I. +Een Modelinrichting voor Zuigelingen en Moeders+.

Een bulgaarsche doktores vertelde mij op een dag onder het middagmaal

verschillende bizonderheden over de inrichtingen voor jonge moeders en

zuigelingen, die ze te Moscou had bezocht. Het waren er meer dan

twintig en de totaalindruk was, de omstandigheden in aanmerking

genomen, zeer gunstig. Men moet de toestanden natuurlijk niet enkel

meten met West-Europeeschen maat, maar ze ook vergelijken met die

onder het tzarisme en dan is de vooruitgang treffend groot. In het

oude kinderziekenhuis, waar de zuigelingensterfte vóór de revolutie 98

pCt. bedroeg, is zij thans gereduceerd tot ongeveer 40 pCt., de koks

die er sedert vele jaren werken, zeggen dat het voedsel voor de

grootere kinderen thans veel beter is dan vroeger.

Van de vele tehuizen voor moeders en kinderen, die de doktores

bezocht, was er vooral één, dat grooten indruk op haar gemaakt had.

»Zulke babies heb ik nog nooit gezien, zoo gezond, zoo vol

levenskracht,« zeide zij bewonderend, »gaat u daar vooral naar toe.«

Wat zij van de inrichting vertelde wekte in hooge mate mijn

belangstelling op en een der laatste dagen van mijn verblijf te Moskou

slaagde ik er in haar nog te zien, in gezelschap van Rosa Grimm en van

een paar italiaansche socialisten. Wij werden niet verwacht maar er

was niet het minste bezwaar om ons toe te laten; alleen moesten we

over onze kleeren heen een paar witlinnen schorten met lange mouwen

aantrekken en onze handen wasschen en schuieren, »ten minste als we de

kindertjes wilden aanraken«. In een westersche kliniek zou men ons,

denk ik, verzocht hebben dit geheel na te laten, maar de Russen vinden

het vanzelf sprekend, dat je zulke peutertjes graag eens op je arm

neemt of over hun zachte wangetjes streelt.

Met den dokter en een der verpleegsters gingen we de drie of vier

verschillende kamers door, waarin de bedjes stonden. In het geheel

waren er op 't oogenblik 35 kinderen en 25 moeders. De hééle

kleintjes, van 3 tot 6 maanden,[2] lagen in één vertrek bijeen; de

iets ouderen en de »grooten« (van 9 maanden ongeveer tot 1 jaar) waren

ook weer samen. In de kamer van de heele kleintjes mochten we slechts

even een kijkje nemen; we moesten fluisterend spreken om ze niet

wakker te maken of te verschrikken, want ze moesten 't nog heel rustig

hebben. Maar van de »grooteren« waren de meeste wakker; ze lagen te

spelen of te lachen en te kraaien in hun bedjes; we mochten gerust

naar hen toe gaan, tegen ze praten en ze op den arm nemen. »Ze zijn

niets schuw of eenkennig«, zei de dokter, »het zijn al sociale

wezentjes, die het heel gezellig vinden als je bij hen komt en je wat

met hun bemoeit«. De grootere kinderen, voor zoover ze wakker waren,

lagen in hun bedjes met niets dan een kort hemdje zonder mouwen aan,

en 't dek heelemaal weggeslagen; je zag hun roze voetjes, hun bloote

beentjes en buikjes; de ramen stonden wijd-open, de lekkere zomersche

lucht stroomde uit den tuin naar binnen en de kindertjes schenen zich

in dat licht- en luchtbad erg behaaglijk te voelen, ze trappelden en

lachten en er waren er maar een paar, die even een deuntje huilden.

Zoodra er eentje in slaap viel kwam gauw een van de jonge, zachte

zusters en dekte het lekker warm toe, want ze mochten natuurlijk

alleen zoo bloot liggen, zoolang ze wakker waren en zich konden

bewegen.

