Een nog jonge, slanke vrouw met een lang, mager gezicht, niet knap,
maar aantrekkelijk door de levendige en intelligente uitdrukking. Het
donkere, krullende haar is met zorg opgemaakt; de nette zomer-uniform:
een hagelwit linnen jakje met roode tressen, een kort donkerblauw
cheviot rokje, draagt zij met zekere coquetterie. »Eigenlijk hooren er
hooge laarzen bij, maar die hoeven we gelukkig enkel aan het front te
dragen; ze zijn erg zwaar,« zegt ze. »Wat bent u precies, towaritsch,
wat is uw werk,« vraag ik.
»Ik ben bijna generaal,« antwoordt zij lachend en in dien lach klinkt
zelfbewustzijn en trots, »politieke kommissaresse bij een
brigadegeneraal; hij mag geen besluiten nemen zonder mij te raadplegen
en ik ben verantwoordelijk dat hij niets doet, wat de Sowjetrepubliek
zou kunnen schaden.«
Zoo'n zinnetje is als een opflitsende straal, den afstand tusschen
Sowjet-Rusland en het oude Europa plotseling fel verlichtend. Een
leek, een vrouw nog wel, die een generaal controleert en gezag heeft,
de uitvoering zijner besluiten te verhinderen: wat een instorting van
oude tradities en zeden, wat een verscheuring van vastgewortelde
begrippen, maar ook, welk een vertrouwen in de ontwakende kracht der
vrouw blijkt daaruit. In gedachte zie ik een ouden snorrebaard met
»zijn« politieke kommissaresse over de stafkaarten gebogen, stuursch
en brommig haar vragen beantwoorden. Of--is de generaal misschien een
oolijke ouwe heer, die denkt: »als 't dan tòch moest, dan in godsnaam
maar een vrouw; beter dan dat ze mij zoo'n onbehouwen kerel op mijn
dak stuurden,«--en zich schikt met gratie?....
In elk geval: als hij dit kwieke vrouwtje wil bedotten, moet hij vroeg
opstaan, de generaal!
Ondertusschen vertelt zij rustig verder: over haar arbeid aan het
front, onder de soldaten. »Ik ben ook aangewezen voor de politieke
propaganda in het Roode Leger, en dat doe ik eigenlijk 't liefst; het
is zulk dankbaar werk. Maar op 't oogenblik agiteer ik hier te Moskou
onder de fabriekarbeidsters; het werken onder de vrouwen vind ik ook
heerlijk, en juist die afwisseling houdt je frisch.«
Ik denk hoe zij daar straks op de vergadering de vrouwen heeft
toegesproken; in den vorm van een sprookje hun inprentend vertrouwen
in het nieuwe leven en liefde tot kameraadschap. Gevoelig sprak zij en
vurig; de vrouwen luisterden vol aandacht, gegrepen in hun hart. Ik
geloof graag dat zij 't werken onder de vrouwen heerlijk vindt; echte
vrouw als zij is, ondanks haar militair buisje en roode tressen.
»Waarom hebt u uw haar niet afgeknipt, towaritsch, zooals de meeste
vrouwelijke propagandisten doen,« vraag ik weer. »Ik kon er niet toe
komen,« zegt ze eenvoudig, en met een glimlach voegt ze er aan toe:
»zeker mijn vrouwelijke ijdelheid.«--We praten dan over het aantal
vrouwen dat soldatendienst verricht in het Roode Leger. »Daar zijn
vreeselijk overdreven verhalen van gedaan, op 't oogenblik zijn 't er
nog maar weinig, aan 't front zijn bijna geen vrouwen meer, het had te
veel bezwaren. Ja, natuurlijk, in oogenblikken van groot gevaar voor
de republiek, als toen Joedenitsch voor de poorten van Petrograd
stond, dan is 't wat anders, toen trokken vele vrouwen die de wapens
konden hanteeren, mee uit, in de eerste plaats wij communisten. Maar
in 't algemeen worden de vrouwen in het leger gebruikt voor de
propaganda en het onderwijs en de verpleging en de administratie, op
al die gebieden zijn ze noodig en doen ze goed werk.«
Zij is moedig en opgewekt, de jonge politieke kommissaresse; geen
overspannen dame met aangebrande dwaze ideeën over volstrekte
gelijkheid der geslachten, maar een flinke, redelijke, verstandige
vrouw.