrij primitieve palissaden. Op elk dier stukken
stonden enkele houten huizen van verschillende afmetingen, allen in
zwitsersche chaletstijl, maar armoediger en minder smaakvol: dit was
Tarasowka. Het is geen eigenlijk dorp maar een villakolonie tusschen
groote bosschen, echt russische bosschen van gemengd loof- en
naaldhout: sparren, beuken en eschdoorns, een heerlijkheid van welig,
krachtig hout. Hoeveel mijlen strekken de bosschen om Tarasowka zich
uit?--Ik weet het niet. »O, ze zijn groot, heel groot,« zeide men mij
toen ik er naar vroeg, met een wijd gebaar naar de ruimte. De Rus
verliest zich in de mateloosheid van zijn land.
Van de 500 chalets waaruit Tarasowka bestaat, zijn er 150
genationaliseerd en tot kinderkolonies ingericht geworden[6]; ze
liggen niet allemaal op een kluitje, maar tusschen de anderen in. We
moesten het huis »Clara Zetkin« hebben: het te vinden werd weer een
heel gezoek in dat labyrinth van lanen! Gelukkig kwam ons uit een der
andere kinderhuizen een jongen tegemoet, een flink, zelfstandig jog,
vrijmoedig en behulpzaam. Hij was voorzitter van de kindercommune, zei
hij, en zou ons brengen waar we moesten zijn.
Daar hoorden we dat de ochtend-parade met gemeenschappelijk gezang en
gymnastiek al afgeloopen was. We hadden die verzuimd doordat Kalinina
's morgens een feest van Moskousche kinderen had moeten inspecteeren.
De kinderen van Tarasowka waren juist allemaal naar de tehuizen terug
om te eten en te rusten. Maar het eigenlijke feest begon pas 's avonds
om 6 uur[7], dat zouden we dus bijwonen. Den middag konden we
gebruiken om het schoolgebouw, het clubhuis en enkele huizen te
bezoeken en zoo een indruk te krijgen van de dagelijksche omgeving der
kinderen.
De houten chalets, waarin de meeste kinderkolonies zijn ondergebracht,
hebben voor ons gevoel, gewend als wij Hollanders zijn aan witte muren
en lichte behangsels, iets sombers. Dit komt door de kale bruine
sigarenkistjesachtige wanden, en doordat ze liggen aan alle kanten
tusschen het hooge hout. Gedempt valt het daglicht binnen door de
kleine vensters. Maar de meesten van die huizen hebben groote open
waranda's en balkons, en dat is voor de kinderen een heerlijkheid!
Daar spelen de kleintjes, daar gebruiken allen hun maaltijden,
kinderen en personeel. Ook nu stonden de tafels gedekt. In alle
kolonies en scholen die ik zag, wordt geprobeerd het voor de kinderen
aan tafel en in huis gezellig te maken; overal was met een wit
tafellaken gedekt en versierden groote bouquetten veldbloemen de
tafels; sommigen van hen bekoorden door hun schilderachtigheid en het
fijne gevoel voor kleurschakeering. Ook de huizen zelf die we
bezochten waren versierd ter eere van het feest; de kinderen hadden
dit zelf gedaan met takken en twijgen die ze uit het bosch haalden en
aan de muren spijkerden; een frissche geur van hars en dennen kwamen
ons uit de kamers te gemoet. Wat waren die kamers eenvoudig! Er stond
niets dan het hoognoodige: enkele tafels en stoelen. Kasten zag ik
bijna nergens, behalve kleine open kastjes voor speelgoed en
leermiddelen. De kleeren worden geborgen achter een gordijn; voor 't
wasschen zijn afzonderlijke ruimten ingericht. Doordat dit alles
huizen geweest waren van middenstanders, beambten enz.--dus
betrekkelijk klein en eenvoudig,--waren er nergens groote slaapzalen
met tientallen bedden. Dat paste trouwens ook heelemaal niet in het
systeem: men wilde de kinderen opvoeden wel buiten de bekrompenheid en
engheid van 't »burgerlijke« gezin, maar niet in een kazerneachtige
omgeving. Elk »huis« leefde als een groote familie; slaapkamers met
meer dan vier à zes bedden vormden een uitzondering. Blijkbaar deed
men zijn best om vooral de slaapkamers der grootere meisjes met
geringe hulpmiddelen, als wat snuisterijtjes aan de muur, een enkel
aardig kleedje enz. zoo knus mogelijk te maken. In bijna alle kamers
hingen portretten van Lenin en Trotzky--en wàt voor portretten, groote
goden! Wat voor denkbeeld, dacht ik dikwijls, moeten de kinderen zich
wel vormen van de leiders van den staat, waarvan zij zooveel goeds
hooren en die zij als zulke monsters zien voorgesteld.--Maar ook zag
ik telkens in de slaapkamers aan de muren bidprentjes hangen, die de
kinderen meegebracht hadden of toegestuurd kregen.
