I. +Kroepskaja+.[1]

De ontroeringen duiken op uit de onbegrepen diepte, als de golven der

zee. Men kan ze niet roepen en niet bevelen.

Vijftien jaar lang had ik verlangd naar in Rusland te zijn en toen wij

op een warmen zomermorgen de grens passeerden, voelde ik mij enkel

beschaamd over een domme streek die ik had uitgehaald, ondanks mijn

grijzende haren... Petrograd was sedert 1905 voor mijn verbeelding de

heilige stad der proletarische wedergeboorte, maar toen onze trein het

naderde heb ik niets gevoeld als een lichte ergernis over het feit,

dat mijn mede-reizigers die nadering schenen te verslapen.... Toen het

kongres »plechtig« geopend werd, bleef ik zoo koud als een steen. En

nog vele andere malen dat ik ontroerd had behooren te zijn, voelde ik

niets.

Maar toen ik u zag staan, Kroepskaja, vrouw van Lenin, onverwacht, een

paar passen vóór mij op het podium--stil-ongemerkt waart ge gekomen,

stil-ongemerkt sloopt ge weer heen--toen ge begont te spreken met

zachte schuchtere stem, toen plotseling sloeg een hooge golf van

eerbiedige ontroering door mijn hart heen en zijn klop werd als in de

dagen mijner jeugd. Voornamelijk een doodzieke vrouw scheent ge mij

dien morgen, zonder andere bekoring dan die van den grooten eenvoud,

de zelfvergetelheid die wij niet kennen, en die u maakte tot een bijna

onpersoonlijke persoonlijkheid. Uw dunne, steile haar was in een

toetje achter op uw hoofd gebonden, uw gelaat geel als was, uw oogen

waren omwald als van een zwaar zieke. Ge droegt een langen verkleurden

mantel, als een vrouw uit het volk draagt, die op een natten

November-morgen boodschappen gaat doen....

Het was op de vrouwenkonferentie; van de vreemde afgevaardigden kenden

u maar weinigen en ge hadt uitgesproken en u omgekeerd, eer de meesten

goed begrepen wie ge waart en wat ge belichaamdet. Ik stond achter u

en kon u slecht verstaan, maar een der russische vrouwen zeide

glimlachend tegen mij: »zij heeft ons een lesje gegeven in het

marxisme.« Ge kreegt geen ovatie. Ach, gij en een ovatie dat past ook

niet bij elkaar...

Zoodra ik u die eerste maal zag, voelde ik in u de verpersoonlijking

van geheele geslachten russische revolutionnairen. Zij hadden geleefd

en waren gestorven zonder ander levensdoel dan de zaak te dienen. Zij

hadden zichzelf gegeven, gestreden en volhard toen alles donker was,

toen de zege oneindig veraf scheen. Hun liefde voor de menschheid had

niet gewankeld, hun trouw geen oogenblik gefaald. Ik zag ze in de

bevrozen wildernissen van Siberië en in de kerkers van den tzaar,

gesard, mishandeld door ruwe bewakers. Ik zag hun lichamen verscheurd

worden door de folterende geeselslagen; ik zag ze zwart en stijf,

bengelen aan de galgen. Ik zag de revolutionnaire emigranten,

honderden, duizenden, zwerven in den vreemde, hun hart verteren in

bitterheid. Ik zag hun ongeduld, hun armoede, hun lange beproeving,

hun twisten over den juisten weg. Maar ik zag hen ook te midden der

arbeiders van de landen waar zij leefden, ik zag hun inzicht in het

wezen der beweging ruim worden en diep. Ik zag hen uitzenden, over

landen en zeeën heen, naar het verre Rusland, het gedachtezaad dat al

opkwam in 't verborgene; ik zag hen voorbereiden, volhardend en

geduldig, den grooten opstand der massa's. Ik zag uzelve en Lenin,

altijd samen, in de kleine vertrekjes van zwitsersche of

oostenrijksche steden. Ik zag het groote tranenrijke verleden en het

groote tranenrijke heden één worden in u. Ik was ontroerd, niet omdat

ik deze dingen van u wist, niet omdat ik dacht, »zoo en zoo heeft die

vrouw geleefd, dit en dat geleden«, maar omdat uw trouw, uw

zelfverzaking, uw verwonderlijk gemis aan besef van uw eigen

heiligheid, in u zoo zichtbaar leefden, als 't ware heenschijnend door

uw geheele persoonlijkheid.

