Het was de laatste avond der vrouwenkonferentie. Trotzky zou komen om
ons toe te spreken; allen verheugden wij ons en zagen uit naar zijn
komst. Maar er stond ons nog een andere vreugde te wachten, waarvan de
meesten niets vermoedden: de vrouw uit het oosten zou ons verschijnen,
onze nieuwe zuster, onze nieuwe strijdgenoote in de lange, zware
worsteling der vrouw om een volwaardig menschelijk wezen te worden.
Zij zou ons verschijnen met om haar heen de atmosfeer van een geheel
andere maatschappij, door een geheel andere geschiedenis gevormd; een
atmosfeer van tradities en zeden, die aan het westen onduldbaar en
vaak afschuwelijk toeschijnen, maar ook van een edelen, harmonischen
levensstijl, dien het westen sedert lang niet meer kent.
In het voorjaar was besloten geworden om na de internationale
konferentie een kongres te houden van vrouwen uit het oosten. Toen de
moeilijkheden met de voedselvoorziening steeds nijpender bleken te
worden, had men dit uitgesteld tot beter tijden. Het bericht van dit
uitstel bereikte echter de Sowjet-republieken van het oosten te laat;
een goede tachtig vrouwen waren al op weg naar Rusland, toen de
jobstijding bekend werd. En zoo verlangend waren allen om Moskou te
zien, de stad waar het groote licht was opgegaan dat tot alle
verdrukten en verworpenen der aarde heenstraalt, dat zij besloten tòch
door te reizen: zij wilden eenvoudig niet terugkeeren. Nu waren zij
aangekomen, nog juist bijtijds om de slotzitting der konferentie bij
te wonen.
Toen zij de witte ronde schouwburgzaal waar deze gehouden werd,
binnenkwamen, zwijgend-statig in haar oostersche kleederdracht, een
voor een door de smalle zijgangen schrijdend om haar plaatsen in te
nemen op de eerste rijen, toen voelden wij allen, geloof ik, die daar
te samen waren, dat het ons gegeven was een oogenblik vol diepe
beteekenis te beleven, voor het lot der menschheid.
De eerste teekenen waren zij van een ontzaglijke komende verandering,
het eerste begin van een worsteling, die bitter zou zijn en langdurig.
Haar opzegging aan de mannenmaatschappij van de oude slaafsche
gehoorzaamheid, haar opstanding tot mensch-willen-worden, het
beteekende een omwenteling in het bewustzijn en de zede, een
omwenteling in de verhoudingen der geslachten, even groot en diep en
onmetelijk in haar werkingen, als de omwenteling der
klasse-verhoudingen in Europa en Amerika. Het beteekende, dat de
historische ontwikkeling in Azië in stormachtige vaart het eeuwenlang
verzuimde ging inhalen. Het beteekende een plotseling verzinken van
pijlers, waarop tallooze geslachten hun leven hadden gebouwd.
Met langzamen, slependen gang schreden de vrouwen één voor één
zwijgend door de zaal. Ver, ver uit de binnenlanden van Azië kwamen
zij, uit de streken, waar de vrouw sedert duizenden jaren een lastdier
is, een willoos instrument voor den man om te bespelen, al naar het
driftige of langoureuse rythme zijner lusten, een voorwerp om te
gebruiken of weg te smijten, naar hem geviel. Tot verschillende volken
en stammen behoorden zij; sommigen hadden een blanke huid en fijne,
arische trekken; anderen waren donkergeel van gelaatskleur, met de
platte neuzen en breede jukbeenderen van het mongoolsche ras. De
gezichten van enkelen dezer laatsten waren zonder uitdrukking en haar
oogen hadden een doffen, leegen blik. Het was duidelijk, dat haar
zielen pas begonnen te ontwaken, haar trekken hadden nog geen tijd
gehad zich den ouden plooi van onderworpen lijdzaamheid af te wennen
en de eerste vage, persoonlijke zielsbewegingen te leeren uitdrukken.