Van uniforme kleeding was natuurlijk geen sprake. Enkele groepen zag
ik,--kinderen van één huis--in een bijzonder pakje; ik herinner mij
een zeer smaakvolle combinatie van groen-en-wit; maar er waren geen
middelen om dat voor een zoo groot aantal door te voeren. De kinderen
zagen er frisch en fleurig uit; de meesten met kortgeknipte haren, wat
noodig is door het groote gebrek aan zeep; de rantsoenen zelfs voor de
kindertehuizen waren heel klein en konden niet eens altijd regelmatig
uitgedeeld worden. Lang niet allen hadden schoenen en kousen aan, maar
in dit lekkere zomersche weer leek blootvoets gaan op het warme zand
of het zachte mos tusschen de boomen heelemaal geen straf.
Wij zagen de school, wij zagen boetseerwerk in klei; vruchten en
dieren, door de kinderen naar eigen drang en fantasie vervaardigd. We
zagen opmerkelijke teekeningen van kinderen van 9 à 10 jaar, kleurige
schetsen van menschen en boomen naar de natuur en dekoratieve
ontwerpen. We zagen eenige kinderen boerendansen uitvoeren met veel
animo en groote vaardigheid, terwijl de anderen, een kring vormend om
hen heen, de maat klapten met de handen. We hoorden ze zingen: eerst
de Internationale, toen volksliederen, vroolijke en droefgeestige,
koorzang en soli, en we verheugden ons weer over de algemeenheid der
muzikale en dramatische begaafdheid van het russische volk. We dronken
koffie-surrogaat-met-melk (een weelde-artikel, waar in den vrijen
handel 1500 roebel voor één glas melk werd betaald) en aten kasja[8]
met gestoofd fruit. We praatten met de leiders en leidsters, zachte,
vriendelijke menschen, idealisten en kindervrienden die uit roeping
zich gaven aan dit werk. Stil en vreedzaam lagen de kleine houten
huizen te midden van het statige bosch; stil en vreedzaam vlood het
leven in de kolonie ver van het geroezemoes, de onrust, de wilde
geruchten, de verlokking en opwinding der stad. Een kleine harmonische
wereld op zichzelf; voor de kinderen een bad van rust en kalmte, een
lafenis voor de geschokte zenuwen der volwassenen. En door geheel
Rusland lagen overal in de heerlijke, geurende zomerbosschen,
kinderkolonies als deze: millioenen stadskinderen, veilig gebed in den
zuiveren schoot der natuur.
Intusschen was het zes uur geworden: het feest zou beginnen.
Van alle kanten trokken, in het warm-stralende middaglicht, de groepen
kinderen uit de verschillende tehuizen door de groene lanen aan op het
verzamelpunt, een breed grasperk door een kubistisch beschilderde
eereboog naar één kant afgesloten. In hun handen bloeiden de vaandels
als bewegelijke bloemen in kleurige pracht. Bekoorlijke voorstellingen
betooverden de zinnen, machtige symbolen schoten hun vlammende
beteekenis uit door het denken, naïve en heldhaftige opschriften
ontroerden het hart. »Wij smeders smeden het nieuwe geluk«, luidde er
een; »Vrij als vogels willen wij zijn en schoon als sterren«, een
ander; »Dapper den weg op naar geluk en schoonheid«, bezwoer een groot
schild, in feestelijke kleuren bemaald; »Wij hebben de sprookjes lief«
getuigde een vierde, waarop gestyleerde dieren uit de Russische
sprookjeswereld waren afgebeeld. Tusschen de talrijke schoone schilden
was een groep van nog grooter kleurenweelde en lieflijkheid dan de
andere; het waren die, welke voor het bloemenfeest zouden dienen; een
groote kleur-fonkelende bloemenmand was daarbij, zijn overdaad
afhangend naar alle kanten, en een volle zon als een triomfantelijke
lach. Een heel vendel kleine vaantjes omstuwde die groote
voorstellingen, betooverend van tint, prezen zij in mooie, sierlijke
letters het wonder der lente.
