III. +Het groote Kinderfeest te Tarasowka+.

....Dien morgen kwamen Kalinina en Elizarowa mij met een der ruime,

sterke auto's van het Uitvoerend Komité der R. S. F. S. R.--»de auto

van Lenin«, zooals het in den volksmond heet,--halen om een groot

kinderfeest te zien in een kolonie ongeveer 30 werst van Moskou

verwijderd. Met een vaart ging het over de hobbelige keien van den

grooten weg naar het zuiden; eerst door triestige, vervallen

voorsteden, toen langs velden en bosschen. Het had de laatste dagen

veel geregend; het gras aan de bermen van den weg, de akkers en de

boomen zagen er frisch en verzadigd uit. Een paar keer passeerden we

een dorp; maar het echte platteland was dit nog niet: van de povere

houten huizen behoorden niet velen aan boeren, het waren optrekjes

voor den zomer, zoogenaamde datschas. Er stonden er nogal wat leeg: de

moeilijkheden met de voedselvoorziening hielden veel menschen er van

terug, naar buiten te gaan; in de stad werkte de rantsoeneering beter.

Of ze zich dan niet op het land zelf konden voorzien, vroeg ik. In den

omtrek van Moskou zeker niet, luidde het antwoord, daar was sedert

lang alles kaalgevreten; men moest dan véél dieper het binnenland

ingaan.

Even voorbij een klein stationnetje, eenzaam tusschen de bosschen,

boog onze auto van den grooten weg af. Wij sloegen een van die

verrukkelijke landwegen in, zooals men ze enkel in Rusland vindt, héél

breed,--drie of vier karresporen naast elkaar--en bezoomd met

prachtige, statige berken. In voor- en najaar zijn die wegen niet te

berijden, maar nu ging het best, al was er wel eens een diepe met

modder gevulde kuil, die de auto noodzaakte zijn vaart te minderen. Nu

moest onze towaritschbestuurder, evenals op de vorige tocht, telkens

naar de juiste route informeeren: hij kwam uit Petrograd, was nog maar

kort te Moskou in dienst. En er zijn er zooveel van die breede, met

berken bezoomde lanen, en ze lijken allemaal zoo op elkaar! Echter, de

menschen van de streek wisten allemaal waar »de kinderkolonie van de

Tarasowka« lag, en zoo kwamen we dan, met veel vragen en slechts

weinig dwalen, ten slotte waar we moesten zijn.

Langs de lanen waar we nu doorreden had men kleinere of grootere

stukken bosch--van een halve tot een paar hectaren schatte ik

ze--omgeven door vrij primitieve palissaden. Op elk dier stukken

stonden enkele houten huizen van verschillende afmetingen, allen in

zwitsersche chaletstijl, maar armoediger en minder smaakvol: dit was

Tarasowka. Het is geen eigenlijk dorp maar een villakolonie tusschen

groote bosschen, echt russische bosschen van gemengd loof- en

naaldhout: sparren, beuken en eschdoorns, een heerlijkheid van welig,

krachtig hout. Hoeveel mijlen strekken de bosschen om Tarasowka zich

uit?--Ik weet het niet. »O, ze zijn groot, heel groot,« zeide men mij

toen ik er naar vroeg, met een wijd gebaar naar de ruimte. De Rus

verliest zich in de mateloosheid van zijn land.

Van de 500 chalets waaruit Tarasowka bestaat, zijn er 150

genationaliseerd en tot kinderkolonies ingericht geworden[6]; ze

liggen niet allemaal op een kluitje, maar tusschen de anderen in. We

moesten het huis »Clara Zetkin« hebben: het te vinden werd weer een

heel gezoek in dat labyrinth van lanen! Gelukkig kwam ons uit een der

andere kinderhuizen een jongen tegemoet, een flink, zelfstandig jog,

vrijmoedig en behulpzaam. Hij was voorzitter van de kindercommune, zei

hij, en zou ons brengen waar we moesten zijn.

