V. +De Moskousche fabriekarbeidster en de boerin uit Wiatka+.

In Moskou is het karakter der arbeidende bevolking veel

kleinburgerlijker en kleinboerscher dan in Petrograd. De beweging

onder de vrouwen is er van jonger datum en onrijper, zij heeft nog

niet uit haar schoot soortgelijke groote organisatorische talenten als

Nikolajewa voortgebracht; zij bevindt zich nog in het eerste stadium

van kinderlijke overgave en ontroerende geestdrift. De vrouwen die te

Moskou als leidsters van die groote beweging van vele duizenden

arbeidsters--allen naar fabrieken en werkplaatsen

georganiseerd--optraden, waren zelf nog meest »gewone« arbeidsters,

nog weinig gewend in het openbaar te spreken en weinig geschoold in de

routine van het organisatiewerk. Maar zij deden dat werk met een

volheid van vreugde, een blijmoedig geloof en kinderlijk vertrouwen

die aandoenlijk waren om te zien.

Een van hen, een klein vrouwtje met een verschrompeld gezichtje, jong

oud door 't gemis van een paar voortanden, is mij vooral bijgebleven.

Een arme fabriekarbeidster met een groot gezin. Jarenlang, zegt ze,

had zij gehunkerd naar iets wat zij niet kende en niet wist dat

bestond. Waren er dan geen menschen die de wereld anders, beter wilden

maken; was er dan geen kracht die de arbeidersklasse wilde verlossen

uit wat zij voelde een onmenschelijk leven te zijn? Van haar omgeving

scheen niemand het te bemerken en er onder te lijden; haar eigen man

was »partijloos«; bemoeide zich niet met de politiek.... Zoo tobde zij

voort, een eenzaam-opstandige. Tot op een dag het sterke bruisen van

een groote trilling tot haar drong: »waakt op, verworpenen der aarde.«

Het was in het tweede jaar der revolutie, dat zij een vergadering

bijwoonde der communistische partij. Een licht ging op in haar hart:

hier was wat zij altijd gezocht had. Zij sloot zich aan, nam deel aan

kursussen, leerde het communisme begrijpen, en nu is zij bestuurslid

der fraktie voor de propaganda onder de vrouwen in het »Krasnaja

Presna«-kwartier, de grootste arbeidersbuurt van Moskou. »Het is

moeilijk«, zegt ze, »voor een arbeidersvrouw, om in de beweging te

werken; er is thuis altijd zooveel te doen.« Haar man is nog altijd

geen communist; zij bekent het met zekere schaamte: maar haar twee

kinderen van vijftien en zestien jaar zijn lid van de

jeugdorganisatie; ze doen flink hun best. Haar tandelooze mond

glimlacht: bij haar kinderen heeft zij althans niet gefaald. »En de

kleintjes?«--»Ja, dat is juist het ellendige, dat ik die zoo dikwijls

onverzorgd moet achterlaten; maar gelukkig, de partijgenooten hebben

er zich mee bemoeid, en nu gaan ze naar een kinderkolonie.« Haar

ouwelijk, rimpelig gezicht wordt mooi van geluk; de kinderen buiten,

goed verzorgd, en zij zelf, vrij met haar geheele ziel zich te geven

aan de beweging. Iets anders begeert zij niet; iets te begeeren voor

haar zelve--het komt niet bij haar op.

Nog een zuster met zulk een eenvoudig, zuiver kinderhart leerde ik

kennen in een boerenvrouwtje uit Wiatka in het hongergebied. Zij was

naar de konferentie afgevaardigd geworden, maar had die door

tegenwerking in haar distrikt--een telegram dat dagen lang liggen

bleef--te laat bereikt.

Ook zij was klein en mager, met een zacht, onschuldig gezicht en

lieve, bescheiden manieren. Haar kleeren waren sjofel, maar uiterst

proper, zooals bij bijna alle arbeidersvrouwen die ik zag, op straat

en op vergaderingen; het onverschillige, verslonsde vrouwentype uit

onze achterbuurten, met afgetrapten rok en slordige haren, heb ik in

Moskou niet gezien. Maar wat vooral zoo sympathiek aan haar aandeed,

het was ook weer de warme spontaniteit, de kinderlijke vreugde over

het eigen ontwaken....

Toen zij uit Wiatka aankwam, was de vrouwenconferentie net afgeloopen,

het komitee voor huisvesting en verzorging funktioneerde niet langer;

wat moest zij, alléén in het rumoerige, overvolle Moskou, overvol

afgevaardigden van alle landen en volken? Maar een der russische

partijgenooten--een bekende propagandiste--ontfermde zich over haar,

bracht haar onder in haar eigen kamer, wist wat kleeren voor haar bij

elkaar te krijgen, een voedselkaart, nam haar mee naar een paar

vergaderingen en naar een tooneel-uitvoering, en bezorgde haar een

toegangskaart voor de feestelijke opening van het communistisch

kongres. Het vrouwtje uit Wiatka zag de Sowjet-gebouwen en het Huis

der Vakbonden; zij zag de muur van het Kreml met de graven der

gevallen strijders; zij hoorde Zinowiew en Kamenew spreken en

Chaliapin zingen en het groote orkest de Internationale spelen. Wat

was zij blij en verrukt over alles wat ze gezien en gehoord had! »En

dan, dat ik Clara Zetkin heb leeren kennen, en jullie allemaal, die in

je eigen land werken om de vrouwen te brengen tot het communisme, dat

vind ik toch zoo heerlijk,« zei ze met haar oprechte stem. Haar oogen

zochten onze oogen en haar hart boog over naar onze harten met zijn

warme, zachte last van zusterlijke liefde.

Een jaar geleden--vertelde partijgenoote Stahl ons,--was zij lid van

de partij geworden. Zij verbeeldde zich, dat alle communisten heiligen

waren en toen zij velen van hen als zeer onvolkomen menschen had

leeren kennen, ja enkelen als gewone intriganten en baantjesjagers,

tuk op eigen voordeel, was haar teleurstelling groot geweest. Maar zij

had zich dapper gehouden, had dat alles verwerkt met haar zuivere

verstand en haar onbedorven hart, had begrepen hoe niet met één slag

de oude zelfzucht, de omkoopbaarheid en eigenbaat overwonnen kunnen

worden, hoe afgunst en nijd een vruchtbaren bodem vinden in armoe en

gebrek. Nu agiteert zij onvermoeid onder de boerenbevolking van het

distrikt en is zij ook werkzaam bij de Tcheka. Eerst vond zij het

vreeselijk, dat geweld en dwang moest worden aangewend, maar door wat

zij zag van de wreedheden der kontra-revolutionnairen leerde zij

begrijpen dat het niet anders kòn en zij doet nu ook dit werk van

ganscher harte.

Na een dag of tien is zij weer teruggereisd, den langen weg naar

Wiatka, met nieuwe kleeren aan, nieuw gesterkt en dapper van hart.

Haar naam weet ik niet meer, maar vaak zie ik haar vóór mij, zooals ik

haar een paar keer zag geduldig zitten wachten in de vestibule van het

hotel tot Stahl haar kwam ophalen, bescheiden, kleintjes en proper met

haar kleurigen hoofddoek en haar lichte jak. En ik hoor weer die

diepe, zuivere blijheid en aanstekelijke warmte in haar stem, zooals

ze mij antwoordde toen ik haar vroeg, of zij tevreden was over haar

verblijf in Moscou, »en dan, dat ik jullie, jullie heb leeren kennen.«

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 22 / 43 题