Ik kan nog maar niet uitscheiden over de chineesche hel. Ik houd toch
zoo van zulke vertelseltjes! Ik houd toch zoo van dingen, die niet waar
kunnen zijn, waar allerlei vreemde wonderen in gebeuren; ik houd toch
zoo van een beetje dwaas en onpractisch, en van een beetje wild en
onmogelijk, van den hak op den tak, en van dolle fantasieën en
paradoxen. En daarom houd ik zeker zoo van dat aanbiddelijke, dolle
sprookjesboek „de Zwerftochten in het Westen”, „See Yü”, een
fabelenboek van een chineeschen Grimm, dat in China bijna elke gewone
koelie kent, en waar ik nog zoo dikwijls in zit te lezen, in gespannen
verwachting van de nieuwe mirakelen, die er nú weer zullen komen,
vooral als ik weer voor een tijdje genoeg heb van het gekriebel en
gedoe in onze lieve vaderlandsche literatuur. De taal in de „See Yü”
lijkt wel wat op gestamel, het boek is niet geschreven in den
klassieken stijl der Kings, maar in het colloquial, zooals de lui
praten in huis, en de sprookjesvertellers op den hoek van de straat. De
geleerden zien er op neer. Maar wat een verbeeldingskracht, wat een
naïef praten, wat een voor ’t vaderland weg doorgallopeeren, door ’t
wilde heen, en altijd weer ergens onverwachts terechtkomen!
Ik zou zoo gauw niet klaar zijn, als ik al de wonderen in dit
kostelijke boekje wilde oververtellen. Maar dat van de chineesche hel,
hoe de groote koning T’ai Tsung daar ter verantwoording wordt geroepen,
en hoe hij daar een kruiwagentje heeft, net precies zooals je er een
noodig hebt in Indië, en hoe hij daar beren maakt, en, wat nog mooier
is, die eerlijk terugbetaalt ook, dát zou misschien nog wel gaan.
Daar zal ik dan tevens mee kunnen aantoonen, dat de chinees niet alleen
met den hemel, maar ook met de hel „des racommodements” kan hebben, en
dat het altijd goed is, hooge ambtenaren te vriend te houden, want die
kunnen na hun dood nog invloedrijke posten in de Hel bekleeden, al is
het dan ook niet in den Hemel.
Het was ten tijde van keizer T’ai Tsung, dat in de toenmalige hoofdstad
van China, Ch’ang Ngan, twee goede vrienden woonden. De een was een
visscher, genaamd Ch’ang Shau, de ander een houthakker, die Li Ting
heette. Op een goeden morgen zaten zij in een wijnhuis wat te eten en
te drinken. Toen zij daarna een eindje langs de rivier opwandelden
vroeg Li Ting: „Zeg, broeder Ch’ang Shau, je vangt iederen dag zoo’n
hoop mooie visschen en garnalen, welk geheim middeltje heb je daar toch
voor?”
„Wat zou ik voor een geheim middeltje kunnen hebben?” antwoordde Ch’ang
Shau. „Aan de westelijke poort staat op straat een geleerd waarzegger
die wichelstokjes verkoopt. Dien geef ik elken dag een mooien karper
cadeau, en daarvoor wijst hij mij het goede plekje aan om mijn
vischtouw in neêr te laten. Zoo is het vandaag óók gegaan, en ik heb
volop gevangen. Morgen zal ik wat wijn koopen en je eens tracteeren.”
Toevallig kwam op dat oogenblik een van de op inspectie uitzijnde
geesten van Lung Wang, den Rivier-Draken-Koning [59], voorbij, die het
geheele gesprek hoorde, en het ijlings aan zijn meester ging
overbrengen. Lung Wang was woedend, en wilde er direct op uit, om den
wichelaar dood te slaan. Maar zijne kinderen en kleinkinderen brachten
hem hiervan af door te zeggen: „Groote Koning, bedaar uw toorn! Als gij
zóo heengaat zullen stellig de wolken en de regen U volgen en helpen,
en dan zult U het arme volk van Ch’ang Ngan een doodelijke vrees op het
lijf jagen, tot ergernis van den Hemel. Het is veel beter, U in een Siu
Ts’ai [60] te veranderen, en zelf naar de stad te gaan, om deze zaak
eens te onderzoeken.”
De Draken-Koning volgde dezen raad op, veranderde zich in een deftigen,
in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar de westelijke poort van
Ch’ang Ngan. Dáár informeerde hij naar de woning van den wichelaar,
klopte aan, en werd door dezen heel beleefd ontvangen en uitgenoodigd
om te gaan zitten.
„Zoudt u mij ook kunnen zeggen,” vroeg de koning, „wanneer er regen zal
vallen?”
Daarop begon de wichelaar met zijn wichelstokjes te werken en zeide het
volgende versje op:
„De wolken dwalen boven de bergen,
Mistdampen bedekken het woud en het graan;
Als ik wichel wanneer de regen zal neerzegenen,
Is het antwoord: „op morgen.””
Toen vroeg de Zee-Draken-Koning: „Op welk uur dan morgen, en hoeveel
regen zal er zoowat vallen?”
De wichelaar antwoordde: „Morgen op het uur Ch’an zullen de wolken
bijeenkomen, op het uur Sz’ zal de donder komen opzetten, op het uur Wu
zal de regen neervallen, en op het uur Wei [61] zal die ophouden. Er
zal in ’t geheel vallen drie voet en drie duim regen, en laatste
na-droppels acht en veertig.”
De Zee-Draken-Koning zeide lachende: „Zulke woorden mag je niet uit
gekheid uitspreken, mannetje! Als morgen juist op de tijden, die gij
bepaald hebt, precies zooveel regen valt, zal ik u vijftig ons goud
geven tot belooning. Maar als er geen regen komt, òf niet op den
bepaalden tijd en in de bepaalde hoeveelheid, dan zal ik uw voordeur
kapot trappen, uw uithangbord vernielen, u uit Ch’ang Ngan jagen, en u
niet meer toestaan, hier de menschen te bedriegen.”
„Zooals u wilt,” zeide de wichelaar kalmpjes.
Hai Lung Wang, die niets wist van regenen op morgen, ging verheugd naar
zijn rijk in de wateren terug, in het vooruitzicht, den gehaten
wichelaar den volgenden dag zijn wraak te doen gevoelen. Hij vertelde
de leugenachtige voorspelling omtrent den regen aan zijne volgelingen
over, en allen lachten den wichelaar uit, en riepen: „Hoe durft hij
zulke valsche praatjes te verkoopen!”