Na dien eersten keer zag ik u weer terug op den avond der »feestelijke

opening« van het kongres, dien vervloekten avond zonder warmte, zonder

gloed, zonder waarachtigheid en oorspronkelijkheid. En het beste, het

meest vertroostende en verwarmende van dien avond,--behalve dan den

klagenden herdenkingszang, den dooden makkers gewijd en de gezichten

der Moskousche proletariërs, zooals zij straalden van verrukking toen

Chaliapin[2] zong, hun zielen omwikkelend met zijn toover,--dat waart

gij. Men bracht u naar de »keizerloge« in het Groote Theater, waar de

»internationale figuren« der vrouwenbeweging zaten, als te pronk,

....en de nulliteiten die zich aan hen vastklampten.

Ik moest glimlachen toen ik u daar zag staan, een vreemde

verschijning. Gij in uw grooten eenvoud, in die loge, banaal van

fluweel en verguldsel.

Maar toen, een paar oogenblikken later, mijn oogen van uit de zaal u

weer zochten, vonden ze u niet meer. Ik zag rond en ontdekte u, op een

zijbank, omringd van jonge, onbekende vrouwen en meisjes, als

weggedoken tusschen hen. En weer moest ik glimlachen, in stille

voldoening.

Later ontmoette ik u herhaaldelijk op het kongres; wij zaten op de

stoelenrij tegen den muur en ge spraakt met mij over de dingen die u

het meest ter harte gaan: de opvoeding der massa's, het verspreiden

van kennis en schoonheid onder de scharen van het volk.

Een paar maal naamt ge mijn hand tusschen uw magere, verdorde vingers.

Moeilijk kwamen uw woorden; uw gedachte vorm te geven in het fransch

of duitsch kostte u, verzwakt als ge waart, zichtbare inspanning. Ik

zeide, dat ge russisch kondt praten tegen mij als ge het langzaam

wildet doen. Och, mijn beetje kennis van het russisch schoot meestal

te kort bij den woordenstroom van anderen, maar u verstond ik altijd.

Het was zoo eenvoudig en klaar, wat ge zeidet, zoo eenvoudig en klaar

als uw eigen leven en uw eigen hart.

Hoe verbrokkeld en onzuiver, hoe vol hoogmoed en burgerlijk

individualisme, voelde ik mij vaak naast uw gave zelfvergetelheid....

Ge »gaaft mij een lesje«, niet enkel in het marxisme; ik dank u

daarvoor.

Op u valt de schaduw van den dood; allen weten dat ge moet sterven,

gij zelf weet het ook zekerlijk. Maar waarom zou het te weten

verandering brengen in uw leven, daar ge immers ternauwernood in u

zelve leeft....

Gij goede, zachte, zelfvergetene, reine;--nooit zag ik zuiverder dan

in u, de revolutionnaire en communistische, het eeuwige wezen der

vrouw, haar hóógste wezen: de sterke liefde die zich wil geven, opdat

het leven stroome uit haar.

Ach, dat het zoet besef van deze gedachte: »wij zaligen gaan op ter

overwinning; het Communisme groeit onder onze hand,« uw laatste dagen

heerlijk kon omglanzen....

Maar het is niet zoo, helaas.

De zaak waarvoor ge geleefd hebt lijdt groote verduistering; de sterke

wil, het heldhaftig volharden blijken machteloos tegen den druk van

overzware vijandelijke krachten. Onze harten zijn bedrukt.

Maar wanneer ik denk aan u, Kroepskaja, vrouw van Lenin, aan uw klare

vastheid en rustige blijmoedigheid tusschen de afgronden van leven en

dood, en aan de velen, velen, die zijn als gij zijt en als gij

gelooven en dienen, zich zelf vergetend, dan weet ik dat het

Communisme in Rusland ondanks alles uit zijn verduistering herrijzen

en zich herstellen, groeien en leven en eenmaal overwinnen zal.

Uit Sowjet-Rusland: Beelden en beschouwingen · 第 18 / 43 题