Maar ook waren er niet weinigen onder, wier gelaten wij zelfs niet zóó
konden zien, zooals men een gesloten boek ziet, vol belangstelling
gissend naar den inhoud. Hare trekken bleven onder den zwaren,
ondoorzichtigen sluier der oostersche vrouw verborgen.
Wonderlijk-vreemd was dit denken: zij en wij waren zusters; haar
hoofden en harten verwerkten, anders dan wij natuurlijk, in
overeenstemming met de wereld van voorstellingen die zij in zich
droegen, dezelfde groote gedachten over de solidariteit van alle
menschen, over den arbeidsplicht als grondslag der politieke en
ekonomische rechten, over de gelijkwaardigheid der geslachten, die ons
leiden; hetzelfde ideaal van almenschelijke broederschap, dat onze
poolster is op de levensvaart. Wij konden enkel gissen, hoeveel zij
hadden doorleden, hoe volhardend aangehouden en onverschrokken
gewaagd, om ons te kunnen bereiken. Immers al beschermt de
Sowjet-wetgeving de vrouw in de zuster-republieken van het oosten, de
machten van het verleden, de kerk, de traditie, de zede, die de vrouw
stempelt met het merk der minderwaardigheid, zij allen staan nog
overeind en kunnen enkel door een moeitevollen arbeid van geslachten
gesloopt worden. De vrouw die tegen hen opstaat, weet haar leven
bedreigd. Dapper trotseerden deze vrouwen die bedreigingen, maar haar
aangezicht ontblooten, den sluier afwerpen, het zichtbare teeken van
haar dienstbaarheid en afhankelijkheid, dat vermochten zij niet; den
blik van een man op haar gelaat te voelen rusten, zij konden het niet
verdragen. Het zou haar eigen gevoel van betamelijkheid en eerbaarheid
te diep gekwetst hebben, het had haar in eigen oogen vernederd.
Tweemaal daarna had ik nog gelegenheid de vrouwen uit het oosten te
zien en een weinig te spreken met de partijgenooten onder haar, een
paar vrouwelijke propagandisten uit Turkestan, die vloeiend russisch
spraken. De eerste maal was, toen wij haar bezochten in het
sowjet-gebouw waar zij logeerden. Dit gebouw was de overruime woning
van een of ander rijkaard geweest; de vertrekken beneden waren
ingericht voor bureaux; boven op een groot portaal scheen een
permanente tentoonstelling van zaden en landbouwvoortbrengselen
gehouden te worden. Op de gangen en trappen was een druk
heen-en-weer-geloop van jonge arbeiders en beambten; door het groote
huis stroomde onafgebroken een pratende en lachende menigte van druk
gebarende menschen. Ik dacht, hoe vreemd velen van die vrouwen zich
moesten voelen in dit milieu, gewend als zij waren aan de stille rust
en de afgezonderdheid van hun bestaan in het oosten. Maar ook hoe
anders zij zouden terugkeeren, na deze persoonlijke aanraking met het
jonge bruisende leven van Sowjet-Rusland. Na een paar lange gangen te
zijn doorgegaan, kwamen wij in een groote slaapzaal, waar zeker dertig
of veertig bedden stonden: dat was het verblijf der vrouwen. Sommigen
lagen te rusten of te slapen, anderen waren bezig met naaiwerk of
speelden met haar kleintjes. Zij hadden ons niet verwacht, maar er was
geen spoor van opgeschriktheid of gegeneerdheid in de wijze, waarop
zij opstonden en naar ons toekwamen, enkel beminnelijke gratie en
edele kalmte. Zij noodden ons om op de bedden plaats te nemen (er
waren maar enkele stoelen), glimlachten ons vriendelijk toe, brachten
thee en de gewone lekkernijen: ringetjes van hardgebakken deeg en
zoete rozijnen. Het waren allen eenvoudige vrouwen, voor het grootste
deel huisarbeidsters uit Turkestan, een land van bloeiend
kunst-ambacht en kleinbedrijf. Maar haar natuurlijke wellevendheid en
eenvoudige gastvrijheid was vol bekoring. Ik kon het niet helpen, dat
mij inviel, hoe gegeneerd hollandsche burgerjuffrouwen zouden zijn,
als een heel gezelschap vreemden plotseling in hun slaapkamer voor hen
stonden, hoe ze zouden opspringen en zich excuseeren over dit en over
dat, hoe een drukte ze zouden maken en ons laten voelen, dat wij,
onverwacht gekomenen, onwelkom waren.