Plotseling riep een stem uit de lucht: „Draken-Koning, ontvang het
bevel!”
Allen keken omhoog, en zagen een in gouden kleederen gedoschten
afgezant van den oppersten Hemelgod Yü Ti, die een bevelschrift uit de
hooge regionen kwam brengen. De afgezant daalde in het water neder,
overhandigde de missive, en verdween weder omhoog, de wolken in.
En waarlijk! Het bevelschrift bevatte de strikte order, om den
volgenden dag regen te doen vallen, precies op denzelfden tijd, in
dezelfde hoeveelheid als de waarzegger had voorspeld! Er mankeerde
niets aan. Hevig verschrikt riep de Draken-Koning uit: „Waar moet het
op die manier heen, als zoo’n stuk mensch de geheimen weet van Hemel en
Aarde? Dan blijft er niets over dan mij aan hem te onderwerpen!”
Maar zijn vertrouwde minister zeide: „Wat voor moeite zou het kosten,
hem te overwinnen? Laat, o groote koning, wèl regen vallen, maar
verander de tijden en de hoeveelheden een beetje, dan zal die schavuit
van een wichelaar wel in zijn schulp kruipen!”
Zoo gezegd zoo gedaan. Den volgenden dag kwam een onweder boven de stad
Ch’ang Ngan opzetten, met donder, bliksem en regen. Maar op het uur Sz’
en niet op het voorspelde uur Ch’an verzamelden zich de wolken, eerst
op het uur Wu kwam de donder op, op het uur Wei viel pas de regen neer,
en op het uur Shan [62] hield hij op. Er viel ook maar drie voet regen,
en niet meer dan veertig na-droppels.
Toen de Draken-Koning met dit werk gereed was, veranderde hij zich weer
in den in ’t wit gekleeden Siu Ts’ai en ging naar het huis van den
wichelaar. Dáár gekomen begon hij dadelijk het uithangbord, de
penseelen en den inktsteen in stukken te slaan, en riep schimpend:
„Wel, durf jij de menschen te bedriegen met je geleuter! Het is nu eens
lekker niet uitgekomen, en nu maak je maar als de weêrga dat je
uitknijpt, dan zal ik je deze misdaad vergeven, waar de dood op staat!”
Maar de wichelaar glimlachte eens kalmpjes en zeide: „Ik ben niet
strafbaar met den dood, maar ik ben bang dat gij het wèl zijt. Gij zijt
geen Siu Ts’ai, gij zijt de Rivier-Draken-Koning, en gij zijt
ongehoorzaam geweest aan het bevel van den Hemel-God, en hebt op uw
eigen houtje de tijden en de maten veranderd, en dus de Wetten des
Hemels weêrstaan. Ik vrees dat gij moeilijk aan het zwaard zult
ontkomen, en nu komt gij waarachtig mij nog uitschelden!”
Toen sloeg de angst den armen Draken-Koning om het hart, en zijn
geheele lichaam begon te beven. Hij knielde voor den wichelaar neder en
smeekte hem, toch niet boos meer te zijn, en hem een redmiddel aan de
hand te doen.
De waarzegger kreeg medelijden met hem. „Ik kan u zelf er niet uit
helpen,” zeide hij, „maar ik weet, dat degene, die u dooden moet, Wei
Ting zal zijn, de opperrechter van koning T’ai Tsung. Ik kan u dus
aanraden T’ai Tsung om hulp te vragen.”
De Draken-Koning volgde dezen goeden raad dadelijk op. Hij ging niet
eens naar zijne wateren terug, maar steeg op een wolk, en zweefde naar
het paleis. T’ai Tsung [63] lag juist te slapen, en in zijn droom ging
zijn ziel het lichaam uit, en ging wat in den maneschijn wandelen. De
Draken-Koning veranderde zich weer in een mensch, en viel voor den
koning op de knieën, roepende: „Red mij, red mij, Uwe Majesteit!”
De koning vroeg hem wie hij was, en nu vertelde Lung Wang hem, dat hij
de Draken-Koning was, dat hij gezondigd had tegen den Hemel, en nu zou
moeten sterven door de hand van den opperrechter Wei Ting, als de
koning dit niet verhinderde. Toen kreeg koning T’ai Tsung medelijden en
zeide vertroostend: „Als ’t alleen maar die kwestie met Wei Ting is,
wees dan maar gerust, hoor, ik zal u er wel uit helpen”. Vol vreugde
ging de Draken-Koning weg, na zijn weldoener innig te hebben bedankt.
Toen T’ai Tsung wakker werd, dacht hij ernstig na over zijn droom. Het
was een gewichtig geval. Hij had zijn woord gegeven aan den
Draken-Koning dat hij hem redden zou, en dat moest hij tot elken prijs
houden, wilde diens dood niet op hem zelven neêrkomen. Daarom besloot
hij, alle civiele en militaire mandarijnen op te roepen aan zijn hof.
Hoe schrikte hij, toen hij zag, dat Wei Ting niet was opgekomen!
Dadelijk zond hij nog een speciaal bevelschrift naar den opperrechter,
om op staande voet te verschijnen. „Als hij maar eenmaal binnen is,
laat ik hem er niet meer uit,” dacht hij. Wei Ting had juist dien nacht
een droom gehad. In dien droom was hem een hemelgeest verschenen met
een order van Yü Ti, den oppersten Hemelgod, waarin geschreven stond,
dat hij ín het derde kwartier van het uur Wu den Rivier-Draken-Koning
moest onthoofden. Daarom was Wei Ting niet naar het hof gegaan, maar
thuis gebleven om zijn groot tweesnijdend zwaard op te poetsen en te
scherpen.
Toen echter het speciale bevel van den koning kwam, moest hij wel
gehoorzamen, en ging in allerijl ten hove. Hij smeekte T’ai Tsung, hem
zijne ongehoorzaamheid te vergeven, wat genadig werd toegestaan. Nu
zond T’ai Tsung al de andere hovelingen weg, en liet alleen den
opperrechter blijven. Om den tijd te korten stelde hij hem voor, een
partijtje te schaken. Het werd een interessant spel, toen, juist in het
derde kwartier van het uur Wu, de opperrechter plotseling met het hoofd
op de armen in slaap viel. De koning was hier in ’t geheel niet boos
over, daar hij nu zeker was, dat de gevaarlijke rechter niet het paleis
uit kon. Langzamerhand begon Wei Ting sterk te zweeten, en zijn gezicht
vertoonde een uitdrukking van woede, terwijl hij allerlei zenuwachtige
trekkingen met armen en beenen begon te maken, zooals een hond die
droomt dat hij op de jacht is. T’ai Tsung kreeg medelijden met hem, en
denkende dat hij aan nachtmerrie leed, begon hij hem met zijn zijden
waaier koelte toe te wuiven. Dit bracht blijkbaar verfrissching aan,
want daarna werd de slapende rustiger.