Daar hoorden we dat de ochtend-parade met gemeenschappelijk gezang en

gymnastiek al afgeloopen was. We hadden die verzuimd doordat Kalinina

's morgens een feest van Moskousche kinderen had moeten inspecteeren.

De kinderen van Tarasowka waren juist allemaal naar de tehuizen terug

om te eten en te rusten. Maar het eigenlijke feest begon pas 's avonds

om 6 uur[7], dat zouden we dus bijwonen. Den middag konden we

gebruiken om het schoolgebouw, het clubhuis en enkele huizen te

bezoeken en zoo een indruk te krijgen van de dagelijksche omgeving der

kinderen.

De houten chalets, waarin de meeste kinderkolonies zijn ondergebracht,

hebben voor ons gevoel, gewend als wij Hollanders zijn aan witte muren

en lichte behangsels, iets sombers. Dit komt door de kale bruine

sigarenkistjesachtige wanden, en doordat ze liggen aan alle kanten

tusschen het hooge hout. Gedempt valt het daglicht binnen door de

kleine vensters. Maar de meesten van die huizen hebben groote open

waranda's en balkons, en dat is voor de kinderen een heerlijkheid!

Daar spelen de kleintjes, daar gebruiken allen hun maaltijden,

kinderen en personeel. Ook nu stonden de tafels gedekt. In alle

kolonies en scholen die ik zag, wordt geprobeerd het voor de kinderen

aan tafel en in huis gezellig te maken; overal was met een wit

tafellaken gedekt en versierden groote bouquetten veldbloemen de

tafels; sommigen van hen bekoorden door hun schilderachtigheid en het

fijne gevoel voor kleurschakeering. Ook de huizen zelf die we

bezochten waren versierd ter eere van het feest; de kinderen hadden

dit zelf gedaan met takken en twijgen die ze uit het bosch haalden en

aan de muren spijkerden; een frissche geur van hars en dennen kwamen

ons uit de kamers te gemoet. Wat waren die kamers eenvoudig! Er stond

niets dan het hoognoodige: enkele tafels en stoelen. Kasten zag ik

bijna nergens, behalve kleine open kastjes voor speelgoed en

leermiddelen. De kleeren worden geborgen achter een gordijn; voor 't

wasschen zijn afzonderlijke ruimten ingericht. Doordat dit alles

huizen geweest waren van middenstanders, beambten enz.--dus

betrekkelijk klein en eenvoudig,--waren er nergens groote slaapzalen

met tientallen bedden. Dat paste trouwens ook heelemaal niet in het

systeem: men wilde de kinderen opvoeden wel buiten de bekrompenheid en

engheid van 't »burgerlijke« gezin, maar niet in een kazerneachtige

omgeving. Elk »huis« leefde als een groote familie; slaapkamers met

meer dan vier à zes bedden vormden een uitzondering. Blijkbaar deed

men zijn best om vooral de slaapkamers der grootere meisjes met

geringe hulpmiddelen, als wat snuisterijtjes aan de muur, een enkel

aardig kleedje enz. zoo knus mogelijk te maken. In bijna alle kamers

hingen portretten van Lenin en Trotzky--en wàt voor portretten, groote

goden! Wat voor denkbeeld, dacht ik dikwijls, moeten de kinderen zich

wel vormen van de leiders van den staat, waarvan zij zooveel goeds

hooren en die zij als zulke monsters zien voorgesteld.--Maar ook zag

ik telkens in de slaapkamers aan de muren bidprentjes hangen, die de

kinderen meegebracht hadden of toegestuurd kregen.

Van uniforme kleeding was natuurlijk geen sprake. Enkele groepen zag

ik,--kinderen van één huis--in een bijzonder pakje; ik herinner mij

een zeer smaakvolle combinatie van groen-en-wit; maar er waren geen

middelen om dat voor een zoo groot aantal door te voeren. De kinderen

zagen er frisch en fleurig uit; de meesten met kortgeknipte haren, wat

noodig is door het groote gebrek aan zeep; de rantsoenen zelfs voor de

kindertehuizen waren heel klein en konden niet eens altijd regelmatig

uitgedeeld worden. Lang niet allen hadden schoenen en kousen aan, maar

in dit lekkere zomersche weer leek blootvoets gaan op het warme zand

of het zachte mos tusschen de boomen heelemaal geen straf.