Hier was niets van dit alles. Hier was een levenskunst, die nooit
faalde en een vastgevoegde levensstijl, waarbinnen de eenling zich
bewoog met harmonieuze zekerheid. Nu ik dit schrijf, zie ik weer die
zachte, beminnelijk-glimlachende vrouwen ons uitgeleide doen tot aan
de trap en haar handen ons vriendelijk »tot weerziens« toewenken, en
ik voel weer als toen den wensch opkomen in mijn hart: o moge de
leelijke haast, de disharmonie, de onrust en verscheurdheid van onze
burgerlijk-individualistische wancultuur hun bespaard blijven; moge de
stille waardigheid en gratie van het oosten niet in hen ontaarden tot
de drukke, bonte stijlloosheid van het kapitalistische westen! Moge
een goedgunstig lot hun beschikken om uit het oostersche leven, het
verstarde en verschrompelde maar nog altijd in edele vormen gevatte,
rechtstreeks over te gaan tot de broederlijke zede, den grootschen en
ruimen, maar ook lieflijk-harmonischen levensstijl van het Communisme!
De laatste maal, dat ik de vrouwen uit het oosten zag, was in de
Ermitage, een vroeger zomertheater, thans door de Proletkult in beslag
genomen. Zij hadden de afgevaardigden van het internationaal
communistisch kongres daar genoodigd; er zouden oostersche dansen
gedanst worden en velen wilden die zien. Toen wij kwamen, was het in
de volle zaal geheel donker. Op het tooneeltje, tusschen banale
schermen die een stad voorstelden, zat een vrouw neergehurkt in een
wijd-geplooid, kleurig gewaad. Over haar rug hingen de lange zwarte
vlechten. Zij murmelde iets in een onverstaanbare taal, een
zacht-eentonig geprevel met geringe modulatie. Dit ging langen tijd
zoo door; toen zij eindelijk zweeg, verhief zich van uit de zaal een
andere stem in hooge, driftige klanken. De taal, die zij onder elkaar
gebruikten, klonk in onze ooren niet welluidend; in het begin moest ik
altijd aan het hooge geblaf van een hond denken.
Een paar maal ging het tweegesprek zoo heen en weer; toen wij later
vroegen, wat het beteekend had, zeide men ons, dat de eene der
sprekenden een lange klacht had gezongen over het leed en de
verdrukking, die het lot is der vrouw in het oosten, de andere
opgeroepen tot strijd voor de bevrijding. Wèl getuigde het van een
beminnelijke naïveteit, hun geloof, dat de vreemde gasten genoeg
geduld bezaten om zulk een langen dialoog in een voor hen
onverstaanbare taal te waardeeren!
Hierna kwamen de dansen: twee vrouwen uit Turkestan voerden ze uit.
Zij hadden zich gekleed in feestgewaden, schoon van lijn en rijk
versierd met kleurige stiksels; hare bewegingen waren kuisch en
ingehouden, zonder een zweem van zinnelijk begeeren. Ons deed het aan
minder als een dans dan als een edele ceremonie, een symbolisch
uitdrukken van bepaalde gedachten en gevoelens door middel van het
lichaam. Allen bewonderden wij dit voorname, zinvolle dansen; en de
vergelijking met de stuitende wulpschheid, gemeenheid en
liederlijkheid, waartoe de ontaarding van den dans, te samen met de
ontaarding der geheele burgerlijke beschaving, in het Westen gevoerd
heeft, drong zich vol wrangheid op.