Maar o wee! wat had de koning gedaan! Wei Ting’s ziel was in zijn droom
uit het lichaam gegaan om den Draken-Koning te zoeken. Toen deze hem
zag aankomen zette hij het op een loopen, en er volgde een jacht op
leven en dood. De riviergod was een fameus looper, en Wei Ting, hoeveel
moeite hij ook deed, zou hem niet ingehaald hebben, en werd op ’t
laatst zóó afgemat, dat hij ten achter raakte. Maar het was juist op
dat oogenblik, dat koning T’ai Tsung den droomende begon te bewaaieren.
Deze koelte gaf Wei Ting’s lichaam, en dus ook zijn ziel nieuwe
krachten, en spoedig had nu de opperrechter zijn slachtoffer ingehaald
en hem het hoofd afgehouwen!
Toen de ziel haar plicht gedaan had, keerde zij in het lichaam terug,
en Wei Ting werd wakker. Hoe schaamde hij zich, toen hij zag, hoe
oneerbiedig hij was geweest! Maar de goede koning vergaf hem gaarne, en
stelde voor, het partijtje schaak uit te spelen. Juist wilden zij
beginnen, toen de twee grootvizieren des konings, de hooge mandarijnen
Sü Meu Kung en Tseu Shuh Pao binnentraden met een van bloed druipend
drakenhoofd in de handen, en dat voor T’ai Tsung nederlegden. Zij
vertelden hem vol schrik, dat dit hoofd zooeven uit de wolken was komen
vallen.
T’ai Tsung vroeg in grooten angst aan den opperrechter, wat dit moest
beteekenen. En toen biechtte Wei Ting eerlijk alles op, hoe hij van Yü
Ti het bevel had ontvangen om den Draken-Koning te onthoofden, en hoe
hij dat zoo juist in zijn’ droom had ten uitvoer gebracht. Toen
verschoot T’ai Tsung van kleur, en voelde, dat hij voor dien dood zou
moeten boeten.
En de straf zou niet lang uitblijven. Toen de koning den nacht daarop
te bed lag, hoorde hij plotseling voor zijn deur een klagend gekerm, en
daar trad de Draken-Koning binnen, met zijn bloedend hoofd in de
handen! Op hoogen toon riep het spook uit: „Koning der Thangs, geef mij
mijn leven terug! Gisteren nacht hebt gij mij beloofd, mij te redden,
en hoe durfdet gij nu uw opperrechter uitzenden om mij te onthoofden?
Ik zal deze zaak met u uitmaken voor Yen Kiün, den Hellekoning!”
T’ai Tsung weende tranen bij tuiten, en knarsetandde van angst. Toen
verscheen een in ’t wit gekleede vrouw, die met een schepter het spook
gebood heen te gaan, dat daarop ijlings verdween. Is het noodig te
zeggen, dat dit Kwan Yin was, de Godin der Genade, die met koning T’ai
Tsung nog zooveel ándere groote plannen voorhad?
Nu wilde de koning niet meer slapen zonder wachten. Iederen nacht
waakten in het paleis de dapperste krijgers, en voor zijn deur stonden
de twee beroemdste helden-generaals, met ontbloote zwaarden. Het spook
kwam niet meer terug, maar de koning werd elken dag zwakker en zwakker,
en voelde ten laatste dat hij sterven ging. De geheele koninklijke
familie was aan het sterfbed vergaderd. De koning was razend van
wanhoop, want hij wist dat de doode Rivier-God hem in de hel had
aangeklaagd en hem daar opwachtte. Maar op het laatste oogenblik kreeg
de opperrechter Wei Ting nog een gelukkige ingeving.
„Wees gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Uw gehoorzame onderdaan heeft
een uitstekend middeltje, om U nog een lang leven te verzekeren. Uw
vroegere onderdaan, wijlen mijn vriend de Minister van Eeredienst, is
op ’t oogenblik Beslisser-Mandarijn in de onderwereld. Hij heeft mij
juist laten weten, dat hij nu ook belast is met het bijhouden van het
Leven-en-Dood Register. Ik zal U dezen brief voor hem medegeven, en als
U hem dien maar overhandigt, ben ik zeker, dat hij U weer naar de aarde
zal doen terugkeeren.”
Kort daarop stierf de koning. Zijn ziel ging uit het lichaam, en
ontmoette een schaar ruiters, die hem een paard gaven, en in wilde
jacht met ontzettende snelheid met hem voortrenden. Plotseling waren
ruiters en paarden verdwenen, en hij stond op een woeste vlakte, waar
hij nog nooit geweest was. Hij voelde zich alles behalve op zijn gemak,
toen gelukkig een in ’t zwart gekleed, heel voornaam mandarijn
verscheen, die voor hem nederknielde, en hem verzocht, zijn geleide te
willen aannemen. [64]
„Wie zijt gij?” vroeg de koning.
„Vroeger op aarde was ik Minister van Eeredienst,” antwoordde de
beleefde wegwijzer, „maar nu ben ik Beslisser-Mandarijn hier in het
hellegebied. Ik heb al Uw zaak met den Draken-Koning onderzocht, en ben
nu expres hier gekomen om U den weg te wijzen.”
T’ai Tsung voelde zich nu heel wat prettiger, en riep verheugd uit:
„Dan heb ik hier een brief voor u, van mijn opperrechter Wei Ting!”
De Beslisser las den brief, en begreep daaruit, hoe wonderlijk alles
zich op aarde had toegedragen, en hoe de arme koning er was ingeloopen.
„Wees maar gerust, Uwe Majesteit,” zeide hij. „Ik zal U wel weer op
aarde terug krijgen. Als U nu maar eens mede wilt gaan.” En hij
geleidde den koning naar de hellen. T’ai Tsung werd naar een kolossalen
zetel gevoerd, waar de tien koningen der tien hellegebieden waren
gezeten. De hellekoningen kwamen behoorlijk van hun’ zetel af om den
menschen-koning te begroeten, en met hem de gebruikelijke
beleefdheidsceremonieën te verrichten. Toen zeide Tseu Kwang, de koning
van het eerste hellegebied:
„De Rivier-Draken-Koning heeft U hier aangeklaagd, dat U hem beloofd
had, zijn leven te redden, en hem toen juist hebt laten dooden. Wat is
hier van aan?”