Wij zagen de school, wij zagen boetseerwerk in klei; vruchten en

dieren, door de kinderen naar eigen drang en fantasie vervaardigd. We

zagen opmerkelijke teekeningen van kinderen van 9 à 10 jaar, kleurige

schetsen van menschen en boomen naar de natuur en dekoratieve

ontwerpen. We zagen eenige kinderen boerendansen uitvoeren met veel

animo en groote vaardigheid, terwijl de anderen, een kring vormend om

hen heen, de maat klapten met de handen. We hoorden ze zingen: eerst

de Internationale, toen volksliederen, vroolijke en droefgeestige,

koorzang en soli, en we verheugden ons weer over de algemeenheid der

muzikale en dramatische begaafdheid van het russische volk. We dronken

koffie-surrogaat-met-melk (een weelde-artikel, waar in den vrijen

handel 1500 roebel voor één glas melk werd betaald) en aten kasja[8]

met gestoofd fruit. We praatten met de leiders en leidsters, zachte,

vriendelijke menschen, idealisten en kindervrienden die uit roeping

zich gaven aan dit werk. Stil en vreedzaam lagen de kleine houten

huizen te midden van het statige bosch; stil en vreedzaam vlood het

leven in de kolonie ver van het geroezemoes, de onrust, de wilde

geruchten, de verlokking en opwinding der stad. Een kleine harmonische

wereld op zichzelf; voor de kinderen een bad van rust en kalmte, een

lafenis voor de geschokte zenuwen der volwassenen. En door geheel

Rusland lagen overal in de heerlijke, geurende zomerbosschen,

kinderkolonies als deze: millioenen stadskinderen, veilig gebed in den

zuiveren schoot der natuur.

Intusschen was het zes uur geworden: het feest zou beginnen.

Van alle kanten trokken, in het warm-stralende middaglicht, de groepen

kinderen uit de verschillende tehuizen door de groene lanen aan op het

verzamelpunt, een breed grasperk door een kubistisch beschilderde

eereboog naar één kant afgesloten. In hun handen bloeiden de vaandels

als bewegelijke bloemen in kleurige pracht. Bekoorlijke voorstellingen

betooverden de zinnen, machtige symbolen schoten hun vlammende

beteekenis uit door het denken, naïve en heldhaftige opschriften

ontroerden het hart. »Wij smeders smeden het nieuwe geluk«, luidde er

een; »Vrij als vogels willen wij zijn en schoon als sterren«, een

ander; »Dapper den weg op naar geluk en schoonheid«, bezwoer een groot

schild, in feestelijke kleuren bemaald; »Wij hebben de sprookjes lief«

getuigde een vierde, waarop gestyleerde dieren uit de Russische

sprookjeswereld waren afgebeeld. Tusschen de talrijke schoone schilden

was een groep van nog grooter kleurenweelde en lieflijkheid dan de

andere; het waren die, welke voor het bloemenfeest zouden dienen; een

groote kleur-fonkelende bloemenmand was daarbij, zijn overdaad

afhangend naar alle kanten, en een volle zon als een triomfantelijke

lach. Een heel vendel kleine vaantjes omstuwde die groote

voorstellingen, betooverend van tint, prezen zij in mooie, sierlijke

letters het wonder der lente.

