II. +Scholen in het Bosch+.

Onder mijn prettigste herinneringen aan Sowjet-Rusland zijn die van

enkele autotochten naar buiten, die ik in klein gezelschap maakte om

scholen of kinderkolonies te bezoeken. Het leven was druk en rommelig

te Moskou; de maaltijden in het overvolle karavanserail brachten niet

veel verpoozing tusschen of na de zittingen van het duizendhoofdig

kongres. Welk een heerlijkheid, ontvoerd te worden aan het

geroezemoes, de twistgesprekken en de politieke opwinding van die

sfeer, om met enkel de vriendelijke gezichten van Kalinina en

Elizarowa tegenover en dat van de een of andere verheugde tochtgenoot

naast je, in de geruischloos voortjagende auto de vage, slordige

buitenwijken van Moskou achter je te laten, de leelijke optrekjes en

magere akkertjes voorbij te vliegen en de donkere lijn der bosschen

elke minuut naderbij te zien komen. Van den hobbeligen straatweg

afbuigend, een dier tallooze breede berkenlanen in, die naar de

eindeloosheid schenen te voeren, bereikten wij dan, in den regel niet

zonder eenig dwalen, de idyllische plek-in-het-woud, waar wij moesten

wezen. Van achter de statige stammen der reuzensparren, of uit de

breede waranda van een stevig, eenvoudig houten huis, kwam een troepje

kinderen met uitroepen van vreugde op »de auto van Kalinina«

toegesprongen, de vreemde genooten vol vertrouwende hartelijkheid

begroetend. De eerste keer dat Kalinina en Elizarowa mij op zulk een

uitstapje meenamen, bezochten wij het »Muziektechnikum«, zooals de

russische uitdrukking luidt, van Tarasowka, hetzelfde dorp waar ik een

paar weken later, in een ander deel van het groote natuurpark dat het

omringt, zulk een schitterend kinderfeest zou bijwonen.

Ook hier waren, evenals in alle andere instellingen voor kinderen

buiten die ik bezocht, de ongeveer tachtig interne leerlingen met de

verzorgers en opvoeders gehuisvest in een aantal dicht bij elkaar

gelegen datschas. Een paar van deze huizen bevatten de frissche

slaapkamers, in een ander zijn de lokalen voor onderwijs en

handenarbeid, in een derde gebouw bevindt zich de club, enz. De

maaltijden worden 's zomers hetzij op een grasperk vóór het huis of in

een der ruime waranda's gebruikt, die bijna elke wat grootere datscha

bezit. Een dergelijke paviljoen-indeeling sluit natuurlijk de

eenvormigheid en naargeestigheid van het gestichtsleven volkomen uit,

de sfeer doet denken half aan die van een talrijke

familie-met-veel-kinderen-te-logeeren buiten, half aan de

genoeglijkheid van een bestendige picnic.

In het muziektechnikum te Tarasowka onderging ik voor den eersten keer

die stemming van rust en mildheid, van onbezorgdheid en overgave, van

een geheel ongedwongen, affektueuzen omgang tusschen opvoeders en

kinderen, die mijn herinnering aan deze uren, in de kinderkolonies

doorgebracht, met zulk een zachten, weldadigen glans omgeeft.

Eerst moesten wij natuurlijk aanzitten om met den professor-direkteur

en een paar van de leerkrachten thee te drinken. Dit gebeurde in een

dier lichte, eenvoudige kamers met weinig meubelen, weinig gordijnen,

en op den tuin uitziende vensters, zooals men ze ook in ons land in

ouderwetsche, wat afgelegen buitenhuizen nog wel vindt. Alleen plegen

daar de muren witgekalkt of met een licht behangseltje overtrokken te

zijn, terwijl wij hier zaten tusschen lichtbruin gebeitste houten

wanden. Buiten speelden gouden zonnestralen door het jonge loover van

eschdoorns en berken, een merel dichtbij, jubelde zijn blij-glanzend

wijsje. En ik, die noode de vroeg-zomersche geneugten van Holland had

achtergelaten, voelde een verteederd verlangen als een zoete pijn

schieten door het hart....