Toen vertelde T’ai Tsung eerlijk, hoe alles gebeurd was, precies
volgens de waarheid.
De hellekoningen—die het alreeds wisten natuurlijk—geloofden hem, en
zeiden: „Het was tóch al lang geleden besloten, en in het Leven-en-Dood
Register opgeteekend, dat de Draken-Koning in dezen tijd door de hand
van een’ opperrechter zou moeten sterven. Nu zullen wij hem weer in het
Wiel der Omwenteling zetten, en in ’t leven nieuw geboren doen worden.
Maar hoe is het met Uw levensduur gesteld? Beslisser-Mandarijn, haal
eens even het Register!”
En de Beslisser haalde het register, waar de levensduur, en in geval
het vorsten zijn, de regeeringsduur der stervelingen nauwkeurig waren
opgeteekend. De Beslisser zocht den naam T’ai Tsung op, en o wee! er
stond voor zijn regeeringsduur niet meer dan dertien jaren, juist de
tijd, dien hij reeds koning was geweest. Fluks smokkelde hij zijn
penseel te voorschijn, veranderde het bovenste ééntje in een drietje,
en nu stond er drie en dertig [65]. En met een doodleuk gezicht liet
hij den hellekoningen zien, dat T’ai Tsung drie en dertig jaren
regeeren mocht, en dus nog twintig jaar levens te goed had.
De tien hellekoningen konden toen niet anders dan T’ai Tsung vergunning
geven, naar de aarde terug te keeren. Onze koning, die om alles dacht,
vond nu, dat hij van deze zeldzame gelegenheid moest gebruik maken, om
nog eens méér te weten te komen, en vroeg beleefd, of men hem ook zou
willen zeggen, hoe het met den levensduur van de leden zijner familie
stond. Het register werd even geraadpleegd, en er werd hem geantwoord:
„Daar staat het best meê. Maar alleen Uw keizerlijke zuster Li Yü Ying
zal het niet lang meer maken, vreezen wij.”
Toen vroeg T’ai Tsung, wat hij den hellekoningen zou mogen aanbieden,
om hen voor hun goedheid te bedanken. En de tien koningen antwoordden:
„Wij hebben hier gebrek aan meloenen uit het Zuiden.”
„Als wij op aarde terug zijn, zullen wij U meloenen zenden,” beloofde
de koning. Daarop boog hij eerbiedig. Een duivel met een vlag ging hem
toen voor, om hem den weg te wijzen, en de Beslisser-Mandarijn volgde
hem. En nu werd T’ai Tsung een tochtje door de verschillende hellen
aangeboden, waar hij al de verschrikkingen zag, die de zondaren hadden
te doorstaan. De koning voelde zich allesbehalve op zijn gemak, en
beefde van angst over al zijne leden. Eindelijk was hij met zijne
geleiders door eenige hellegebieden gekomen. Na een poos geloopen te
hebben kwamen zij bij een stad, „de Stad der onrechtvaardig gedooden”.
Hier woonden de geesten der menschen, die eigenlijk nog niet moesten
gestorven zijn, volgens het register, maar door onvoorziene
ongerechtigheden der menschen gedood waren. Met deze geesten zaten de
hellekoningen verlegen, want zij behoorden eigenlijk nog niet in de
hel, daar zij niet vóór hun tijd konden overgevoerd worden, en ook niet
op de aarde, daar zij dood waren.
Toen die geesten den koning hoorden aankomen liepen zij in groote
scharen uit, en versperden den weg. Het waren siniestere gestalten,
sommigen zonder hoofd. „T’ai Tsung,” schreeuwden zij, „geef ons het
leven terug!”
De koning klappertandde van angst en riep: „Beslisser, toe, red mij!”
De Beslisser antwoordde: „Ik heb niet veel over hen te zeggen, maar als
U hun wat geld geeft, zullen ze U wel doorlaten.”
Maar ongelukkig had T’ai Tsung geen cent op zak. Hij had wel een brief
medegenomen naar de hel, maar aan geld had hij niet gedacht. „Hoe kom
ik nu aan geld!” riep hij in wanhoop uit.
Gelukkig wist de Beslisser raad. „Op aarde, in de provincie Ho Lam, in
’t district K’ai Fung, woont een zekere Siang Liang. Deze heeft dertien
schatkamers goudstukken naar hier gezonden. Als Uwe Majesteit een
schuldbekentenis wil onderteekenen, zal ik er U met genoegen een
schatkamer van leenen. Als U op aarde zijt wedergekeerd, zendt U het
geld aan Siang Liang zelf terug. Dan strooit gij nu de goudstukken maar
allen onder deze hongerige geesten, en zij zullen U stellig doorlaten.”
De koning teekende haastig het verlangde stuk, en strooide het geld
onder de gretig grabbelende geesten. En de Beslisser riep hun nog toe:
„Al dit geld is voor u, om den dag genoegelijk door te brengen. Als de
koning T’ai Tsung op aarde is teruggekeerd, zal ik hem opdragen, een
weg voor u te maken, die u over zal leiden naar de gewesten der
onsterfelijkheid. [66]”
Zonder verdere ongelukken kwam de koning nu buiten het territorium der
hel. De Beslisser wees hem een groot paard, dat voor hem gereed stond,
en raadde hem aan, zich maar door dit beest te doen leiden, dan zou hij
van zelf wel weer in zijn eigen rijk terechtkomen.
T’ai Tsung bedankte zijn welwillenden Mentor, sprong in het zadel,
en..... rrrrt! daar vloog het wilde paard in pijlsnelle vaart vooruit,
met duizelingwekkende snelheid over velden en bosschen, en toen
plotseling met een plons halsoverkop in een diepe zee. Toen verloor de
koning het bewustzijn.....
Inmiddels stond in het paleis de doodkist met zijn lijk in de groote
staatsiezaal. De vrouwen en verwanten weeklaagden en jammerden bij de
baar, en reeds wilde men den kroonprins tot koning uitroepen, toen
opeens uit de doodkist een stem werd gehoord, roepende: „Dat scheelde
weinig of ik was dood!”
