In Moskou is het karakter der arbeidende bevolking veel
kleinburgerlijker en kleinboerscher dan in Petrograd. De beweging
onder de vrouwen is er van jonger datum en onrijper, zij heeft nog
niet uit haar schoot soortgelijke groote organisatorische talenten als
Nikolajewa voortgebracht; zij bevindt zich nog in het eerste stadium
van kinderlijke overgave en ontroerende geestdrift. De vrouwen die te
Moskou als leidsters van die groote beweging van vele duizenden
arbeidsters--allen naar fabrieken en werkplaatsen
georganiseerd--optraden, waren zelf nog meest »gewone« arbeidsters,
nog weinig gewend in het openbaar te spreken en weinig geschoold in de
routine van het organisatiewerk. Maar zij deden dat werk met een
volheid van vreugde, een blijmoedig geloof en kinderlijk vertrouwen
die aandoenlijk waren om te zien.
Een van hen, een klein vrouwtje met een verschrompeld gezichtje, jong
oud door 't gemis van een paar voortanden, is mij vooral bijgebleven.
Een arme fabriekarbeidster met een groot gezin. Jarenlang, zegt ze,
had zij gehunkerd naar iets wat zij niet kende en niet wist dat
bestond. Waren er dan geen menschen die de wereld anders, beter wilden
maken; was er dan geen kracht die de arbeidersklasse wilde verlossen
uit wat zij voelde een onmenschelijk leven te zijn? Van haar omgeving
scheen niemand het te bemerken en er onder te lijden; haar eigen man
was »partijloos«; bemoeide zich niet met de politiek.... Zoo tobde zij
voort, een eenzaam-opstandige. Tot op een dag het sterke bruisen van
een groote trilling tot haar drong: »waakt op, verworpenen der aarde.«
Het was in het tweede jaar der revolutie, dat zij een vergadering
bijwoonde der communistische partij. Een licht ging op in haar hart:
hier was wat zij altijd gezocht had. Zij sloot zich aan, nam deel aan
kursussen, leerde het communisme begrijpen, en nu is zij bestuurslid
der fraktie voor de propaganda onder de vrouwen in het »Krasnaja
Presna«-kwartier, de grootste arbeidersbuurt van Moskou. »Het is
moeilijk«, zegt ze, »voor een arbeidersvrouw, om in de beweging te
werken; er is thuis altijd zooveel te doen.« Haar man is nog altijd
geen communist; zij bekent het met zekere schaamte: maar haar twee
kinderen van vijftien en zestien jaar zijn lid van de
jeugdorganisatie; ze doen flink hun best. Haar tandelooze mond
glimlacht: bij haar kinderen heeft zij althans niet gefaald. »En de
kleintjes?«--»Ja, dat is juist het ellendige, dat ik die zoo dikwijls
onverzorgd moet achterlaten; maar gelukkig, de partijgenooten hebben
er zich mee bemoeid, en nu gaan ze naar een kinderkolonie.« Haar
ouwelijk, rimpelig gezicht wordt mooi van geluk; de kinderen buiten,
goed verzorgd, en zij zelf, vrij met haar geheele ziel zich te geven
aan de beweging. Iets anders begeert zij niet; iets te begeeren voor
haar zelve--het komt niet bij haar op.
Nog een zuster met zulk een eenvoudig, zuiver kinderhart leerde ik
kennen in een boerenvrouwtje uit Wiatka in het hongergebied. Zij was
naar de konferentie afgevaardigd geworden, maar had die door
tegenwerking in haar distrikt--een telegram dat dagen lang liggen
bleef--te laat bereikt.
Ook zij was klein en mager, met een zacht, onschuldig gezicht en
lieve, bescheiden manieren. Haar kleeren waren sjofel, maar uiterst
proper, zooals bij bijna alle arbeidersvrouwen die ik zag, op straat
en op vergaderingen; het onverschillige, verslonsde vrouwentype uit
onze achterbuurten, met afgetrapten rok en slordige haren, heb ik in
Moskou niet gezien. Maar wat vooral zoo sympathiek aan haar aandeed,
het was ook weer de warme spontaniteit, de kinderlijke vreugde over
het eigen ontwaken....
Toen zij uit Wiatka aankwam, was de vrouwenconferentie net afgeloopen,
het komitee voor huisvesting en verzorging funktioneerde niet langer;
wat moest zij, alléén in het rumoerige, overvolle Moskou, overvol
afgevaardigden van alle landen en volken? Maar een der russische
partijgenooten--een bekende propagandiste--ontfermde zich over haar,
bracht haar onder in haar eigen kamer, wist wat kleeren voor haar bij
elkaar te krijgen, een voedselkaart, nam haar mee naar een paar
vergaderingen en naar een tooneel-uitvoering, en bezorgde haar een
toegangskaart voor de feestelijke opening van het communistisch
kongres. Het vrouwtje uit Wiatka zag de Sowjet-gebouwen en het Huis
der Vakbonden; zij zag de muur van het Kreml met de graven der
gevallen strijders; zij hoorde Zinowiew en Kamenew spreken en
Chaliapin zingen en het groote orkest de Internationale spelen. Wat
was zij blij en verrukt over alles wat ze gezien en gehoord had! »En
dan, dat ik Clara Zetkin heb leeren kennen, en jullie allemaal, die in
je eigen land werken om de vrouwen te brengen tot het communisme, dat
vind ik toch zoo heerlijk,« zei ze met haar oprechte stem. Haar oogen
zochten onze oogen en haar hart boog over naar onze harten met zijn
warme, zachte last van zusterlijke liefde.
Een jaar geleden--vertelde partijgenoote Stahl ons,--was zij lid van
de partij geworden. Zij verbeeldde zich, dat alle communisten heiligen
waren en toen zij velen van hen als zeer onvolkomen menschen had
leeren kennen, ja enkelen als gewone intriganten en baantjesjagers,
tuk op eigen voordeel, was haar teleurstelling groot geweest. Maar zij
had zich dapper gehouden, had dat alles verwerkt met haar zuivere
verstand en haar onbedorven hart, had begrepen hoe niet met één slag
de oude zelfzucht, de omkoopbaarheid en eigenbaat overwonnen kunnen
worden, hoe afgunst en nijd een vruchtbaren bodem vinden in armoe en
gebrek. Nu agiteert zij onvermoeid onder de boerenbevolking van het
distrikt en is zij ook werkzaam bij de Tcheka. Eerst vond zij het
vreeselijk, dat geweld en dwang moest worden aangewend, maar door wat
zij zag van de wreedheden der kontra-revolutionnairen leerde zij
begrijpen dat het niet anders kòn en zij doet nu ook dit werk van
ganscher harte.
Na een dag of tien is zij weer teruggereisd, den langen weg naar
Wiatka, met nieuwe kleeren aan, nieuw gesterkt en dapper van hart.
Haar naam weet ik niet meer, maar vaak zie ik haar vóór mij, zooals ik
haar een paar keer zag geduldig zitten wachten in de vestibule van het
hotel tot Stahl haar kwam ophalen, bescheiden, kleintjes en proper met
haar kleurigen hoofddoek en haar lichte jak. En ik hoor weer die
diepe, zuivere blijheid en aanstekelijke warmte in haar stem, zooals
ze mij antwoordde toen ik haar vroeg, of zij tevreden was over haar
verblijf in Moscou, »en dan, dat ik jullie, jullie heb leeren kennen.«