De direkteur van het muziektechnikum van Tarasowka is een

oud-professor van het Moskousche konservatorium, een goede vijftiger,

denk ik, maar zijn hartgrondige stem en de loutere blik van zijn

bebrilde oogen hebben de kinderlijke argeloosheid en het roerend

levensvertrouwen van wie eeuwig jong blijven. Een zonnige natuur,

muziek-enthousiast en kindervriend, zooals heel zijn wezen verraadde,

leek hij bij uitstek geschikt voor zijn taak, aan

volkskinderen-met-aanleg een goede algemeen-muzikale opleiding te

geven. Over zijn werk sprak hij met groote warmte. Zijn vriendelijk

rond gezicht, met den fijnen mond, zijn gulle lach en zijn opgewekte

manieren straalden liefde uit, voldoening en geluk. Eenmaal slechts

trok een wolk over zijn voorhoofd: het was toen hij klaagde tegen ons

over het groote gebrek aan snaren voor strijkinstrumenten, dat in

Rusland bestaat: of het ons niet mogelijk zou zijn, vroeg hij, hem die

uit het buitenland te verschaffen? Ik beloofde, thuis gekomen, te

zullen doen wat ik kon[5].

De professor kende enkel Russisch; van de jongere leerkrachten spraken

er een paar Duitsch, andere Fransch of Engelsch. Behalve in muziek,

harmonieleer en moderne talen, kregen de leerlingen ook les in

rekenen, natuurkunde, aardrijkskunde en geschiedenis. Het

muziekonderwijs werd gegeven op half-klassikalen, half individueelen

grondslag; koorzang, samenspel en rythmische gymnastiek vormden de

basis; de meer begaafden leerden daarenboven een of meer

muziekinstrumenten bespelen. Om de kinderen te oefenen zich vrij en

gemakkelijk te bewegen en de scheppende verbeelding op te wekken, was

als een der leervakken de »dramatische improvisatie« ingevoerd. De

leeraar gaf een thema op aan twee of meer leerlingen; na enkele

minuten voorbereiding moesten zij dit, al dan niet gekostumeerd,

mimeeren. Allerlei themata werden voor deze kleine pantomines

gebruikt; de meest geliefde waren, zoo ik mij niet vergis, die uit

oude of gemoderniseerde sprookjes.

De leeraar in de dramatische vakken, die mij dit alles vertelde was

een jonge, lange, broodmagere blonde man--zelf schrijver van

tooneelstukken--met een zacht gezicht en enthousiaste oogen. In het

algemeen trof mij, bij alle opvoeders, met wie ik bij mijn bezoeken

aan de instellingen voor kinderen in aanraking kwam, een

aantrekkelijke eenvoud en een groote menschelijke mildheid. Zij deden

mij het meest denken aan enkele mij bekende onderwijzers van onze

»humanitaire scholen«. Het ouderwetsche type »schoolmeester« of

»schooljuffrouw« ontmoette ik niet.

Op het theedrinken volgde een bezoek aan de verschillende huizen. Wij

zagen de gewone, uiterst eenvoudig gemeubelde, maar zindelijke en

frissche slaapzaaltjes, die ik elders ook zou vinden, verder een

aantal muziekkamertjes, waar niets anders dan een groote vleugel, een

pianokruk en een lessenaar stond. Een paar kinderen zaten ijverig te

studeeren; de gamma's en Czerny-études klonken op dien zonnigen

zomermorgen door de gangen even droomerig en half onwezenlijk als zij

dat hadden gedaan in mijn vaders huis, toen ik zelf een kind was.

Wat het meest indruk op mij maakte bij dezen rondgang was het vertrek,

waar netjes achter gordijnen (kasten waren er niet) de kleeren van de

kinderen geborgen werden: kleurige, frissche linnen of katoenen jurken

voor de meisjes, russische blouses voor de jongens en stapeltjes

helder gewasschen, netjes gevouwen ondergoed. Een hollandsche

huisvrouw zou er schik in gehad hebben. Daarnaast was de afdeeling

»tooneelgarderobe«, zorgvuldig gerangschikt en goed voorzien. Een

suggestie van heerlijke verkleedpartijen, fantastische charades en

pantomimes ging hiervan uit. Er waren bonte boerendrachten,

zwart-en-roode hemden voor duivels en heksen, prachtgewaden voor

prinsen en prinsessen uit de sprookjes, het meeste in huis vervaardigd

van eenvoudig materiaal, maar met smaak en fantasie. Het gebrek aan

zijde, gaas en fluweel had er toe gevoerd, de ornamenten op de linnen

en katoenen stof te schilderen. Daarmee waren heel aardige effecten

bereikt. Maar wat hing daarin tusschen die »home-made« tooneelkleeren,

kostbaar-glanzend, met een diepen, kleurigen weerschijn? Twee jurken

van bebloemd brokaat waren het, van een zijde, zoo stijf en zwaar, dat

ze leken te zullen blijven staan waar je ze neerzette. Uit de

garderobe van welk keizerlijk theater zouden die pronkstukken wel

afkomstig zijn geweest? Of--uit de diepe kleerkast van welke

prinses-van-den-bloede?