Nu schaarden de kinderen hunne diepe stoeten voor den eereboog op het
breede grasveld, ter weerszijden waarvan zich een dichte drom
volwassen toeschouwers verdrong. Er klonk een fluitje. Van af een
klein platvorm, tegen de eereboog aangebracht, sprak een schonkige
jonge man met een van die leelijke maar expressieve vogelkoppen die
zoo sympathiek kunnen zijn het kindervolk toe. Nooit heb ik iemand zóó
tegen kinderen hooren spreken, zoo geheel als oude kameraad tegen
jongere kameraadjes, zoo warm broederlijk, zoo heerlijk fantastisch en
tevens met zóó uitnemenden paedagogischen takt. Hij begon met aan de
kinderen te vragen of ze wisten wat organisatie en georganiseerd-zijn
eigenlijk beteekende, en toen honderden stemmen in koor »neen«
antwoordden, maakte hij het hun begrijpelijk aan den aard van hun
eigen lichaam, aan de opstelling hunner stoeten, aan het lied dat hij
aangaf en dat allen medezongen, het frissche, vroolijke smeden-lied,
het lievelingslied der russische jeugd. En alles met grapjes, het
lachen was niet van de lucht. Toen--ik weet niet meer in welk
verband--kwam hij over sinaasappelen te spreken, vroeg wie er wel eens
eentje gezien en geproefd had--veel handen gingen de lucht in--wie er
in de laatste drie jaar nog wel eens een had gegeten,--heel wat minder
handen ditmaal--sprak over de armoe en den nood der wereld en over den
gezamenlijken arbeid en den eendrachtigen wil die haar konden
overwinnen en het leven maken lieflijk, rijk aan geluk. »En nu gaan
wij een reis maken door alle werelddeelen en overal onze
menschenmakkers leeren kennen en hen meenemen op onzen tocht en dan
zullen wij de aarde maken tot één groote sinaasappelgaarde«, besloot
hij zijn improvisatie. Een groot gejuich ging op onder de
kinderschaar. Van nu af aan zou het idee communisme voor hen leven in
het beeld van een heerlijken, wereldwijden tuin met flonkerende
vruchten. Ik dacht aan de mooie regels uit Gorter's »Pan«, zooals hij
daarin Parijs beschrijft gedurende de Commune: »Parijs was toen een
roode granaatappel, die met zijn roode wangen altijd lacht«.
Ook dit moest een dichter zijn.... Wie is hij, vroeg ik aan een der
russische makkers. »Rosarow, de organisator der schouwspelen voor
kinderen te Moskou, hij is met een heel troepje artiesten hierheen
gekomen om het feest voor te bereiden«. »Maar wat is hij van beroep,
paedagoog of kunstenaar«. »Beide«, was het antwoord. Toen begreep ik
het, en ik dacht in stilte »ja dit is wat wij noodig hebben, om de
opvoeding te vestigen op grondslagen van gemeenschapszin en
schoonheid: de paedagoog, de kunstenaar en de communist, in één
persoon vereenigd«.
En nu gingen wij op weg »naar alle werelddeelen«, de honderden
kinderen met hun banieren en schilden in het midden van de breede
laan, en op de voetpaden aan beide kanten de volwassenen. Een
onvergetelijke tocht werd het in het klare gouden licht, met boven ons
aan den hemeltent de blanke zeilen der wolken gespannen en om ons heen
het bruisen der vroolijke koperen marschmuziek. Eerst kwamen wij bij
een groot veld, dat cirkelvormig tusschen de bosschen lag. Op den
achtergrond stond een klein zomertheater, daar werd eerst een
poppendans opgevoerd en toen volgde op het open, cirkelvormige veld
het lentespel, de »dans der bloemen«. Het was vol bekoring en lief, en
het allerliefst was een heel klein kindje in 't wit, dat in een
wagentje, met groote bossen korenbloemen mooi gemaakt, tusschen de
dansers werd rondgereden.
