VIII. +De vrouwen uit het Oosten+.

Het was de laatste avond der vrouwenkonferentie. Trotzky zou komen om

ons toe te spreken; allen verheugden wij ons en zagen uit naar zijn

komst. Maar er stond ons nog een andere vreugde te wachten, waarvan de

meesten niets vermoedden: de vrouw uit het oosten zou ons verschijnen,

onze nieuwe zuster, onze nieuwe strijdgenoote in de lange, zware

worsteling der vrouw om een volwaardig menschelijk wezen te worden.

Zij zou ons verschijnen met om haar heen de atmosfeer van een geheel

andere maatschappij, door een geheel andere geschiedenis gevormd; een

atmosfeer van tradities en zeden, die aan het westen onduldbaar en

vaak afschuwelijk toeschijnen, maar ook van een edelen, harmonischen

levensstijl, dien het westen sedert lang niet meer kent.

In het voorjaar was besloten geworden om na de internationale

konferentie een kongres te houden van vrouwen uit het oosten. Toen de

moeilijkheden met de voedselvoorziening steeds nijpender bleken te

worden, had men dit uitgesteld tot beter tijden. Het bericht van dit

uitstel bereikte echter de Sowjet-republieken van het oosten te laat;

een goede tachtig vrouwen waren al op weg naar Rusland, toen de

jobstijding bekend werd. En zoo verlangend waren allen om Moskou te

zien, de stad waar het groote licht was opgegaan dat tot alle

verdrukten en verworpenen der aarde heenstraalt, dat zij besloten tòch

door te reizen: zij wilden eenvoudig niet terugkeeren. Nu waren zij

aangekomen, nog juist bijtijds om de slotzitting der konferentie bij

te wonen.

Toen zij de witte ronde schouwburgzaal waar deze gehouden werd,

binnenkwamen, zwijgend-statig in haar oostersche kleederdracht, een

voor een door de smalle zijgangen schrijdend om haar plaatsen in te

nemen op de eerste rijen, toen voelden wij allen, geloof ik, die daar

te samen waren, dat het ons gegeven was een oogenblik vol diepe

beteekenis te beleven, voor het lot der menschheid.

De eerste teekenen waren zij van een ontzaglijke komende verandering,

het eerste begin van een worsteling, die bitter zou zijn en langdurig.

Haar opzegging aan de mannenmaatschappij van de oude slaafsche

gehoorzaamheid, haar opstanding tot mensch-willen-worden, het

beteekende een omwenteling in het bewustzijn en de zede, een

omwenteling in de verhoudingen der geslachten, even groot en diep en

onmetelijk in haar werkingen, als de omwenteling der

klasse-verhoudingen in Europa en Amerika. Het beteekende, dat de

historische ontwikkeling in Azië in stormachtige vaart het eeuwenlang

verzuimde ging inhalen. Het beteekende een plotseling verzinken van

pijlers, waarop tallooze geslachten hun leven hadden gebouwd.

Met langzamen, slependen gang schreden de vrouwen één voor één

zwijgend door de zaal. Ver, ver uit de binnenlanden van Azië kwamen

zij, uit de streken, waar de vrouw sedert duizenden jaren een lastdier

is, een willoos instrument voor den man om te bespelen, al naar het

driftige of langoureuse rythme zijner lusten, een voorwerp om te

gebruiken of weg te smijten, naar hem geviel. Tot verschillende volken

en stammen behoorden zij; sommigen hadden een blanke huid en fijne,

arische trekken; anderen waren donkergeel van gelaatskleur, met de

platte neuzen en breede jukbeenderen van het mongoolsche ras. De

gezichten van enkelen dezer laatsten waren zonder uitdrukking en haar

oogen hadden een doffen, leegen blik. Het was duidelijk, dat haar

zielen pas begonnen te ontwaken, haar trekken hadden nog geen tijd

gehad zich den ouden plooi van onderworpen lijdzaamheid af te wennen

en de eerste vage, persoonlijke zielsbewegingen te leeren uitdrukken.