Terwijl wij een en ander bekeken, hadden de kinderen de uitvoering

voorbereid. Het tooneel, waarop deze plaats zou vinden, gaf aan den

voorkant toegang tot een soort park; daar stonden eenige rijen

ruw-houten banken, die, naar ik schatte, een publiek van een kleine

honderd personen plaats boden. Wij gingen vooraan zitten, en de

opvoering begon: koorzang, orkestspel (het orkest bestond nog slechts

enkele maanden) vocale en instrumentale soli, nationale dansen, en

dramatische improvisaties. De kinderen musiceerden zonder eenige

gegeneerdheid of verlegenheid; ze waren er heelemaal in. En het

musiceeren was hun blijkbaar een groot genot. Het samenspel en de

koren klonken beschaafd en zuiver; er waren een paar goede, klankvolle

stemmen bij, en een meisje met een lage, volle altstem maakte den

indruk van een bijzonder muzikaal en dramatisch talent.

Het was bijna niet te gelooven, dat de school pas sedert een jaar

bestond en de leerlingen zonder uitzondering voortkwamen uit een

milieu, waarin ze nooit gelegenheid gehad hadden muziek te leeren.

Misschien levert de veel voorkomende muzikale en dramatische

begaafdheid bij het russische volk voor dit feit de verklaring, in

verband natuurlijk met de bezielende persoonlijkheid van den directeur

en met de concentratie bij het werk, die de ligging der school, verweg

van de verstrooiing en versnippering van het stadsleven, ongetwijfeld

in hooge mate moet bevorderen.

Terwijl wij daar zaten en luisterden, waren er telkens nieuwe

toehoorders bij gekomen: leerlingen, schoolpersoneel, arbeiders en

zomergasten uit de buurt. Zachtjes kwamen zij over het tuinpad

aanloopen en namen tusschen ons plaats op de withouten banken. Allen

waren welkom, allen genoten de harmonieën der muziek en, naar mij

voorkwam, ook de geestelijke harmonieën van vrede en louterheid en

broederlijkheid, die voor het hart hier hoorbaar werden. Maar voor mij

was er wrangheid gemengd in dezen beker. Nooit heb ik de kinderen van

Sowjet-Rusland gezien bij hun spel en hun werk en hun maaltijd, of een

ontroering kropte in mijn keel, en mijn hart sloeg in smartelijk

verlangen. Het beeld van de millioenen proletariërskinderen in de

rijke landen van West-Europa, opgroeiend in de oude dofheid, de oude

verwaarloozing, rees als een bittere vloed in mij op. En niet minder

bitterheid was er in de gedachte aan de toegewijde zorg, liefde en

teederheid, die in dit uitgemergelde land het onmogelijke beproefden

om van de kinderen ontbering en armoe ver te houden, hun jeugdjaren te

maken tot het tooverland vol wisselende vreugden, wat zij voor alle

kinderen behoorden te zijn.......

De eigenlijke bosch-school, die ik eenige weken later,--ditmaal niet

in gezelschap van Kalinina en Elizarowa, maar met twee of drie

mede-afgevaardigden--bezocht, lag veel dichter bij Moskou, op zijn

best een kilometer of tien van de buitenwijken verwijderd. Ik meen mij

te herinneren, dat de instelling »Het Kindernestje« heette, en

inderdaad lag zij als een nestje verscholen tusschen het hooge

geboomte van een lommerrijk park, waar onze auto moeite had haar te

vinden. »We zijn er gelukkig; als er nu ook nog een stalowoi (eetzaal,

restaurant) in de buurt was,« zei de towaritsch-chauffeur lachend,

terwijl hij den wagen onder de hooge berken van de laan, naast het

hek, terzijde van een groot, wat vervallen uitziend buitenhuis deed

stilstaan. Zijn wensch zou spoediger vervuld worden dan hij dacht: de

tafel stond gedekt onder de open waranda, de soep werd juist

opgediend. Er waren slechts weinig kinderen tehuis; de meesten maakten

een uitstapje. Plaats genoeg dus voor de onverwachte en ongenoode

gasten! We schikten aan tusschen den leider, het schoolpersoneel en de

jongere kinderen, die thuis waren gebleven; onze chauffeur en de tolk

waren natuurlijk ook van de partij. Het menu was groentesoep met brood

en een soort grove haverpap; enkel de kinderen kregen een beetje zure

melk toe. Het voedsel was lang niet meer zoo goed en overvloedig als

in de eerste jaren der republiek, zeide men ons, al kregen de kinderen

nog altijd het beste wat men te geven had.