Alle aanwezigen schrikten om het hardst, en een paar vrouwen vielen
flauw, denkende een spook te hooren. De grootvizier, die een dapper man
was, boog zich over de kist en riep: „Wat kan er zijn, dat het hart van
Uwe Majesteit verontrust. Zeg het ons dan, maar laat niet Uw geest hier
komen spoken en schrik verspreiden!”
Maar de stem antwoordde: „Het is mijn geest niet, ik ben het zelf!”
De doodkist werd opengebroken, en ziet! de koning sloeg de oogen op, en
leefde weer!
„Als ik maar een geest was geweest zou ik dat ongeluk in de zee niet
overleefd hebben,” zeide de koning.
„Een ongeluk in de zee? Welk ongeluk?” vroeg men hem verbaasd.
En nu vertelde de koning, hoe het paard hem in den oceaan had geworpen,
en waar hij vandaan kwam.
Dien nacht sliep T’ai Tsung heel rustig, zoodat hij zich den volgenden
dag weer geheel hersteld voelde en vol levenskracht.
Met groote vreugde hoorde het volk de tijding van zijn herleven, en er
waren groote feesten over het geheele land. De koning schonk amnestie
aan alle misdadigers, richtte weeshuizen op, en schonk promotie aan
velen zijner ambtenaren, ter eere van het heuglijke feit.
Zoodra de eerste drukten wat over waren, begon T’ai Tsung te denken
over het vervullen der belofte, en het betalen der schuld, die hij in
de hel gemaakt had. Het laatste was het gemakkelijkste. Hij zond den
hertog van Ngoh naar het district K’ai Fung om Siang Liang op te
zoeken, en gaf hem de waarde van een schatkamer gouds mede, om de
schuld eerlijk af te doen. Toen de hertog in het district was
aangekomen, hoorde hij tot zijn verbazing, dat Siang Liang maar een
heel arme man was, die met zijn vrouw in een schamel hutje woonde, en
leefde van den verkoop van drinkwater en steenen potten en pannen. Maar
deze arme stakkert was tegelijk een heel goed en vroom mensch, die zich
tevreden stelde met het hoogst noodige eten, en de rest van zijn
weinigje geld gebruikte voor aalmoezen aan monniken, en vooral voor het
koopen van offerpapier, dat hij trouw verbrandde voor de geesten. Nu
was de zaak duidelijk. Dat offerpapier, schijfjes grof geel papier, met
zilver- en goudgeld er op geteekend, stijgt immers op, en wordt door
een wonder in werkelijk geld veranderd, duizend, honderdduizendvoudig,
naar gelang van de intensiteit der deugd die haar verbrandde, der
oorzaak, die dat mirakel creëerde! En zonder aarzelen ging de hertog
van Ngoh naar de hut van Siang Liang. Toen de deugdzame man den
schitterenden hertog met zijn gevolg zag aankomen, viel hij met zijne
vrouw voor hem op de knieën, en sloeg met het hoofd op den grond.
„Sta op, eerwaarde grijsaard,” sprak de hertog. „Ik ben de afgezant van
den koning, en kom u de goudstukken terugbetalen.”
Hevig verschrikt vroeg Siang Liang: „Wat zou ik, verachtelijk wezen,
voor goudstukken uit hebben staan? En hoe zou ik dan deze schatten
durven aannemen, waar ik de afkomst niet van weet?”
Toen antwoordde de hertog: „Ik heb ook gehoord, dat gij maar een arme
drommel zijt. Maar gij hebt altijd aalmoezen gegeven aan monniken, en
offerpapier verbrand, en dat is nu in de hel al een groote schat
geworden. Toen onze koning in de hel was, heeft de Beslisser-Mandarijn
hem daarvan een schatkamer geleend, om aan de geesten te geven, op
voorwaarde, dat hij het later op aarde weer aan u zou teruggeven. Gij
kunt het dus gerust aannemen.”
Toen bogen Siang Liang en zijne vrouw eerbiedig voor Hemel en Aarde en
zeiden: „Als dat geld afkomstig is van offerpapier, dan blijft de zaak
toch duister en van een andere wereld. Wij kunnen het onmogelijk
aannemen.”
En hier bleven zij bij. De hertog slaagde er niet in, hen te overreden,
en rapporteerde dit aan den koning. Toen gelastte T’ai Tsung hem, om
met dat geld op die plaats een groot klooster op te richten. Aan
weerszijden van den tempel werd een levensgroot beeld geplaatst, het
eene van Siang Liang en het andere van zijn vrouw. Die beelden werden
nog gedurende hun leven door ieder bezoeker aangebeden. En het klooster
stond overal in den omtrek in een reuk van groote heiligheid.
Zóó was de schuld in geld behoorlijk door den koning voldaan. Maar nu
de tweede, de belofte. Hoe woord te houden, en de meloenen naar de
hellekoningen te zenden? Dit was een moeilijk geval. Hij liet overal
plakkaten aanplakken, door het geheele rijk, waarin hij lieden
uitnoodigde, die genegen waren voor den keizer meloenen te brengen naar
de hel. En gelukkig meldde zich kort daarop iemand aan. Hij was een
schatrijk man uit Kiün Chow, genaamd Lao Ts’üen. Deze Lao Ts’üen was
getrouwd met een beeldschoone vrouw, Li Ts’ui Lien, van wie hij innig
veel hield, maar wie hij het leven erg lastig maakte door zijne
overdreven jaloerschheid. Op een goeden dag was er een monnik komen
bedelen, die er heel hongerig en haveloos uitzag, en de goede Ts’ui
Lien, die een medelijdend hart bezat, schonk hem een gouden haarnaald
uit haar kapsel. Toen was Lao Ts’üen woedend geworden, en had haar
verweten, dat zij stellig een oogje op dien monnik had en overspel met
hem pleegde. Dit was te veel voor de eerzame vrouw. Zij ging
onmiddellijk naar haar kamer, en hing zich op. Lao Ts’üen was niet te
troosten, en toen hij de oproeping van den keizer las, was hij blij,
zulk eene goede gelegenheid te vinden om zijn vrouw in de hel terug te
zien. De koning was erg in zijn schik toen hij zich aanbood, en wees
hem een zijner paleizen, het Gouden Priëel, waar meloenen in overvloed
waren. Lao Ts’üen ging daarheen, at met smaak een partijtje mooie
meloenen, nam daarop vergif in, en stierf. Zijn ziel toog uit het
lichaam, en ging, behoorlijk voorzien van de pas verorberde meloenen,
die nu weer gaaf en blinkend waren, naar de hel. Hij werd aan de poort
uiterst beleefd door een duivel ontvangen, die hem naar den zetel
leidde van den hellekoning Yen Lo Kiün. Lao Ts’üen knielde neder, en
bood den koning eerbiedig de meloenen aan. Yen Kiün was zeer verheugd,
en zeide tevreden: „Dat is me nu eerst eens een keizer die zijn woord
houdt, die T’ai Tsung!” Daarna informeerde hij naar den naam van den
afgezant. En Lao Ts’üen vertelde hem, hoe hij heette, hoe hij zijn
vrouw verloren had, Li Ts’ui Lien, en hoe hij, zonder haar niet
kunnende leven, ook maar gestorven was. En de hellekoning vond deze
geschiedenis zóó aandoenlijk, dat hij dadelijk een duivel gelastte,
Ts’ui Lien in de tien gebieden op te zoeken, en bij hem te brengen.