Onder 't rondgaan vertelde de dokter ons een en ander van de algemeene

hygiënisch-paedagogische beginselen, waarnaar deze kinderen werden

opgevoed. Werktuiglijke uniformiseering als in de oude gestichten acht

men uit den booze, maar evenzeer de overdreven individualiseering van

het burgerlijke gezin, waar in den regel twee personen, de moeder en

de dienstbode, noodig zijn om één kind te verzorgen, dat zich

onvermijdelijk al vroeg de spil gaat voelen waar het huishouden om

heen draait. »Wij probeeren hier van onze kinderen sociale wezens te

maken, daarom hebben we graag bezoek, en als de kinderen groot genoeg

zijn om in de box te spelen, zetten we er twee of drie bij elkaar; het

is grappig hoe jong ze al op elkaar gesteld worden en affektie voor

elkaar gaan gevoelen.«

»De voeding is zoo geregeld, dat zooveel mogelijk elk kind al is het

slechts een paar borstvoedingen per etmaal krijgt; de moeders, die

veel zog hebben, helpen degene met weinig zog en natuurlijk ook de

moederlooze kindertjes, want we hebben tamelijk veel weezen en

half-weezen hier. We probeeren niet enkel de kinderen op te voeden,

maar ook de moeders. We leeren hun reinheid en hygiëne en we leeren

hun ook de blinde instinctmatige liefde voor hun eigen kind over te

dragen op andere kinderen, het moederlijke en sociale gevoel te

verbreeden.«

Een bijzonder sympathieke kerel was die dokter, met een vriendelijk,

levendig en schrander gelaat en innemende manieren. Menschelijkheid en

vertrouwen straalden van hem uit; de manier waarop hij onder het

praten soms ineens naar een van de bedjes toestapte, een van de kleine

bewoners er van beetpakte en in zijn sterke kloeke handen naar boven

haalde, juist zooals je een vischje uit de goudvisschenkom of een jong

hondje uit zijn nest zou tillen;--de warme zachtheid en de rustige

beslistheid waarmee hij met die teere wezentjes omsprong, waren

alleraardigst om te zien. Later hoorde ik tot mijn verwondering, dat

hij geen partijgenoot was; de mentaliteit van een communist scheen hij

mij in hooge mate te bezitten.

De meeste kinderen zagen er kostelijk uit; blozend, niet te dik, maar

stevig, met heldere oogen en heerlijk levenslustig. Een paar

miesertjes waren er onder: ééntje vooral, zoo'n echt

embryo-van-een-aapje-op-sterk-water, zou je gezegd hebben; met een

mager ouwemannetjes gezichtje, beentjes en armpjes als lucifers. »Die

is nog pas een paar weken hier«, zeide de dokter, »zijn moeder, een

arme boerin, heeft hem gevoed met gekauwd roggebrood en hij was er

bijna geweest. Gelukkig maar, dat hij hier is gekomen, hij zal best

opknappen; een echt proletariërtje is hij, een dapper kereltje vol

levenskracht, hij huilt haast nooit.«

De zaaltjes, waar de kinderen lagen waren dood-eenvoudig, op 't

armoedige af, een bloeiend plantje hier en daar op de vensterbank

vormde de eenige versiering. Maar de zuster zei, dat men de kamers

voor de moeders op de bovenverdieping zoo gezellig en gerieflijk

mogelijk had ingericht.[3] »Wij vinden, dat vrouwen, die voeden, een

rustige, prettige omgeving moeten hebben.« Sommigen van de moeders

hielpen in huis, de meesten werkten op fabrieken; wie te ver weg

moesten om in de middagpauze terug te kunnen komen ten einde hun

kleintje te voeden, lieten voldoende zog achter vóór een maaltijd of

wel er werd op dat uur een flesch gegeven.[4]

De gezondheidstoestand van de kinderen is schitterend: wij vroegen

naar het sterftecijfer: in het afgeloopen jaar was er van de vijftig

kleintjes één gestorven, dat is dus 2 pCt. »Maar«, zeide de dokter,

»vergeet niet, dat het allemaal, geheel of ten deele borstkinderen

zijn.«

Een vriendelijk proper zaaltje naast de kinderkamers was voor het

voeden, het wegen van de kleintjes, enz. ingericht. De muren hangen

vol platen en terwijl de zoogende moeders er rustig zitten, de voeten

op een bankje, het klokkende mondje aan haar borst, dwalen hare

blikken langs de wanden en vangen de voorstellingen op, die de

hygiënische lessen, welke men hun inprent versterken. Een paar van

deze platen heb ik al beschreven; een andere serie die mij bijbleef,

bracht in beeld het wisselen der kindersterfte al naar de seizoenen.