Het huis waar wij ons bevonden was een zoogenaamde proefschool voor

normale kinderen, dat er naast een openluchtschool voor zwakken en

tuberculeuzen. Wat verder het park in stond het gebouw voor de

onderwijzeressen, die in hun vacantie hier een kursus in practische

opvoedkunde volgden. De leider der geheele inrichting maakte zich, tot

mijn vreugde en verrassing, bekend als een broer van den genialen

Rosarow, den man van de Moskousche theatervoorstellingen voor kinderen

en het groote kinderfeest te Tarasowka. Nu kon ik hem nog de boodschap

meegeven aan zijn broer, hoezeer ik dien dag had genoten. Na den

maaltijd liet hij ons de geheele inrichting zien. Zij was vroeger de

bezitting geweest van een zeer vermogend man, die haar echter reeds

voor den oorlog wegens financieelen achteruitgang had laten

verwilderen en vervallen. Alles was grootsch aangelegd, er waren

reusachtige boomgaarden--dit jaar leeg van vruchten helaas--en

uitgestrekte moeslanden. Er was ook een boerderij met een paar koeien

en paarden en wat klein vee. Onder leiding van den tuinman-instructeur

hielpen de kinderen de groente- en aardappelenlanden onderhouden.

Daarenboven had elk hunner zijn eigen tuintje, waar hij kon zaaien en

planten net wat hij wou. Rosarow maakte ons op een dier tuintjes

opmerkzaam, waar de planten veel te dicht op elkaar stonden. »Daar

komt niets van terecht natuurlijk, maar wij laten de kinderen rustig

begaan: zij moeten leeren door hun fouten.« Twee andere van die

langwerpige reepjes tuin naast elkaar wees hij ons, van boven

verbonden door een halven cirkel, waarin het koren al hoog opschoot.

»Aardig hè?« zeide hij, »dat is van twee zusjes; hiermee willen ze

aangeven, dat hun tuintjes half-gemeenschappelijk zijn.« Behalve den

arbeid in den tuin en op het land verrichten de kinderen ook huiswerk,

onder toezicht van de verschillende »instructeurs«. Aan dit huiswerk

namen alle leerkrachten deel; dienstboden waren er niet. Alle kinderen

leerden muziek, ook teekenen werd aangemoedigd; voor eenige

zwak-begaafden, die moeite hadden het gewone onderricht te volgen,

wilde men een naaikamer en een hoedenmakerij inrichten.

In het huis voor de kursisten zaten een aantal meisjes en vrouwen, ook

weer in zoo'n heerlijke breede waranda, ijverig aanteekeningen te

maken onder leiding van de directrice, een sympathieke

persoonlijkheid, innemend en vol beheerschte kracht. Onder de meisjes

troffen mij veel lieve, schrandere gezichten. Dit waren allen

onderwijzeressen aan dorpsscholen; na den kursus van twee maanden hier

gevolgd te hebben, zouden zij weer naar het platteland terug gaan.

Vóór de waranda lag een groot stuk grond, blijkbaar versch omgespit en

gereed om bezaaid te worden. »Dat stuk hebben de kursisten vanmorgen

omgewerkt, nu kunnen er nog rapen op gezaaid worden voor den winter,«

zeide de directrice. »En op 't oogenblik waren wij juist bezig een en

ander te bespreken over de keuken: de waarde van verschillende

voedingsmiddelen en zoo.« Zij stond op om ons de keuken te toonen; een

model van zindelijkheid en netheid was die.

In de openlucht-school voor de zwakke kinderen werd toen we kwamen,

juist thee gedronken. Zooveel mogelijk worden deze sterker gevoed dan

hun gezonde kameraadjes; ik zag dat ze boterhammen met boter en suiker

kregen en vruchtenthee met melk. De normale kinderen krijgen een half

pond brood per dag, de zwakken een heel pond; het brood is voedzaam en

smakelijk, dank zij het meel der Amerikaansche en Engelsche kwakers.

»Hadden wij maar wat meer technische hulpmiddelen tot onze

beschikking,« zeide Rosarow bij het afscheid tot ons, »vooral machines

en werktuigen; wij zouden zoo graag veel willen doen, de nieuwe

onderwijsmethode op grondslag der polytechniek doorzetten. Maar

Rusland is nu te arm, enkel de naakte aarde hebben wij en onze handen

om haar te bewerken--en dat is niet genoeg«. Hij zei het met een lach,

maar het sneed mij door de ziel.

Ook deze man antwoordde mij, toen ik er hem naar vroeg, geen

georganiseerd communist te zijn. Maar in hoeveel wèl-georganiseerde

communisten ten onzent leeft zulk een warm en daadkrachtig

gemeenschapsgevoel als waarvan zijn uitingen en heel zijn wijze van

doen getuigden!

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 31 / 43 题