Maar ook waren er niet weinigen onder, wier gelaten wij zelfs niet zóó

konden zien, zooals men een gesloten boek ziet, vol belangstelling

gissend naar den inhoud. Hare trekken bleven onder den zwaren,

ondoorzichtigen sluier der oostersche vrouw verborgen.

Wonderlijk-vreemd was dit denken: zij en wij waren zusters; haar

hoofden en harten verwerkten, anders dan wij natuurlijk, in

overeenstemming met de wereld van voorstellingen die zij in zich

droegen, dezelfde groote gedachten over de solidariteit van alle

menschen, over den arbeidsplicht als grondslag der politieke en

ekonomische rechten, over de gelijkwaardigheid der geslachten, die ons

leiden; hetzelfde ideaal van almenschelijke broederschap, dat onze

poolster is op de levensvaart. Wij konden enkel gissen, hoeveel zij

hadden doorleden, hoe volhardend aangehouden en onverschrokken

gewaagd, om ons te kunnen bereiken. Immers al beschermt de

Sowjet-wetgeving de vrouw in de zuster-republieken van het oosten, de

machten van het verleden, de kerk, de traditie, de zede, die de vrouw

stempelt met het merk der minderwaardigheid, zij allen staan nog

overeind en kunnen enkel door een moeitevollen arbeid van geslachten

gesloopt worden. De vrouw die tegen hen opstaat, weet haar leven

bedreigd. Dapper trotseerden deze vrouwen die bedreigingen, maar haar

aangezicht ontblooten, den sluier afwerpen, het zichtbare teeken van

haar dienstbaarheid en afhankelijkheid, dat vermochten zij niet; den

blik van een man op haar gelaat te voelen rusten, zij konden het niet

verdragen. Het zou haar eigen gevoel van betamelijkheid en eerbaarheid

te diep gekwetst hebben, het had haar in eigen oogen vernederd.

Tweemaal daarna had ik nog gelegenheid de vrouwen uit het oosten te

zien en een weinig te spreken met de partijgenooten onder haar, een

paar vrouwelijke propagandisten uit Turkestan, die vloeiend russisch

spraken. De eerste maal was, toen wij haar bezochten in het

sowjet-gebouw waar zij logeerden. Dit gebouw was de overruime woning

van een of ander rijkaard geweest; de vertrekken beneden waren

ingericht voor bureaux; boven op een groot portaal scheen een

permanente tentoonstelling van zaden en landbouwvoortbrengselen

gehouden te worden. Op de gangen en trappen was een druk

heen-en-weer-geloop van jonge arbeiders en beambten; door het groote

huis stroomde onafgebroken een pratende en lachende menigte van druk

gebarende menschen. Ik dacht, hoe vreemd velen van die vrouwen zich

moesten voelen in dit milieu, gewend als zij waren aan de stille rust

en de afgezonderdheid van hun bestaan in het oosten. Maar ook hoe

anders zij zouden terugkeeren, na deze persoonlijke aanraking met het

jonge bruisende leven van Sowjet-Rusland. Na een paar lange gangen te

zijn doorgegaan, kwamen wij in een groote slaapzaal, waar zeker dertig

of veertig bedden stonden: dat was het verblijf der vrouwen. Sommigen

lagen te rusten of te slapen, anderen waren bezig met naaiwerk of

speelden met haar kleintjes. Zij hadden ons niet verwacht, maar er was

geen spoor van opgeschriktheid of gegeneerdheid in de wijze, waarop

zij opstonden en naar ons toekwamen, enkel beminnelijke gratie en

edele kalmte. Zij noodden ons om op de bedden plaats te nemen (er

waren maar enkele stoelen), glimlachten ons vriendelijk toe, brachten

thee en de gewone lekkernijen: ringetjes van hardgebakken deeg en

zoete rozijnen. Het waren allen eenvoudige vrouwen, voor het grootste

deel huisarbeidsters uit Turkestan, een land van bloeiend

kunst-ambacht en kleinbedrijf. Maar haar natuurlijke wellevendheid en

eenvoudige gastvrijheid was vol bekoring. Ik kon het niet helpen, dat

mij inviel, hoe gegeneerd hollandsche burgerjuffrouwen zouden zijn,

als een heel gezelschap vreemden plotseling in hun slaapkamer voor hen

stonden, hoe ze zouden opspringen en zich excuseeren over dit en over

dat, hoe een drukte ze zouden maken en ons laten voelen, dat wij,

onverwacht gekomenen, onwelkom waren.

