Kollontay, mijn vroolijke, sterke, dappere kameraad: gij zijt de
tweede van de russische vrouwen, die ik wil herdenken. Zooals ik mij
vaak beschaamd voelde door de oneindige offervaardigheid van anderen,
zoo door uw oneindigen levensmoed.
Ge hebt de revolutie doorleefd en haar verschrikkingen; gij die »de
eerste nachten na den òmkeer niet kondt slapen«, wanneer ge niet wist
dat de gevangen-gezette ministers van den tzaar »een kussen hadden
onder hun hoofd«,--ge hebt den burgeroorlog gezien en de terreur zien
opkomen; ge hebt zèlf bevel moeten geven, menschen gevangen te zetten;
ge hebt het bloed zien stroomen op de slagvelden waar het Roode Leger
streed, en dat bloed »verschrikte u niet«--maar ook ànder bloed hebt
ge zien stroomen, bloed van veroordeelde klasse-vijanden, en ge hebt
uw hart voelen huiveren, maar ge hebt uw hart overwonnen, niet
eenmaal, maar duizend malen. Duizendmalen hebt ge tot uw oproerig hart
gesproken: »zwijg mijn hart: het moet, het moet.«
Ge hebt begrepen, dat de kracht der vrouw noodig is om de revolutie te
volbrengen.--Hoe kon het anders zijn? Is zij niet de voortbrengster
van het nieuwe leven?--Ge zijt gegaan tot de groote leiders, uw
broeders, en hebt tot hen gezegd: »Wij moeten de arbeidsters
organiseeren, wij moeten hen inwijden in de revolutie, opdat die
kracht drinke uit hun frissche kracht.« En sommigen van hen
antwoordden: »Laat ons eerst de mannen organiseeren: daarna wordt het
der vrouwen tijd«; en anderen zeiden: »Het is goed: beproef de taak«;
maar in hun oogen verschoot een klein spotlicht van twijfel, want de
man kent nooit de volle kracht der vrouw.
Maar gij hadt het vertrouwen, dappere Kollontay, en anderen hadden
het, helpsters en genooten; en samen vatten zij aan de taak, de
arbeidsvrouwen te organiseeren in Rusland en volvoerden zij haar.
Volvoerden haar zóó, dat ge thans kondt getuigen: »De gezindheid der
fabriekarbeidsters is een der sterkste bolwerken van het sowjetstelsel
in Rusland; de liefde en de geestdrift van honderdduizenden
vrouwenharten voeren het russische communisme nieuwe krachten toe.«
Gij hebt geworsteld tegen onverschilligheid, wanbegrip en tegenwerking
en ze overwonnen. En ge hebt ook geworsteld met vijanden van binnen:
tweestrijd, bitteren twijfel, smart over de donkere onvolkomenheden
die de zuiverheid der revolutie bevlekken. Maar ge hebt uitgehouden en
niet versaagd. Niets berouwd hebt ge en niets verloren; noch uw
menschelijkheid, noch uw vrouwelijke warmte, noch uw spontaan
vertrouwen, noch uw dapperen lach. Ik heb u lief om al uw
bewonderenswaardige eigenschappen: om uw energie, uw ruimhartigheid,
uw takt en uw kloekheid; om uw enthousiast geloof in het scheppend
vermogen der massa's. Maar het liefst heb ik u toch om uw moedige
levensblijheid, om den gezonden levenslust, die plotseling opschittert
uit uw vermoeid-staande oogen en breekt uit uw klankvolle stem. Ik heb
in u lief de onverwoestbare kracht van het russische volk.
Wanneer ik aan u denk, wordt mijn hart verruimd. Want achter u zie ik
staan de duizenden vrouwen, die door uw woord en uw daad gewonnen
werden; achter u zie ik lange risten van vrouwelijke propagandisten en
organisatoren, van afgevaardigden der fabriekarbeidsters, van
vrouwelijke instrukteurs en kommissaressen bij de Roode Legers, lange
risten van oude en jonge vrouwen, van bezorgde moeders en vroolijke
meisjes, allen met één wil willend, dat Rusland communistisch
wordt....
Gij en ik, wij gingen met elkaar om als twee vrouwen, die ruimte
voelen in elkaar en vele verwantheden.
Al te weinig heb ik zulk een omgang genoten in mijn leven en hij
maakte mij zeer gelukkig. Over vele dingen hebben wij samen gesproken:
over de nieuwe moraal der geslachten, zooals zij oprijst uit de
maatschappij-in-wording. Over het harde en bittere der diktatuur en
haar gevaren, over de plicht der partijtucht en hare grenzen. Onze
ervaringen in de beweging wisselden wij uit in vertrouwelijke, soms
spottende woorden. Dan glimlachten onze oogen elkaar toe, met den
glimlach der oude auguren, wanneer zij elkaar ontmoetten....
Ik heb tegen uw meening gesproken op het kongres, omdat ik vind dat
het westersche communisme het russische zoo sterk mogelijk moet
steunen. En zeer voorzichtig zijn met de kritiek. Want wij peilen de
moeilijkheden en problemen waar het russische communisme voor staat
maar ten deele. Maar dit eene weten wij zeker: zijn benardheid is ons
aller gemeenschappelijke schuld.
Het deed mij in mijn ziel leed, dat ik tegen u moest spreken.
Omdat ik u liefheb, en omdat uw geloof in de scheppende energie der
massa's ook het mijne is. Toen wij elkaar weer ontmoetten daarna
zeidet ge enkel dat het ook u leed had gedaan, immers het was noodig
de partij er telkens aan te herinneren, dat alle kracht van beneden
komt..
Daags daarop moest ik spreken voor de arbeidsters. En gij vertaaldet
voor hen mijn rede, met zóó groot begrip en zóó diepe warmte en tevens
zóó uitmuntend aangepast aan het bijzondere milieu, waarin zij werd
gehouden, dat ik na uw vertaling niet anders kòn dan in mijn gebroken
russisch getuigen. »Vrouwen, Alexandra heeft u meer gegeven dan ik had
kunnen doen.«
Zoo eerden wij elkaar en waren gelukkig in elkaars omgang. Voor u was
dat alles heel gewoon. Maar voor mij was het bijzondere lafenis;
immers ik kwam uit een land van kleine omstandigheden en kleine
menschjes, van kleine afgunst en kleinen strijd.
En nu, naar dat land teruggekeerd, herdenk ik u in groote liefde. Ik
zie u voor mij staan, zooals ik u zoo vaak zag op de
vrouwenkonferentie, uw grijze linnen kleed, in vol leven en vuur en
energie. Ik zie uw rijzige gestalte, uw ruime gebaren, als schepen
zeilend voor den wind, ik hoor uw volle, klankrijke stem woorden van
vertrouwen spreken. En ik voel mij, over landen en zeeën heen, in
vertrouwen aan u verbonden, mijn sterke, vroolijke, dappere kameraad.