Ons bezoek aan de samenkomst der afgevaardigden van de
fabriekarbeidsters was den eersten keer mislukt, zooals zooveel
afspraken mislukken in Moscou, door gebrek aan organisatorische
stiptheid. De vrouwen hadden een paar uur op ons gewacht, toen was de
boodschap gekomen dat we niet zouden komen, omdat we geen tolk konden
krijgen en toen we eindelijk kwamen, mèt een tolk, waren ze in den
stroomenden regen naar huis gegaan. Maar nu was de zaak in orde.
In de groote, lichte, prettig-aandoende zaal van wat vroeger een
chique zomer-restaurant geweest was, zaten een paar honderd
fabriekarbeidsters ons op te wachten. Weer trof het mij, hoe netjes in
de kleeren en proper de meesten er uitzagen.
Het eerst worden wij begroet door de voorzitster van de vrouwensektie,
dan spreken nog een paar anderen, waaronder de »politieke
kommissaresse« bij het leger en dan Lucie Colliard voor Frankrijk,
Rosa Grimm voor Zwitserland en ik. Elisarowa[4], die meegekomen is als
tolk, vertaalt onze redevoeringen en dan worden de papiertjes
ingeleverd van wie vragen hebben te stellen. Ach, het is altijd
dezelfde vraag, die op alle vergaderingen terugkeert, vergaderingen in
Moskou en in de provincie, van mannen en van vrouwen, van
fabriekarbeiders en van arme boeren. Het is de ééne vraag, die vele
millioenen in Rusland, aan de afgevaardigden uit andere landen
stellen, met de oogen en de lippen en het hart »wanneer, o wanneer
zullen de arbeiders van uw land opstaan en hun heerschende klassen
verjagen, zooals wij het de onzen hebben gedaan.«
En wij kunnen daarop alleen antwoorden, dat het tijdstip van een
revolutionnair ontwaken nooit vooruit bepaald kan worden, maar dat wij
ons best zullen doen het zooveel mogelijk te verhaasten. En dan
verklaren we zoo goed mogelijk waarom de bourgeoisie in onze
westersche landen zoo sterk is en het proletariaat zoo zwak en
verdeeld en verburgerlijkt van geest. En altijd weer voelen we ons,
ondanks onze uitstekende gronden--»wetenschappelijk« is er niets op
aan te merken--, o zoo klein en beroerd tegenover de mannen en vrouwen
van Sowjet-Rusland. We voelen dat er +iets+ is wat wij niet verklaren
of wat zij niet begrijpen kunnen--omdat zij de revolutie hebben
+gemaakt+ en vier jaar voor haar hebben doorstaan alles, wat menschen
vermogen te doorstaan.[5]
Het is moeilijk, vooral voor Lucie Colliard--een vurige, toegewijde
propagandiste van de fransche partij en de syndikalistische
beweging--om die vraag geheel eerlijk te beantwoorden. Ik zie haar
worstelen tegen een gevoel van groote beschaming, zooals ons allen in
Rusland vaak overvalt; tegen een groot verlangen om woorden van
bemoediging en hoop op spoedigen omkeer te spreken, die zij niet
spreken mag. Zij is eerlijk en spreekt ze niet. Even zweeft door de
zaal een grijze wolk van teleurstelling. Arme dappere, veelbeproefde
genooten, hoe vaak zult ge nog worden teleurgesteld?
Dan wordt de Internationale gezongen en de vergadering is ten einde.
Het bestuur noodigt ons uit, mee te gaan theedrinken en we stijgen een
breede trap op naar de bovenverdieping. Daar, in een bijna leege
lichte kamer met uitzicht op een lommerrijken tuin, staat een ronde
tafel, keurig gedekt met sneeuwwit damast en fijne geslepen glazen. Er
wordt thee ingeschonken, een soort ringetjes van brooddeeg hard als
scheepsbeschuit, en zoete rozijnen worden daarbij gepresenteerd,--een
van de weinige lekkernijen, die de arbeiders en soldaten hun gasten
kunnen voorzetten in Rusland, geschenken door hen ontvangen van hun
broeders in Turkestan.
Wij praten en drinken thee, en al pratend daagt voor mij op het beeld
van de gasten die hier vroeger plachten te zitten, kinderen der wereld
en der ijdelheid; vette, luidruchtige kooplui met hun opgedirkte
vrouwen of hun geblankette liefjes. Ik moet denken hoe zij parelenden
wijn dronken uit deze zelfde glazen, en hoe op het fijne damast de
schotels stonden, beladen met overvloed van lekkernijen uit alle
werelddeelen.... Zij zijn weg uit Moscou, de rijke kooplui met hun
vrouwen en dochters en liefjes, en wat zij achterlieten, geeft geen
hoogen dunk van hun beschaving. Hun groote huizen en hun meubels, het
was alles een grove nabootsing der burgerlijk-Europeesche of der
vroeg-russische cultuur, smakeloos en overladen. En hier, waar zij zoo
vaak zaten en poogden hun leegheid-van-ziel te vergeten en hun
verveling te verdooven, zitten wij nu met de afgevaardigden der
fabriekarbeidsters, vereenigd in een sfeer van zusterlijke
hartelijkheid en warm vertrouwen. Wij spreken met de vrouwen over het
harde leven, over den nood en den honger, die zoo anders zijn, wanneer
men ze lijdt ter wille van de vrijheid dan wanneer door hen de macht
en rijkdom der heeren bestendigd wordt; over de kinderen, hoe zij
gedijen in de zomerbosschen, zorgzaam gekoesterd, gevoed met het beste
wat Sowjet-Rusland heeft. Geesten van moed en standvastigheid en
vertrouwen omzweven ons, het is ons wonderwel te moede; wij voelen hoe
hier en thans het nieuwe leven geboren wordt.
Als wij vertrekken, zwiept een windvlaag over den breeden boulevard,
de regen striemt ons in het gezicht, het is plotseling koud geworden.
Onder de portiek dringt een troepje schooiertjes opeen, schuil zoekend
voor den regen, van het soort dat 's avonds laat sigaretten verkoopen
op de boulevards. Hun jasjes en broekjes zijn vol scheuren en gaten,
de bloote beenen en voeten doen armzalig aan in dit hondenweer, nu de
slecht geplaveide straat bij de minuut meer verandert in een
modderpoel. Hoe dikwijls heb ik mij niet geërgerd, die kinderen
omstreeks middernacht nog aan het venten te zien. Tegen de russische
genooten die ons vergezellen, uit ik mijn smartelijke verbazing in
sterke woorden: »Hoe zoo iets in Sowjet-Rusland nog mogelijk is?
Waarom men die kinderen niet in de kolonies opneemt? Waarom men de
ouders niet straft, die hun kinderen 's avonds laat de straat opsturen
om te venten?«
Zachtjes klinkt het antwoord en treurig. »Wij kunnen niet allen
opnemen, wij hebben immers geen brood en geen huizen en geen kleeren
voor allen en geen verzorgsters. En wij kunnen toch ook de ouders niet
straffen; zij lijden zelf honger en de kinderen brengen wat in. Het is
natuurlijk verkeerd. Waren wij maar niet zoo arm, dan zou het niet
gebeuren!«
De auto wacht. Wij stappen in. Weer brandt in mijn hart de schaamte.