VI. +De Inspectrice der Kinderkolonies+.

In deze zomermaanden kon men vaak in de provincie Moskou een van de

ruime, sterke regeeringsauto's over de hobbelige keiwegen zien razen

of zachtjes heen schieten door het weeke zand van de breede,

onbestrate berkenlanen. In die auto zit--soms alleen, maar meestal

vergezeld door belangstellende genooten uit andere landen--een kleine,

tengere vrouw met een fijn, vermoeid gezichtje. Zij draagt een langen

grijslinnen mantel tegen de stof en een wit linnen hoedje, waar een

weduwen-sluier omheen is gewonden. Dit is partijgenoote Kalinina, de

inspectrice van alle kindertehuizen in het goevernement Moskou. Dag

aan dag gaat zij er op uit, om de kolonies, waarvan sommigen wel een

halve dagreis ver in de bosschen liggen, te inspekteeren. Somtijds ook

doorkruist zij, b.v. als er een kinderfeest is, in haar auto de

verschillende distrikten van de groote wijd-uitgebouwde stad. In haar

hand heeft zij dan een lijst met aanteekeningen over de plaatsen van

bijeenkomst, het aantal voor elk feest ingeschreven kinderen en andere

bijzonderheden. Zij wil alles zelf zien, zich persoonlijk overtuigen

of alles in orde is. Dat lijkt heel eenvoudig, maar is het allerminst,

want niemand weet den weg door heel Moskou--zooals niemand den weg

weet door heel Berlijn of heel Londen of Parijs--en men moet telkens

vragen en weer vragen en nog eens vragen, eer men vindt 't volkshuis

of den speeltuin of de school of het zomertheater waar het

verzamelpunt is voor de kinderen uit een bepaalde wijk. En op de

tochten buiten is 't dikwijls ook een heele kunst om den weg naar een

dorp of een kolonie te vinden. Wegwijzers schijnen er niet veel te

zijn,--ik zag ze althans nergens in de buurt van Moskou--en zoo moet

je dan maar vragen aan wie je al zoo tegenkomt, en een eindje

teruggaan als je je vergist hebt, zoo lang tot je er eindelijk komt.

Kalinina is dol op haar werk en dol op de kinderen. En wat bijna

onbegrijpelijk is: zij interesseert zich voor hen, niet enkel in

massa, maar ook persoonlijk. Een goede 40.000 kinderen zijn in het

gouvernement Moscou in de zomer-kolonies ondergebracht; je zoudt

zeggen, bij zoo'n groot getal is het niet mogelijk, dat ze voor haar

iets anders vertegenwoordigen dan cijfers en abstraktie. En toch is

dit volstrekt niet zoo. In de twee kolonies, die ik met Kalinina

bezocht, zag ik de kinderen haar tegemoet huppelen, haar vol vreugde

kussen en omarmen. Men merkte dat er een persoonlijke band was

tusschen haar en de kinderen; zij interesseerde zich voor hen

persoonlijk en als ze je bijzonderheden vertelde over het karakter of

het leven van een van hen, verzachtte een uitdrukking van moederlijke

teerheid haar scherpe vermoeide trekken.

Het zijn vooral de meest misdeelde en verwaarloosde kinderen waartoe

Kalinina's hart uitgaat. Men merkt aan alles, aan haar stem en haar

oogen en de uitdrukking van haar gelaat, hoe dit haar groote geluk is:

zich vergewissen dat zij die zoo bitter veel te kort zijn gekomen in

hun jonge levens, nu zoo goed mogelijk worden verzorgd en met

liefdevolle zorgvuldigheid opgevoed. »Ik zou zoo graag het

kindermodeldorp »Dietski Gorod« willen zien«, waar de anderen geweest

zijn, zei ik op een dag tot haar, »kunt u mij niet daarheen

meenemen?«[3] »Och ja wel«, luidde het antwoord, maar dat is een

demokratische kolonie;--meest kinderen van sowjet-beambten en zoo zijn

daar ondergebracht; maar Zondag ga ik een andere kolonie inspekteeren,

die bijna uitsluitend uit echt proletarische kinderen bestaat, veel

weezen en verwaarloosde kinderen, slachtoffers van den oorlog en de

kontra-revolutie: die kolonie laat ik u veel liever zien, al is zij

dan niet »model«. Ik ging mee en zag het glorieuze kinderfeest,

waarover ik in een volgend hoofdstuk schrijf.

Een anderen keer vergezelde ik Kalinina op haar inspektie naar een

konservatorium in de bosschen, waar een 80 kinderen een opleiding

kregen, speciaal voor muziek en tooneel. De leerlingen dansten en

zongen en musiceerden voor ons en het was aandoenlijk om Kalinina's

gezicht te zien, zooals ze ons telkens aankeek en met haar blikken

vroeg hoe we het alles vonden en zelve straalde van vreugde over de

bewondering en ontroering die zij in onze oogen las. Eén leerling was

haar bijzondere lieveling, een groot forsch meisje van een jaar of

veertien met een echt-russisch gezicht: breede wangbeenderen, volle

lippen en een platten neus. Zij had een mooie, diepe stem en scheen

muzikaal en dramatisch zeer begaafd. Kalinina vertelde hoe dat kind

een jaar geleden van de straat opgeraapt was geworden, haar moeder was

een prostituée en het vroegrijpe, begaafde kind dreigde verloren te

gaan in afschuwelijke ontucht. Nu zinkt dat verleden van gemeenheid en

liederlijkheid elken dag wat dieper weg; in een zuivere atmosfeer van

liefde en schoonheid, midden tusschen statige bosschen, groeit het

nieuwe wezen in haar op.

Kalinina te zien, zooals zij dat meisje kuste en streelde, haar

vertrouwelijk onder den arm nam en met haar praatte als een moeder met

een al-groote dochter--dat was nog mooier dan het zingen en dansen der

kinderen; dat was een uiting van het nieuwe moederschap, niet begrensd

tot het kind of de kinderen, uit haar lijflijken schoot geboren, maar

haar liefde en zachtheid meedeelend aan alle kinderen, waarmee zij in

aanraking komt, hen allen koesterend en helpend, allen van haar

onuitputtelijke krachten mee-deelend, en in dat meedeelen gelukkig.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 23 / 43 题