Voor de securiteit liet hij zich meteen even door den Beslisser het
Register van Leven-en-Dood aanreiken. En dat was volkomen in orde, want
zoowel Lao Ts’üen als zijne vrouw bleken bestemd te zijn om later wijze
Geesten te worden, en den eeuwigen levensduur dier uitverkorenen te
genieten.
Kort daarop kwam Ts’ui Lien veilig en wel aan, en viel haar man in de
armen. Alles was vergeven en vergeten. Yen Kiün gelastte daarop een
duivel, om de beide zielen weer op de aarde terug te brengen. Maar de
duivel antwoordde: „Dat zal met Ts’ui Lien moeilijk gaan, vrees ik.
Want haar lichaam is al te lang geleden dood gegaan, en door het
ophangen is het hoofd van den romp gescheiden.”
Daar had de hellekoning zoo gauw niet aan gedacht! En een vrouw zonder
hoofd, daar had Lao Ts’üen niet veel aan! Toch wist hij er spoedig iets
op te vinden. Er stond namelijk in het Register, dat T’ai Tsung’s
jongere zuster, Li Yü Ying, juist om dezen tijd sterven moest. Wat nu
eenvoudiger, dan de ziel van Li Ts’ui Lien in het lichaam van de
prinses Li Yü Ying weer te doen herleven? En de hellekoning gelastte
twee duivels om het echtpaar weer in het leven terug te geleiden, Lao
Ts’üen naar het Gouden Priëel, waar zijn lijk nog lag, en Ts’ui Lien
naar het koninklijk paleis. En zóó gebeurde het, dat toen de prinses Li
Yü Ying wat in den tuin van het paleis liep te kuieren, zij plotseling
door een duivel werd aangegrepen en gedood, zoodat haar ziel het
lichaam ontvlood, dat als een lijk bleef liggen. Zóó vonden de
kamerjuffrouwen hun meesteres dood in den tuin, en in allerijl liepen
zij naar den koning, om de treurmare mede te deelen. Maar wat zij niet
wisten was, dat toen de ziel der prinses uit het lichaam was getogen,
de duivel gauw de ziel van Ts’ui Lien, Lao Ts’üens vrouw, er voor in de
plaats had gezet. T’ai Tsung riep bij het hooren der jobstijding uit:
„Helaas! wat de hellekoningen mij voorspeld hadden is dan toch
uitgekomen!”, en spoedde zich naar den tuin, om de geliefde zuster nog
eens te zien. En kijk! zij scheen toch niet dood te zijn, want het hart
klopte nog zwakjes, en er was nog een beetje ademhaling zichtbaar. De
koning beurde haar met de hand op en riep: „Keizerlijke zuster,
ontwaak! ontwaak!”
De prinses, ten minste het lichaam der prinses maar met de ziel van
Ts’ui Lien er in, richtte zich op, en riep: „Lieve echtgenoot, loop
toch wat langzamer, en wacht een beetje op mij!” T’ai Tsung zeide: „Ik
ben hier bij U, keizerlijke zuster!”
Het lichaam sloeg de oogen op en zeide: „Wie zijt gij, die mij durft
aan te raken?” En de koning: „ik ben uw oudere broeder, de keizer”.
„Wat?” riep de prinses, „wat zou ik voor een keizerlijken broeder
hebben? Ik ben een vrouw uit het volk, mijn familienaam is Li, en mijn
eigen naam Ts’ui Lien, en mijn man heet Lao Ts’üen, uit Kiün Chow. Ik
heb mij opgehangen, omdat hij aan mijn eer twijfelde, en toen werd hij
door den koning der Thangs naar de hel gezonden, om meloenen cadeau te
geven. Yen Kiün, de hellekoning, had medelijden met ons, en heeft ons
weer in ’t leven doen terugkeeren. Maar Lao Ts’üen heeft een beetje
harder geloopen, en daarom ben ik nu hier alleen, en is hij vooruit.”
Maar de koning wilde er niets van gelooven. Want het lichaam was
precies dat van de prinses, zijn zuster, dezelfde gelaatstrekken,
dezelfde oogen, hetzelfde haar. Totdat plotseling Lao Ts’üen zelf
verscheen, in levenden lijve. De prinses herkende hem dadelijk en
vloog, tot groote verbazing van den keizer, in zijn armen. Toen deed
Lao Ts’üen een uitvoerig verhaal van zijn lotgevallen in de hel, en
eindigde met uit te leggen, hoe Yen Kiün, de hellekoning, besloten had,
de ziel zijner vrouw in het lichaam van de keizerlijke prinses te
reïncarneeren. Nu moest T’ai Tsung het wel gelooven. Hij schonk Ts’ui
Lien al de bezittingen en kostbaarheden van de prinses, en gaf haar aan
Lao Ts’üen tot vrouw. Eigenlijk was het ook nog zoo erg niet. Want, al
was Li Yü Ying’s ziel verscheiden, T’ai Tsung kon toch altijd haar
liefelijk lichaam zien, alsof zij nog steeds leefde. En wat Lao Ts’üen
betreft, al was het stoffelijke omhulsel zijner geliefde echtgenoote
verloren, hij bezat toch nog altijd haar ziel, wat toch het voornaamste
is van een vrouw, en Li Yü Ying, de prinses, wier lichaam die ziel had
opgenomen, was óók een heel mooi meisje, waar hij even dol verliefd op
raakte als vroeger op zijn bruid. En van zijn jaloerschheid was hij nu
voor goed genezen.
Het is onmogelijk, over chineesche sprookjes en legenden te spreken,
zonder vanzelf bij het chineesche tooneel terecht te komen. Want
voornamelijk door het tooneel worden zij bij de chineezen zoo bemind.