Nu schaarden de kinderen hunne diepe stoeten voor den eereboog op het

breede grasveld, ter weerszijden waarvan zich een dichte drom

volwassen toeschouwers verdrong. Er klonk een fluitje. Van af een

klein platvorm, tegen de eereboog aangebracht, sprak een schonkige

jonge man met een van die leelijke maar expressieve vogelkoppen die

zoo sympathiek kunnen zijn het kindervolk toe. Nooit heb ik iemand zóó

tegen kinderen hooren spreken, zoo geheel als oude kameraad tegen

jongere kameraadjes, zoo warm broederlijk, zoo heerlijk fantastisch en

tevens met zóó uitnemenden paedagogischen takt. Hij begon met aan de

kinderen te vragen of ze wisten wat organisatie en georganiseerd-zijn

eigenlijk beteekende, en toen honderden stemmen in koor »neen«

antwoordden, maakte hij het hun begrijpelijk aan den aard van hun

eigen lichaam, aan de opstelling hunner stoeten, aan het lied dat hij

aangaf en dat allen medezongen, het frissche, vroolijke smeden-lied,

het lievelingslied der russische jeugd. En alles met grapjes, het

lachen was niet van de lucht. Toen--ik weet niet meer in welk

verband--kwam hij over sinaasappelen te spreken, vroeg wie er wel eens

eentje gezien en geproefd had--veel handen gingen de lucht in--wie er

in de laatste drie jaar nog wel eens een had gegeten,--heel wat minder

handen ditmaal--sprak over de armoe en den nood der wereld en over den

gezamenlijken arbeid en den eendrachtigen wil die haar konden

overwinnen en het leven maken lieflijk, rijk aan geluk. »En nu gaan

wij een reis maken door alle werelddeelen en overal onze

menschenmakkers leeren kennen en hen meenemen op onzen tocht en dan

zullen wij de aarde maken tot één groote sinaasappelgaarde«, besloot

hij zijn improvisatie. Een groot gejuich ging op onder de

kinderschaar. Van nu af aan zou het idee communisme voor hen leven in

het beeld van een heerlijken, wereldwijden tuin met flonkerende

vruchten. Ik dacht aan de mooie regels uit Gorter's »Pan«, zooals hij

daarin Parijs beschrijft gedurende de Commune: »Parijs was toen een

roode granaatappel, die met zijn roode wangen altijd lacht«.

Ook dit moest een dichter zijn.... Wie is hij, vroeg ik aan een der

russische makkers. »Rosarow, de organisator der schouwspelen voor

kinderen te Moskou, hij is met een heel troepje artiesten hierheen

gekomen om het feest voor te bereiden«. »Maar wat is hij van beroep,

paedagoog of kunstenaar«. »Beide«, was het antwoord. Toen begreep ik

het, en ik dacht in stilte »ja dit is wat wij noodig hebben, om de

opvoeding te vestigen op grondslagen van gemeenschapszin en

schoonheid: de paedagoog, de kunstenaar en de communist, in één

persoon vereenigd«.

En nu gingen wij op weg »naar alle werelddeelen«, de honderden

kinderen met hun banieren en schilden in het midden van de breede

laan, en op de voetpaden aan beide kanten de volwassenen. Een

onvergetelijke tocht werd het in het klare gouden licht, met boven ons

aan den hemeltent de blanke zeilen der wolken gespannen en om ons heen

het bruisen der vroolijke koperen marschmuziek. Eerst kwamen wij bij

een groot veld, dat cirkelvormig tusschen de bosschen lag. Op den

achtergrond stond een klein zomertheater, daar werd eerst een

poppendans opgevoerd en toen volgde op het open, cirkelvormige veld

het lentespel, de »dans der bloemen«. Het was vol bekoring en lief, en

het allerliefst was een heel klein kindje in 't wit, dat in een

wagentje, met groote bossen korenbloemen mooi gemaakt, tusschen de

dansers werd rondgereden.

Maar dat was enkel een voorspel, daarna begonnen de pret en de pracht

pas goed. Met z'n allen liepen we verder, kinderen en volwassenen,

door de groene lanen, het stof opjagend met onze voeten, tot we kwamen

in Amerika, bij de Roodhuiden. Ze waren bijna geheel naakt, hun huid

had den warmen tint van rood koper, ze droegen groote bossen veeren in

een krans rechtopstaande om het hoofd en prachtige ringen om polsen en

enkels. Eerst voerden zij naar den eisch een fantastischen krijgsdans

uit; toen trokken zij, met pijl en boog gewapend, de indringers

tegemoet en het gevecht begon. Dapper en hardnekkig vochten ze, die

kleine Indianen, maar eindelijk moesten ze zich gewonnen geven en ze

gingen mee, met ons verder de wijde wereld in; ver, vele vele mijlen

ver, naar Azië tot in het land der Chineezen. Die stonden daar, mannen

en vrouwen, in hun dorpje op het groene gras achter hun kraampjes, ze

hadden wijde kleurige tabbaarden aan en lange sluike zwarte staarten;

