III. +De politieke kommissaresse bij het leger+.

Een nog jonge, slanke vrouw met een lang, mager gezicht, niet knap,

maar aantrekkelijk door de levendige en intelligente uitdrukking. Het

donkere, krullende haar is met zorg opgemaakt; de nette zomer-uniform:

een hagelwit linnen jakje met roode tressen, een kort donkerblauw

cheviot rokje, draagt zij met zekere coquetterie. »Eigenlijk hooren er

hooge laarzen bij, maar die hoeven we gelukkig enkel aan het front te

dragen; ze zijn erg zwaar,« zegt ze. »Wat bent u precies, towaritsch,

wat is uw werk,« vraag ik.

»Ik ben bijna generaal,« antwoordt zij lachend en in dien lach klinkt

zelfbewustzijn en trots, »politieke kommissaresse bij een

brigadegeneraal; hij mag geen besluiten nemen zonder mij te raadplegen

en ik ben verantwoordelijk dat hij niets doet, wat de Sowjetrepubliek

zou kunnen schaden.«

Zoo'n zinnetje is als een opflitsende straal, den afstand tusschen

Sowjet-Rusland en het oude Europa plotseling fel verlichtend. Een

leek, een vrouw nog wel, die een generaal controleert en gezag heeft,

de uitvoering zijner besluiten te verhinderen: wat een instorting van

oude tradities en zeden, wat een verscheuring van vastgewortelde

begrippen, maar ook, welk een vertrouwen in de ontwakende kracht der

vrouw blijkt daaruit. In gedachte zie ik een ouden snorrebaard met

»zijn« politieke kommissaresse over de stafkaarten gebogen, stuursch

en brommig haar vragen beantwoorden. Of--is de generaal misschien een

oolijke ouwe heer, die denkt: »als 't dan tòch moest, dan in godsnaam

maar een vrouw; beter dan dat ze mij zoo'n onbehouwen kerel op mijn

dak stuurden,«--en zich schikt met gratie?....

In elk geval: als hij dit kwieke vrouwtje wil bedotten, moet hij vroeg

opstaan, de generaal!

Ondertusschen vertelt zij rustig verder: over haar arbeid aan het

front, onder de soldaten. »Ik ben ook aangewezen voor de politieke

propaganda in het Roode Leger, en dat doe ik eigenlijk 't liefst; het

is zulk dankbaar werk. Maar op 't oogenblik agiteer ik hier te Moskou

onder de fabriekarbeidsters; het werken onder de vrouwen vind ik ook

heerlijk, en juist die afwisseling houdt je frisch.«

Ik denk hoe zij daar straks op de vergadering de vrouwen heeft

toegesproken; in den vorm van een sprookje hun inprentend vertrouwen

in het nieuwe leven en liefde tot kameraadschap. Gevoelig sprak zij en

vurig; de vrouwen luisterden vol aandacht, gegrepen in hun hart. Ik

geloof graag dat zij 't werken onder de vrouwen heerlijk vindt; echte

vrouw als zij is, ondanks haar militair buisje en roode tressen.

»Waarom hebt u uw haar niet afgeknipt, towaritsch, zooals de meeste

vrouwelijke propagandisten doen,« vraag ik weer. »Ik kon er niet toe

komen,« zegt ze eenvoudig, en met een glimlach voegt ze er aan toe:

»zeker mijn vrouwelijke ijdelheid.«--We praten dan over het aantal

vrouwen dat soldatendienst verricht in het Roode Leger. »Daar zijn

vreeselijk overdreven verhalen van gedaan, op 't oogenblik zijn 't er

nog maar weinig, aan 't front zijn bijna geen vrouwen meer, het had te

veel bezwaren. Ja, natuurlijk, in oogenblikken van groot gevaar voor

de republiek, als toen Joedenitsch voor de poorten van Petrograd

stond, dan is 't wat anders, toen trokken vele vrouwen die de wapens

konden hanteeren, mee uit, in de eerste plaats wij communisten. Maar

in 't algemeen worden de vrouwen in het leger gebruikt voor de

propaganda en het onderwijs en de verpleging en de administratie, op

al die gebieden zijn ze noodig en doen ze goed werk.«

Zij is moedig en opgewekt, de jonge politieke kommissaresse; geen

overspannen dame met aangebrande dwaze ideeën over volstrekte

gelijkheid der geslachten, maar een flinke, redelijke, verstandige

vrouw.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 20 / 43 题