Hier was niets van dit alles. Hier was een levenskunst, die nooit

faalde en een vastgevoegde levensstijl, waarbinnen de eenling zich

bewoog met harmonieuze zekerheid. Nu ik dit schrijf, zie ik weer die

zachte, beminnelijk-glimlachende vrouwen ons uitgeleide doen tot aan

de trap en haar handen ons vriendelijk »tot weerziens« toewenken, en

ik voel weer als toen den wensch opkomen in mijn hart: o moge de

leelijke haast, de disharmonie, de onrust en verscheurdheid van onze

burgerlijk-individualistische wancultuur hun bespaard blijven; moge de

stille waardigheid en gratie van het oosten niet in hen ontaarden tot

de drukke, bonte stijlloosheid van het kapitalistische westen! Moge

een goedgunstig lot hun beschikken om uit het oostersche leven, het

verstarde en verschrompelde maar nog altijd in edele vormen gevatte,

rechtstreeks over te gaan tot de broederlijke zede, den grootschen en

ruimen, maar ook lieflijk-harmonischen levensstijl van het Communisme!

De laatste maal, dat ik de vrouwen uit het oosten zag, was in de

Ermitage, een vroeger zomertheater, thans door de Proletkult in beslag

genomen. Zij hadden de afgevaardigden van het internationaal

communistisch kongres daar genoodigd; er zouden oostersche dansen

gedanst worden en velen wilden die zien. Toen wij kwamen, was het in

de volle zaal geheel donker. Op het tooneeltje, tusschen banale

schermen die een stad voorstelden, zat een vrouw neergehurkt in een

wijd-geplooid, kleurig gewaad. Over haar rug hingen de lange zwarte

vlechten. Zij murmelde iets in een onverstaanbare taal, een

zacht-eentonig geprevel met geringe modulatie. Dit ging langen tijd

zoo door; toen zij eindelijk zweeg, verhief zich van uit de zaal een

andere stem in hooge, driftige klanken. De taal, die zij onder elkaar

gebruikten, klonk in onze ooren niet welluidend; in het begin moest ik

altijd aan het hooge geblaf van een hond denken.

Een paar maal ging het tweegesprek zoo heen en weer; toen wij later

vroegen, wat het beteekend had, zeide men ons, dat de eene der

sprekenden een lange klacht had gezongen over het leed en de

verdrukking, die het lot is der vrouw in het oosten, de andere

opgeroepen tot strijd voor de bevrijding. Wèl getuigde het van een

beminnelijke naïveteit, hun geloof, dat de vreemde gasten genoeg

geduld bezaten om zulk een langen dialoog in een voor hen

onverstaanbare taal te waardeeren!

Hierna kwamen de dansen: twee vrouwen uit Turkestan voerden ze uit.

Zij hadden zich gekleed in feestgewaden, schoon van lijn en rijk

versierd met kleurige stiksels; hare bewegingen waren kuisch en

ingehouden, zonder een zweem van zinnelijk begeeren. Ons deed het aan

minder als een dans dan als een edele ceremonie, een symbolisch

uitdrukken van bepaalde gedachten en gevoelens door middel van het

lichaam. Allen bewonderden wij dit voorname, zinvolle dansen; en de

vergelijking met de stuitende wulpschheid, gemeenheid en

liederlijkheid, waartoe de ontaarding van den dans, te samen met de

ontaarding der geheele burgerlijke beschaving, in het Westen gevoerd

heeft, drong zich vol wrangheid op.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 25 / 43 题