Maar dat was enkel een voorspel, daarna begonnen de pret en de pracht
pas goed. Met z'n allen liepen we verder, kinderen en volwassenen,
door de groene lanen, het stof opjagend met onze voeten, tot we kwamen
in Amerika, bij de Roodhuiden. Ze waren bijna geheel naakt, hun huid
had den warmen tint van rood koper, ze droegen groote bossen veeren in
een krans rechtopstaande om het hoofd en prachtige ringen om polsen en
enkels. Eerst voerden zij naar den eisch een fantastischen krijgsdans
uit; toen trokken zij, met pijl en boog gewapend, de indringers
tegemoet en het gevecht begon. Dapper en hardnekkig vochten ze, die
kleine Indianen, maar eindelijk moesten ze zich gewonnen geven en ze
gingen mee, met ons verder de wijde wereld in; ver, vele vele mijlen
ver, naar Azië tot in het land der Chineezen. Die stonden daar, mannen
en vrouwen, in hun dorpje op het groene gras achter hun kraampjes, ze
hadden wijde kleurige tabbaarden aan en lange sluike zwarte staarten;
hun huid was geel als oker en ze brabbelden een taal die niemand
verstond. In de kramen lagen allerlei wonderlijke vruchten met
helgloeiende wangen, uit gebakken klei, bedriegelijk nagebootst. En
waarachtig, op 't eind van de kramenrei, half achter een dikken
boomstam verscholen, daar stond een groot Boedhabeeld ook uit klei, de
eerste schets leek wel van een groot beeldhouwer, onvolkomen maar
uiterst suggestief.
Toen we al dat moois hadden bewonderd en de Chineesjes aan hun
staarten getrokken en wonderlijke pompelmoezen gekocht, namen we
afscheid. We moesten weer verder, want de aarde is groot en we werden
verwacht in Afrika. Daar was 't nog 't mooist van alles. Het
negerdorp, met zijn hutten van bamboe en stroo, en de nikkertjes zelf,
glimmend zwart als blank gepoetste laarzen en hun gekke wollige
kroeskoppen en prachtige kralen kettingen en wonderlijke, barbaarsche
neus- en oorversiersels en hun lendeschorten van uitgeplozen wollen
draadjes en vodjes--'t was alles zoo mooi en zoo echt, dat je zoudt
gezworen hebben in Afrika te zijn en toch weer anders, want 't was het
Afrika-der-fantasie waar je was, en dat is veel mooier en
tooverachtiger dan 't werkelijke Afrika, en ook veel echter. En toen
stortten de dappere zwartjes zich met speer en pijl en boog gewapend
op de blanken en een verschrikkelijk gevecht begon, waarin zij zoo
waar er in slaagden, die blanke indringers op de vlucht te drijven.
Met woest geschreeuw vlogen ze op de muzikanten aan, ontroofden die
hun koperen trompetten en renden met hun buit juichend terug naar hun
dorp, om die rare gele dingen waar muziek uit kwam aan hun
vreemdsoortige bonte afgoden te offeren. En toen voerden ze een wilden
prachtigen oorlogsdans uit. Maar 't eind was natuurlijk toch dat de
blanken terugkwamen en hun de instrumenten weer afnamen, net als in de
werkelijkheid, maar anders dan in de werkelijkheid eindigde deze krijg
met een groot verbroederingsfeest en een algemeene dans, waar blank en
rood en geel en zwart aan deelnamen. Toen was de wereld vereenigd en
de steeds meer aangegroeide kinderstoet met al zijn vaandels en
schilden en banieren trok verder door de groene lanen die lagen in den
rijpen gloed van late middagzon. De muziek speelde en speelde, weer
klonken de klanken van het dappere smedenlied, honderden heldere
stemmen zongen het mee. En tusschen den langen kinderstoet en het
bosch, op de smalle zijpaden, daar verdrong zich het opgetogen publiek
dat den geheelen middag van alle kanten was toegestroomd: vaders en
moeders, stralend van vreugde over hunner kinderen genot;
partijgenooten en artiesten uit Moskou, per trein naar Tarasowka
gekomen om het groote kinderfeest te zien; boeren, arbeiders,
kleinburgers, keurige meneertjes en opgeschikte bourgeoisdames, die in
de niet-onteigende villa's woonden en ook rare slampampers, waarvan je
niet begreep wat ze er bij deden. Maar dat geheele publiek, hoe bont
samengesteld ook, leefde in die uren spontaan en hartelijk mee met de
heerlijke blije kinderen, met hun vrije, scheppende en toch geleide en
georganiseerde aktiviteit, met den schoonheidstoover van kleur en
klank, van lijn en beweging, die hun spel, hun dans en hun zang in de
zomerbosschen wrocht.