hun huid was geel als oker en ze brabbelden een taal die niemand

verstond. In de kramen lagen allerlei wonderlijke vruchten met

helgloeiende wangen, uit gebakken klei, bedriegelijk nagebootst. En

waarachtig, op 't eind van de kramenrei, half achter een dikken

boomstam verscholen, daar stond een groot Boedhabeeld ook uit klei, de

eerste schets leek wel van een groot beeldhouwer, onvolkomen maar

uiterst suggestief.

Toen we al dat moois hadden bewonderd en de Chineesjes aan hun

staarten getrokken en wonderlijke pompelmoezen gekocht, namen we

afscheid. We moesten weer verder, want de aarde is groot en we werden

verwacht in Afrika. Daar was 't nog 't mooist van alles. Het

negerdorp, met zijn hutten van bamboe en stroo, en de nikkertjes zelf,

glimmend zwart als blank gepoetste laarzen en hun gekke wollige

kroeskoppen en prachtige kralen kettingen en wonderlijke, barbaarsche

neus- en oorversiersels en hun lendeschorten van uitgeplozen wollen

draadjes en vodjes--'t was alles zoo mooi en zoo echt, dat je zoudt

gezworen hebben in Afrika te zijn en toch weer anders, want 't was het

Afrika-der-fantasie waar je was, en dat is veel mooier en

tooverachtiger dan 't werkelijke Afrika, en ook veel echter. En toen

stortten de dappere zwartjes zich met speer en pijl en boog gewapend

op de blanken en een verschrikkelijk gevecht begon, waarin zij zoo

waar er in slaagden, die blanke indringers op de vlucht te drijven.

Met woest geschreeuw vlogen ze op de muzikanten aan, ontroofden die

hun koperen trompetten en renden met hun buit juichend terug naar hun

dorp, om die rare gele dingen waar muziek uit kwam aan hun

vreemdsoortige bonte afgoden te offeren. En toen voerden ze een wilden

prachtigen oorlogsdans uit. Maar 't eind was natuurlijk toch dat de

blanken terugkwamen en hun de instrumenten weer afnamen, net als in de

werkelijkheid, maar anders dan in de werkelijkheid eindigde deze krijg

met een groot verbroederingsfeest en een algemeene dans, waar blank en

rood en geel en zwart aan deelnamen. Toen was de wereld vereenigd en

de steeds meer aangegroeide kinderstoet met al zijn vaandels en

schilden en banieren trok verder door de groene lanen die lagen in den

rijpen gloed van late middagzon. De muziek speelde en speelde, weer

klonken de klanken van het dappere smedenlied, honderden heldere

stemmen zongen het mee. En tusschen den langen kinderstoet en het

bosch, op de smalle zijpaden, daar verdrong zich het opgetogen publiek

dat den geheelen middag van alle kanten was toegestroomd: vaders en

moeders, stralend van vreugde over hunner kinderen genot;

partijgenooten en artiesten uit Moskou, per trein naar Tarasowka

gekomen om het groote kinderfeest te zien; boeren, arbeiders,

kleinburgers, keurige meneertjes en opgeschikte bourgeoisdames, die in

de niet-onteigende villa's woonden en ook rare slampampers, waarvan je

niet begreep wat ze er bij deden. Maar dat geheele publiek, hoe bont

samengesteld ook, leefde in die uren spontaan en hartelijk mee met de

heerlijke blije kinderen, met hun vrije, scheppende en toch geleide en

georganiseerde aktiviteit, met den schoonheidstoover van kleur en

klank, van lijn en beweging, die hun spel, hun dans en hun zang in de

zomerbosschen wrocht.