Op elke prent van deze groep van vier was een berk afgebeeld; op de

eene met kale wintersche takken, op de tweede in teere lentedos, op de

derde dicht en vol bebladerd en op de vierde met 't gele verflenste

herfstblad er omheen gestrooid. Bij elke berk stond een troepje

kinderen, grooter of kleiner, al naar de kindersterfte in dat seizoen

grooter of kleiner placht te zijn; en in overeenstemming daarmee, een

paar, meerdere of vele houten kruisen, zooals men ze op de kerkhoven

vindt. Er was iets zeer suggestiefs in deze eenvoudige, sober

gekleurde voorstellingen; ik kon mij denken, hoe een moeder, die

maanden lang dagelijks daar op heeft gestaard onder het voeden van

haar kindje, ze nooit vergeten zal, en als de gevaarlijke zomermaanden

komen, bij de gedachte aan die eene prent met de talrijke houten

kruisjes, haar zorg en waakzaamheid verdubbelen zal.

Aan de inrichting is een vrouwelijke psycholoog verbonden die de

gedragingen der kinderen (b.v. het aantal malen, dat een kind naar een

speelgoed grijpt voor het dit weggooit; of het al dan niet uit drift

huilt en tal van dergelijke dingen) bestudeert en systematiseert om

gegevens te verzamelen over den aanleg en de ontwikkeling van het

karakter in het eerste levensjaar. Tot onzen spijt was zij er dien dag

niet, zoodat we slechts enkele losse mededeelingen over haar arbeid

kregen. »Wij gelooven volstrekt niet, dat we hier alles het beste

doen,« zeide de dokter mij bij het afscheid, »we zijn zoo zeer

afgezonderd geweest van Europa, dat we in 't geheel niet weten welke

vorderingen men daarginds in de verzorging en opvoeding van

zuigelingen heeft gemaakt, en we verheugen ons, nu het verkeer wordt

hersteld, met soortgelijke inrichtingen onze ervaringen uit te

wisselen.«

Ik antwoordde niet veel en beperkte er mij toe, den hupschen monteren

dokter warm te bedanken voor wat wij goeds en belangwekkends gezien en

gehoord hadden. Maar in mijn hart dacht ik: »mooier en beter

ingerichte zuigelingenklinieken zullen er ongetwijfeld in West-Europa

vele zijn; en even ongetwijfeld nog veel meer vondelingen- en

bestedelingengestichten waar 't heel wat minder is. Maar de geest van

sociale saamhoorigheid en kameraadschap, dien men hier poogt den

kinderen en moeders in te prenten,--waar vindt men dien, behalve in

Sowjet-Rusland?«

Bij den uitgang nam een van de italiaansche socialisten mij apart, om

zijn kritiek tegen mij te luchten. Hij was een dokter en had een paar

keer aan de zusters diepzinnige vragen gedaan, of de fleschjes in

stoom of in kokend water werden gewarmd en dergelijke. Ik echter had

mij in stilte aan hem geërgerd, omdat hij zoo overluid sprak en

lachte, dat de muren trilden en de kindertjes lagen te schudden in hun

ledikantjes. »Heel aardig, heel aardig«, zei hij op neerbuigenden

toon, »maar wat zijn die Russen toch onsystematisch! De dokter had ons

natuurlijk eerst beneden een algemeene uiteenzetting moeten geven, dat

zou het bezoek zeer bespoedigd hebben. En dan, met die melk, ja dat is

ook niet heelemaal in den haak. Hoorde u wat ik aan de zuster vroeg of

de flesschen wel »au bain Marie« gewarmd worden? Dat heeft n.l. een

anderen invloed op de microben dan......«

En hij wou een geleerde uiteenzetting beginnen over de veranderingen

die melk door verschillende verhittingsprocessen ondergaat. Maar ik

gaf er hem de gelegenheid niet toe, zei dat ik geen tijd meer had en

slipte weg. De gedachte flitste door mij heen: »Man, je bent een

Italiaan geboren, maar je behoorde.... een Duitscher te zijn.«

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 30 / 43 题