Als kleine kleuter, vóór hij nog lezen kan, staat de chinees al met
open mond en roode ooren van inspanning uren voor het tooneel al die
wonderen te aanschouwen, en eerst later leest hij er van in de
goedkoope volksboekjes van eenige cash, die zich gemakkelijk laten
lezen, omdat zij in de volkstaal zijn geschreven.
Het lijkt nog al „eng”, voor ons Westerlingen, die chineesche hel met
al die afgrijselijkheden. Wij zouden er ’s nachts liever niet van
droomen. En wij zouden het afschuwelijk vinden, aan zoo iets te denken
bij den dood van onze ouders, of onze vrienden, en bij gelegenheid
hunner begrafenis ons hun ziel voor te stellen in de hel, overgeleverd
aan de verfijnde martelingen der woeste duivels. Het is om van te
rillen, dat idee, nietwaar? Maar een chinees is veel meer vertrouwd met
den dood en het donker mysterie daarachter dan wij. Een chinees wandelt
langs de graven, die zijn geheele land over verspreid liggen, zonder
ooit één bevinkje van de rilling te voelen, die ons ’s nachts zou
overvallen, als wij ons verdwaald zagen op een kerkhof, liefst precies
om twaalf uur. Een chinees krijgt van zijn eigen kinderen een doodkist
cadeau, zooals wij een kop en schotel „voor uw verjaardag”, en zet die
op een plek in huis, die hij iederen dag voorbijgaat. Hij is zelfs een
bevoorrecht wezen, als hij het zoover gebracht heeft in de kunst van
Fung Shui, dat hij een geschikte plaats kan gaan uitzoeken voor zijn
eigen graf. En hij heeft elken dag gemeenschap met alle mogelijke
geesten van voorvaderen en oudere verwanten, en is heilig overtuigd,
dat de geheele atmosfeer bevolkt is door honderdduizenden spoken van
allerlei aard.
Waarom zou hij zich dan ook niet verdiepen in de sombere mysterieën der
hel, als zijn vader of zijn moeder dood is? Het is dan namelijk de
gewoonte, om tooneelvoorstellingen te geven, die de hel in geuren en
kleuren voor de treurende achterblijvenden vertoonen. Als zoo iets
wordt gespeeld is het publiek nog veel grooter dan anders.
Vreemd volk!
Stel u voor, dat een chinees zijn moeder verloren heeft, van wie hij
innig veel hield, zooals chineezen doen, zoo goed als Europeanen. Hij
weet, dat haar ziel naar de hel gaat, even zeker als hij weet, hoeveel
cash er in een dollar gaan. En stel u dan verder voor, dat hij, terwijl
het lijk nog boven aarde staat, kalmpjes een komedie-troep engageert,
en die vlak voor zijn deur de hel laat vertoonen, waar zijn moeder nu
juist naar toe is! Men moet maar sterke zenuwen hebben, of in ’t gehéél
geen zenuwen! Onder de vele stukken, die bij die gelegenheid worden
gespeeld, is de geschiedenis van Lao Ts’üen, die de meloenen gaat
brengen, een der populairste. De hel wordt daarin voorgesteld in tien
tafereelen, correspondeerende met de tien hellegebieden, waarvan ik
verteld heb bij het bezoek van Kwan Yin met haar gevolg aan de
onderwereld.
Het eerste tafereel, zooals ik het voor het laatst in China vertoond
zag, stelt voor Lao Ts’üen, die voor de poort der Hel wordt opgewacht
door den Beslisser. Deze ziet er in het geheel niet siniester uit, maar
is een hoog mandarijn, in een prachtig donkerbruin zijden gewaad, met
den breeden jaspisgordel om, en een langen witten baard. Ook Lao Ts’üen
ziet er keurig uit, en dat moet dan ook, want hij is een afgezant van
den keizer. Deftig stapt hij, in een groen gewaad met gouden draken,
met heel wijde mouwen, en nu en dan zijn langen baard even
uitstrijkend, wat een chineesch tooneelspeler met een gratie doet,
waarmede ik nog nooit een Europeaan aan zijn baard heb zien komen. Zij
buigen heel diep voor elkaar, de twee eerwaarde mannen, en zingen heel
vreemde melodieën op bizarre muziek, waarvan men de beteekenis weten
moet, om alles goed te begrijpen. Twee duiveltjes, jongetjes met zwart
gemaakte gezichten en roode lippen, dragen een mand met enorme meloenen
achter Lao Ts’üen aan.
Hierna brengen koelies twee bamboestokken en een touw, en in een
minimum van tijd is hierover een wit doek gespannen, dat fluks dicht
wordt geschoven. Dit is niets meer of minder dan de poort van de hel.
De muziek begint een heidensch lawaai te maken, om het leven te
overstemmen, dat de koelies maken, die achter het doek de hel aan ’t
opslaan zijn. Lao Ts’üen en zijn begeleider blijven doorzingen. Totdat
opeens het doek opengaat, en een fantastisch, luguber tooneel te
voorschijn komt. Achter een tafel met brandende kaarsen zit de
hellekoning, een reusachtige potentaat, met vuurrood gezicht vol witte
figuren, in een van goud schitterend vuurrood gewaad, waarover een
sneeuwwitte baard hangt. Naast hem, ter rechterzijde, staat een duivel
met een enormen paardenkop, en ter linkerzijde een met een koeienkop,
die er beiden niet te zeggen siniester uitzien. Zij zijn met lange
lansen gewapend. Een schaar dienstdoende duivels loopt somber over het
tooneel. Er zijn pikzwarte, en groene, en gele, en roode, met klauwen
en staarten, en met vuil en bloed bevlekt. Nooit heb ik zulk een
uitgelezen troep ongure wezens bij elkaar gezien, en ik hoop maar, dat
de goede lezer er niet van droomen zal. Vóóraan staat een soort oven,
waar de vlammen uit opstijgen, en waar eenige duivels, door een
opening, met blaaspijpen lustig in blazen, grijnzende van de pret.
Plotseling klinkt een oorverscheurend gejammer. Een half naakt, bebloed
mensch, met van angst verwrongen trekken, wordt door vier grimmige
duivels vooruit gesleurd. In zijn doodsangst trekt hij zijn belagers
soms terug, wordt dán weer vooruit gerukt, vlucht weer, wordt weer
ingehaald, en worstelt in wanhoop.