Zoo trok de zingende stoet verder, tot het punt van uitgang weer was

bereikt. Nog een korte toespraak, vaandelgezwaai en gejuich, toen viel

hij uiteen in verschillende groepen die door de groene lanen zich stil

naar alle kanten verspreidden en het feest met al zijn heerlijkheid,

met zijn opwinding en uitgelaten vreugde was voorbij.

Het was voorbij--maar zijn werkingen zouden voortduren voor allen die

het hadden bijgewoond, voor de kinderen natuurlijk het sterkst. Morgen

zou een zware dag voor hen zijn, een moeilijke tuimeling zouden ze

moeten doormaken, van het Zondagsche leven der fantasie naar het

alledaagsche der werkelijkheid. Maar overmorgen al zou de herinnering

haar gezegend werk beginnen en al het doorleefde zetten in zóó

schoonen gloed, als het oogenblik zelf niet doorstraald had.

Die weken van voorbereiding--hoe verrukkelijk zouden zij herleven! Dat

knutselen en knoeien met klei, dat naaien en kralen-rijgen en verwen,

dat kijken en meehelpen bij alles wat de groote towaritschi deden die

uit Moskou gekomen waren, zij die alles schenen te kennen en zoo

vroolijk waren en net zooveel schik hadden als de kinderen zelf. En

dan de repetities van de dansen en spiegelgevechten, het leeren van al

de ingewikkelde passen en bewegingen, het zich inspannen, lijf en

ziel, om het toch allemaal goed en mooi te doen.

De tinteling van al die genotrijke inspanning zou telkens bij de

herinnering in hen herleven; ze zouden voelen, hoe arbeid vreugde is,

hoe scheppende arbeid hoogste vreugde kan zijn.

En dan de dag zelf! Als een verrukking van kleuren en zon en muziek,

van heerlijke opwinding, beheerscht door niet van bovenaf opgelegde

maar zelf-gewilde orde, van schoon bereiken door gezamenlijke

inspanning, zou hij voortleven. En in al zijn genot voor het lijf en

de zinnen zou vervlochten zijn dat eene zinnebeeld wat hem beheerscht

had: die tocht, de wijde wereld door, om alle volken één te maken en

de aarde welig als een groote sinaasappeltuin. En naarmate zij ouder

werden zouden zij den zin van dat symbool steeds beter verstaan,

steeds dieper, wijder en grootscher zou het voor hen worden, zij

zouden gaan begrijpen wat dat eigenlijk was, de eenheid der volken,

die enkel het communisme maken kon. En zij zouden misschien later, in

moeilijkheden en beproevingen, gesteund worden in hun overtuiging door

de herinnering aan dien verren feestdag, dat zij onbewust het

communisme als glans en schoonheid en fantastische werkelijkheid

hadden doorleefd.

* * * * *

Op het grasveld voor het clubgebouw zaten wij nog een poosje bijeen

met eenige van de artisten die het feest hadden helpen voorbereiden en

een paar paedagogen uit de kolonie. Wij zaten aan een lange houten

tafel, we aten zwart brood met sprot-uit-een-blikje, dat Elizarowa had

meegebracht en dronken theesurrogaat, gemaakt uit rozijnen en

gedroogde appelen.

Daarna voerde de mooie sterke »auto van Lenin« ons door de avondkoelte

naar Moskou terug. De zon zonk achter ons weg aan den klaren horizon,

het land lag in kalme schoone effenheid, aan den hemel ontbloeide een

feërieke tuin met robijnroode, goudgloeiende en paarlmoeren

bloemenwolken.

Toen verstilde allengs het vlammende karmozijn en goud tot al zachter

tinten en de duisternis viel. Wij spraken weinig, de dag was

vermoeiend geweest en het zwijgende rijden door den koelen avond

verkwikking. Maar diep in ons hart leefde een warme rustige vreugde,

de vreugde die het gelukkig maakt, wanneer het zich overgeeft, zonder

bijgedachte of achterhoudendheid, aan de sterke machten van liefde en

vertrouwen.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 32 / 43 题