Zoo trok de zingende stoet verder, tot het punt van uitgang weer was
bereikt. Nog een korte toespraak, vaandelgezwaai en gejuich, toen viel
hij uiteen in verschillende groepen die door de groene lanen zich stil
naar alle kanten verspreidden en het feest met al zijn heerlijkheid,
met zijn opwinding en uitgelaten vreugde was voorbij.
Het was voorbij--maar zijn werkingen zouden voortduren voor allen die
het hadden bijgewoond, voor de kinderen natuurlijk het sterkst. Morgen
zou een zware dag voor hen zijn, een moeilijke tuimeling zouden ze
moeten doormaken, van het Zondagsche leven der fantasie naar het
alledaagsche der werkelijkheid. Maar overmorgen al zou de herinnering
haar gezegend werk beginnen en al het doorleefde zetten in zóó
schoonen gloed, als het oogenblik zelf niet doorstraald had.
Die weken van voorbereiding--hoe verrukkelijk zouden zij herleven! Dat
knutselen en knoeien met klei, dat naaien en kralen-rijgen en verwen,
dat kijken en meehelpen bij alles wat de groote towaritschi deden die
uit Moskou gekomen waren, zij die alles schenen te kennen en zoo
vroolijk waren en net zooveel schik hadden als de kinderen zelf. En
dan de repetities van de dansen en spiegelgevechten, het leeren van al
de ingewikkelde passen en bewegingen, het zich inspannen, lijf en
ziel, om het toch allemaal goed en mooi te doen.
De tinteling van al die genotrijke inspanning zou telkens bij de
herinnering in hen herleven; ze zouden voelen, hoe arbeid vreugde is,
hoe scheppende arbeid hoogste vreugde kan zijn.
En dan de dag zelf! Als een verrukking van kleuren en zon en muziek,
van heerlijke opwinding, beheerscht door niet van bovenaf opgelegde
maar zelf-gewilde orde, van schoon bereiken door gezamenlijke
inspanning, zou hij voortleven. En in al zijn genot voor het lijf en
de zinnen zou vervlochten zijn dat eene zinnebeeld wat hem beheerscht
had: die tocht, de wijde wereld door, om alle volken één te maken en
de aarde welig als een groote sinaasappeltuin. En naarmate zij ouder
werden zouden zij den zin van dat symbool steeds beter verstaan,
steeds dieper, wijder en grootscher zou het voor hen worden, zij
zouden gaan begrijpen wat dat eigenlijk was, de eenheid der volken,
die enkel het communisme maken kon. En zij zouden misschien later, in
moeilijkheden en beproevingen, gesteund worden in hun overtuiging door
de herinnering aan dien verren feestdag, dat zij onbewust het
communisme als glans en schoonheid en fantastische werkelijkheid
hadden doorleefd.
* * * * *
Op het grasveld voor het clubgebouw zaten wij nog een poosje bijeen
met eenige van de artisten die het feest hadden helpen voorbereiden en
een paar paedagogen uit de kolonie. Wij zaten aan een lange houten
tafel, we aten zwart brood met sprot-uit-een-blikje, dat Elizarowa had
meegebracht en dronken theesurrogaat, gemaakt uit rozijnen en
gedroogde appelen.
Daarna voerde de mooie sterke »auto van Lenin« ons door de avondkoelte
naar Moskou terug. De zon zonk achter ons weg aan den klaren horizon,
het land lag in kalme schoone effenheid, aan den hemel ontbloeide een
feërieke tuin met robijnroode, goudgloeiende en paarlmoeren
bloemenwolken.
Toen verstilde allengs het vlammende karmozijn en goud tot al zachter
tinten en de duisternis viel. Wij spraken weinig, de dag was
vermoeiend geweest en het zwijgende rijden door den koelen avond
verkwikking. Maar diep in ons hart leefde een warme rustige vreugde,
de vreugde die het gelukkig maakt, wanneer het zich overgeeft, zonder
bijgedachte of achterhoudendheid, aan de sterke machten van liefde en
vertrouwen.