Het publiek is ademloos van spanning. Eindelijk is het arme zieltje
voor den oven gesleept. Zijn spieren zijn gezwollen van de worsteling,
zijn gelaat is afschuwelijk verwrongen, zijn haren hangen los over den
rug, en hij kermt met ontzettende jammerkreten. Maar in de hel is geen
genade. Met ijzeren drietanden wordt hij opgepikt en in den oven
gedeponeerd, waaruit zijn afschuwelijk gebrul nog even opstijgt, en de
vlammen opeens hooger opslaan. En korten tijd daarna wordt uit den
vuurpoel met een groote vork een gansch verkoold klompje gehaald, en
aan het publiek vertoond! En dan, roef! het gordijn dicht, en weer een
ander hellegebied klaargemaakt.
Zóó worden alle tien gebieden vertoond. Vooral het vijfde was de moeite
waard. Dáár heerscht Yen Lo Kiün, de verschrikkelijkste van allen. Hij
had een pikzwart gezicht, met roode, grimmige wenkbrauwen, en een
vuurrooden baard, en rooden neus. Zijn gewaad was van zwarte zijde, met
een creatie van gouden draken. Hij noodigde Lao Ts’üen uit om te gaan
zitten met een afgrijselijk gegil, of hij eigenlijk van plan was om hem
subiet den nek om te draaien. Zijn wenkbrauwen bewogen woest, en zijn
vurige oogen rolden vervaarlijk. Voor op het tooneel stond een blok bij
een paal, waarnaast een enorme zaag.
En onder een hartverscheurend gebrul werd een ontzaglijk dikke vrouw
aangesleept, die zich in de afschuwelijkste stuipen wrong van pijn.
Zonder complimenten werd zij op het blok gebonden, en twee groene
duivels met roode baarden, grinnikend van plezier, en dansend van de
jool, begonnen haar buik open te zagen. Ssjjt! sssjüut! ging de zaag,
en men hoorde de beenderen kraken. En met groote stroomen vloeide het
bloed over het tooneel. Haar vreeselijk gillen scheurde door de
lucht.... Ook de smalle Brug der Verschrikkingen was kostelijk. Een
lange, smalle plank, over twee stoelen. En aan weerszijden twee kisten,
met duivels er op, anders niet. Een chinees heeft nu eenmaal geen
décors noodig. Zijn gloeiende fantazie toovert hem de schoonste décors
voor met de primitiefste gegevens. Beneden op den grond, die een rivier
moet verbeelden, kruipen twee sombere personages, een zwarte duivel met
een enormen krokodillenkop vol scherpe tanden, en een groote slang. Een
voor een gaan de zondige zieltjes over de brug; de meesten verliezen
het evenwicht, bang gemaakt door de drietanden der duivels aan
weerszijden, en vallen in het water, waar zij door de slang en den
krokodil worden verscheurd. Heel enkelen komen veilig de brug over,
kijken de duivels op zijde met een kwaadaardigen sneer aan, en gaan
kalmpjes hun weg.
Maar het mooiste van alles was nog het tiende gebied, waar het Wiel der
Omwenteling is, dat de zielen zal reïncarneeren. Dit gebied werd
eenvoudig voorgesteld door een wit doek met twee deuropeningen, dat
over bamboestokken was gespannen. Dit doek deelde het tooneel in twee
helften, zoodat het publiek zien kon, wat er achter en vóór gebeurde.
En het groote Rad der Omwenteling was een gewoon houten wieltje op een
stok, dat lustig aan een touwtje werd rondgesnord. Men vergete hierbij
niet, dat dit geen monteering voorstelt, maar enkel het aangeven van
het idee. Het publiek moet zijn eigen fantazie laten werken om alles
werkelijk te zien zooals het zijn moet.
De zieltjes gingen nu heel eenvoudig één deurtje in, het wieltje
draaide even, rrrt! en uit het andere deurtje stapte de reïncarnatie te
voorschijn. Maar wat in het eene deurtje inging was héél wat anders dan
wat aan het andere deurtje uitstapte. Dat scheelde nog al wat.
Bijvoorbeeld een rijke sinjeur, in een prachtig costuum, schitterend
van goud en edelgesteenten, die met een voornaam, trotsch air de eene
deur binnenstapte, kwam er aan den anderen kant als een havelooze
schooier weer uit, die onder een zwaren last liep te zwoegen, om een
paar cash te verdienen. Een poenerig europeaantje, met een
monkey-jacket aan, een hoogen hoed op, en een lorgnet op zijn neus,
die, met een fatterig gebaar zijn opgewipte kneveltjes opstrijkend, het
eene deurtje binnenflaneerde, kwam er aan het andere uit als..... een
goor zwijntje, dat knorrende en brommende met bamboeslagen door een
chineeschen koelie werd voortgedreven! Een arme stakkert van een
daglooner, die nauwelijks loopen kon van vermoeidheid, kwam daarentegen
weêr te voorschijn als een heel deftig heerschap, een personage van het
Hof, die in een superbe galagewaad, een jaspis staf in de handen,
waardig voortstapte, met een aplomb alsof hij al zijn vorige levens
lang nooit iets anders gedaan had. En een rijk-uitgedost, dik gegeten
mandarijn, die zich vetgemest had met de gestolen gelden van het volk,
en die met een verwaand gezicht de eene deur binnenkuierde, of hij óók
in de hel over leven en dood te beschikken had, strompelde behoorlijk
het andere deurtje uit, gereïncarneerd als een bedelaar op krukken, die
jammerlijk een verminkt, met vuile zweren bedekt been vooruitstak.....
Zoo ziet men. Goed baart goed en kwaad baart kwaad. Daar is nu eenmaal
niets aan te doen. De oorzaak werkt, en het gevolg blijft niet uit, is
het niet nu, dan in een later leven. En in de hel komt loontje om zijn
boontje.
Alleen een allerpuurste, goddelijke Liefde kan die onverbiddelijke wet
van het Noodlot veranderen. Kwan Yin redde millioenen zondaren uit de
verschrikkingen der hel, en haar gebed verbrak de onverbreekbaar sterke
causale keten van hun Karma. En hoe afgrijselijker de verschrikkingen,
voorgesteld in de chineesche hel, des te schooner komt de blanke figuur
uit van die kuische Maagd van medelijden en genade, van de liefdevolle
boeddha Kwan Yin, die in den immenzen ópzwaai van haar bidden de
millioenen zielen van zonde naar de paradijzen overvoerde van het
eindeloos Nirvana.